Announcing: BahaiPrayers.net


More Books by Hindoeisme

Bhagavad Gita
Free Interfaith Software

Web - Windows - iPhone








Hindoeisme : Bhagavad Gita
De Bhagavad Gita
(Het Boek van Yoga en Bezinning)
Inleiding tot de Bhagavad-G�t�

De Bhagavad-G�t� is de leer van de universele waarheid. Haar boodschap is dus ��n, subliem, en geenszins sektarisch alhoewel het als dusdanig een gedeelte is van de Sanaatana Dharma, de drievoudige Heilige Schrift, beter gekend als het Hindoe�sme.

De �G�t� afgekorte benaming van deze Heilige Schrift is door gevorderde lezers in eender taal gemakkelijk te begrijpen. Door het veelvuldig lezen in geloof en vertrouwen is het boek een bron van inspiratie.

De G�t� is de meest wetenschappelijke metafysische leer, waarbij de psycholoog Carl Gustav Jung eigenlijk niets nieuws heeft gevonden omtrent het �Zelf� of de �ziel�, de kern van elk mens zelf.

In de Thora spreekt de Allerhoogste door Mozes en de profeten, in het Evangelie door Jezus van Nazareth en de apostelen, en in de Koran door de profeet Mohammed, althans wat de diverse religieuze tradities als geloofswaarheid bekrachtigen. In de �Bhagavad-G�t�, het Lied van de Verhevene, komt de �Heer Krishna� in Eigen Persoon te spreken, en dat maakt de G�t� tot de gewichtigste the�stische openbaringstekst die de wereld godsdiensten beschikken. Tevens leert deze Heilige Schrift aan de mens een proces van individuatie. Dit is een psychisch rijpings- en differenti�ringsproces van het Zelf: de verwezenlijking van het Zelf, die de mens leidt naar innerlijke evenwichtigheid en naar de ontwikkeling van de individuele psyche als een wezen dat van de collectieve psyche onderscheiden is, en toch met elkaar verenigt, de microkosmos in de macrokosmos.

De individuatie geschiedt eigenlijk door twee bewegingen, namelijk door een levenshouding om de hogere waarden van het leven te bevorderen in het licht van een bepaalde filosofie als deze van de Bhagavad-G�t�, die uiteindelijk de praktijk van de meditatie moet vergemakkelijken, namelijk mediteren in een rustige en gecontroleerde lichaam. Door de meditatie zal het �Ik� zich moeten vereenzelvigen met het �Zelf� en het �Zelf� (Ziel) zal, alhoewel deelachtig aan de diepste co�xistentie toch moeten komen tot de grootst eigen en afzonderlijke ontwikkeling.

De Bhagavad-G�t� beantwoordt twee universele vragen: wie ben ik, en hoe kan ik een gelukkig en vredig leven leiden in een wereld van grote verscheidenheid! De G�t� is een Yogaboek van morele en geestelijke groei.

Hier volgen om uw aandacht te vestigen op de Bhagavad-G�t�, de grondbeginselen van een vruchtbare meditatie, genomen uit hoofdstuk 6, de �Verbinding door Meditatie�, de verzen 10-15:

10. Wie naar het bovennatuurlijke streeft, dient altijd te trachten zich op het Verhevene Zelf te richten; hij behoort zich af te zonderen op een eenzame plaats en steeds aandachtig zijn geest te beteugelen; hij dient vrij te zijn van alle begeerte en elk bezits-gevoel.

11. Om yoga te beoefenen dient men naar een eenzame plaats te gaan en er kusa-gras op de grond leggen en dit bedekken met een hertevel en een zachte doek. De zitplaats mag niet te hoog en niet te laag zijn en moet zich op een heilige plek bevinden. De yog� dient dan in zeer rechte houding yoga te beoefenen door geest en zinnen te beteugelen, het hart te reinigen en de geest op ��n punt te richten. (Verzen 11-12)

13. Men dient romp, hals en hoofd recht opgericht te houden en onafgebroken naar de punt van de neus te staren. Met onbewogen, bedwongen geest, vrij van angst en volkomen vrij van geslachtelijkheid, dient men in zijn hart op Mij te mediteren en Me het einddoel van zijn leven te maken. (Verzen 13-14)

15. Terwijl hij op deze wijze tracht lichaam, geest en activiteiten te beteugelen, bereikt degene die het bovenzinnelijke nastreeft het koninkrijk Gods (Krishna�s woning) door be�indiging van zijn stoffelijk bestaan.

De G�t�s boodschap benaderde de mensheid in de persoon van Arjuna�s weigering zijn plichten als een strijder te vervullen, daar voor hem vechten ondergang en dood betekende. Geweldloosheid of Ahimsa is een van de fundamentele leerstellingen van het Hindoe�sme. Al wat leeft, de mens of andere wezens evenals de natuur, zijn heilig. De onsterfelijke dialoog tussen de Verhevene Krishna, en Zijn toegewijde vriend, Arjuna, gebeurt niet in een tempel of een afgezonderde woud, of op de top van een berg, maar op een oorlogsveld en op de vooravond van een oorlog, hetgeen in het grote heldendicht van de Mahaabhaarata wordt verhaald. De Heer Krishna in de G�t� geeft aan Arjuna de goede raad om op te staan en te gaan vechten. De opdracht te gaan vechten zou een misverstand onder de lezers kunnen veroorzaken tegenover de princiepen van Ahimsa indien de achtergrond van de Mahaabhaarata niet wordt uitgelegd. Als vriend van de Heer Krishna was Arjuna boven alle onwetendheid verheven, maar op het slagveld van Kuruksetra werd hij in onwetendheid gedompeld teneinde de Heer Krishna te kunnen ondervragen in verband met het probleem van het bestaan, zodat de Heer hem kon antwoorden ten behoeve van de komende geslachten, de mensheid zelf, en om het goddelijke levensplan te openbaren. Van nu af aan, kan de mens overeenkomstig met de goddelijke openbaring leven en volmaaktheid bereiken.

Het Mahaabhaarata houdt een historisch verband van de bewapening van de grote koning Bharata en zijn nageslacht tot aan de drie zoons van koning Vicitrav�rya: Dhrtar�stra, P�ndu en Vidura. Als oudste zoon had Dhrtar�stra de troon moeten erven maar daar hij sedert zijn geboorte blind was, viel de macht toe aan zijn jongere broer, P�ndu. P�ndu had vijf zoons: Yudhisthira, Bh�ma, Arjuna, Nakula en Sahadeva: Dhrtar�stra had er honderd, waarvan de hoofdpersonage Duryodhana noemde.

Dhrtar�stra kon niet aanvaarden dat zijn jongste broer de troon zou erven, en hij onderrichte zijn zoons op in de vaste geloofsovertuiging dat de wereld op een zekere dag door hen zou worden geregeerd in plaats van de P�ndava�s, de zonen van P�ndu. Zo groeiden Duryodhana en zijn vele broers op terwijl ze de eerzucht van hun vaders vervulden, in trots en hebzucht. Ongelukkiglijk stierf P�ndu voortijdig, terwijl zijn zoons onder de voogdij van Dhrtar�stra werden geplaatst. Deze trachtte hen en hun moeder, Prth�, die tevens Kunt� genoemd werd, te doden. Maar de duistere plannen van de blinde Dhrtar�stra werden verijdeld hoofdzakelijk door de tussenkomst van Vidura, de oom der P�ndava�s, en de barmhartige bescherming van de Heer Krishna.

De krijgsmacht en de leiders van die tijd, de ksatriya�s, hielden zich aan een erewoord, volgens welke het hun streng verboden was een uitdaging te verzuimen, of het nu ging om strijd of spelen zoals gokken. Door oplichterij en misbruik van deze regel, slaagde Duryodhana erin de vijf broers het koninkrijk af te nemen en zelfs hun absolute vrijheid, want hij dwong hen twaalf jaren in ballingschap te gaan. Toen de twaalf jaren voorbij waren, begaven de P�ndava�s zich aan het hof van Duryodhana en vroegen hun een stuk land om het te besturen, naar de regels van de ksatriya�s, namelijk dat een krijgsman geen andere functie kon vervullen dan die van beschermer of vorst. De P�ndava�s hadden genoeg met slechts een dorp, maar Duryodhana gaf hen op een brutale wijze te verstaan, dat ze nimmer zoveel grond zouden krijgen, zelfs niet groot genoeg om er een naald door te steken.

Arjuna en de broers hadden verder geen andere keus dan bijstand te nemen tot wapen activiteit; en, zo begon er een strijd van kolossale omvang. De voorname krijgslieden van die tijd uit de gehele wereld, waren opgetrokken, hetzij om Yudhisthira, de oudste van de P�ndava�s op de troon te zetten, hetzij om het te verhinderen, stelden ze zich bij Kuruksetra op voor de strijd. De slag van Kuruksetra duurde slechts achttien dagen, maar betekende de dood van het legendarisch getal van 640 miljoen mensen. De Vedische beschaving was, inderdaad, heel belangrijk en volmaakt in de krijgskunst.

Aan het begin van de slag om Kuruksetra, kwam de Heer Krishna te voorschijn om ertussen te komen en aldaar tot een akkoord te komen en een vreedzame regeling bereiken. Toch, ondervindt de Heer Krishna dat Duryodhana vastgesteld heeft naar eigen welbehagen de aarde te overwinnen en zich te ontdoen van de P�ndava�s, die zijn eigen troonbestijging in gevaar zouden brengen.

Als oprechte, nedere en zuivere toegewijden van de Heer Krishna, die leefden volgens de hoogste zedelijke normen, zien de P�ndava�s de Heer Krishna als God en de Allerhoogste Persoon, maar de zonen van Dhrtar�stra deden het niet. In ieder geval stelt de Heer Krishna voor, deel te nemen aan de strijd, waarbij de beide tegenpartijen mogen kiezen hoe Hij ze kan helpen. Hij zal niet meestrijden in eigen Persoon, maar Zijn troepen bevelen met de ene partij mee te vechten, terwijl Hij Zelf naar de andere kant als raadgever is gegaan. De P�ndava�s stonden onder de bescherming en kregen bijstand van de Heer Krishna, terwijl Duryodhana zijn leger met de troepenmacht van de Heer Krishna ziet versterken.

Het verhaal eindigt dat de Heer Krishna de Wagenmenner werd van Zijn toegewijde en innige vriend Arjuna. En, hier begint de Bhagavad-G�t�: de legers staan in slagorde tegenover elkaar en Dhrtar�stra vraagt ongerust aan zijn secretaris Sanjaya om rapport over de situatie op het slagveld.

Het doel van de Bhagavad G�t� is om de mensheid te verlossen van de metafysische onwetendheid waarin haar bestaan verkeert. Een heilige Schrift die de stem is van het transcendente kan niet echt worden vertaald. De taal en vertalingen zijn onbekwaam om in alle duidelijkheid de kennis van het Absolute echt mede te delen. In deze richting, een poging is steeds gedaan om zo dicht mogelijk bij de grondtekst van het Sanskriet te blijven terwijl men de lezing gemakkelijk en begrijpelijk willen houden. Het is vooral het werk geweest van Dr. Ramanand Prasad toen hij de G�t� uit het Sanskriet vertaalde. In de Nederlandse taal gebruiken we voorlopig de vertalingen in omloop. De aangehaalde vertalingen op het einde van deze inleiding zijn trouwens allemaal aan te raden. Zover hebben we vier Nederlandse vertalingen gevonden, want er zijn waarschijnlijk meer. Andere vertalingen graag door jullie medegedeeld. Een nieuwe Nederlandse vertaling naar deze van Ramananda Prasad�s Engelse editie is alvast in wording.

Informatie:

Wij kunnen u vier vertalingen van de Bhagavad-G�t� in de Nederlandse taal en ��n in het Engels aanbevelen, namelijk:

(1) Bhagavad-G�t�, integraal vertaald naar het oorspronkelijke Sanskriet, door Hendrik van Teylingen. Uitgeverij, Altamire-Becht, Haarlem.

(2) De Bhagavad-G�t� zoals ze is, uitgegeven door �The Bhaktivedanta Book Trust. Uitgave met het Sanskriet tekst en commentaar.

(3) BhagavadG�t�, vertaald door Guus Nooteboom, bewerkt door zijn zoon Kuuk Nooteboom. Uitgeverij Ankl-Hermes bv � Deventer. Uitgave met het Sanskriet.

(4) Bhagavad Gita, vertaald door Dra C. Keus. Orient Serie � Uitgeverij Ankh-Hermes bv Deventer. Vertaling ten sterkste aanbevolen.

(5) Ten zeerste aangeraden de Engelse vertaling van de Bhagavad-G�t� door Dr. Ramananda Prasad, Ph.D.

Hoofdstuk 1
SRI MAD-BHAGAVAD-G�T�
ARJUNA� DILEMMA

�Laat van overal edele gedachten naar u komen.� � De Vedas

Nota: De oorlog van Mahabharata begon na een onderhandeling met de Heer Krishna, en anderen om hun nederlaag te voorkomen. De blinde Koning (Dhrtar�stra) was nooit zeker aangaande de overwinning van zijn zonen (Kauravas) ondanks hun verheven leger. De Wijze Vyasa, de auteur van Mahabharata wou de blinde Koning de gunst van het zicht geven, zodat de Koning de gruweldaden van de oorlog kon zien, daar hij in de eerste plaats ervoor verantwoordelijk was. Maar de Koning weigerde het aanbod. Hij wou de gruweldaden van de oorlog niet zien, en verkoos de oorlogsrapporten van zijn wagenmenner, Sanjaya. De Wijze Vyasa gaf Sanjaya de gave van helderziendheid. Met deze gave kon Sanjaya zien, horen, en het verleden, heden en toekomst oproepen. Hij was in staat als ooggetuige onmiddellijk een oorlogsrapport aan de blinde Koning die in zijn paleis vertoefde mede te delen.

Bhishma, de grootste man en hoofdcommando in Kauravas is door Arjuna buiten gevecht gesteld, en ligt op een doodsbed op het slagveld, de tiende dag van de achttien daagse oorlog. Toen de blinde Koning het slechte nieuws van Sanjaya hoorde, verloor hij alle hoop van zijn zonen�s overwinning. Nu wenst de Koning al de bijzonderheden van de oorlog vanaf het begin te vernemen, inbegrepen hoe het kwam dat de sterkste man en hoofdcommando van zijn verheven leger verkoos te sterven, verslagen op het slagveld. De leer van de Git� begint met het onderzoek van de blinde Koning, nadien beschreef Sanjaya hoe Bhishma was verslagen, zoals volgt:

1. Dhrtar�stra zei: O Samjaya, nadat mijn zoons en de zoons van P�ndu, verlangend naar de strijd, zich op het bedevaartsveld Kuruksetra hadden verzameld, - wat deden ze?

2. Samjaya zei: O Koning, nadat Koning Duryodhana het leger dat door de zoons van P�ndu was opgesteld in ogenschouw had genomen, ging hij naar zijn leraar en richtte als volgt het woord tot hem:

3. O mijn meester, zie het machtige leger van de zoons van P�ndu en hoe vakkundig het is opgesteld door uw schrandere leerling, de zoon van Drupada.

4. Er zijn in dit leger veel heldhaftige boogschutters, die niet onderdoen voor Bh�ma en Arjuna; en er zijn ook grote krijgslieden, zoals Yuyudh�na, Vir�ta en Drupada.

5. Er zijn ook grote, heldhaftige, machtige krijgers zoals Dhrstaketu, Ceki�na, K�s�r�ja, Purujit, Kuntibhoja en Saibya.

6. Daar zijn de geweldenaar Yudh�manyu, de stoere Uttamauj�, de zoon van Subhadr�, en de zoons van Draupad�. Al deze krijgers zijn grote strijdwagenvechters.

INLEIDING VAN HET LEGER COMMANDO

7. O beste der br�hmana�s, laat me u zeggen, zodat u op de hoogte bent, welke aanvoerders het bekwaamst zijn om mijn troepenmacht te leiden[1].

8. Er zijn mannen onder als uzelf, Bh�sma, Karna, Krpa, Asvatth�m�, Vikarna, en de zoon van Somadatta, Bhurisrav�, die altijd zegevieren in de strijd.

9. En er zijn nog vele andere helden die hun leven voor mij willen offeren. Ze zijn allen goed uitgerust met allerlei wapens en ze zijn allen bedreven in de krijgskunst.

10. Onze sterkte is onmetelijk en we worden door Grootvader Bh�sma volmaakt beschermd, terwijl de sterkte van de P�ndava�s, onder de zorgzame hoede van Bh�ma, beperkt is.

11. Jullie moeten nu allen Grootvader Bh�sma ondersteunen, ieder vanaf zijn eigen strategische plaats in de gevechtslinie.

DE OORLOG BEGINT MET HET BLAZEN VAN DE SCHELPHOORNS

12. Toen blies Bh�sma, de grote, wakkere stamvader van de Kuru-dynastie, de grootvader van de krijgers, zeer luid, als brulde er een leeuw, op zijn schelphoorn, tot vreugde van Duryodhana.

13. Toen klonken plotseling alle schelphoorns, signaalhoorns, trompetten, trommen en hoorns tegelijk, dat het daverde.

14. Heer Krsna en Arjuna, die op een grote, met witte paarden bespannen strijdwagen stonden, lieten van hun kant hun bovenzinnelijke schelphoorns weerklinken.

15. Hrs�kesa (Krsna) liet Zijn schelphoorn, P�ncajanya, schallen, Dhanajaya (Arjuna) blies op de zijne, Devadatta; en Bh�ma, de onverzadigbare eter en geduchte held, blies op zijn schrikwekkende schelphoorn Paundram.

16. Koning Yudhisthira, de zoon van Kunt�, blies op zijn schelphoorn Anantavijaya, en Nakula en Sahadeva bliezen op de Sughosa en de Manipuspaka.

17. Die grote boogschutter de Koning van K�s�, de grote strijder Sikhand�, Dhstadyumna, Vir�ta en de onoverwinnelijke S�tyaki,

18. Drupada, de zoons van Draupad� en de anderen, O Koning, zoals de zoon van Subhadr�, in volledige wapenrusting, bliezen allen op hun schelphoorn.

19. Het schallen van al deze schelphoorns werd stormachtig - en trillend zoveel in de lucht als in de aardbodem, verscheurde het de harten van de zoons van Dhrtar�stra.

ARJUNA WENST HET LEGER TE INSPECTEREN WAARTEGEN HIJ MOET VECHTEN

20. O Koning, toen nam Arjuna, de zoon van P�ndu, die op zijn strijdwagen stond en Hanum�m in zijn vaandel voerde, zijn boog op en maakte zich gereed, zijn pijlen af te schieten, zijn blik gericht op de zoons van Dhrtar�stra. O Koning, toen sprak Arjuna tot Hrs�kesa (Krsna) de volgende woorden:

21-22. Arjuna zei: O onfeilbare, rijd mijn wagen tussen de twee legers in, zodat ik kan zien wie er zijn, wie ernaar verlangen te vechten en met wie ik me in deze grote slag moet meten.

23. Laat me zien wie er voor de strijd zijn aangetreden om de boosaardige zoon van Dhrtar�stra te behagen.

24. Sanjaya zei: O telg van Bharata (Dhrtar�stra), toen Hrs�kesa (Krsna) aldus door Gud�kesa (Arjuna) was aangesproken, mende Hij de prachtige strijdwagen naar het middenveld tussen de beide legers.

25. In tegenwoordigheid van Bh�sma, Drona en alle leiders van de wereld zei Hrs�kesa, de Heer: O P�rtha, kijk toch naar alle Kuru�s, die hier verzameld zijn.

26. Toen kon Arjuna vanwaar hij tussen de beide legers stond zijn vaders, grootvaders, leraren, ooms van moederskant, broers, zoons, kleinzoons, vrienden en ook zijn schoonvader en goede bekenden zien � die allen daar aanwezig waren.

ARJUNA�s DILEMMA

27. Toen de zoon van Kunt�, Arjuna, al deze verschillende vrienden en familieleden zag, werd hij door hevig mededogen overweldigd en sprak:

28. Arjuna zei: O Krsna, nu ik mijn vrienden en bloedverwanten in zo�n strijdlustige stemming voor me zie, voel ik dat mijn ledematen beginnen te beven en mijn mond droog wordt.

29. Mijn hele lichaam trilt en mijn haar staat overeind. Mijn boog G�ndiva glijdt me uit de handen en mijn huid gloeit.

30. Ik kan hier niet langer blijven. Ik ken mezelf niet meer, mijn geest wankelt. Ik voorzie alleen maar onheil, O vernietiger van de demon Kes�.

31. Ik voorzie niets goeds, O Krsna, in het doden van mijn eigen bloedverwanten in deze strijd en ik verlang geenszins naar de overwinning, het koninkrijk of het geluk dat ik als gevolg daarvan verwerf.

32-35. O Govinda[2], wat baten onze koninkrijken, geluk of het leven zelf, wanneer degenen voor wie we dit alles verlangen nu tegen ons opgesteld staan op dit slagveld? O Madhus�dana, wanneer leraren, vaders, zoons, grootvaders, ooms van moederkant, schoonvaders, kleinzoons, zwagers en alle familieleden, bereid hun leven en goed te offeren, tegenover me staan, waarom zou ik ze willen doden, ook al behoud ik het leven? O Jan�rdana, instandhouder van alle wezens, ik ben niet bereid met ze te vechten, zelfs niet in ruil voor de drie werelden, laat staan voor deze aarde.

36. Er zal zonde over ons komen als we deze aanvallers doden. Daarom is het niet goed als we de zoons van Dhrtar�stra en onze vrienden van het leven beroven. O M�dhava, hoe zouden we gelukkig kunnen zijn als we onze eigen familieleden zouden doden?

37-38. O Jan�rdana, ook al zien deze mannen, overweldigd als ze zijn door begeerte, er geen kwaad in hun bloedverwanten te doden of met vrienden te twisten, daarom hoeven wij, die de zonde ervan beseffen, hier toch niet aan mee te doen?

39. Wanneer de dynastie wordt vernietigd, raakt de eeuwige familie-traditie verbroken � en wie er dan nog over zijn, vervallen tot goddeloosheid;

ARJUNA VERHAALT DE GRUWELEN VAN DE OORLOG

40. Wanneer er goddeloosheid heerst in een familie, O Krsna, raken de vrouwen verdorven en op de verlaging der vrouwen, O telg van Vrsni, volgt ongewenst nageslacht.

41. Wanneer het ongewenste bevolkingsdeel aanwast, ontstaat er een helse toestand zowel voor de familie als voor degenen die de familie-traditie vernietigen. In zulke verdorven families wordt er aan de voorouders geen voedsel en water meer geofferd.

42. Door de wandaden van degenen die de familie-tradities verbreken worden allerlei gemeenschappelijke ondernemingen en activiteiten ten dienste van het welzijn van de familie te gronde gericht.

43. O Krsna, die de mensen in stand houdt, via de erfopvolging der geestelijke leraren heb ik vernomen dat degenen die de familie-traditie vernietigen altijd in de hel verblijven.

44. Ach, hoe vreemd is het dat we alleen maar uit begeerte naar koninklijk geluk bereid zijn grote zonden op ons te laden.

45. Ik had liever dat de zoons van Dhrtar�stra me doodden zonder dat ik het wapen tegen ze ophief of me verzette, dan dat ik de strijd met ze aanging.

46. Sanjaya zei: nadat Arjuna deze woorden gesproken had op het slagveld, wierp hij boog en pijlen naast zich op de strijdwagen neer en ging zitten, overweldigd door verdriet.

WANNEER VOORWAARTS GAAN HARD IS, ZELFS HARDE MENSEN KUNNEN MISLEIDT WORDEN

Er wordt gezegd dat Arjuna door de wil van de Heer Krishna, de God, tegenover een waantoestand werd gesteld, met het doel de leer van de Git� te openbaren, daar de verlichting en troost voor neergeslagen zielen betekent.

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gita, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het eerste hoofdstuk, genaamd �Arjuna�s Dilemma�.

[1] Ramananda Prasad�s vertaling (afgekort R.P.): Also know, O best among the twice born, the distinguished ones on our side. I shall name the commanders of my army for your information. (1.07)

Weet, O besten onder de tweemaal geboren, de eerbaarste aan onze zeide. Ik zal de commandoren van mijn leger voor uw informatie noemen.

Tweemaal geboren: eerste geboorte door mensenkind; tweede geboorte, de geestelijke door de bekering, de toewijding aan Krishna en verdere ontwikkeling.

[2] Arjuna spreekt Krsna aan als Govinda, omdat Krsna voor zowel koeien als de zinnen de bron van alle vreugde is.

Hoofdstuk 2
TRANSCENDENTALE KENNIS[1]

1. Sanjaya zei: toen Hij Arjuna, vol medelijden en met tranen van verdriet in de ogen, zo zag zitten, sprak Madhus�dana, Krsna, de volgende woorden:

2. De Allerhoogste Persoon (Bhagav�n) zei: hoe kom je zo onzuiver, Arjuna? Dat past niet bij iemand die de hogere waarden des levens kent. Het voert je niet naar hogere gewesten, maar naar schande.

3. O zoon van Prth�, zwicht niet voor deze vernederende zwakheid. Dat past je niet. Laat je kleinzieligheid varen en sta op, o bedwinger van de vijand.

ARJUNA VOLHARDT IN ZIJN REDENERINGEN TEGEN DE OORLOG

4. Arjuna zei: O doder van Madhu (Krsna), hoe kan ik de aanval in de strijd beantwoorden door pijlen af te schieten op mannen als Bh�sma en Drona, aan wie ik de hoogste eerbied verschuldigd ben?

5. Men kan in deze wereld beter leven als bedelaar dan ten koste van het leven van de grote zielen die mijn leraren zijn. Ook al worden ze door hebzucht gedreven, het blijven mijn leraren. Als ze gedood worden, is onze zege bezoedeld met bloed.

6. Ook weten we niet wat beter is � de zoon van Dhrtar�stra overwinnen of door hen overwonnen worden. Doden we ze, dan kunnen we het beter niet overleven. Nu staan ze voor ons op het slagveld.

7. Ik weet niet meer wat mijn plicht is en ik ben uit zwakheid volkomen uit mijn doen. In deze toestand verzoek ik Je me duidelijk te maken wat het beste voor me is. Ik ben nu Je leerling, Je toegedaan met hart en ziel. Onderricht me.

8. Ik weet niets te bedenken waarmee ik dit verdriet, dat me van mijn zinnen berooft, verdrijven kan. Ik zal het niet kunnen uitbannen, ook al win ik een onbetwist koninkrijk op aarde of de heerschappij van een halfgod in de hemel.

9. Sanjaya zei: na deze woorden zei Arjuna, de vijanden-bedwinger, tot Krsna: �Govinda, ik zal niet vechten�, en zweeg.

10. O telg van Bharata, daarop sprak Krsna midden tussen beide legers glimlachend de volgende woorden tot de terneergeslagen Arjuna:

DE LERINGEN VAN DE GITA BEGINNEN MET DE WARE KENNIS VAN DE GEEST EN HET MENSELIJK LICHAAM

11. De Allerhoogste zei: je spreekt geleerde woorden, maar treurt om iets wat het verdriet niet waard is. Zij die wijs zijn weeklagen noch om de levenden, noch om de doden.

12. Nimmer was er een tijd waarin Ik niet bestond, noch jij, noch al deze vorsten; noch zal in de toekomst ook maar ��n van ons ophouden te bestaan.

13. Zoals de belichaamde ziel in dit lichaam geleidelijk van kinderjaren overgaat naar jeugd en ouderdom, zo gaat ze bij de dood naar een ander lichaam over. Een zelfverwerkelijkte ziel raakt door zo�n verandering niet uit haar evenwicht. (Zie ook 15.08)

14. O zoon van Kunt�, het afwisselend komen en gaan van geluk en verdriet is als het komen en gaan van zomer en winter. Geluk en verdriet ontstaan uit zintuiglijke gewaarwording, O telg van Bharata, en men moet ze onbewogen leren verdragen.

15. O beste onder de mensen (Arjuna), wie zich door geluk noch verdriet uit zijn doen laat brengen en altijd evenwichtig blijft, kan voorzeker zijn bevrijding bereiken.

DE GEEST IS EEUWIG, HET LICHAAM IS VERGANKELIJK

16. De wijzen, die de waarheid zien, erkennen dat de onzichtbare Geest (Atma, Atman) eeuwig is, en het zichtbare fysisch lichaam vergankelijk. Ze kwamen tot deze conclusies na onderzoek van het wezen van beide[2].

17. Weet dat hetgeen waarvan het hele lichaam doordrongen is onvernietigbaar is. Niemand is in staat de onvergankelijke ziel te vernietigen.

18. Allen het stoffelijk lichaam van het onvernietigbare, onmeetbare en eeuwige levende wezen is aan vernietiging onderhevig: daarom � vecht O telg van Bharata.

19. Wie denkt dat het levend wezen kan doden of kan worden gedood, verkeerd in onwetendheid. Wie werkelijk kennis bezit, weet dat het zelf noch doodt, noch wordt gedood.

20. De ziel kent geboorte noch dood. En eenmaal zijnde, houdt ze nimmer op te zijn. Ze is ongeboren, eeuwig, immer-zijnd, onsterfelijk en oorspronkelijk. Ze wordt niet gedood wanneer het lichaam wordt gedood.

21. O Partha[3], hoe kan iemand die weet dat de ziel onvernietigbaar, ongeboren, eeuwig en onveranderlijk is, iemand doden of iemand tot doden aanzetten.

DE DOOD EN DE TRANSMIGRATIE VAN DE ZIEL

22. Zoals iemand zijn oude, versleten kleren wegdoet en zich in nieuwe steekt, laat de ziel het oude, nutteloze lichaam achter en hult zich in een nieuw.

23. Geen wapen kan de ziel ooit in stukken snijden, noch kan ze door vuur worden verbrand, door water verdronken of door de wind verdroogd.

24. Deze individuele ziel kan breken noch oplossen, verbranden noch verdrogen. Ze is eeuwig, alomtegenwoordig, onveranderlijk, onbeweeglijk en immer eender.

25. Er is gezegd dat de ziel onzichtbaar, onvoorstelbaar en onveranderlijk is. Nu je dit weet, mag je niet meer om het lichaam treuren.

26. Denk je echter dat de ziel voortdurend geboren wordt en telkens sterft, dan bestaat er nog steeds geen reden tot weeklagen, O sterk-gearmde.

27. Wie geboren is, gaat een gewisse dood tegemoet; en wie dood is, wordt z�ker weer geboren. Daarom behoor je bij het onvermijdelijk vervullen van je plicht geen klacht te uiten.

28. Alle geschapen wezens zijn niet-geopenbaard in hun begin, openbaar in hun tussen-toestand en wederom niet-openbaar wanneer ze worden vernietigd. Wat valt er dus te treuren?

DE ONVERGANKELIJKE GEEST TREEDT GEMOED EN SPRAAK BINNEN

29. Sommigen zien de ziel als verbazingwekkend, sommigen beschrijven haar als verbazingwekkend en sommigen horen over haar als verbazingwekkend, terwijl anderen, ook al hebben ze over haar gehoord, helemaal niets van haar begrijpen. (Zie ook KaU 2.07)

30. O telg van Bharata, de ziel in het lichaam is eeuwig en kan nimmer worden gedood. Daarom hoef je om geen enkel schepsel te treuren.

DE HEER KRISHNA BRENGT ARJUNA ZIJN PLICHT AS KRIJGER TOT HERINNERING

31. Ten aanzien van je bijzondere plicht als ksatriya behoor je te weten dat er voor jou geen betere taak bestaat dan strijden volgens religieuze beginselen � het is dus onnodig dat je nog aarzelt.

32. O Partha[4], gelukkig de ksatriya�s die buiten hun toedoen zo�n gelegenheid krijgen om te strijden, waardoor de toegang tot de hemelse gewesten zich voor hen opent.

33. Als je deze religieuze oorlog[5] echter niet strijdt, zul je wegens plichtverzuim zonden op je laden en zo je naam als held verliezen.

34. De mensen zullen altijd schande van je blijven spreken � en voor mensen die eer hebben genoten is eerloosheid erger dan de dood.

35. De grote veldheren, die een hoge dunk hadden van je naam en eer, zullen denken dat je louter uit angst het slagveld hebt verlaten en je daarom een lafaard vinden.

36. Je vijanden zullen vele onvriendelijke woorden over je spreken en de draak steken met je heldhaftigheid. Wat zou er pijnlijker voor je kunnen zijn?

37. O zoon van Kunt�, �f je zult op het slagveld worden gedood en de hemelse gewesten bereiken, �f je zult de strijd winnen en van je aardse koninkrijk genieten. Daarom � sta op en strijd vastberaden.

38. Strijd om der wille van de strijd, zonder te denken aan geluk of verdriet, verlies of winst, zege of nederlaag � als je zo handelt, blijf je altijd van zonden vrij.

DE BELANGRIJKHEID VAN KARMA-YOGA, DE ONBAATZUCHTIGE DIENSTVERLENING

39. Tot dus ver heb Ik je de analytische kennis van de sankhya-filosofie[6] uit��n gezet. Luister nu naar wat Ik te zeggen heb over de yoga, waarbij men werkt zonder dat men daardoor aan zijn handelen gebonden raakt. O zoon van Partha[7], als je je deze kennis eigen maakt, kun je jezelf bevrijden van de terugslagen van je doen en laten.

40. Wie dit nastreeft lijdt verlies noch achteruitgang � en een kleine vooruitgang op deze weg kan een mens voor het ernstigste gevaar behoeden.

41. Degenen die deze weg begaan, zijn vastberaden en kennen slechts ��n doel. Maar de besluitelozen, O geliefd kind van de Kuru�s, worden geleid door een verstand dat zich op vele dwaalplaatsen begeeft.

DE VEDA�s BEHANDELEN BEIDE MATERI�LE EN GEESTELIJKE ASPECTEN VAN HET LEVEN

42-43. Mensen met weinig kennis voelen zich bijzonder aangetrokken door de bloemrijke taal der Veda�s, die hun verschillende vormen van baatzuchtig streven aanbevelen in geval ze willen worden verheven naar de hemelse gewesten, waar hen een goede geboorte, macht en hemelse vreugde wachten. Begerig naar zingenot en een leven in weelde, zeggen ze dat dit alles te boven gaat.

44. Degenen die te zeer aan zingenot en aardse weelde hangen en hierdoor verward van geest zijn, komen niet tot het vaste besluit de Allerhoogste toegewijd te dienen.

45. De Veda�s handelen hoofdzakelijk over de drie�rlei aard der stoffelijke natuur. Rijs boven deze geaardheden uit, O Arjuna. Wees aan alle ontstegen. Wees vrij van alle dualisme en alle bezorgdheid om veiligheid en winst en wees hecht verankerd in het zelf.

46. Alle doeleinden die een kleine bron geleidelijk dient, kunnen ineens worden gediend door meren en zee�n. Evenzo kunnen alle doeleinden van de Veda�s worden gediend door degene die weet wat hun ene doel is.

DE THEORIE EN PRAKTIJK VAN KARMA-YOGA

47. Je hebt het recht je voorgeschreven plicht te vervullen, maar de vruchten ervan komen je niet toe. Zie jezelf nooit als oorzaak van het resultaat van je bezigheden en tracht nooit je plicht te verzaken.

48. Wees standvastig in yoga, Arjuna. Doe je plicht en laat alle gehechtheid aan slagen en falen varen. Zo�n evenwichtigheid van geest wordt yoga genoemd.

49. O Dhananjaya[8], bevrijd jezelf van alle baatzuchtig werk door toegewijde dienst en geef je aan dat bewustzijn volkomen over. Zij die de vruchten van hun werk willen plukken zijn schapers.

50. Wie toegewijde dienst verricht, bevrijdt zich nog tijdens dit leven van de terugslagen zowel van goede als van slechte daden, Arjuna. Tracht dus te handelen in Karma-yoga of Seva � de kunst van alle arbeid.

51. De wijzen, die toegewijde dienst verrichten, zoeken hun heil in de Heer en bevrijden zich uit de kringloop van geboorte en dood door van de vruchten van hun arbeid in de stoffelijke wereld af te zien. Zo kunnen ze daar komen, waar men van alle ellende vrij is[9].

52. Wanneer je verstand uit het dichte woud der begoocheling te voorschijn komt, zul je onverschillig zijn jegens alles wat er gehoord is en alles wat er nog gehoord zal worden.

53. Is je geest niet meer in beweging te brengen door de bloemrijke taal der Veda�s en verkeert hij onwankelbaar in de verheven rust der zelfverwerkelijking, dan ben je het goddelijk bewustzijn deelachtig geworden.

54. Arjuna zei: waaraan herkent men iemand wiens bewustzijn aldus opgaat in het Bovenzinnelijke? Hoe spreekt hij en wat zijn zijn woorden? Hoe zit hij en hoe loopt hij?

DE KENMERKEN VAN EEN ZELF- GEREALISEERDE PERSOON.

55. De Allerhoogste zei: O Partha, wanneer men alle zinnelijk verlangen dat uit het dwalen van de gedachten voortkomt laat varen en wanneer men de geest alleen in de zelfbevrediging laat vinden, heet men in zuiver bovenzinnelijk bewustzijn te verkeren.

56. Wie zich niet van streek laat brengen door het drievoudig leed, wie in gelukkige omstandigheden niet opgetogen is en wie vrij is van gebondenheid, vrees en woede, wordt een wijze van standvastige geest genoemd.

57. Wie zonder bindingen is, wie zich niet verheugt wanneer hem iets goeds overkomt, noch treurt wanneer er iets kwaads geschiedt, is echt verankerd in volmaakte kennis.

58. Wie � zoals een schildpad zijn ledematen intrekt onder zijn schild � in staat is zijn zinnen af te wenden van wat ze prikkelt, wordt geacht zich waarlijk in staat van kennis te bevinden.

59. De belichaamde ziel kan weliswaar van zingenot weerhouden worden, hoewel ze haar smaak voor het zinneprikkelende behoudt. Maar wanneer ze zich er niet meer om bekommert, doordat ze een hogere smaak ervaart, is ze echt in bovenzinnelijk bewustzijn verankerd.

HET GEVAAR VAN ONBETEUGELDE ZINTUIGEN

60. De zinnen zijn zo sterk en onstuimig, O Arjuna, dat ze zelfs de geest meeslepen van een mens die onderscheidsvermogen bezit en juist zijn zinnen tracht te beheersen.

61. Wie zijn zinnen beheerst en zijn bewustzijn op Mij richt, is een evenwichtig en verstandig mens.

62. Wanneer men datgene beschouwt wat de zinnen bekoort, begint men zich eraan te hechten en uit deze gehechtheid ontwikkelt zich lust en uit lust ontstaat woede.

63. Uit woede komt begoocheling voort en uit begoocheling geheugen-verwarring. Wanneer het geheugen verward is, verdwijnt het verstand en wanneer het verstand verdwenen is, valt men terug in het stoffelijk moeras.

HET BEREIKEN VAN VREDE EN GELUK DOOR DE BEHEERSING VAN DE ZINNEN EN KENNIS

64. Wie zijn zinnen weet te beheersen door zich te houden aan de regels van vrijheid in gebondenheid, kan zich de volkomen genade van de Heer verwerven en zo verlost worden van alle voorkeur en afkeer.

65. Voor iemand die aldus in het goddelijk bewustzijn verkeert, bestaat het drievoudig leed van de stoffelijke wereld niet meer; in zo�n gelukkige toestand komt het verstand spoedig in evenwicht.

66. Wie niet in bovenzinnelijke bewustzijn verkeert, kan noch een beheerste geest, noch een evenwichtig verstand hebben, zonder welke men geen vrede kan vinden. En hoe kan er zonder vrede geluk bestaan?

67. Zoals de storm een schip over het water weg kan blazen, zo kan alleen al ��n van de zinnen, waarop de geest zich richt, iemands verstand op hol laten staan.

68. Daarom, O sterk-gearmde[10], beschikt iemand die de neigingen van zijn zinnen beteugelt beschikt over een evenwichtig verstand.

69. De welbeteugelde waakt in datgene wat ieder��n als nacht beschouwt; en datgene wat ieder��n in waakt is nacht voor de schouwende wijze[11].

70. Alleen hij die zich niet laat verwarren door de ononderbroken stroom van begeerten � welke als rivieren uitmonden in de oceaan, die aldoor gevuld wordt, maar altijd kalm is - alleen hij kan vrede vinden, en degenen die zulke begeerten tracht te bevredigen niet[12].

71. Wie elke neiging tot zinsbevrediging heeft opgegeven en een leven vrij van begeerten leidt, wie elke gedachte dat hij enig-iets bezit heeft laten varen en er geen vals ego op nahoudt � alleen die mens kan werkelijk vrede vinden.

72. Dit is de weg van het geestelijk en goddelijk leven en wie hem heeft gevonden kent geen verbijstering meer. Wie in deze wezensstaat verkeert, al is het eerst in het uur van zijn dood, bereikt de Weidsheid der rust[13].

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gita, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het tweede hoofdstuk, genaamd �Transcendentale Kennis�.

[1] Samenvatting van de Gita.

[2] Deze vers werd aangepast naar de vertaling uit het Sanskriet in het Engels van Dr. Ramananda Prasad. De vertaling van het Krishna bewustzijn is als volgt: �De wijzen, die de waarheid zien, erkennen dat het niet-zijnde niet blijft en het zijnde niet vergaat. Ze kwamen tot deze slotsom na onderzoek van het wezen van beide.�

[3] Op Arjuna gericht.
[4] Arjuna.
[5] Innerlijke strijd tussen goed en kwaad.
[6] De wetenschap van de transcendentale kennis.

[7] �O zoon van Partha�, Arjuna behorende tot de familie van Partha.

[8] Arjuna in feite.

[9] R.P. vertaalt vers 51 uit het Sanskriet als volgt: �Karma-yogis are freed from the bondage of rebirth due to renouncing the selfish attachment to the fruits of all work, and attain blissful divine state of salvation or Nirvana.� Vertaald: �Karma-yogis zijn van de slavernij der wedergeboorte verlost, daar ze zelfzuchtige gehechtheid aan werk resultaten hebben prijs gegeven, om het gezegende en goddelijke oord van heil of Nirvana te benaderen.� Nirvana: Zijntoestand waarin het stoffelijke bestaan wijkt en welke voorafgaat aan alle geestelijke, toegewijde activiteit.

[10] Arjuna.

[11] Het wordt door R.P. als volgt uit het Sanskriet vertaald: �A yogi, the person of self-restraint, remains wakeful when it is night for all others. It is night for the yogi who sees when all others are wakeful. (2.69)�

[12] Anders nog: �Zoals de immer volle oceaan kalm en onberoerd blijft, ook al stromen de rivieren in hem binnen, zo vindt, al golft het genot op hem toe, de wijze vrede � maar niet degene die het genot begeert.�

[13] Door R.P. als volgt vertaald: �O Arjuna, this is the superconscious state of mind. Attaining this state, one is no longer deluded. Gaining this state, even at the end of one�s life, a person becomes one with the Absolute. (2.72)�

Hoofdstuk 3
HET PAD DER DIENSTBAARHEID

1. Arjuna zei: O Jan�rdana, O Kesava, waarom dwing Je me aan deze gruwelijke strijd deel te nemen, als Je denkt dat verstandig zijn beter is dan handelen terwille van het resultaat.

2. Mijn verstand is door Je dubbelzinnige aanwijzingen van streek. Zeg me daarom ondubbelzinnig wat het heilzaamst voor me is.

3. De Allerhoogste zei: O zondeloze Arjuna, Ik heb al uitgelegd dat er twee soorten mensen zijn die het Zelf trachten te verwerkelijken. Sommigen zijn geneigd Het proefondervindelijk en wijsgerig bespiegelend te benaderen, anderen zoeken Het door toegewijde arbeid.

4. Louter door zich van werken te onthouden kan men zich niet vrijwaren van de terugslagen ervan, noch kan men louter door verzaking tot volmaaktheid komen.

5. Alle mensen zijn gedwongen hulpeloos te handelen overeenkomstig de drangen die voortkomen uit de geaardheden der stoffelijke natuur; daarom kan niemand zich ervan weerhouden iets te doen, zelfs geen ogenblik.

6. Wie de zinnen en de handelende lichaamsdelen beheerst, maar intussen mijmert over zingenoegens, misleidt zichzelf en wordt een huichelaar genoemd.

WAAROM ANDEREN DIENEN?

7. Wie daarentegen de zinnen beteugelt met de geest, en zijn handelende lichaamsdelen inschakelt in toegewijde arbeid, zonder zich eraan te hechten, stijgt hier verre bovenuit.

8. Doe je voorgeschreven plicht, want werken is beter dan niets doen. Een mens kan niet eens zijn lichaam onderhouden zonder te werken[1].

9. Werk als offer aan Visnu opgedragen, moet worden verricht, anders bindt werk ons aan de stoffelijke wereld. Vervul daarom je voorgeschreven plicht om Zijnentwil, O zoon van Kunt�, en aldus zul je altijd onthecht en vrij van gebondenheid blijven.

ELKAAR HELPEN IS HET EERSTE GEBOD VAN DE SCHEPPER

10. In het begin van de schepping zond de Heer aller schepselen geslachten van mensen en halfgoden uit met offers aan Visnu[2] en zegende ze, zeggende: �Weest gelukkig door deze yajna (offer), want hij zal jullie alles schenken wat je begeert.�

11. De halfgoden, door de offers tevredengesteld, zullen jou tevreden stellen; en door deze wisselwerking zal er voor allen algehele voorspoed heersen.

12. De halfgoden, wier taak is in de verschillende levensbehoeften te voorzien, geven de mens, wanneer hij hun met yajna tevreden stelt, alles wat hij nodig heeft. Wie echter van deze gaven geniet zonder ze aan de halfgoden te offeren is voorzeker een dief.

13. De toegewijden van de Heer worden van alle zonden verlost, omdat ze voedsel nuttigen dat eerst geofferd is. Anderen, die voedsel bereiden voor eigen zingenot, eten waarlijk louter zonde.

14. Alle bestaande lichamen leven van voedsel, dat slechts kan groeien wanneer er regen valt. Regen volgt op het brengen van yajna (offers), waarvan de mens zich kwijt door zijn voorgeschreven plichten te vervullen.

15. De Veda�s, die rechtstreeks door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zijn geopenbaard, schrijven aan regels gebonden handelen voor. Dienovereenkomstig is het alomtegenwoordige bovenzinnelijke eeuwig in offer-handelingen aanwezig.

16. Mijn dierbare Arjuna, wie zich niet richt naar het Vedische voorschrift om stelselmatig te offeren, leidt een zondig leven, want wie slechts vreugde beleeft aan zijn zinnen, leeft tevergeefs.

17. Maar wie behagen schept in het zelf, wie verlichting geniet in het zelf, wie blij en tevreden is met het zelf alleen, en daarin verzadigd � die kent geen plicht.

18. Een zelfverwerkelijkt persoon heeft bij het vervullen van zijn voorgeschreven plicht geen bepaalde oogmerken, noch heeft hij enige reden om zulk werk niet te verrichten. Evenmin heeft hij ook maar de geringste behoefte zich van een ander levend wezen afhankelijk te stellen.

LEIDERS MOETEN HET VOORBEELD GEVEN

19. Daarom dient men, zonder zich aan de vruchten van zijn daden te hechten, louter uit plichtsbetrachting te handelen; want wanneer men belangeloos werkt, bereikt men het Allerhoogste.

20. Zelfs vorsten als Janaka en anderen bereikten het peil der volmaaktheid door hun voorgeschreven plichten te vervullen. Daarom dien je, juist om de mensen een voorbeeld te stellen, je taak verrichten.

21. Hoe een groot man ook handelt, de gewone mensen volgen altijd zijn voorbeeld. En de maatstaf die hij door zijn voorbeeldig handelen aanlegt, wordt door de hele wereld aangehouden.

22. O zoon van Partha, in alle drie van de gewesten-stelsels is er geen enkel werk dat Me is voorgeschreven. Het ontbreekt Me aan niets, noch hoef Ik iets te hebben � en toch houd Ik Me met werken bezig[3].

23. Want als Ik geen werk verrichte, O Partha, zouden alle mensen beslist Mijn voorbeeld volgen.

24. Als Ik met werken ophield, zouden al deze werelden ten gronde gaan. Ook zou Ik dan de oorzaak zijn van ongewenste bevolking en daarmee de vrede van alle levende wezens verstoren.

WAT ZOU DE WIJZE TEGENOVER DE ONWETENDE MOETEN DOEN

25. Zoals de onwetenden hun plicht vervullen ter wille van de vruchten van dien, zo kunnen ook wijzen handelen, maar dan belangloos, om de mensen voor te gaan op het goede pad.

26. Laten de wijzen de geest der onwetenden, die gehecht zijn aan baatzuchtig werk, niet in de war brengen. Ze moeten niet worden aangemoedigd met werken op te houden, maar over te gaan tot werken in toegewijde dienst. (Zie ook 3.29)

27. De geestelijke ziel, die door de invloed van de drie�rlei aard der stoffelijke natuur geheel in de war is, denkt dat ze z�lf van alles doet, wat in werkelijkheid door de natuur wordt gedaan. (Zie ook 5.09, 13.29, and 14.19)

AL DE WERKEN ZIJN DE WERKEN VAN DE NATUUR

28. Wie geworteld is in de kennis der Absolute Waarheid, O sterk-gearmde, houdt zich niet bezig met de zinnen en derzelver bevrediging, want hij kent het verschil tussen toegewijde dienst en zelfzuchtige activiteit.

29. Begoocheld door de geaardheden der stoffelijke natuur, werpen de onwetenden zich op stoffelijke bezigheden en raken eraan gehecht. Maar al houden ze zich uit gebrek aan kennis op met laagstaand werk, dan mag dit voor de wijzen geen reden zijn hen te verontrusten. (Zie ook 3.26)

30. Doe daarom, O Arjuna, alles wat je doet voor Mij, met je geest op Mij gericht en werp je � zonder te willen winnen, belangloos en wakker � in de strijd.

31. Wie zijn plicht doet volgens Mijn voorschriften en zich trouw en zonder afgunst houdt aan hetgeen Ik hier onderwijs, wordt bevrijd uit de gevangenschap waarin hij zich door zijn baatzuchtig streven bevindt.

32. Maar wie uit afgunst deze aanwijzingen veronachtzaamt en ze niet geregeld naleeft, dient beschouwd te worden als verstoken van alle kennis, verdwaasd en gedoemd tot onwetendheid en gevangenschap.

33. Zelfs iemand wiens leven in kennis wortelt, handelt naar zijn eigen aard, want iedereen gedraagt zich naar zijn aard. Wat zou men dan met onderdrukking kunnen bereiken?

TWEE STRUIKELBLOKKEN OP HET PAD VAN DE VOLMAAKTHEID

34. Van alles wat op de zinnen inwerkt ondergaan de belichaamde wezens de aantrekking en de afstoting, maar men moet zich niet door de zinnen en hetgeen op ze inwerkt laten leiden, want het zijn struikelblokken op de weg naar zelfverwerkelijking.

35. Het is veel beter zijn eigen voorgeschreven plicht te doen dan die van een ander. Want als men tijdens zijn eigen plichtvervulling fouten maakt of zelfs gedood wordt, is dit beter dan andermans plicht op zich te nemen, want het is gevaarlijk de weg van een ander te volgen. (Zie ook 18.47)

LUST IS DE OORSPRONG VAN DE ZONDE

36. Arjuna zei: O nakomeling van Vrsni, waardoor wordt iemand tot zondige daden gebracht, zelfs tegen zijn wil, alsof hij ertoe gedwongen wordt?

37. De Allerhoogste sprak: het is louter lust, Arjuna, die ontstaat uit aanraking met de stoffelijke geaardheid hartstocht en later verandert in toorn: zij is de alles-verslindende vijand van deze wereld en de oorzaak der zonde.

38. Zoals vuur verhuld wordt door rook, een spiegel door stof of de vruchtkiem door de moederschoot, zo wordt het levend wezen verhuld door verschillende graden van deze lust.

39. Zo wordt het zuiver bewustzijn van het levend wezen verhuld door zijn eeuwige vijand in de vorm van lust, die nooit bevredigd kan worden en brandt als vuur.

40. Zinnen, geest en verstand zijn de zetels van deze wellust, die de werkelijke kennis van het levend wezen versluiert en het van streek brengt.

41. Bedwing daarom reeds in het begin, O Arjuna, beste der Bharata�s, dit grote symbool der zonde (de lust) door de zinnen te beteugelen � en dood deze vernietiger van kennis en zelfverwerkelijking.

HOE DE LUST BEHEERSEN

42. De zinnen zijn boven de levenloze stof verheven; hoger dan de zinnen is de geest; nog hoger dan de geest is het verstand; en hoger nog dan het verstand is zij (de ziel)[4].

43. Wanneer men aldus weet dat men boven de stoffelijke zinnen, de geest en het verstand verheven is, dient men het lagere door het hogere zelf te beteugelen en zo � door bovenzinnelijke kracht � deze onverzadelijke vijand, bekend als lust, te overwinnen[5].

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gita, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het derde hoofdstuk, genaamd �Het Pad der Dienstbaarheid�.

[1] In de Bijbel, namelijk het Nieuwe Testament, wordt hierboven staande vers 8 door de apostel Paulus nogal sterk uitgedrukt als volgt: �Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten� (2 Thessalonicenzen 3: 10b)

[2] Naam van Krishna, �Instandhouder van al wat is�.

[3] R.P. heeft deze zin als volgt vertaald: �O Arjuna, there is nothing in the three worlds � heaven, earth, and the lower regions � that should be done by Me, nor there is anything unobtained that I should obtain, yet I engage in action. (3.22)� De zoon van Partha is Arjuna bedoeld. De vertaling luidt als volgt: �O Arjuna, er is niets in de drie werelden � hemel, aarde, of in de lagere gewesten dat Mij zijn voorgeschreven. Het ontbreekt Me aan niets, noch hoef Ik iets te hebben � en toch houd ik Me met werken bezig.� (3.22)

[4] R.P. vertaalt als volgt: The senses are said to be superior to the body, the mind is superior to the senses, the intellect is superior to the mind, transcendental knowledge is superior to the intellect, and the Self is superior to transcendental knowledge. (3.42) �Er wordt gezegd dat de zintuigen hoger zijn dan het lichaam, het gemoed hoger dan de zintuigen, het intellect hoger dan het gemoed, en het Zelf hoger dan de transcendentale wijsheid.� (3.42)

[5] R.P.: Thus, knowing the Self to be superior to the intellect, and controlling the mind by the intellect that is purified by spiritual practices, one must kill this mighty enemy, lust, O Arjuna. (3.43) �Als je vernomen hebt dat het Zelf hoger ligt dan het intellect, en het gemoed door het intellect wordt beheerst, gezuiverd langs geestelijke praktijken, weet aldus deze machtige vijand, lust, te doden, O Arjuna.� (3.43)

Hoofdstuk 4
HET PAD DER ZELFVERLOOCHENING DOOR KENNIS[1]
KARMA-YOGA IS EEN OUDE VERGETEN GEBOD

1. De Heer Krishna zei: Ik onderwees deze onvergankelijke yoga-wetenschap aan Vivasv�n, de zonnegod, en Vivasv�n onderwees haar aan Manu, de vader der mensheid, en Manu onderwees haar op zijn beurt aan Iksv�ku.

2. Zo werd deze allerhoogste wetenschap van geestelijk leraar op leraar ontvangen en zo ontvingen de heilige vorsten haar. Maar in de loop der tijd raakte de geestelijke erfopvolging verbroken en hierdoor lijkt de wetenschap-zoals-ze-is verloren te zijn.

3. Deze zeer oude wetenschap betreffende de verhouding met de Allerhoogste zet Ik thans uiteen aan jou, omdat je zowel Mijn toegewijde als Mijn vriend bent; d��door kun je het bovennatuurlijke mysterie van deze wetenschap doorgronden[2].

HET DOEL VAN GOD�s INCARNATIE

4. Arjuna zei: De zonnegod Vivasv�n is ouder van geboorte dan Jij. Hoe kan ik hiermee Je verklaringen rijmen, dat Je hem deze wetenschap in het begin hebt onderwezen?[3]

5. De Heer Krishna[4] zei: Vele, vele geboorten hebben zowel jij als Ik beleefd. Ik kan Me ze allemaal herinneren, maar jij niet, O bedwinger van de vijand!

6. Hoewel Ik ongeboren ben en Mijn bovenzinnelijk lichaam nooit vergaat en hoewel Ik de Heer van alle geboren wezens ben, verschijn Ik in ieder tijdvak in Mijn oorspronkelijke bovennatuurlijke kracht (Maya)[5]. (Zie ook 10.14)

7. Waar en wanneer ook maar de dienst van God in verval raakt, O telg van Bharata, en goddeloosheid de overhand neemt � daar en te dien tijde daal Ik Zelf neer.

8. Om de toegewijden te bevrijden en de goddelozen te verdelgen en om de beginselen der godsdienst te herstellen, verschijn Ik Zelf in tijdperk na tijdperk.[6]

9. Wie de bovenzinnelijke aard van Mijn verschijnen en handelen kent, wordt na het verlaten van zijn lichaam niet wedergeboren in de stoffelijke wereld, maar bereikt Mijn eeuwige woning, O Arjuna.

10. Vrij van gebondenheid, angst en woede, geheel in Me opgaand en Me als hun toeverlaat beschouwend, werden er in het verleden zeer velen gelouterd door kennis aangaande Mij � en zo vatten ze allen bovennatuurlijke liefde voor Me op[7].

HET PAD VAN AANBIDDING EN GEBED

11. Allen volgen hoe dan ook Mijn weg, O zoon van Prth�, en naar gelang een ieder zich aan Mij overgeeft, beloon Ik hem.

12. De mensen van deze wereld wensen te slagen in hun baatzuchtig streven en aanbidden daarom de halfgoden. Baatzuchtige arbeid in deze wereld werpt natuurlijk snel vruchten af.

WERKVERDELING NAARGELANG DE VAARDIGHEID VAN DE MENSEN

13. Overeenkomstig de drie�rlei aard der stoffelijke natuur en de werkzaamheid daaraan toebedeeld, werden de vier geledingen der menselijke samenleving door Mij geschapen. En hoewel Ik de schepper van dit stelsel ben, dien je te weten dat Ik er niet aan gebonden ben, want Ik ben onveranderlijk. (Zie ook 18.41)

14. Er is geen enkele vorm van werk die invloed op Me heeft, noch houd Ik Me op met baatzuchtig streven. Wie deze waarheid aangaande Mij begrijpt, raakt evenmin als Ik verwart in de terugslagen van baatzuchtig werk.

15. Alle bevrijde zielen van vroeger handelden vanuit dit inzicht en verkregen zo hun bevrijding. Doe daarom zoals de ouden en vervul je plicht in dit goddelijk bewustzijn[8].

GEBONDEN, ONTBONDEN, EN VERBODEN DADEN

16. Zelfs de schranderen weten in het geheel niet wat handelen en wat niet-handelen is. Ik zal je nu uitleggen wat handelen is en weet je het eenmaal, dan zul je bevrijd zijn van alle zonden.

17. Handelen is zoiets ingewikkelds, dat het zeer moeilijk te begrijpen valt. Daarom dient men nauwkeurig te weten wat handelen, wat verboden handelen en wat niet-handelen is.

EEN KARMA-YOGI IS NIET ONDERWORPEN AAN DE KARMISCHE WETTEN

18. Wie niet-handelen in handelen en handelen in niet-handelen ziet, is waarlijk schrander en bevindt zich, ook al verricht hij allerlei bezigheden, op het bovennatuurlijk vlak. (Zie ook 3.05, 3.27, 5.08 en 13.29)

19. Wie bij geen enkel handelen verlangt naar zinsbevrediging, wordt geacht volledige kennis te bezitten. De wijzen noemen zo iemand een werker wiens baatzuchtig streven is opgebrand in het vuur der volmaakte kennis.

20. Alle gehechtheid aan de vruchten van zijn arbeid opgevend, voortdurend tevreden en onafhankelijk, laat hij elk baatzuchtig streven varen, ook al is hij met allerlei zaken in de weer.

21. Wie dit inzicht bezit gaat te werk met volmaakte beheersing van geest en verstand, laat alle eigendomsgevoel over zijn bezittingen varen en handelt slechts om in zijn allernoodzakelijkste levensbehoeften te voorzien. Zo wordt hij niet getroffen door de terugslagen van zondig doen en laten.

22. Wie tevreden is met wat hij vanzelf ontvangt, wie met ��n maat meet, vrij is van afgunst en evenwichtig in voor- en tegenspoed, raakt nimmer gebonden, hoe hij ook handelt.

23. Het doen en laten van iemand die niet gebonden is aan de geaardheden der stoffelijke natuur en geheel in bovenzinnelijke kennis verwijlt, gaat volkomen in het bovenzinnelijke op.

24. De Geest zal bij hem worden verwezenlijkt die alles als een manifestatie beschouwd, of een handelen van de Geest[9]. (Zie ook 9.16)

VERSCHILLENDE TYPEN VAN GEESTELIJKE PRAKTIJKEN OF OFFERDADEN

25. Sommige yogi�s vereren de halfgoden met volmaakt gebrachte offers; andere offeren in het vuur van het Allerhoogste Brahman.

26. Sommigen offeren het luisteren en de zinnen in het vuur van de beheerste geest; andere offeren datgene wat de zinnen beroert, zoals geluid, in het offervuur.

27. Degenen die naar zelfverwerkelijking streven door geest en zinnen te beheersen, offeren zowel de werking van alle zinnen als de levenskracht (adem) in het vuur van de beteugelde geest.

28. Er zijn anderen, door het offeren van hun have en goed in barre onthouding verlicht, die zich aan strenge geloften houden en de achtvoudige yoga beoefenen; weer anderen verdiepen zich in de Veda�s om te groeien in bovennatuurlijke kennis[10].

29. Anderen weer offeren de uitademing (prana) in de inademing (apana); en de inademing in de uitademing; zij regelen en beheersen de stroom van de uitademing (prana) en de inademing (apana), volledig verzonken in adembeheersing (pranayama)[11].

30. Al deze yogi�s, die weten wat offeren betekent, worden verschoond van de terugslagen van hun zonden en nadat ze de nectar hebben geproefd van wat er van de offergaven overblijft, gaan ze binnen in de allerhoogste, eeuwige sferen[12].

31. Zij, die de levengevende nectar van het offer nuttigen, gaan in tot het onveranderlijke, eeuwige Brahman[13]. Deze wereld is niet voor degene die niet offert; de andere wereld nog veel minder, O Arjuna. (Zie ook 4.38, en 5.06).

32. Al deze verschillende vormen van offeren worden aanbevolen in de Veda�s en alle worden ze geboren uit verschillende vormen van werk. Weet je dit, dan zul je worden verlost. (Zie ook 3.14)

HET BEREIKEN VAN TRANSCENDENTALE WIJSHEID IS EEN SUPERIEURE GEESTELIJKE PRAKTIJK

33. O tuchtiger van de vijand, het offeren van kennis is hoger dan het offeren van aardse goederen. O zoon van Prth�, uiteindelijk stijgt het offeren van werk ten top in bovennatuurlijke kennis.

34. Tracht de waarheid te vernemen door je tot een geestelijk leraar[14] te wenden. Stel hem in alle bescheidenheid vragen en wees hem dienstbaar. Een zelfverwerkelijkte ziel[15] kan je de kennis overdragen, omdat ze de waarheid heeft doorschouwd.

35. Hebt ge u wijsheid eigen gemaakt, dan zult ge nooit meer in verwarring geraken, O Arjuna; door wijsheid zult ge alle schepselen zonder uitzondering in het Zelf zien en aldus in Mij. (Zie ook 6.29, 6.30, 11.07, 11.13)

36. Ook al wordt men als de zondigste der zondaars beschouwd, toch zal men, eenmaal aan boord van het schip der bovennatuurlijke kennis, de oceaan der ellende volledig oversteken.

37. Zoals laaiend vuur brandhout in as verandert, verbrandt ook het vuur der kennis alle terugslagen van het stoffelijk doen en laten tot as.

TRANSCENDENTALE KENNIS IS AAN DE KARMA-YOGI AUTOMATISCH GEOPENBAARD

38. Er is in deze wereld niets zo verheven en zuiver als bovennatuurlijke kennis. Deze kennis is de rijpe vrucht van alle mystiek. En wie haar verworven heeft, zal spoedig in zichzelf de vreugde van het zelf ervaren. (Zie ook 4.31, and 5.06, 18.78).

39. Een gelovig mens, die in bovennatuurlijke kennis verankerd is en zijn zinnen in bedwang heeft, verkrijgt snel geestelijke rust of bevrijding.

40. Maar onwetende en ongelovige lieden, die de geopenbaarde Schriften in twijfel trekken, komen niet tot God-bewustzijn. De twijfelde ziel vindt noch in deze, noch in de volgende wereld, geluk.

TRANSCENDENTALE KENNIS EN KARMA-YOGA ZIJN BEIDE VOOR NIRVANA NODIG

41. Hij, die door yoga alle handelingen heeft opgegeven, die door kennis en inzicht alle twijfel heeft uitgebannen, die beheerst wordt door het Zelf, wordt niet door handeling gebonden, O Arjuna[16].

42. Daarom moet de twijfel, die uit onwetendheid je hart bekropen heeft, worden vernietigd met het wapen der kennis. O Bharata[17], wapen je met yoga en sta op en strijd[18].

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het vierde hoofdstuk, genaamd �Het Pad der Zelfverloochening door Kennis�.

[1] Anders gezegd: �Het Pad van Verstandelijke Zelfverloochening�.

[2]R.P.: Karma-yoga reeds in vorige hoofdstuk besproken, wordt als de opperste geheime wetenschap van het juiste handelen door de Heer aangegeven. Naar Swami Karmananda, een beoefenaar van Karma-Yoga, tenzij de Heer Zelf de geheime wetenschap openbaart, kan niemand deze praktiseren, of zelfs begrijpen.

[3] R.P.: Arjuna vroeg hoe Krishna, een tijdgenoot van Arjuna, Vivasv�n de wetenschap van Karma-yoga kon aanleren die vroeger in oude tijden werd geboren, lang voor de Heer Krishna. De leer van de Bhagavad-G�t� is niet enkel vijfduizend jaren oud, maar het is een oerkennis. De Heer Krishna herhaalt deze in de G�t� voor het welzijn van de mensheid. Alle grote meesters kwamen het vuur van de vergeten Waarheid aanwakkeren. Verschillende mensen hebben eertijds vele malen gezegd hetgeen wij nu horen of lezen.

[4] Ook vertaalt �de Allerhoogste�, hetgeen in ieder geval de Heer Krishna betekent.

[5] R.P.: De goddelijke kinetische energie (Maya) is de bovennatuurlijke, buitengewone, en mystieke kracht van God. De Materi�le Natuur staat bekent als de weerspiegeling van Maya. Er wordt gezegd dat de Heer Maya heeft geschapen om ons te misleiden zowel als om ons te controleren. Het woord �Maya� betekent ook �onwerkelijk�, �denkbeeldig�, of zijnde een misleidend beeld van de Realiteit. Door de kracht van Maya wordt onderscheid gemaakt tussen het algemeen bestaan distinctief van het Allerhoogste Wezen. Het Eeuwige Licht is de onzichtbare, potenti�le kracht; Maya is kinetische energie, de macht van het handelen van de Heer. Ze zijn onafscheidbaar zoals vuur van warmte. Maya wordt tevens als metafoor gebruikt om de zichtbare wereld aan gewone mensen te verklaren.

[6] In de verzen 7 en 8 wordt de leer van Dharma aangehaald. �Dharma� (religie), zijnde de natuurlijke en eeuwige functie van het levend wezen: het naleven van de wetten die door God zijn ingesteld en Hem met liefde en toewijding dienen.

[7] R.P. vertaalt vers 10 als volgt: �Many have become free from attachment, fear, anger, and attained salvation by taking refuge in Me, by becoming fully absorbed in My thoughts, and by getting purified by the fire of Self-knowledge.� Ofwel, in het Nederlands: �Velen zijn van gehechtheid, vrees, haat, en behaalde welzijn bevrijdt door in Mij toevlucht te nemen, en in Mijn gedachten volledig te zijn ingenomen, om zich door het vuur van Zelfkennis te worden gezuiverd�.

[8] Door R.P. vertaalt als volgt: The ancient seekers of salvation also performed their duties with this understanding. Therefore, you should do your duty as the ancients did. (4.15) �De heilzoekers van het voorgeslacht volbrachten met deze kennis hun plichten. Daarom, vervullen jullie plichten zoals de ouderen het deden.�

[9] Volgens de vertaling van R.P., namelijk: �The Spirit shall be realized by the one who considers everything as a manifestation, or an act, of the Spirit.� (Also see 9.16) (4.24)

[10] Verzen 25 tot 28 worden door R.P. als volgt samengevat: �Some yogis perform the service of worship to celestial controllers, while others study scriptures for Self-knowledge. Some restrain their senses and give up their sensual pleasures. Others perform breathing and other yogic exercises. Some give charity and offer their wealth as a sacrifice.� (4.25-28) Vertaling: �Sommige yogi�s verrichten de dienst van aanbidding aan de Stralenden, terwijl anderen de schriften bestuderen voor zelfkennis. Sommige beteugelen hun zintuigen om te komen tot volledige zelfbeheersing van zinnelijke genot. Andere volbrengen ademhaling en andere yogische oefeningen. Nog weer anderen geven schenkingen en offeren hun rijkdom.� (4.25-28)

[11] Het gaat om de beheersing van de vijf pranas.

De Bhagavad-G�t� zoals ze is (Swami Prabhup�da) vertaald als volgt: �En er zijn er zelfs ook, die ertoe overgaan zich te oefenen in adembeheersing om daardoor in vervoering te geraken en ze beoefenen het tot stilstand brengen van de uitgaande lucht in de binnenstromende en de binnenstromende in de uitgaande en blijven zo tenslotte in vervoering, alle ademhaling stakend. Sommige van hen, die zich beperken in hun eten, laten de uitgaande adem uitgaan in zichzelf als offergave.�

R.P. vertaalt als volgt in het Engels: �Those who are engaged in yogic practices, reach the breathless state of trance by offering inhalation into exhalation and exhalation into inhalation as a sacrifice (by using short breathing Kriya techniques).� (4.29) Vertaling: � Zij die in de yogische praktijken zijn betrokken, bereiken als een offerande de ademloze trance toestand door inademing in de uitademing en de uitademing in de inademing ( door het gebruik van korte Kriya ademhaling technieken.)� (4.29)

De grondige geestelijke betekenis en interpretatie van praktische en yogische verzen (4.29, 4.30, 5.27, 6.13; 8.10; 8.12; 8.13; 8.29 en 8.25) kunnen hier uitgelegd worden. Enkel een Zelf-gerealiseerde meester van Kriya-yoga kan u erin onderwijzen. (R.P.)

De ademhaling verloop kan vertraagd worden:

1. Door het gadeslaan van de in- en uitademing, zoals men de oceanische golven heen en weer gaande kunnen observeren.

2. Het praktiseren van het diafragmatische (of diep yogische) ademing.

3. Het gebruik van yogische technieken en Kriya-yoga.

Het doel van de yogische praktijk is om het superbewuste of ademloos trance toestand te bekomen, door geleidelijk het ademhalingsproces te meesteren.

[12] R.P. vertaalt: Others restrict their diet and offer their inhalations as sacrifice into their inhalations. All these people are the knowers of sacrifice, and are purified by their sacrifice. (4.30) Dra C. Keus vertaalt in het Nederlands: �Anderen, sober van dieet, offeren hun levensadem. Allen weten zij wat offeren is, en door offeren hebben zij hun zonden (karmische schuld) weggewist.� (4.30)

[13] Opperwezen, Schepper.
[14] Zelf-gerealiseerde meester.
[15] Zelf-gerealiseerde ziel.

[16] R.P. vertaalt als volgt: �Work does not bind a person who has renounced work - by renouncing the fruits of work - through Karma-yoga, and whose confusion with regard to body and Spirit is completely destroyed by the application of Self-knowledge, O Arjuna.� (4.41) In het Nederlands nogal letterlijk vertaald: �Werk bindt niet de persoon die aan het werk heeft verzaakt � door aan de vruchten van het werk te verzaken � door Karma-yoga, waarvan de verwarring tussen lichaam en Geest door de toepassing van Zelfkennis volledig wordt vernietigd, O Arjuna.� (4.41)

[17] Arjuna.

[18] Dra. C.Keus vertaalt: �Roei daarom met het zwaard van de wijsheid van het Zelf deze uit onwetendheid geboren twijfel in uw hart uit; wees gegrondvest in yoga. Sta op, O Bharata (Arjuna).� (4.42)

Hoofdstuk 5
HET PAD DER VERZAKING

1. Arjuna zei: O Krishna, eerst vraag Je me alle werk te verzaken en nu raad Je me aan toegewijd werk te doen. Wil Je me nu ondubbelzinnig duidelijk maken welke van beide wegen het heilzaamst is? [1](Zie ook 5.05)

2. De Heer Krishna sprak: Zowel het verzaken van werk als werk in toewijding leidt tot bevrijding. Maar van deze twee is werk in toewijding beter dan het verzaken van werk.

3. Wie de vruchten van zijn bezigheden haat noch begeert, wordt gekend als immer onthecht. Zo iemand, die bevrijd is van dualiteit, overwint gemakkelijk zijn gebondenheid aan de stof en raakt volkomen verlost, O sterkgearmde Arjuna.

BEIDE PADEN LEIDEN TOT DE VERHEVENE

4. Alleen een onwetende zegt dat karma-yoga en toegewijde dienst verschillen van het ontledend onderzoek van de stoffelijke wereld. Degenen echter die werkelijk verstand van zaken hebben zeggen dat wie zich toelegt op ��n van beide, beider vruchten plukt.

5. Wie weet dat wat door onthechting wordt bereikt eveneens kan worden bereikt door toegewijde dienst, en dus ziet dat de wegen van activiteit en onthechting ��n zijn, ziet de dingen zoals ze zijn. (Zie ook 6.01 en 6.02)

6. Tenzij men in toegewijde dienst is van de Heer, kan louter verzaken van activiteit iemand niet gelukkig maken. De wijzen echter, die gelouterd zijn door toegewijde werken, bereiken onverwijld Nirvana. (Zie ook 4.31, en 4.38)[2]

7. Wie[3] toegewijde dienst verricht, een zuivere ziel is en zijn geest en zinnen beteugelt, is iedereen dierbaar, terwijl iedereen hem dierbaar is. Zo iemand raakt, hoewel hij altijd bezig is, nimmer verstrikt.

EEN TRANSCENDENTALE BESCHOUWT ZICHZELF ALS IEMAND DIE NIETS DOET

8-9 Iemand in goddelijk bewustzijn weet innerlijk voortdurend, ook al houdt hij zich bezig met kijken, luisteren, aanraken, ruiken, eten, rondbewegen, slapen en ademhalen, dat hij in feite volstrekt niets doet. Want terwijl hij spreekt, aanneemt of verwerpt, zich ontlast, zijn ogen opent of sluit, weet hij voortdurend dat slechts de stoffelijke zinnen hun bezigheden verrichten en dat hij er niet door wordt beroerd. (Zie ook 3.27, 13.29, en 14.19)

EEN KARMA-YOGI WERKT VOOR GOD

10. Wie zijn taak doet zonder eraan gehecht te zijn en de baten hiervan overdraagt aan de Allerhoogste, is niet onderhevig aan de terugslag van zondig doen en laten, zoals een lotusbloem niet aangeraakt wordt door het water.

11. De yogi�s, die alle gehechtheid laten varen, handelen met lichaam, geest, verstand en zelfs met de zinnen, uitsluitend om gelouterd te worden.

12. De voortdurend toegewijde ziel verkrijgt volmaakte vrede, omdat ze de voortbrengselen van al haar handelen aan Mij offert; terwijl iemand die niet in overeenstemming met het goddelijk is en de vruchten van zijn arbeid begeert, verstrikt raakt.

HET PAD VAN DE KENNIS

13. Wanneer het belichaamd levend wezen zijn lagere natuur beheerst en in zijn denken alle actie laat varen, woont het gelukkig in de stad der Negen Poorten[4], zonder te werken of te doen werken.

14. De belichaamde ziel, die de stad van haar lichaam bestuurt, veroorzaakt geen activiteiten, noch brengt ze personen tot handelen, noch laat ze activiteiten vrucht dragen. Het is de drie�rlei aard der natuur die dit alles teweegbrengt.

15. De Allerhoogste kan Zich nimmer verantwoordelijk stellen voor de zondige of vrome activiteiten van wie dan ook. De belichaamde wezens zijn in de war, omdat hun wezenlijke kennis verhuld wordt door onwetendheid.

16. Wanneer men echter verlicht wordt door de kennis die de onwetendheid vernietigt, onthult deze kennis alles, zoals de zon overdag alles verlicht.

17. Mensen, met verstand en gemoed volledig op het Allerhoogste gericht, in Hem verankerd, die God als hun uiterste doel en enige toevlucht bezitten, en al de onzuiverheden door de kennis van het Zelf vernietigd hebben, worden niet meer herboren[5].

BIJKOMENDE KENMERKEN VAN EEN VERLICHTE PERSOON

18. Door zijn werkelijke kennis ziet de nederige wijze met gelijkgezinde blik: een geleerde en zachtmoedige brahmaan, een koe, een olifant, een hond en een hondenvleeseter (paria)[6]. (Zie ook 6.29)

19. Degenen wier geest verankerd is in gelijkgezindheid en gelijkmoedigheid hebben de banden van geboorte en dood al overwonnen. Ze zijn even onberispelijk als Brahmaan en daarom bevinden ze zich al in Brahmaan[7]. (Zie ook 18.55)

20. Wie zich niet verblijdt wanneer er iets aangenaam plaatsvindt, noch treurt wanneer hem iets onaangenaam overkomt, wie zijn verstand van binnenuit ontvangt, niet door verbijstering bevangen is en de wetenschap Gods kent, dient beschouwd te worden als reeds in het bovennatuurlijke zijnde[8]. (Zie ook 18.55)

21. Zo�n bevrijd persoon wordt niet aangetrokken door stoffelijk zingenot of uiterlijke zaken, maar is altijd verheven en verheugt zich innerlijk. Op deze wijze geniet de zelfverwerkelijkte een geluk zonder einde, want hij is verankerd in het Allerhoogste.

22. De schrandere geeft zich nimmer over aan zingenot. O zoon van Kunt�, zinnelijke vreugde kent zowel begin als einde, en derhalve schept de wijze er geen behagen in. (Zie ook 18.38)

23. Als men, alvorens het huidige lichaam prijs te geven, reeds de drangen van de stoffelijke zinnen kan weerstaan en de drangen van begeerte en woede weet te beteugelen, is men een yogi en leeft men gelukkig in deze wereld.

24. Wie innerlijk gelukkig is, innerlijk werkzaam, innerlijk verheugd en innerlijk stralend, is in feite de volmaakte yogi. Bevrijd als hij is, bereikt hij uiteindelijk het Allerhoogste.

25. Wie boven dualiteit en twijfel verheven is en wiens geest innerlijk werkzaam is, wie altijd ijvert voor het welzijn van alle levende wezens en wie vrij is van alle zonden, verwerft zich bevrijding in het Allerhoogste.

26. Wie vrij van woede en alle stoffelijke begeerte is, wie zelfverwerkelijkt is, zich weet te beheersen en voortdurend naar het volmaakte streeft, kan er zeker van zijn dat hij in de zeer nabije toekomst zal worden bevrijd in het Allerhoogste.

HET DERDE PAD � HET PAD VAN DEVOTIONELE MEDITATIE EN CONTEMPLATIE

27-28 Wanneer hij zich voor alle uiterlijke zaken afsluit, zijn ogen en innerlijke blik gericht houdt op het punt tussen de beide wenkbrauwen, de in- en uitgaande adem tegelijk zwevende houdt in de neusgaten, en op deze wijze geest, zinnen en verstand beteugelt, raakt degene die het bovennatuurlijke nastreeft bevrijd van begeerte, angst en woede. Wie zich altijd in deze staat bevindt, is beslist verlost[9].

29. De wijzen, die Mij kennen als het uiteindelijke doel van alle offers en boetedoeningen, als de Opperheer van het gehele universum en halfgoden en de weldoener en begunstiger van alle levende wezens, zullen vrede vinden van de pijn der stoffelijke ellende.

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het vijfde hoofdstuk, genaamd �Het Pad der Verzaking�.

[1] In het handelen betekent verzaking kunnen afstand maken van gepresteerde daden, eigendomsrecht en zelfzuchtige bedoelingen, en geenszins het verwerpen van het werk of wereldse voorwerpen. Verzaking komt na het aanbreken van Zelfkennis. Daarom zijn de woorden zoals verzaking en zelfkennis afwisselend gebruikt in de G�t�. Verzaking wordt als het doelpunt van het leven beschouwt. Onbaatzuchtige dienstbaarheid (Seva, Karma Yoga) en Zelfkennis zijn de nodige middelen om het doelpunt te bereiken. Ware verzaking betekent dat alle handelingen en aanhechtingen � inbegrepen lichaam, gemoed, en gedachte - in de dienst staan van de Verhevene. (R.P.)

[2] Onbaatzuchtige dienstverlening (Karma Yoga) voorziet voorbereiding, discipline en zuiverheid om tot het verzaken te komen. Zelfkennis is het hoogst limiet van Karma Yoga, en verzaking aan gepresteerde daden en eigendomsrecht is tevens de hoogst limiet van Zelfkennis. (R.P.)

[3] Karma-yogi.

[4] Het lichaam telt negen poorten: twee ogen, twee neusgaten, twee oren, een mond, de anus, en het geslachtsdeel. Als microkosmos vereenzelvigt het levend wezen zich met zijn lichaam, maar wanneer het zich met de Heer in zichzelf ��n is, wordt het, zelfs nog in het lichaam, even vrij als de Heer.� (Svetasvatara Upanisad 3:18)

[5] Vers in de tekst is eigen vertaling, terwijl Swami Prabhupada vertaalt: �Wanneer verstand, geest, geloof en toevlucht alle samenkomen in de Allerhoogste, wordt men door volkomen kennis geheel gereinigd van angst en twijfel en gaat men snel vooruit op de weg der bevrijding.� R.P. vertaalt in het Engels als volgt: �Persons, whose mind and intellect are totally merged in the Supreme Being, who are firmly devoted to the Supreme, who have God as their supreme goal and sole refuge, and whose impurities are destroyed by the knowledge of the self, do not take birth again.� (5.17) Hendrik van Teylingen: �Met verstand en gemoed daarop gericht, daarin verankerd en daaraan overgegeven, keren ze, door kennis van kwaad verlost, niet in de kringloop terug.� (5.17) En tenslotte, heel wetenschappelijk uitgedrukt door dra C. Keus: �Het denken gericht op Dat, geheel opgaand in Dat, gegrondvest in Dat, uitsluitend toegewijd aan Dat als hun hoogste doel, gaan zij, door wijsheid van zonden ontlast, naar het oord vanwaar geen terugkeer is.� (5.17)

[6] R.P. vertaalt in het Engels: �An enlightened person � by perceiving God in all � looks at a learned person, an outcast, even a cow, an elephant, or a dog with an equal eye.� (5.18) En, dra C. Keus: �De verlichte wijze maakt geen onderscheid tussen een Brahmaan gesierd door kennis (vidya), bescheidenheid en nederigheid, en een koe, een olifant, ja zelfs een hond en een paria (svapaka).

[7] Brahmaan: (de verschillende betekenissen)
(1) Brahmaan, of ananta-brahman.

(2) Brahmaan, of brahmajyoti: licht dat te voorschijn straalt uit het absolute lichaam van de Heer Krishna (Bhagav�n) en het onpersoonlijk aspect van de Absolute Waarheid.

(3) brahmaan, of vijnanam brahmaan: het geestelijke, of de afzonderlijke geestelijke ziel.

(4) brahmaan, of maha-brahmaan: de stoffelijke natuur, of het geheel der materi�le substantie (mahat-tattva), bestaande uit de vierentwintig stoffelijke elementen.

(5) Brahman, of sabda-brahman: de Veda�s, de geestelijke en absolute Schriften, die de verschillende gedragslijnen voor ons handelen bevatten.

[8] Dra C. Keus� versie: �Men moet niet verheugd zijn, als men het aangename (priyam) verkrijgt, en geen smart voelen, als men het onaangename (apriyam) verkrijgt. Hij die vastberaden is en door niets verbijsterd wordt, deze kenner van het eeuwige Brahmaan, is gegrondvest in het eeuwige Brahmaan. (5.20)

[9] R.P. vertaalt als volgt: �A sage is verily liberated by renouncing all sense enjoyments, fixing the eyes and the mind at an imaginary black dot between the eye brows, equalizing the breath moving through the nostrils by using yogic techniques, keeping the senses, mind, and intellect under control, having salvation as the prime goal, and by becoming free from lust, anger, and fear. (5.27-28) In het Nederlands: �Een wijze is waarlijk bevrijd wanneer hij aan sensuele genoegens verzaakt, zijn ogen en gemoed gericht houdt op het ingebeelde zwarte punt tussen de wenkbrauwen, regelmatig door de neusgaten adem door het gebruik van yogische technieken, de zinnen, het denken en het intellect aldoor beheersend, bevrijding als enig doel hebbend, aldus zijnde geworden vrij van hartstocht, begeerte, en vrees.� (5.27-28)

Verder commentaar: de onzichtbare astrale kanalen van stroomenergie in het menselijk lichaam worden Nadi's genoemd. Wanneer de kosmische stromen door de Nadi's in de astrale ruggengraat koord vloeien, worden ze door het openen van de voorname Sushumna Nadi met het praktiseren van yogische technieken afgescheiden; terwijl de ademhaling in evenredigheid door de neusgaten vloeit, het gemoed gekalmeerd, waarbij nu ruimte werd gemaakt voor diepe meditatie naar de trance toestand onderweg.

Hoofdstuk 6
HET PAD DER MEDITATIE
EEN KARMA-YOGI IS EEN VERZAKER

1. De Heer Krishna sprak: Wie niet gehecht is aan de vruchten van zijn arbeid en werkt volgens zijn plicht, bevindt zich op het peil van iemand die de wereld verzaakt heeft en is de ware yogi: in tegenstelling tot hem die geen vuur maakt en geen werk verricht.

2. O Arjuna, verzaking (Samnyasa) is hetzelfde als Karma-yoga, want niemand kan een Karma-yogi worden indien hij tegenover een volbrachte werk zich niet heeft ontdaan van zelfzuchtige motieven. (Zie ook 5.01, 5.05, 6.01, en 18.02)

EEN DEFINITIE VAN YOGA

3. Voor de nieuweling in het achtvoudig yoga-systeem heet werken de weg te zijn; en voor iemand die al tot yoga gekomen is, heet het staken van alle stoffelijke activiteiten de weg te zijn.

4. Iemand heet tot yoga gekomen te zijn wanneer hij, na alle stoffelijke verlangens te hebben verzaakt, noch handelt om zijn zinnen te bevredigen, noch zich ophoudt met baatzuchtig streven.

HET GEMOED IS DE BESTE ZOWEL ALS DE SLECHTSTE VRIEND

5. Men dient zich te verheffen door zijn eigen geest[1] en zich niet te verlagen. De geest is zowel de vriend als de vijand van de gebonden ziel.

6. Voor wie zijn geest heeft overwonnen, is de geest zijn beste vriend; maar voor wie daar niet in is geslaagd, is juist de geest zijn ergste vijand.

7. Voor wie de geest heeft overwonnen, is het hoger Zelf reeds bereikt, want hij is tot rust gekomen. Voor zo iemand zijn geluk en verdriet, hitte en kou, eer en schande een en hetzelfde.

8. Een persoon wordt een yogi genoemd die tegelijkertijd Zelfkennis en Zelf-realisatie bezit, die gelijkmoedig is, die zijn gemoed en zinnen kan beheersen, en voor wie een aardekluit, een steen, en goud hetzelfde is[2].

9. Een persoon wordt als superieur beschouwd die onpartijdig is tegenover metgezellen, vrienden, vijanden, neutralen, arbiters, haters, bloedverwanten, heiligen en zondaren[3].

MEDITATIE TECHNIEKEN

10. Wie naar het bovenzinnelijke streeft, dient altijd te trachten zich op het Allerhoogste Zelf te richten; hij behoort zich af te zonderen op een eenzame plaats en steeds aandachtig zijn geest te beteugelen; hij dient vrij te zijn van alle begeerte en elk bezitsgevoel ([4] en [5]).

11. Op een reine plek gezeten, op een eigen vaste zitplaats, noch te hoog noch te laag, vervaardigd van een laken, de huid van een zwarte antilope en kushagras, boven elkaar gelegd;

12. Laat hem daar, als hij het denken eenpuntig[6] gemaakt heeft, zijn gedachten en de werkingen der zinnen heeft beteugeld en roerloos gezeten is, meditatie praktiseren om het zelf te reinigen[7].

13. Laat hem, terwijl hij lichaam, hals en hoofd rechtop houdt, onbeweeglijk en bedaart, met gesloten ogen de blik gericht op de punt van de neus[8].

14. Kalm, onbevreesd, onwrikbaar in zijn gelofte van Brahmachari[9], zijn denken beheersend, zijn gedachten[10] gericht op Mij, harmonisch strevend naar Mij als Allerhoogste. (Zie ook 4.29, 5.27, 8.10, en 8.12)

15. De yogi, die aldus steeds gericht is op het Zelf, wiens denken beheerst is, komt tot vrede; komt tot het allerhoogste Nirvana dat in Mij is.

16. Waarlijk, yoga is niet voor hem die te veel eet, ook niet voor hem die overmatig vast, en evenmin voor hem die te veel slaapt of die te veel waakt, O Arjuna.

17. Yoga verdrijft alle pijn voor hem, die matig is in eten en ontspanning, matig in zijn gedragingen, matig in slapen en waken.

18. Als zijn beheerste denken[11] gevestigd is op het Zelf, vrij van verlangen naar alle begerenswaardige dingen, dan zegt men: hij is evenwichtig[12].

19. Als een lamp die, tegen de wind beschut, niet flikkert, hiermee vergelijkt men de yogi, die zijn denken[13] beheersend, verzonken is in de yoga van het Zelf.

20. Dat, waarin het denken tot rust komt, verstild door yoga beoefening; dat waarin men, het Zelf schouwend door het Zelf, tevreden is in het Zelf;

21. Iemand�s oneindige zegen is enkel door het intellect, buiten het bereik van de zintuigen, waargenomen. Na de Absolute Realiteit gerealiseerd te hebben, kan iemand er nooit van afgeweken worden[14].

22. Dat waarvan men, als het eenmaal is verkregen, beseft dat er niets hogers is te verwerven en waar men, eenmaal erin gegrondvest, zelfs door felle smart niet geschokt wordt:

23. Dat moet men kennen als yoga, dit loskoppelen van de identiteit met pijn. Deze yoga moet men aanhangen met onwrikbare overtuiging en onverdroten geest.

24. Men dient zich vastberaden en vol vertrouwen aan yoga te wijden. Men moet zich zonder uitzondering ontdoen van alle stoffelijke begeerten, die voortkomen uit het vals ego, en zo met de geest alle zinnen geheel beheersen.

25. Geleidelijk, en met ferme beheersing moet men tot rust en kalmte komen; en eenmaal de aandacht op het Zelf gevestigd, laat men dan aan niets anders denken.

26. Laat de yogi, zo vaak de wankelde aandacht afdwaalt, deze ontomen en onder beheersing van het Zelf brengen.[15]

WIE IS EEN YOGI

27. De yogi wiens gemoed op Mij gericht is verwerft zich voorzeker het hoogst geluk. Dankzij zijn eenheid met Brahman wordt hij verlost; zijn geest heeft vrede, zijn drangen zijn tot rust gekomen en hij is vrij van zonden.

28. Standvastig in het Zelf, van alle stoffelijke smetten vrij, bereikt de yogi de hoogste volmaaktheid des geluks in voortdurende verbinding met het Allerhoogste Bewustzijn.

29. Een ware yogi aanschouwt Me in alle wezens en ziet ook elk wezen in Mij. De zelfverwerkelijkte ziet Me werkelijk overal. (Zie ook 4.35, 5.18)

30. Voor wie Mij overal ziet en alles in Mij ziet, ben Ik nimmer verloren, noch is hij ooit verloren voor Mij.

31. Die yogi, die in eenheid gegrondvest, Mij in alle schepselen verblijvend, aanbidt, leeft in Mij, hoe zijn leefwijze ook mag zijn.

32. De volmaakte yogi, O Arjuna, is hij die door vergelijking met zichzelf de ware gelijkheid van alle wezens ziet, zowel in geluk als in verdriet.

TWEE METHODEN OM HET RUSTELOOS GEMOED TE BEDWINGEN

33. Arjuna zei: O Krishna, het yoga-systeem[16] dat Je me beschreven hebt lijkt me onuitvoerbaar en niet vol te houden, want de geest is rusteloos en onevenwichtig.

34. Want de geest[17] is rusteloos, woelig, koppig en zeer sterk, O Krishna, en hem bedwingen lijkt me moeilijker dan het bedwingen van de wind.

35. De Heer Krishna zei: Het is ongetwijfeld waar, O Arjuna, dat het denken moeilijk te beteugelen en rusteloos is; maar door constante en harde oefening � zoals meditatie � in volharding en ongehechtheid kan men het bedwingen.

36. Yoga is, naar mijn mening, moeilijk te bereiken door een onbeheerst zelf; maar door degene, die door het Zelf beheerst wordt, is het te bereiken met behulp van juist gerichte energie.

HET LOT VAN EEN ONBEKWAME YOGI

37. Arjuna zei: Wat is de bestemming van de gelovige die niet volhardt op het pad van de meditatie, die een begin maakt met zijn streven naar zelfverwerkelijkheid, maar er later als gevolg van wereldsgezindheid van afziet, en zo niet tot mystieke volmaaktheid komt?

38. Zal hij niet vergaan zoals een gescheurde wolk, O Krishna, daar hij aan beide werelden[18] is ontvallen, en het pad[19] ontloopt, dat voert tot het eeuwige Brahman?

39. O Krishna, wil toch mijn twijfel volledig verdrijven; want niemand dan gij kan deze twijfel wegnemen. (Zie ook 15.15)

40. Krishna zei: O Arjuna, noch in deze wereld, noch in het hiernamaals wacht hem de ondergang; nooit zal iemand, die het goede betracht, het pad van smart betreden, geliefde vriend[20].

41. Na vele, vele jaren van genieten op de werelden der rechtvaardigen wordt de yogi die het niet gehaald heeft, geboren in een familie van rechtvaardig levende mensen of in een familie van rijke adel.

42. Of hij wordt geboren in een familie van personen die naar het bovennatuurlijke streven en zeer grote wijsheid bezitten. Zo�n geboorte is waarlijk zeldzaam in deze wereld.

43. Daar herkrijgt hij de kenmerken, die tot zijn vorig lichaam behoorden en hiermee werkt hij opnieuw, om tot volmaaktheid te komen.

44. Door zijn yogabeoefening[21] in vorige levens wordt hij onweerstaanbaar voortgezweept. En aangezien hij yoga[22] verlangt te kennen, stijgt hij uit boven het Woord[23], tot realisatie van het eeuwige Brahman.

45. Maar wanneer de yogi, van alle smetten vrij, oprecht naar verdere vooruitgang streeft, bereikt hij uiteindelijk, na vele, vele levens van oefenen, het allerhoogste doel.

WIE IS DE BESTE YOGI

46. De yogi[24] is hoger dan de asceten[25]; men vindt hem zelfs hoger dan de wijzen[26]; de yogi is hoger dan de mens van handeling[27]; wordt gij daarom een yogi, O Arjuna.

47. En van alle yogi�s wordt hij, die Mij vol vertrouwen aanbidt, die met zijn innerlijke Zelf in Mij verblijft, die Mij vereert, door Mij als de volkomen evenwichtige beschouwt. (Zie ook 12.02 en 18.66)

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het zesde hoofdstuk, genaamd �Het Pad der Meditatie�.

[1] Het gemoed.

[2] Vers 8 is de vertaling van R.P.�s Engelse tekst: �A person is called yogi who has both Self-knowledge and Self-realization, who is equanimous, who has control over the mind and senses, and to whom a clod, a stone, and gold are the same.� (6.08) Dra C. Keus: �De yogi, die tevreden is met wijsheid en kennis, onwrikbaar is, wiens zinnen beteugeld zijn, voor wie een kluit aarde, een kei, en een klomp goud eender zijn, noemt men harmonisch (yukta).� (6.08)

[3] Vertaling naar R.P.�s Engelse tekst: �A person is considered superior who is impartial towards companions, friends, enemies, neutrals, arbiters, haters, relatives, saints, and sinners.� (6.09) Dra C. Keus: �Hij, die zonder voorkeur tegenover mensen staat die hem liefhebben, vrienden, vijanden, vreemden, onzijdigen, buitenlanders en verwanten, en eveneens rechtvaardigen en onrechtvaardigen, is een uitnemend mens.� (6.09)

[4] Dra C. Keus: �Laat de yogi zich voortdurend bezighouden met yoga (contemplatie), in eenzaamheid en afzondering verblijvend, meester over zijn denken en zijn zelf, vrij van verwachting en hebzucht. (6.10)

[5] Meditatie Technieken (Ramanand Prasad):

De plaats voor de meditatie zou de sereniteit, de eenzaamheid, en de geestelijke atmosfeer van reukvrije, geluidsvrije, en lichtvrije ruimten van de Himalayas grotten moeten zijn. Massieve, kolossale gebouwen met bijzondere uitgehouwen marmeren figuren van hemelse bewaarders zijn niet genoeg. Ze zijn dikwijls met de spiritualiteit tegenstrijdig en helpen enkel godsdienstige commerci�le doeleinden.

De acht meditatiestappen volgens Patanjali�s Yoga Sutra (PYS 2.29) zijn:

(1) Zedelijk gedrag
(2) Geestelijk praktijk
(3) De gepaste houding en yogische oefeningen
(4) Yogische ademhaling
(5) Het terugtrekken van de gevoelens
(6) Concentratie
(7) Meditatie, en
(8) Trance, of superbewuste staat van gevoel.

Men moet de acht stappen ��n voor ��n onder eigen leiding volgen om vooruitgang in de meditatie te boeken. Het gebruik van ademhaling en concentratie technieken zonder de nodige zuivering van het gemoed, en zonder sublimatie van de gevoelens en verlangens door moreel gedrag en geestelijke praktijken (zie 16.23) kan het gemoed in gevaarlijke neurotische staten leiden. Patanjali zegt: De zit postuur voor meditatie moet stabiel, relaxerend en comfortabel zijn voor het individuele fysisch lichaam (PYS 2.46).

Yogische ademhaling is niet de krachtdadige � dikwijls gevaarlijk ophouden van de adem in de longen zoals gewoonlijk verkeerd begrepen en in praktijk gebracht. Patanjali definieert deze als de controle van de Prana � de bio-impuls of de astrale levenskrachten � dat het ademhalingsproces veroorzaakt (PYS 2.49). Het is een geleidelijke ontwikkeling van onder controle brengen of tot vertraging leiden � door het gebruik van yogische standaard technieken zoals yogische houdingen, ademhalingsoefeningen, uitsluitingen, en bewegingen � van de bio-impuls die de motor en de zintuiglijke zenuwen activeren om de ademhaling in regelmaat te brengen evenals datgene buiten onze controle staat.

Wanneer het lichaam super gevuld is met het grote reservoir van de alomtegenwoordige kosmische stroom doorheen de oblongata merg, de nood om te ademhalen is verminderd of zelfs verwijderd en waarbij de yogi de ademloze trance staat behaalt, en dat is de laatste mijlsteen van de geestelijke tocht. De Upanishad zegt: �Geen enkel sterveling leeft enkel met het ademhalen van zuurstof in de lucht. Ze zijn van iets anders afhankelijk. (KaU 5.05) Jezus zegt: �De mens zal bij brood (voedsel, water, en lucht) alleen niet leven, maar bij alle woord (of kosmische energie), dat door den mond Gods uitgaat.� (Matth. 4.4) Het ademkoord houd de levende entiteit (ziel) aan het lichaam-gemoed complex. Een yogi bevrijdt de ziel van het lichaam, en bindt ze met de Superziel tijdens de ademloze �trance� staat.

Het intrekken van de gevoelens is voor de yogi een grote obstakel in het nakomen van zijn doel. Wanneer het gevoel is onttrokken; concentratie, meditatie en Samadhi zijn zeer gemakkelijk te bereiken. Het gemoed zou moeten gecontroleerd en opgeleid worden naar het intellect toe in plaats van langs de hoofdzintuigen zoals het horen, voelen, zicht, smaak en reuk. Het gemoed is natuurlijke wijze onrustig. Het observeren van het natuurlijke in- en uit gaan van de adem, en het alternatief ademen brengen het gemoed tot kalmte.

De twee meest gebruikte technieken om het gevoel te beheersen zijn:

(1) Concentreer uw volle aandacht op ��n punt tussen de wenkbrauwen. Voorzie en verbreidt er een sfeer van een draaiende wit licht.

(2) Zingt zo spoedig mogelijk mentaal een mantra of een heilige naam van de Heer, en laat uw gemoed door het geluid van het mentaal zingen doordringen, zodanig dat u het tikken van een dichtst bijgelegen klok niet meer hoort. De snelheid en de geluidssterkte van het mentaal zingen moeten vermeerderd worden naargelang de rusteloosheid van het gemoed, of omgekeerd.

Concentratie op een bijzonder aspect van een god, op het geluid van een mantra, op de gang van de ademhaling naar verschillende energie centra in het lichaam, tussen de wenkbrauwen, op de top van de neus, en op een ingebeelde karmozijn (rood) lotusbloem binnen de borst centrum, kalmeert het gemoed en schorst het zwerven.

[6] Eenpuntig: ekagra, d.w.z. als hij in concentratie is.

[7] Ramanand Prasad: Een yogi zou op eender mooie vorm van God moeten beschouwen totdat de vorm in zijn gemoed tegenwoordig is. Korte meditaties in volle concentratie zijn beter dan lange zonder concentratie. Het gemoed (de geest) gefixeerd op ��n enkel voorwerp der contemplatie voor twaalf (12) seconden, twee minuten vijftig seconden (2 � ),en een half uur staan achtereenvolgens voor concentratie, meditatie, en trance. Meditatie begint wanneer het gemoed ophoudt te oscilleren en is van het punt van concentratie verdwenen.

In het laagste stadium van de trance, wordt het gemoed zodanig gevestigd op een gedeelte van een godheid zoals het gelaat, of de voeten dat al het overige is vergeten. Het is zoals een droom in een staat van �wakker zijn� (of slaaploosheid toestand), welbewust van het gemoed, de gedachten, en omgeving. In een hoger trance-staat, verblijf het lichaam stil en onbeweeglijk, en het gemoed experimenteert verschillende aspecten van de Waarheid. Het gemoed verliest zijn individuele identiteit en wordt ��n met het kosmische onbewuste.

De superbewuste staat van gemoed is het hoogste trance etappe. In deze gemoedsstaat, wordt het gewone menselijke bewustzijn doordrongen door het kosmische onbewustzijn; bereikt een gedachteloze, en polsslagloze, ademloze staat, en ervaart niets anders dan vrede, blijdschap, en de hoogste zaligheidgeluk. In deze hoge trance toestand verblijvend, wordt de energie centrum (Chakra) boven aan het hoofd (kruin) geopend, het gemoed verzonken in het eeuwige; waar geen gemoed of gedachte meer is, maar het gevoel van Zijn transcendentale bestaan, bewustheid, en zaligheidgeluk. Een persoon die deze staat heeft bereikt, wordt een wijze genoemd.

Het bekomen van de gezegende trance toestand is voor velen moeilijk. Muniji geeft een eenvoudige methode. Hij zegt: �Wanneer u in Hem bent doordrongen, Hij en Zijn werk stromen doorheen uw ganse persoon, terwijl u oneindig gelukkig, vreugdevol en zaligheidgeluk voelt.�

[8] Om door pranayama de in- en uitademing tot harmonie te brengen; dan de aandacht vestigend op het voorhoofdcentrum, brengt hij denken en ademhalen tot harmonie.

[9] Een Brahmachari is iemand, die zich aan de gelofte houdt van beheersing der zinnen, van het celibaat.

[10] Gedachten: Manas. Het is het denkvermogen, het mentaal vermogen; datgene dat de mens onderscheidt van het dier; Het is het beginsel van individualiteit; datgene waardoor de mens in staat wordt gesteld te begrijpen dat hij bestaat, voelt en ondervindt.

[11] Citta: Faculteit van het wandelde gemoed van het ene gedachte naar de andere.

[12] Yukta: Zich met iemand verenigen. Iemand die zich met de Verhevene heeft kunnen verenigen.

[13] Citta.

[14] Vertaling is volgens R.P.�s versie: �One feels infinite bliss that is perceivable only through the intellect, and is beyond the reach of the senses. After realizing the Absolute Reality, one is never separated from it.� (6.21)

[15] Ramanand Prasad: Neem een meditatieve houding aan zoals het in vers 6.13 beschreven staat. Het is een heel goede idee om eender welke taak te beginnen, na vooreerst een persoonlijke god van uw keus waarin ge gelooft te hebben aangeroepen. De Heer Ganesha, en de Goeroe zouden door de Indi�rs moeten aangeroepen worden.

Het voorname doel van de meditatie, of een geestelijke oefening, is om uit de buitenwereld een tijd te verdwijnen en een innerlijke reis aan te vangen, zodoende een introvert te worden. Bedenk steeds dat ge het lichaam niet bent, noch het gemoed (geest); maar het Zelf (Atma) die afgezonderd en hoger staat dan het lichaam-gemoed complex (LGC). Ontbind het Zelf van het LGC en maak van het Zelf een getuige gedurende de meditatie. Onttrek uw gemoed van de buitenwereld en fixeer uw blik op eender centra (slijmklier, zesde Chakra, vooraan de neusgaten, hart of- navel centra) van uw keus wat voor u het beste is. Wordt een getuige van uw gemoedsactiviteiten zonder te gaan oordelen, of het goed of slecht is, omtrent in het gemoed bereikte gedachten. Relaxeer gewoon, neem plaats achter aan het voertuig van uw gemoed, alsof u een plezier reisje onderneemt, en bekijk het afdwalen van uw gemoed in de wereld van de gedachte. Het gemoed gaat afdwalen omdat het zijn natuur is. In het begin zal het zeker niet rustig blijven. Haast u niet deze te bedaren, of het gemoed te controleren, maar tracht dit terug te brengen tot het concentreren op een voorwerp, een gedachte, of zingt een mantra zoals gewoonlijk aangeleerd.

Ontbind u volledig van uw gemoed, bekijk het spel van Maya, het gemoed. Vergeet niet dat het uw taak is om uw (lager) zelf, het gemoed, met uw (hoger) Zelf, de Atma, te zien. Bindt u niet of dwaal niet af door de gedachte golven (Vritti) van het gemoed, maar wees enkel een getuige ervan en volgt het. Na een ernstige en oprechte praktijk, zal het gemoed zich bedaren na de ontdekking dat ze voortdurend wordt geobserveerd en gevold. Voeg er niets aan toe bij de getuige ontwikkeling van de innerlijke wereld der gedachten, Chitta-vritti genaamd. Langzaam zal de kracht van uw concentratie vermeerderen, terwijl het gemoed als een vriend de innerlijke reis gaat verder zetten (G�t� 6.05-06), en een gelukszalig staat gaat zich rondom u uitstralen. U zult boven de gedachte komen te staan in de gedachteloze wereld van Nirvikalp Samadhi. Breng deze gedurende een half uur in praktijk s�morgens en s�avonds, of naar keuze op gelijk welke en gepaste ogenblik. De vooruitgang zal buiten onze controle van verschillende factoren afhankelijk zijn, toch volhard zonder uit te stellen of af te zetten. Eindigt steeds de meditatie met de drievoudige klankvibratie AUM, en dank God.

[16] De meditatie.
[17] Gemoed.

[18] Bedoeld de innerlijke en uiterlijke werelden, de hemelse en wereldse genoegens.

[19] Het pad van de zelf-realisatie.

[20] Anders vertaalt: �Krishna zei: �O Arjuna, de opwaarts strevende, die zich bezighoudt met gunstige zaken, gaat noch in deze wereld, noch in de geestelijke te niet; iemand die goed doet, Mijn vriend, wordt nimmer door kwaad overmand.� (6.40)

[21] Abhyasa.
[22] Eenwording door de meditatie.
[23] Sabdabrahman, de Vedische Wet.
[24] Yogi:

(1) Transcendentalist van de eerste, tweede of derde orde, respectievelijk bhakta, yogi en jnani, of anders aangeduid: bhakta, paramatmavadi en brahmavadi.

(2) Transcendentalist van het tweede plan, bedreven in astanga-yoga of een der hiermee verwante yoga�s.

(3) Yoga-beoefenaar in meest algemene zin.
(4) Ook, naam van Krishna, de allerhoogste Yogi.

[25] Tapasvin: (of tapa) (letterlijk: boete): vrijwillige aanvaarding van zekere beperkingen in materieel opzicht met het oog op geestelijke zelfverheffing.

[26] Jnanis: iemand die zich toelegt op het ontwikkelen van zijn kennis (vooral door middel van speculatief denken).

[27] Karmin: Materialist, die er slechts naar streeft zijn zinnen te laten genieten. Dit leidt er slechts toe dat hij steeds meer vast raakt in de kringloop van geboorte en dood.

Hoofdstuk 7
ZELFKENNIS EN VERLICHTING

1. De Heer Krishna zei: Hoor nu, O Arjuna, hoe je door yoga te oefenen in vol bewustzijn van Mij en met je geest op Mij gericht, Me geheel kunt kennen zonder een spoor van twijfelen.

METAFYSISCHE KENNIS IS DE UITERSTE KENNIS

2. Ik zal u deze wijsheid[1] en kennis[2] volledig openbaren en wanneer ge u die hebt eigen gemaakt, blijft er verder niets over te weten.

DE ZOEKERS ZIJN BEPERKT[3]

3. Onder vele duizenden mensen streeft er misschien ��n naar volmaaktheid[4], en van duizenden strevenden is er ternauwernood ��n, die Mij in wezen[5] kent.

DEFINITIES VAN DE MATERIE, BEWUSTZIJN, EN GEEST

4. Aarde, water, vuur, lucht, ether[6], geest[7], verstand en het ikbesef tezamen omvatten deze achtvoudige indeling Mijn afgescheiden, stoffelijke energie�n. (Zie ook 13.05)

5. Behalve deze lagere natuur, O Arjuna, heb Ik een hogere natuur, welke bestaat uit alle levende wezens[8], die met de stoffelijke natuur worstelen en het universum schragen.

DE VERHEVENE GEEST IS DE GRONDVEST VAN MATERIE, BEWUSTZIJN EN GEEST

6. Wees ervan overtuigd dat van al wat stoffelijk en geestelijk is in deze wereld, Ik[9] zowel de oorsprong als de ontbinding ben[10]. (Zie ook 13.26)

7. Er is niets, dat hoger is dan Ik, O Arjuna. Alles houdt verband met Mij, als parels, aan een draad geregen.

DE VERHEVENE GEEST IS DE BASIS VAN ALLES

8. O Arjuna, Ik ben de smaak in de wateren; het stralende in de maan en de zon, de heilige syllabe OM in al de Vedas; geluid in ether en kracht in het menselijk wezen.

9. Ik ben de oorspronkelijke geur van de aarde en Ik ben de hitte in het vuur. Ik ben het leven van al wat leeft en Ik ben de strenge eenvoud van de asceten.

10. O Arjuna, weet dat Ik het oorspronkelijk zaad ben van al wat is, het verstand[11] van de verstandigen en de moed van alle dapperen[12]. (Zie ook 9.18 en 10.39).

11. Ik ben de begeerte in de menselijke wezens, ontdaan van sensuele bevrediging in overeenstemming met de dharma[13] (voor het sacrale doel van procreatie na het huwelijk), O Arjuna[14].

12. Alle zijnstoestanden � in goedheid, hartstocht of onwetendheid � worden geopenbaard door Mijn vermogen. Ik ben in zekere zin alles, maar Ik ben onafhankelijk. Ik word niet be�nvloed door de drie�rlei aard der stoffelijke natuur. (Zie ook 9.04 en 9.05)

13. Begoocheld door de drie�rlei aard der stoffelijke natuur (goedheid, hartstocht, onwetendheid), is de gehele wereld onbekend met Mij, die boven de geaardheden ben en onuitputtelijk?[15]

HOE DE GODDELIJKE ILLUSOIRE KRACHT (MAYA) OVERWINNEN

14. Deze Mijn goddelijke energie, bestaande uit de drie�rlei aard der stoffelijke natuur, is moeilijk te overwinnen. Maar degenen die zich aan Mij overgeven, komen haar gemakkelijk te boven. (Zie ook 14.26, 15.19, en 18.66)

WIE ZOEKEN GOD

15. De boosdoeners, de dwazen, de nietswaardigen, diens verstand door de begoocheling is versluierd, die de geaardheid van demonen[16] bezitten, zoeken hun toevlucht niet tot Mij.

16. O Arjuna, vier soorten vrome lieden bewijzen me toegewijde dienst � de verdrietige, hij die rijkdom begeert[17], de nieuwsgierige en hij die naar kennis van het Absolute zoekt.

17. Van deze is de wijze, die immer in harmonie de Ene aanbidt, de uitnemendste; Ik ben de wijze dierbaar bovenal, en hij is Mij dierbaar.

18. Al deze toegewijden zijn ongetwijfeld grootmoedige zielen, maar degene die zich in kennis bevindt aangaande Mij, verblijft waarlijk in Mij. Werkzaam in Mijn bovennatuurlijke dienst, bereikt hij Mij[18]. (Zie ook 9.29)

19. Na vele geboorten komt de verlichte, die vervuld is van wijsheid tot Mij (of Verhevene Wezen). Zo een grote ziel is uiterst zeldzaam[19].

20. Zij, wier denken verscheurd is door begeerten, gaan tot andere godheden[20], en zoeken hun toevlucht tot verschillende rituele gebruiken, al naar hun aard.

DE AANBIDDING VAN EEN GODHEID IS OOK GOD AANBIDDEN[21]

21. Hoe een toegewijde, vol geloof en vertrouwen[22] Mij ook zoekt te aanbidden, Ik[23] maak dat geloof en vertrouwen van die mens standvastig.

22. Vervuld van geloof en vertrouwen, zoekt hij zo�n halfgod te aanbidden, en van hem verkrijgt hij de vervulling van zijn begeerten; Ik echter bepaal de gunsten.[24]

23. Mensen met weinig verstand aanbidden de halfgoden en wat ze ontvangen is beperkt en tijdelijk. Degenen die de halfgoden aanbidden gaan naar de hemelse gewesten van de halfgoden, maar mijn devoters komen zeker tot Mij[25].

GOD KAN IN EEN BEELD VAN EENDER GEWENSTE VORM VAN AANBIDDING GEZIEN WORDEN

24. Onverstandige lieden, die Mij niet kennen, denken dat Ik deze gedaante en persoonlijkheid heb aangenomen. Als gevolg van hun geringe kennis, weten ze niets van Mijn hogere natuur, die onveranderlijk en hoog verheven is.

25. Ik ben nimmer herkenbaar voor de dwazen en onverstandigen. Ik ben door Mijn eeuwige scheppende kracht voor hen verhuld; zo word Ik, die ongeboren en onfeilbaar ben door de begoochelde wereld niet gekend.

26. Ik ken de schepselen van verleden, heden en toekomst, O Arjuna, maar Mij kent niemand.

27. Door het illusoire van de paren van tegenstellingen, die ontsproten zijn aan toeneiging en afstoting, O Arjuna, worden alle schepselen geboren[26] in volslagen begoocheling.

28. Maar de mensen, die zuiver en deugdzaam leven, in wie geen zonde meer is; zij, die bevrijd zijn van de begoochelende paren van tegenstellingen, aanbidden Mij, standvastig in hun geloften.

29. Zij die, hun toevlucht zoekend in Mij, streven naar bevrijding van geboorte en dood, kennen het Eeuwige Brahman[27] , zij hebben algehele kennis van het Zelf en van de totaliteit van handeling.

30. De standvastige personen, die Mij alleen kennen als het grondbeginsel van alles � de sterfelijke wezens, de Tijdelijke Wezens, en de Eeuwige Wezen � zelfs op het uur van de dood, bereiken ze Me[28]. (Zie ook 8.04)

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het zevende hoofdstuk, genaamd �Zelfkennis en Verlichting�.

[1] Jnana: (letterlijke kennis) Geestelijke kennis, of kennis waardoor men in staat is onderscheid te maken tussen het stoffelijk lichaam en de geestelijke ziel.

[2] Vijnana: (1) Kennis aangaande de ziel, haar wezenlijke natuur en de eeuwige band die haar met God verbindt. (2) Toegepaste kennis.

[3] De belangstellenden zijn beperkt.
[4] Siddhi: Psychische of occulte kracht.

[5] Tattvatah: De Absolute Waarheid in haar drie verschillende aspecten. (Let op de Christelijke leer van de goddelijke drievuldigheid.)

[6] Akasa.

[7] Manas: Het denkvermogen, het mentaal vermogen; datgene wat de mens onderscheidt van het dier. Het is het beginsel van individualiteit; datgene waardoor de mens in staat wordt gesteld te begrijpen dat hij bestaat, voelt en ondervindt.

[8] Jivas: schepsel, schepselen.

[9]Purusha: Letterlijk, het mannelijke princiep: (1) Met betrekking tot Krishna: ook genaamde de �allerhoogste genieter�. (2) Het levend wezen dat van het stoffelijk bestaan tracht te genieten. Het heeft eveneens betrekking op de Absolute Waarheid in Haar uiteindelijke, persoonlijke gedaante. (3) Het geestelijk of belichaamde zelf. Het woord betekent letterlijk, �De bewoner van de stad� ofwel de bewoner van het lichaam. �Pura� komt vanzelfsprekend uit het Sanskriet en betekent stad of lichaam, terwijl �usha� een afleiding is van het werkwoord �vas�, wonen.

[10] R.P. vertaalt: Weet dat alle schepselen uit deze tweevoudige energie zijn ge�volueerd; en dat de Verhevene Geest de bron en begin is en eveneens de ontbinding van het gehele universum. (7.6)

[11] Buddhi: De Universele Ziel of het Universeel Denkvermogen. Het is de geestelijke ziel in de mens en bijgevolg het voertuig van Atma, de Geest.

[12] Anders vertaalt: O Arjuna, weet dat Ik het eeuwige zaad ben van alle schepselen, Ik ben de rede van de met rede begiftigen, de stralende pracht van de prachtige dingen ben Ik. (7.10)

[13] Dharma: (1) �Religie� � de natuurlijke en eeuwige functie van het levend wezen: het naleven van de natuurwetten die door God zijn ingesteld en Hem met liefde en toewijding dienen. (2) Andere naam voor de verschillende religieuze, filosofische, maatschappelijke en persoonlijke plichten van de mens.

[14] Vertaling naar R.P.

[15] R.P. vertaalt aldus: Human beings are deluded by various aspects of these three modes of material Nature; therefore, they do not know Me, who is eternal and above these modes. (7.13) In het Nederlands: De menselijke wezens zijn misleid door verschillende geaardheden, voorkomend uit de materi�le hoedanigheden van de Natuur; daarom kennen ze Mij niet, als eeuwig en boven deze hoedanigheden verheven. (7.13)

[16] Asuras: Ieder die zich niet aan de regels van de Schriften houdt en diens enige levensdoel bestaat voortdurend van wereldse zaken te genieten. Hoe meer hij zich hecht aan de materie, hoe demonisch hij wordt en hoe heviger hij het bestaan van de Allerhoogste ontkent.

[17] Iets speciaals nastreeft.

[18] R.P. vertaalt: All these seekers are indeed noble. But, I regard the enlightened devotee as My very Self, because the one who is steadfast abides in My Supreme Abode. (7.18) In het Nederlands: Al de zoekers zijn zeker edel. Maar, Ik beschouw de verlichte devoot waarlijk Mijzelf, want hij die vastberaden is verblijft in Mijn Verhevene Woonst. (7.1

[19] R.P. vertaalt als volgt: After many births the enlightened one resorts to Me by realizing that everything is, indeed, My (or Supreme Being�s) manifestation. Such a great soul is very rare. (7.19) Nederlandse vertaling reeds in de tekst gebracht.

[20] Devata: Een goddelijk wezen met een engel vergelijkbaar. Deugdbaar wezen, dienaar van de Verhevene. Levend wezen, dar door de Verhevene begiftigd is met de macht om een gedeelte van het universum te besturen, zoals zon, regen, vuur enz., en tevens te waken over het welzijn van alle levende wezens.

[21] Het gaat hier om een halfgod. De halfgoden (Deva�s) bestaan ook in het Christendom (uitgezonderd bij de Reformatorische Christenen), ze worden �heiligen� genoemd. Het zijn gelovige overledenen die een onwankelbare levenswandel hebben gehad, goede en uitzonderlijke daden hebben gedaan , en die door kerkelijke instanties na vrij lange procedure eerst zalig dan heilig verklaard worden. (Een kandidaat tot de heiligverklaring moet minstens ��n mirakel hebben gedaan.) Onwetende christenen gaan heiligen wel aanbidden. Een heilig verklaring wordt niet als dogma beschouwd, dus geen verplichte geloofsvoorwaarde. Bij de Reformatorische Christenen op grond van de Bijbel, is een heilige een gedoopte gelovige, of gewoon een gelovige in Jezus Christus. Halfgoden of Deva�s zijn ook engelen, in het Hindoe�sme eveneens als een �god� beschouwd. In het Sanskriet is een godheid rijk aan stralende schoonheid. Een Deva is een hemels wezen, hetzij goed, slecht, of onbelangrijk. De Deva�s zijn verdeeld in vele groepen en worden niet alleen engelen en aartsengelen genoemd, maar dragen ook de naam van kleinere en grotere bouwers, in het Katholicisme heiligen genoemd. Ramananda Prasad noemt ze �hemelse controleurs� (letterlijk vertaald). Wij kozen alvast voor de Nederlandse taal �hemelse heersers� waar de vertaling erom vraagt (keuze vatbaar voor verandering).

[22] Shraddha. Geloof is vertrouwen.
[23] Ik, het Zelf, Purusha, de Heer, Krishna.

[24] De kracht van de godheden komt van de Verhevene Heer zoals het aroma van de wind door de bloemen (BP 6.04.34). God vervult alle wensen van zijn aanbidders (BP 4.13.34). Men zou naar eender methode om God te zoeken niet mogen overwegen, omdat al de erediensten, de aanbidding van dezelfde God is. Hij vervult al de oprechte en nuttige gebeden van de devoters, indien Hij in geloof en liefde is aanbeden. De wijze realiseert dat al de namen en gedaanten van Hem zijn, terwijl de onwetende het spel van de heilige oorlog speelt in de naam van de godsdienst om persoonlijke winst op de kosten van de anderen te vergaren.

Er wordt gezegd dat een persoon gelijk eender god mag aanbidden, daar zijn of haar totale gehoorzaamheid en gebeden de Verhevene Wezen bereikt zoals het vallen van regenwater die uiteindelijk de oceaan bereikt. Eender welke naam en goddelijke gedaante dat wordt aanbeden, blijft het de eredienst aan dezelfde Verhevene Wezen, en men ontvangt de beloning van de goddelijk eredienst wanneer in geloof volbracht. De gewenste resultaten der eredienst, zijn langs de favoriete god door de Heer rechtstreeks geschonken. De menselijke wezens leven in de duisternis der gevangeniscellen van de paren van tegenstellingen. Goden zijn zoals iconen die vensters kunnen openen waardoor de Verhevene kan worden waargenomen. Niettemin, het aanbidden van de goden zonder volledige kennis van de natuur van de Verhevene Wezen wordt als een vorm van onwetendheid beschouwt. (Ramananda Prasad)

[25] Zij die hemelse heersers aanbidden staan onder het passionele; en hen die veel lagere graden van eredienst praktiseren zoals het aanbidden van duistere geesten, spoken, zwarte magie, en Tantra � ook als afgoderij bekend � om een overledene op te roepen, faam, of om vijanden te vernietigen, staan onder de modaliteit van onwetendheid. De Heer Krishna waarschuwt tegen deze lage vormen van eredienst en raadt aan enkel de ene en ware Verhevene Heer te aanbidden, hoe dan ook zijn naam en gedaante. De devoters van Krishna kunnen, af en toe, Krishna in een andere gedaante aanbidden. In Mahabharata, de Heer Krishna zelf geeft Arjuna de raad om een zachte moeder gedaante van God te aanbidden, bekend als Moeder Durga, juist voor het begin van de oorlog, de overwinning tegemoet gaande. Het is zoals een kind die iets bij Moeder komt vragen, en niet bij de Vader. De Heer is beide moeder en vader van alle schepselen.

[26] Letterlijk: Gaan alle schepselen in de schepping.

[27] Het Absolute.

[28] Letterlijke vertaling van R.P�s tekst: The steadfast persons, who know Me alone as the basis of all - the mortal beings, Temporal Beings, and the Eternal Being - even at the time of death, attain Me. (See also 8.04) (7.30)

Hoofdstuk 8
DE EEUWIGE GEEST

1. Arjuna vroeg: O mijn Heer, O Allerhoogste, wat is Brahman[1]? Wat is het zelf[2]? Wat zijn vruchtdragende activiteiten? Wat is deze stoffelijke openbaring? En wat zijn de halfgoden[3]? Wees zo goed me dit uit te leggen.

2. Wat is de kennis van het offer[4] in dit lichaam, en hoe, O Madhusudhana[5]? En hoe zult Gij in de ure des doods gekend worden door hen, die zich aan het Zelf hebben onderworpen.

DEFINITIE VAN DE VERHEVENE GEEST, GEEST, INDIVIDUELE ZIEL, EN KARMA

3. De Heer Krishna zei: het onvergankelijke[6], het allerhoogste, het Absolute is het Eeuwige Wezen; Zijn wezenlijke aard noemt men kennis van het Zelf; de emanatie, die de geboorte van de schepselen veroorzaakt, wordt handeling[7] genoemd.

4. De kennis der elementen betreft de vergankelijke natuur: kennis omtrent de halfgoden[8] betreft de leven-gevende energie[9]; de kennis omtrent het offer spreekt over Mij als wonend in het lichaam als de innerlijke Getuige, O gij beste onder de levende schepselen[10].

DE THEORIE VAN REINCARNATIE EN KARMA

5. En alwie in het uur des doods zijn lichaam verlatend aan Mij denkt, komt onmiddellijk tot Mij. Daar is geen twijfel aan.

6. De zijnstoestand die men zich bij het verlaten van het lichaam herinnert, zal men voorzeker weer bereiken.

EEN EENVOUDIGE METHODE VAN DE GOD-REALISATIE7.

7. Denk daarom voortdurend aan Mij alleen, en strijd. Als uw verstand en uw vrede vast op Mij gevestigd zijn, zult ge tot Mij komen, daar is geen twijfel aan[11].

8. Door Mij met een onwankelbaar gemoed te beschouwen[12], gedisciplineerd in het praktiseren van de meditatie, gaat men de Verhevene Wezen bereiken, O Arjuna[13]en[14] .

9. Men dient te mediteren op de Verhevene Wezen als degeen die alles weet, die de oudste is, die de bestuurder is, die kleiner is dan het kleinste, die alles in stand houdt, die Zich aan elke stoffelijke benadering onttrekt, die men zich niet kan voorstellen en die altijd een persoon is. Hij straalt als de zon en bevindt Zich, van onvoorstelbare gestalte, buiten deze stoffelijke natuur[15].

10. Wie in het uur van zijn dood zijn levenskracht op het punt tussen zijn wenkbrauwen richt en zich in volledige toewijding de Opperheer voor ogen houdt, zal voorzeker tot de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods komen[16]. (Zie ook de verzen 4.29, 5.27, 6.13)

11. Wat de Vedakenners het Onvergankelijke noemen en wat asceten, vrij van gehechtheid, bereiken waartoe ze het celibaat dienen te beoefenen, die staat wil ik u beknopt uiteenzetten.

BEREIKT VERLOSSING DOOR OP HET UUR VAN DE DOOD OP GOD TE MEDITEREN

12. Hij, die alle poorten sluit, het bewustzijn in het hart besloten houdt, de levensadem vasthoudt in het hoofd, in meditatie verzonken;

13. (Hij die) de heilige syllabe Aum reciteert, nimmer van Mij aflaat, terwijl hij voortgaat[17], zal bij het verlaten van het lichaam het hoogste pad betreden[18] en [19].

14. Wanneer die grote zielen, de toegewijde yogi�s, Mij hebben bereikt, zullen ze nimmer terugkeren naar deze tijdelijke wereld, die vol ellende is, omdat ze zich de hoogste volmaaktheid hebben verworven[20].

15. Hebben zij Mij eenmaal bereikt, dan keren deze verheven zielen[21] niet terug tot geboorte in de wereld van smart, het vergankelijke; zij hebben de hoogste volmaaktheid bereikt.

16. De werelden, te beginnen met de wereld van Brahma, die komen en gaan, O Arjuna; maar wie Mij bereikt wordt niet wederom geboren. (Zie ook 9.25)

ALLES IN DE SCHEPPING IS CYCLISCH

17. Zij, die weten dat de dag van Brahma duizend yugas (een kalpa, dit is 432.000.000 jaar) duurt en dat de nacht van Brahma ook duizend yugas omvat, zij kennen de dag en de nacht[22].

18. Bij het aanbreken van de dag emaneert al het geopenbaarde uit het ongeopenbaarde; bij het vallen van de nacht lost het weer op in dat wat het ongeopenbaarde genoemd wordt.

19. Dezelfde menigte schepselen, komen bij het aanbreken van een creatieve cyclus steeds terug in het bestaan; en is onvermijdelijk vernietigd bij het aanbreken van de afbrekende cyclus[23].

20. Maar hoger dan dat ongeopenbaarde is een ander ongeopenbaarde, eeuwige[24], dat wanneer alle schepselen worden vernietigd, zelf niet tenietgaat.

21. Die allerhoogste woonplaats wordt genoemd onvergankelijk en niet-geopenbaard, en ze is ieders hoogste doel. Wie daarheen gaat keert nimmer terug. Dat is Mijn allerhoogste woning.

TWEE FUNDAMENTELE VERTREKPADEN UIT DE WERELD

22. Het Allerhoogste Woonst, O Arjuna, kan bereikt worden door onwankelbare toewijding aan Mij alleen, in Wie alle wezens verblijven; door Wie het gehele universum wordt doordrongen[25]. (Zie ook 9.04 en 11.55)

23. O Arjuna, Ik zal u nu uitleggen, waarin men als yogi na het overgaan niet wederkeert, en ook van de tijd waarin men, als yogi na het overgaan wel terugkeert.

24. Vuur, licht, dag, de heldere veertien dagen van de maan, de zes maanden van het noordelijke solstitium van de zon, de yogi�s die dan overgaan van het pad dezer hemelse controleurs en die de eeuwige Geest kennen, bereiken de Verhevene[26].

25. Rook, nacht, de donkere veertien dagen, de zes maanden van het zuidelijk pad; als hij dan overgaat, verkrijgt de yogi het licht van de maan[27] en keert terug.

26. Licht en duisternis worden geacht de eeuwigdurende paden van de wereld te zijn; langs het ene pad gaat hij die niet terugkeert; langs het andere pad hij die terugkeert[28] en[29].

TRANSCENDENTALE KENNIS LEIDT TOT VERLOSSING

27. Daar hij deze twee paden kent, O Arjuna, is de yogi nooit in verwarring. Wees daarom vastberaden in het halen van de verlossing - ten alle tijde het doelpunt van de menselijke geboorte.

28. De yogi, die deze kennis verworven heeft, gaat voorbij aan de vruchten van verdienstelijke daden, welke in de Vedas gehecht worden aan offers, aan verzaking, en ook aan het geven van aalmoezen; en hij gaat tot de allerhoogste staat van het oerbegin.

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het achtste hoofdstuk, genaamd �De Eeuwige Geest�.

[1] Eeuwige Wezen.

[2] Adhibhuta: het principe van het objectieve bestaan. (De stoffelijke natuur.)

[3] Adhidaiva: het principe van subjectieve bestaan. (De goddelijke natuur.)

[4] Adhiyajna: het principe van het offer, incarnatie.

[5] Een naam van de Heer Krishna � doder van de demon Madhu.

[6] Aksaram: hetgeen niet onderworpen is aan de wet van karma.

[7] Karma: Stoffelijke actie. Metafysisch: de wet van vergelding; de wet van oorzaak en gevolg of ethische veroorzaking. Er bestaat karma van verdienste en karma van berisping. Het is de kracht die alle dingen beheerst, de einduitkomst van morele actie of de morele uitwerking van een ten uitvoer gebrachte daad ter verkrijging van iets dat de persoonlijke begeerte bevredigt.

[8] Hemelse heersers, bewaarders ...

[9] De mannelijke scheppende energie. De allerhoogste Purusha is de god-mens, God manifest en het Ongemanifesteerde.

[10] S. Radhakrishnan zegt naar aanleiding van vers 4: de samensteller van de Bhagavad G�t� wil, dat wij een integrale kennis bezitten van het goddelijke in al zijn aspecten. Daar is het onveranderlijke Goddelijke, het Brahman; daar is de persoonlijke God, Isvara, het voorwerp van alle devotie; daar is het kosmische Zelf, Hiranyagarbha, de hoogste godheid van de kosmos; en daar is de jiva, de individuele ziel, die deel heeft en aan de hogere natuur van het Goddelijke, en aan prakriti, de veranderlijke natuur. (Hoofdstuk 7, vers 4 en verder.)

[11] Het hoogste doel van het leven is om een persoonlijke uitgekozen God ten alle tijde in ere te houden, zodanig dat men zich God op het stervensuur kan herinneren. De Absolute en onpersoonlijke God herinneren is voor de meeste menselijke wezens een onmogelijke zaak. Een zuivere devoot, nochtans, is bekwaam de ecstasy van de innerlijke persoonlijke tegenwoordigheid van de Heer te experimenteren en Zijn Verhevene Woonst te benaderen door Hem altijd te herinneren. Verblijven we steeds in een voordurende geestelijke bewustzijn. (Ramananda Prasad)

[12] Contemplatie.

[13] Naar Ramananda Prasad uit het Engels vertaalt: �By contemplating on Me with an unwavering mind that is disciplined by the practice of meditation, one attains the Supreme Being, O Arjuna.� (8.08)

[14] Men komt tot geestelijke ontwaking en God�s visie door tijdens de meditatie steeds op God te denken, in de stille herhaling van God�s heilige naam, en contemplatie. De inspanning van een hele leven schaaft onze toekomst. Geestelijke praktijken zijn bedoeld om het gemoed door Zijn gedachten doordrongen, tevens aan Zijn voeten bij de lotus te verblijven. Ramakrishna heeft gezegd, indien men iets verlangt dient men het Moeder aspect van God in gebed te benaderen, in een eenzame plaats, met tranen van oprechtheid in de ogen, terwijl onze wensen worden vervuld. Hij heeft tevens de mogelijkheid aangehaald om binnen de drie dagen Zelfrealisatie te bereiken. Indien een persoon door en door geestelijke discipline handhaaft, zal hij vlugger volmaaktheid bereiken. De intensiteit der overtuiging en geloof met diep verlangen, rusteloosheid (totdat men rust in de Heer heeft gevonden) intense begeren, en volharding bepalen de snelheid van geestelijke ontwikkeling. Het werkelijk praktiseren van Hatha Yoga zijn niet de yogische oefeningen zoals aangeleerd in moderne yoga centra, maar door consequent, in volharding, en met aandrang naar de Verhevene Waarheid te zoeken. Zelfrealisatie is geen eenvoudige handeling maar een verloop van trapsgewijze geestelijke groei, te beginnen met de intentie, het geleidelijk overgaan naar de plechtig gelofte (een eenzame beslissing), goddelijke genade, geloof, en uiteindelijk het realiseren van de Waarheid (YV 19,30). De Verhevene Wezen is door het beluisteren van preken, het intellect, of geleerdheid niet realiseerbaar. Het is enkel te realiseren indien iemand erna verlangt in oprechtheid en vaste wilskracht. Door in alle oprechtheid aan onszelf te schaven, komt de goddelijke genade tot stand, en de Verhevene Wezen ontsluiert. (Ramananda Prasad)

[15] Dra C. Keus vertaalt: �Hij, die zijn denken richt op de Almachtige, Alwetende, Heerser over het Al, die ook kleiner is dan de kleinste, die het Al schraagt, van onvoorstelbare vorm of gestalte is, stralend gelijk de zon en boven alle duisternis verheven.� (8.9)

[16] Dra C. Keus: �Zal in de ure des doods, vastberaden, onwrikbaar in zijn toewijding, door het vermogen van yoga zijn levensadem in het krachtmiddelpunt tussen de wenkbrauwen samentrekkend, tot deze allerhoogste, goddelijke Geest ingaan.� (8.10)

[17] Bedoelt in de dood.

[18] Hendrik van Teylingen�s versie: �Wie alle openingen bewaakt, de geest in het hart sluit, de levenskracht naar het voorhoofd richt, in vereende concentratie verwijlt � en zo door de ene lettergreep, OM, Brahman verklankt, terwijl hij zich Mij steeds heugt, die bereikt bij het verlaten van zijn lichaam het Hoogste Doel.� (8.12-13) R.P. vertaalt: �When one leaves the physical body by controlling all the senses; focusing the mind on God, and the bioimpulses (Pranas) in the cerebrum; engaged in yogic practice; meditating on Me and uttering OM - the sacred monosyllable sound power of Spirit - one attains the Supreme Abode.� (8.12-13) Letterlijk in het Nederlands vertaalt: �Wanneer iemand het fysisch lichaam verlaat door de zinnen onder controle te houden; naar God�s geest gekeerd, en de bio-impulsen (Pranas) in de hersenen; ge�ngageerd in yogische praktijken; mediterend op Mij en het verklanken van OM � de heilige monosyllabe geluidskracht van de Geest � bereikt het Hoogste Verblijf.� (8.12-13)

[19] Schriftuurlijke kennis heeft haar plaats, maar het is door directe realisatie dat het innerlijke kan bereikt worden en het uiterlijke zolang afgelegd. Meditatie is de weg naar innerlijke realisatie en moet aangeleerd worden, persoonlijk, en van een bekwame leraar. De realisatie van de ware natuur van het onbewuste leidt tot meditatie.

Hieronder, wordt een eenvoudige techniek van meditatie beschreven.

(1) Was uw gezicht, ogen, handen en voeten; en zit in een keurig, rustige en donkere plaats in een comfortabel postuur, met hoofd, hals, ruggerecht recht en vertikaal. Geen muziek of wierook is tijdens de meditatie aanbevolen. De tijd en plaats van de meditatie moet eerst worden vastgesteld. Goed de levensprinciepen, gedachten, woorden en daden naleven. Bepaalde yogi oefeningen is nodig. Middernacht, s�morgens en s�avonds zijn de beste momenten om te mediteren, 15 tot 25 minuten iedere dag.

(2) Herinnert u een naam of vorm van een persoonlijke god waarin uw geloof gevestigd is en vraag Zijn of Haar zegen.

(3) Doe uw ogen dicht; neem 5 tot 10 minuten voor trage maar diepe ademhalingen.

(4) Vestig uw blik, uw geest (gemoed), en gevoelens binnen in het centrum van uw borst, de plaats van het oorzakelijk hart en adem heel traag. Mentaal, zing �Raa� en adem in, en �Maa� en adem uit. Visualiseert mentaal en volgt de loop van de ademhaling langs de neusgaten, naar het voorhoofd, en naar beneden tot in de borst of de longen. Voel de adem en de gewaarwordingen in het lichaam, en blijf waakzaam. Tracht uw ademhaling niet te controleren of te leiden, adem gewoon op een natuurlijke wijze.

(5) Bevestigt uw wil in de gedachte dat het verdwijnt in de grenzeloosheid van de lucht, terwijl u ademt. Indien uw gemoed van de ademhaling ontwijkt, start opnieuw met stap 4. Wees regelmatig en volhard zonder uitstellen.

Het geluid van OM of AUM is een combinatie van drie hoofdgeluiden: A, U, en M. Het is de bron van alle uitgesproken geluiden. Daarom, is dit het beste geluid als symbool van de Geest. Het is de oorspronkelijke impulsief dat de vijf zenuw centra doet bewegen die de functie van het lichaam controleert. Yogananda noemt OM het vibratiegeluid van de kosmisch motor. De Bijbel zegt: �In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God.� (Johannes 1:1) (OM, Amen, Allah). Deze kosmische geluidsvibratie wordt door de yogi�s beluisterd als een geluid, of een mengeling van geluiden, of van verschillende frequenties.

De �OM� meditatie (in het Engels �Omnic Meditation�), door de Heer Krishna bekend gemaakt, is een zeer krachtige en sacrale techniek door heiligen en wijzen van alle godsdiensten in gebruik gebracht. Het combineert Patanjali�s laatste zes stappen in drie gemakkelijke stappen, die aan oprechte zoekers kosteloos zal worden toegestuurd door een schriftelijke aanvraag te richten aan de Gita Society of Belgium, Parklaan 81, B9000 Gent, Belgi�, E-mail : gitabene@hotmail.com - nadat ze geregeld gedurende een paar maanden bovenstaande meditatie techniek beoefend hebben en na evaluatie van de ontwikkeling. Samengevat, de �OM� methode oefent het �gemoed� (de geest) om doorlopend, het �AUM� geluid te verspreiden. Wanneer het gemoed door het repeteren van het goddelijk geluid is doordrongen, het individuele bewustzijn verenigt zich met het Kosmische Bewustzijn.

Een eenvoudige methode van contemplatie is door de Heer Krishna in vers 8 medegedeeld, meer bepaald voor hen die de conventionele meditatie zoals bovenaan beschreven niet kunnen volgen. (Ramananda Prasad)

[20] Het is geen gemakkelijke taak God altijd in herinnering te brengen. Men dient een basis te hebben om God ten alle tijde te herinneren. De basis zou een hevige liefde voor God kunnen zijn, of een passie om Hem door humanitaire dienstbaarheid te dienen. (Ramananda Prasad)

[21] Mahatmas: (letterlijk: de grote zielen): Hij die er volkomen van doordrongen is dat Krishna alles is en zich derhalve aan Hem overgeeft en volkomen opgaat in toegewijde dienst aan de Heer.

[22] De werkelijkheid omtrent de tijd. Korter vertaalt: �Naar menselijke berekening hebben duizend tijdperken tezamen de tijdsduur van ��n dag van Brahma. En zijn nacht duurt even lang.� (8.17)

[23] Vertaald naar R.P.: �The same multitude of beings comes into existence again and again at the arrival of the creative cycle; and is annihilated, inevitably, at the arrival of the destructive cycle.� (8.19)

[24] Sanatana: eeuwig.

[25] Vertaald naar R.P.: �This Supreme Abode, O Arjuna, is attainable by unswerving devotion to Me within which all beings exist, and by which the entire universe is pervaded.� (See also 9.04 and 11.55) (8.22)

[26] Vertaald naar R.P.: �Fire, light, daytime, the bright lunar fortnight, and the six months of the northern solstice of the sun � departing by the path of these celestial controllers, yogis who know the Spirit attain the Supreme.� (8.24)

[27] In het Nederlands, het maanlichaam of astrale lichaam. De mens keert terug tot geboorte (re�ncarnatie) totdat dit lichaam is overwonnen, d.w.z. getransformeerd tot het permanente lichaam.

[28] Naast deze twee paden is er een derde pad: jivanmukti, bevrijding tijdens het leven, wanneer de mens het Atman als zijn ware aard in zich heeft ontdekt. R.P. vertaalt vers 26 als volgt: �The path of light of spiritual practice and Self-knowledge and the path of darkness of materialism and ignorance are thought to be the world�s two eternal paths. The former leads to salvation and the latter leads to rebirth as human beings�. (8.26) In het Nederlands: �Het pad van het licht door geestelijke praktijk en Zelfkennis, en het pad van de duisternis door materialisme en onwetendheid zijn als twee eeuwige paden bedacht. Het ene leidt tot de verlossing en de andere tot wedergeboorte als menselijke wezens.� (8.26)

[29] De yogi�s (de mediterenden), u en ik, die na het overlijden door de gewesten trekken van Agni, de god van het vuur, en van de goden van licht, dag, de heldere veertien en de zes maanden van het noordelijk pad van de zon, zullen, daar ze ervan kennis hebben omtrent de Geest, door die goddelijke krachten geleid worden tot de gelukzalige eenwording met de Eeuwige Verhevene. De mediterenden, die na het overgaan door de gewesten trekken van rook, nacht, de duistere veertien dagen en de zes maanden van het zuidelijk pad van de zon, zullen, daar zij gehecht waren aan de vruchten van hun daden, door de goddelijke krachten van deze gewesten geleid worden en, bekleed met de glans van de maan, in de onzichtbare wereld de vruchten genieten van hun goede daden, waarna zij terugkeren om opnieuw geboorte te nemen op aarde. Om beter te begrijpen, dus met andere woorden: ons leven is een voortdurende strijd van op en neer gaan, dwalend tussen licht en duisternis, en wij zullen door onze passiviteit tegenover de hogere waarden van het leven weer langs het pad van duisternis dezer wereld moeten gaan, totdat wij door yoga-beoefening kennis verschaffen omtrent de �Eeuwige Geest� en langs het pad van de Zelfrealisatie en van licht, algeheel opgaan in de Eeuwige Geest en Woonst.

Hoofdstuk 9
DE VERHEVENE KENNIS EN HET GROTE GEHEIM

1. De Heer Krishna zei: Aan u, die vol goede wil zijt om te begrijpen, zal ik dit allerdiepste geheim, wijsheid en gedetailleerde kennis meedelen en verklaren en als ge dit weet, zult gij bevrijd zijn van wereldse ellende.

KENNIS RONDOM DE NATUUR VAN DE VERHEVENE IS HET GROOTSTE GEHEIM

2. Zelfkennis is de koning van alle kennissen, het grootste geheim, is zeer heilig, het kan door het instinct worden waargenomen, overeenkomstig met rechtvaardigheid (Dharma), is gemakkelijk te beoefenen, en is tijdloos[1].

3. Degenen die de weg der toegewijde dienst niet getrouw volgen kunnen Me niet bereiken, O overwinnaar der vijanden, maar keren terug in de kringloop van geboorte en dood in deze wereld.

4. Dit gehele universum is van Mij doordrongen in Mijn ongeopenbaarde vorm. Alle wezens zijn in Mij, maar Ik ben niet in hen. (Zie ook 7.12)

5. Aanschouwt de kracht van Mijn goddelijke geheim; in werkelijkheid, Ik � de instandhouder van alle levende wezens � ben van hen niet afhankelijk, en zij niet afhankelijk van Mij. (In feite, is de gouden keten niet van het goud afhankelijk; de gouden keten is niets anders dan goud. Ook, zijn de materie en energie verschillend en tevens niet verschillend).

6. Weet dat alle schepselen in Mij geworteld zijn, zoals de machtige lucht, die overal in beweging is, in de ether stoelt.

DE THEORIE VAN ONTWIKKELING EN VERWIKKELING

7. Alle schepselen keren terug tot Mijn oorspronkelijke materieel Natuur aan het einde van een cyclus meer dan 311 triljoen zonnestelsel jaren, O Arjuna, en Ik schep hen opnieuw aan het begin van een nieuwe cyclus[2]. (Zie ook 8.17)

8. De gehele kosmische orde bevindt zich onder Mij. Door Mijn wil wordt ze telkens weer geopenbaard en door Mijn wil wordt ze, wanneer het eind er is, vernietigd.

9. Deze werken binden Mij echter niet, O Arjuna, daar Ik onberoerd erboven troon, ongehecht aan handelingen.

10. Onder Mijn toezicht brengt de natuur het beweeglijke en het onbeweeglijke voort; en hierdoor, O Arjuna, draait de wereld. (Zie ook 14.03)

DE PADEN VAN DE WIJZE EN VAN DE ONWETENDE ZIJN VERSCHILLEND

11. Dwazen bespotten Mij wanneer Ik neerdaal in Mijn menselijke gedaante. Ze weten niet dat Mijn wezen bovennatuurlijk is, noch dat Ik heers over al wat leeft.

12. Degenen die aldus verdwaasd zijn, voelen zich aangetrokken tot demonische[3] en goddeloze opvattingen[4]. In hun begoochelde staat blijft er van hun hoop op verlossing, hun baatzuchtige activiteit en hun kennis-ontwikkeling niets over.

13. De verheven zielen[5] (zie 16.01-03), O Arjuna, die deel hebben aan Mijn goddelijk wezen, aanbidden Mij met niet aflatende aandacht, daar zij Mij kennen als de onvergankelijke oerbron der schepselen.

14. Steeds Mij verheerlijkend, ijverig, standvastig in hun geloften, werpen zij zich deemoedig voor Mij neer en vereren Mij vol toewijding[6], immer harmonisch[7].

15. Anderen, die het offer brengen van wijsheid, vereren Mij als de Ene en de Veelheid, alom aanwezig.

ALLES IS DE MANIFESTATIE VAN DE ABSOLUUT

16. Ik ben het ritueel, het offer, de offergave aan de voorvaders, het geneeskruid, de mantra[8]. Ik ben de boter, het vuur en de offerande. (Zie ook 4.24).

17. Ik ben de vader van dit universum, de moeder, de instandhouder en de grootvader. Ik ben het doel der kennis, de alles-reinigde, en de lettergreep OM. En Ik ben ook de Rig-, de S�ma en de Yagur-veda[9].

18. Ik ben het doel, de instandhouder, de meester, de getuige, de woning, de toevlucht en de hartsvriend. Ik ben de schepping en de vernietiging, de grond van alles, de rustplaats en het eeuwig zaad. (Zie ook 7.10 en 10.39)

19. Ik geef hitte, Ik houd de regen terug en zend hem neer; onsterfelijkheid en ook de dood, zijn en niet-zijn ben Ik, O Arjuna. (De Verhevene Wezen is alles geworden, zie ook 13.12.[10])

VERLOSSING BEREIKT DOOR DEVOTIONELE LIEFDE[11]

20. De kenners van de rituelen in de Veda�s voorgeschreven, de drinkers van de nectar van devotie, zij die van zonden gereinigd zijn, aanbidden Mij om door goede werken de hemel te bereiken. Als resultaat voor hun verdiende daden gaan ze naar de hemel waar ze goddelijke geneugten zullen smaken[12].

21. Wanneer ze op deze wijze hemels zingenot hebben gesmaakt[13], keren ze weer terug naar de wereld der stervelingen. Zo komen ze door de Vedische beginselen te volgen slecht tot voorbijgaand[14] geluk. (Zie ook 8.25)

22. Maar wie Mij toegewijd aanbidden en op Mijn bovennatuurlijke gedaante mediteren, schenk Ik wat ze missen en laat Ik behouden wat ze hebben.

23. Zelfs zij, die vol vertrouwen andere goden aanbidden, aanbidden en vereren Mij, O Arjuna, zij het in strijd met de aloude wet[15].

24. Ik ben de enige genieter en het enige doel van alle offers. Zij die Mijn werkelijke, bovennatuurlijke aard niet doorgronden vallen terug in de kringloop van de geboorte en dood.

25. Degenen die de hemelse heersers aanbidden zullen onder de hemelse heersers verblijven; degenen die de voorouders vereren gaan naar de voorouders[16], degenen die spoken en geesten[17] vereren worden onder dergelijke wezens geboren, maar Mijn devoters komen tot Mij, en worden niet herboren[18]. (Zie ook 8.16)

DE HEER AANVAARDT EN EET HET OFFER VAN LIEFDE EN DEVOTIE

26. Als men Mij met liefde en toewijding[19] een blad, een bloem, fruit of water offert, zal Ik het aanvaarden[20].

27. O Arjuna, wat ge ook doet, wat ge ook eet, wat ge ook offert, wat ge ook schenkt als gift, wat ge u ook ontzegt, doet dat als een offer aan Mij. (Zie ook 12.10, 18.46)

28. Zo zult ge bevrijd worden van boeien van handeling, die goede en boze vruchten afwerpt; en zelf tot harmonie gebracht door de yoga van verzaking[21], zult ge, wanneer ge bevrijd zijt, tot Mij komen.29. Ik ken afgunst noch partijdigheid jegens wie dan ook. Ik ben allen gelijkgezind. Maar wie Mij toegewijd dient leeft in Mij; hij is Mij tot vriend, en Ik ben ook hem[22] tot vriend. (Zie ook 7.18)

ER IS GEEN ZONDAAR DIE NIET KAN VERGEVEN WORDEN

30. Wie zich in toegewijde dienst bevindt, behoort, ook al begaat hij een afschuwelijke daad, als heilig te worden beschouwd, omdat hij op de goede weg is.

31. Spoedig wordt hij plichtsgetrouw en gaat hij in tot de eeuwige vrede; O Arjuna, weet en verkondig aan allen, dat wie Mij aanbidt, nimmer zal tenietgaan.

HET PAD VAN DEVOTIONELE LIEFDE IS GEMAKKELIJKER

32. Wie hun toevlucht nemen tot Mij, O Arjuna, al waren zij uit de schoot der zonde geboren, vrouwen, Vaishyas, ja zelfs Sudras, ook zij betreden het hoogste pad[23]. (Zie ook 18.66)

33. Hoeveel te meer dan voor de Brahmanen, de rechtvaardigen, de toegewijden en de heilige vorsten, die zuiver zijn en toegewijd. Gij, die deze vergankelijke, vreugdeloze wereld hebt verkregen, aanbidt Mij met devotionele liefde.

34. Denk onafgebroken aan Mij, bewijs Mij eer en aanbid Mij. Als gij volkomen in Mij opgaat, zult gij zeker tot Mij komen.

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het negende hoofdstuk, genaamd �De Verhevene Kennis en het grote Geheim�.

[1] Vertaalt naar R.P.: �This Self-knowledge is the king of all knowledge, is the most secret, is very sacred, it can be perceived by instinct, conforms to righteousness (Dharma), is very easy to practice, and is timeless.�(9.2) Dra C. Keus: �Koninklijke wetenschap, koninklijk geheim, allerverhevenste loutering is het; intu�tief te ervaren, overeenkomstig de wet (dharmyam), heel gemakkelijk te beoefenen, onvergankelijk. (9.2)

[2] Vertaalt naar R.P.: �All beings merge into My primary material Nature at the end of a cycle of just over 311 trillion solar years, O Arjuna, and I create them again at the beginning of the next cycle. (See also 8.17)� (9.07)

[3] Asura: demonisch wezen, overheerst door rajas; vol eerzucht, heerszucht, hebzucht en bedrog.

[4] Rakshasa: duivelachtige wezen, overheerst door tamas; vreugde scheppend in wrede kwellingen en bestialiteit.

[5] Mahatma: Hij die er volkomen van doordrongen is dat Krishna alles is en zich derhalve aan Hem overgeeft en volkomen opgaat in toegewijde dienst aan de Heer. Bijvoorbeeld, aan Gandhi werd de titel �Mahatma Gandhi� gegeven en dan wel door het volk omwille van zijn ongehecht streven tot de onafhankelijkheid van India, ten koste van zijn leven daar hij vermoord werd.

[6] Bhakti: De yoga van intense liefde en devotie.

[7] Nitya yukta: altijd verbonden.
[8] Offerspreuk.

[9]Vedas: Heilige Boeken van van India, het Weten, in vier verdeeld: de Rig-, Sama- en Yagur-Veda, en de Atharva).

[10] R.P.: (The Supreme Being has become everything, See also 13.12) (9.19)

[11] De volgende zes verzen van G�t� 9 is geen uitnodiging om blindelings op de Verhevene te vertrouwen en de hele dag niets anders te doen dan mediteren, bidden en zingen, in afwachting dat al wat we nodig hebben, zelfs tot een maaltijd, zomaar in ons bereik komen. Onder datgene wat God�s dienaars dienen te hebben bevinden zich ook het brein en de handen waarmee ze tot Zijn eer in hun levensbehoeften kunnen voorzien. Anderzijds zal de Verhevene Zijn dienaar die zich in een reddeloze situatie bevindt, hetzij fysiek uitkomst bieden, hetzij hem de nodige innerlijke vrede en blijmoedigheid schenken waarmee hij zijn naderende fysieke einde gaat accepteren. De Heer Krishna voorziet in die zin in de behoeften van Zijn toegewijde dienaars dat ze al hun krachten en talenten leren aanspreken tot Zijn eer en glorie. Zo geraken ze werkelijk vervuld en zo zullen ze bij het verlaten van hun lichaam zeker Zijn hemel bereiken. Wat met de beloofde hemel bedoeld is, dat men in plaats van omhoog te gaan naar de goddelijke wereld, waarvan men onmogelijk meer omlaag kan komen, gewoon blijft rond draaien in de kringloop van dood en geboorte, om en weer op deze aarde te verblijven. Men kan zich, natuurlijk, beter toeleggen op de bedevaart naar de goddelijke wereld, om daar een eeuwige leven vol gelukzaligheid en kennis te leiden en nooit meer terug te keren naar het stoffelijk bestaan. Daartegen, het pad door de Veda-priesters voorgeschreven leidt niet naar de Verhevene; zij die alleen verlangen naar de Verhevene, geven alle andere verlangens op; geven zich volkomen aan de Verhevene. Hij draagt alle lasten en zo komt men tot de God-realisatie (8.22).

[12] Vertaling naar R.P.: �The doers of the rituals prescribed in the Vedas, the drinkers of the nectar of devotion, and whose sins are cleansed, worship Me by doing good deeds for gaining heaven. As a result of their meritorious deeds they go to heaven and enjoy celestial sense pleasures.� (9.20)

[13] Als zij de beloning voor hun goede daden volledig hebben genoten.

[14] De kringloop van geboorte en dood, en van geluk dat komt en gaat.

[15] �Zij het in strijd met de aloude wet�, bedoeld �zonder kennis van zaken�.

[16] Vereerde geesten der afgestorvenen, hetgeen ten sterkste is af te raden.

[17] Natuurgeesten en elementalen.

[18] Vertaald naar R.P.: �Worshippers of the celestial controllers go to the celestial controllers, the worshippers of the ancestors go to the ancestors, and the worshippers of the ghosts go to the ghosts, but My devotees come to Me, and are not born again.� (See also 8.16) (9.25)

[19] Bhakta: de yogi die de weg van liefde en toewijding gaat.

[20] Deze vers of citaat doet ons denken aan �pras�da� (letterlijk: genade), het algemeen voedsel dat eerst aan de Heer is geofferd, en nadien onder de gelovigen verdeeld als van de Heer Zelf ontvangen.

[21] Zoals in vorige hoofdstukken aangehaald, Yoga van verzaking is alle handelingen verrichten als offerande aan de Verhevene, dus zonder de vruchten van handelingen te begeren.

[22] Het volledig opgaan in Sat-Purusha wordt parabhakti genoemd; dit is de uiteindelijke stap, die alle Jnana-yogis zullen moeten ondernemen, willen ze tot Zelfrealisatie komen.

[23] R.P.�s versie: �Anybody can attain the Supreme Abode by just surrendering unto My will with loving devotion, O Arjuna.� (See also 18.66) (9.32) Nederlandse vertaling: �Ieder��n kan de Verhevene Woonst bereiken door toevlucht in Mij met liefdevolle devotie, O Arjuna.� (9.32)

Hoofdstuk 10
DE MANIFESTATIE DER ABSOLUTE

1. De Heer Krishna zei: O Arjuna, luister wederom naar Mijn verheven woord. Uw welzijn beogend, wil Ik het u verkondigen, daar gij Mij lief zijt.

GOD IS HET BEGIN VAN ALLES

2. Noch de hemelse heersers, noch de grote wijzen kennen Mijn oorsprong, want Ik ben de oorsprong van de hemelse heersers en de grote wijzen overal [1].

3. Hij die Mij kent als de Ongeborene, zonder begin, de grote Heer der wereld, hij is reeds als sterveling zonder begoocheling, hij is bevrijd van de slavernij der Karma.

4-5 Verstand, kennis, vrijheid van twijfel en begoocheling, vergevingsgezindheid, waarheid, zelfbeheersing en kalmte, blijdschap en pijn, geboorte, dood, vrees, onbevreesdheid, geweldloosheid, gelijkmoedigheid, tevredenheid, soberheid, barmhartigheid, eer en schande worden geschapen door Mij alleen.[2]

6. De grote heiligen, wijzen, en al de schepselen van de wereld werden door Mijn potenti�le energie geboren[3].

7. Wie deze Mijn macht en heerlijkheid waarlijk kent, begeeft zich in zuivere toegewijde dienst; dit lijdt geen twijfel.

8. Ik ben de oorsprong van allen; alles komt uit Mij voort; dit begrijpend, in aanbidding verzonken, aanschouwen de wijzen Mij (het Zelf).

9. Met hun gedachten op Mij gericht, hun leven geheel in Mij geworteld, elkander verlichtend, steeds over Mij sprekend, zijn zij tevreden en blijmoedig.

DE HEER GEEFT ZIJN DEVOTEN KENNIS

10. Zij die Mij voortdurend zijn toegewijd en Mij liefdevol aanbidden, schenk Ik het verstand[4] waardoor ze tot Mij kunnen komen.

11. Omdat Ik in hun innerlijke psyche als bewustzijn verblijf, om door de stralende lamp van transcendentale kennis de duisternis uit onwetendheid geboren te vernietigen, en dit uit een louter medelijdende handeling jegens hen.[5].

12. Arjuna zei: Gij zijt de allerhoogste Eeuwige, het allerhoogste toevluchtsoord, de allerhoogste Reiniger; de eeuwige goddelijke mens[6], de Godheid der Goden, de Ongeborene, de alomtegenwoordige Heer.

13. Alle heiligen en wijzen hebben van U getuigd, en nu verklaar Gij het me Zelf[7].

NIEMAND KENT DE WERKELIJKE NATUUR VAN DE REALITEIT

14. O Krishna: Al wat Gij mij gezegd hebt aanvaard ik volkomen voor waar. Noch de goden[8], noch demonen[9], O Heer, kennen Uw persoonlijkheid. (Zie ook 4.06)

15. Waarlijk, Gijzelf kent Uzelf, Soevereine Heer[10], O Gij oorsprong van alle wezens, Heer der Schepselen, God der goden, Heerser der wereld.[11]

16. Wil mij toch gans Uw eigen goddelijke heerlijkheid verkondigen, waarin Gij verblijft, terwijl Gij deze werelden met Uw leven doordringt.

17. Hoe moet ik op U mediteren, O Soevereine Yogi? In welke verschillende gedaanten dien ik U in gedachten te houden, O Heer?

18. O Heer, vertel me uitvoerig over Uw geweldige vermogens en heerlijkheid, want ik kan nooit genoeg ontvangen van uw levengevende[12] woorden.

ALLES IS EEN MANIFESTATIE DER ABSOLUTE

19. De Heer Krishna zei: Ja, Ik zal U van Mijn goddelijke heerlijkheid vertellen, maar alleen het voornaamste, O Arjuna, want Mijn volheid kent geen grenzen.

20. O Arjuna, Ik ben de Verhevene Geest (of Superziel), verblijvend in de innerlijke psyche van alle wezens. Ik ben tevens de schepper, de onderhouder, en de vernietiger � of het begin, het midden, en het einde � van alle wezens[13].

21. Ik ben de ondersteuner, Ik ben de stralende zon tussen de lichten[14], Ik ben de beheerser van de wind, Ik ben de maan tussen de sterren[15].

22. Ik ben de Veda�s, Ik ben de hemelse heerschappij, Ik ben het gemoed tussen de zinnen, Ik ben het bewustzijn in de levende wezens[16].

23. Ik ben de Heer Siva, Ik ben de god der rijkdom, Ik ben de vuurgod, en de bergen[17].

24. Ik ben de priester, en de legergeneraal der hemelse heersers, O Arjuna. En van alle watervlakten ben Ik de oceaan[18].

25. Ik ben de kosmische monosyllabe geluid, OM[19], van tussen de woorden; Ik ben het zingen van mantra�s onder de spirituele disciplines; en Ik ben de Himalaya tussen de bergen[20].

EEN KORTE BESCHRIJVING VAN DE GODDELIJKE MANIFESTATIES

26. Ik ben de heilige vijgenboom tussen de bomen, Narada onder de wijzen, en Ik ben al de andere hemelse bestuurders[21].

27. Weet dat Ik van alle paarden Uccaihsrava ben, die oprees uit de oceaan, geboren uit het elixer der onsterfelijkheid; van de vorstelijke olifanten ben Ik Airavata en onder de mensen ben Ik de koning.

28. Van alle wapens ben Ik de bliksemschicht; onder koeien ben Ik de surabhi�s, die overvloedig melk geven. Van de verwekkers ben Ik Kandarpa, de liefdesgod, en van alle slangen ben Ik Vasuki, de belangrijkste.

29. Van de hemelse Naga-slangen ben Ik Ananta; van de goden der waterwezens ben Ik Varuna. Van de overleden voorouders ben Ik Aryama en onder hen die de wet uitvoeren ben Ik Yama, de heer des doods.

30. Onder de Daitya-demonen ben Ik de toegewijde Prahlada; van de onderwerpers ben Ik de tijd; van de dieren ben Ik de leeuw en van de vogels ben Ik Garuda, de gevleugelde drager van Visnu.

31. Van al wat reinigt ben Ik de wind; van degenen die wapens hanteren ben Ik Rama; van de vissen ben Ik de haai en van de stromende rivieren ben Ik de Ganges.

32. Van al het geschapene ben Ik het begin, het eind en ook het midden, O Arjuna. Van alle wetenschappen ben Ik de geestelijke wetenschap aangaande het Zelf, en onder logici ben Ik de uiteindelijke waarheid.

33. Van de letters ben Ik de A en onder de samenstellingen ben Ik het tweevoudig woord. Ook ben Ik de onuitputtelijke tijd en van de scheppers ben Ik Brahman, wiens menigvuldige gezichten naar alle kanten kijken.

34. De alverslindende Dood ben Ik en de oorsprong van al wat komen zal; en van de vrouwelijke hoedanigheden en eigenschappen ben Ik de roem, de welvaart, de spraak, het geheugen, de intelligentie, de kloekheid en de vergevingsgezindheid.

35. Van de gewijde zangen ben Ik de Brihatsaman, aangeheven door Heer Indra, en van de po�zie ben Ik de Gayatri-mantra[22], die dagelijks door brahmana�s wordt gezongen. Van de maanden ben Ik november en december en van de jaargetijden ben Ik de bloeiende lente.

36. Ik ben het dobbelen van de bedrieger; de stralende pracht der prachtige dingen ben Ik; Ik ben de zegen; Ik ben de vastberadenheid; en de waarheid der waarachtigen, het goede der goeden ben Ik.

37-38 Ik ben Krishna, Vyasa, Arjuna, en de kracht van de bestuurders, de staatsmanbeleid van de zoekers naar overwinning. Ik ben de stilte onder de geheimen, en de Zelfkennis onder de denkers[23].

39. Voorts, O Arjuna, ben Ik het zaad dat alle vormen van bestaan verwekt. Er is geen wezen � of het nu bewegen kan of niet � dat bestaan kan zonder Mij. (Zie ook 7.10 en 9.18)

DE GEMANIFESTEERDE SCHEPPING IS MAAR EEN HEEL KLEINE FRACTIE VAN DE ABSOLUTE

40. Er is geen eind aan Mijn goddelijke heerlijkheid, O Arjuna. Wat u is verkondigd, is slechts een aanduiding van Mijn oneindige majesteit.

41. Weet dat alle schone, heerlijke en machtige scheppingen voortkomen uit slechts ��n glimp van Mijn stralende luister.

42. Maar wat heeft het voor zin, O Arjuna, dit alles in bijzonderheden te weten? Met slechts ��n deeltje van Mijzelf doordringt en draag Ik dit gehele universum.

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het tiende hoofdstuk, genaamd �De Manifestatie der Absolute�.

[1] Vertaalt naar R.P.: �Neither the celestial controllers, nor the great sages know My origin, because I am the origin of celestial controllers and great sages also.� (10.02) Nog even herhalen dat �celestial controllers� staat als een moderne uitdrukking voor de deva�s en halfgoden. Wij hebben �hemelse heersers� van gemaakt. Deva staat voor �engel�, en �een god� (halfgod). In het Sanskriet een godheid rijk aan stralende schoonheid. Een Deva is een hemels wezen, hetzij goed, slecht of onbelangrijk. Zoals eerder gezegd, de Deva�s zijn verdeeld in vele groepen en worden niet alleen engelen en aartsengelen genoemd, maar dragen ook de naam van kleinere en grotere bouwers.

[2] �Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.� (Matth�us 6.14) �Dat gij den boze niet wederstaat.� (Matth�us 5.39a) Toorn door de vergever beheerst, kan groot kwaad veroorzaken tevens de goede Karma van de schuldige aantasten indien de dader om geen vergiffenis vraagt. (MB 5.36.05) De persoon die kwaad doet gaat op dezelfde manier ten onder, indien hij of zij geen vergiffenis vraagt. (MS 2.163). De persoon die overtreders vergeeft is gelukkig, daar de toorn van de vergever is uitgeroeid. Iemand�s opgang door geestelijke discipline is gedwarsboomd wanneer zijn inter-persoonlijke relatie met toorn en negatieve gevoelens is gevuld, al komt het tegenover een enkele levende wezen.

Zelfs deugden hebben hun eigen ondeugden. De vergeving kan dikwijls als een teken van zwakheid worden beschouwd; daarom is genadeverlening de kracht van de sterken, en de deugd van de zwakken. Iemand moet worden vergeven, indien hijzelf en in alle oprechtheid om vergeving vraagt, als het de eerste belediging is, de belediging niet bedoeld was, en de overtreder in het verleden toch gedienstig is geweest. Het strafrechtelijk mag worden opgelegd, zonder gevoel van revanche � wanneer de overtreder intentioneel en herhaaldelijk is herbegonnen, en dit om de persoon te corrigeren. (Dr. Ramananda Prasad)

[3] Vertaalt naar R.P.: �The great saints, sages, and all the creatures of the world were born from My potential energy.� (10.06)

[4] Intelligentie (buddhiyoga): het intellect wordt verhelderd tot intelligentie en verkrijgt zekerheid door de intu�tie van buddhiyoga. Het is de methode van het ontwikkelen van geestelijke kennis door gebruikmaking van het verstand, of de weg van het handelen in bhakti-yoga.

[5] Vertaalt naar R.P.: �I, who dwell within their inner psyche as consciousness, destroy the darkness born of ignorance by the shining lamp of transcendental knowledge as an act of compassion for them.� (10.11)

[6] Purusha.

[7] R.P. vertaalt aldus de verzen 12 en 13: �Arjuna said: You are the Supreme Being, the Supreme Abode, the Supreme Purifier, the Eternal Being, the primal God, the unborn, and the omnipresent. All saints and sages have thus acclaimed You, and now You Yourself are telling me.� (10.12-13)

[8] Hemelse heersers.
[9] Danavas: demonen.

[10] Purushottama: (Purusha-uttama) hetgeen betekent Allerhoogste of Verhevene (Soevereine) Heer.

[11] De Veda liet de laatste vraag aangaande de oorsprong van de ultieme Realiteit onbeantwoord, door het benadrukken dat niemand de ultieme bron kent waardoor de schepping is gekomen. Geleerden gingen verder zeggen dat misschien Hij het ook niet weet (RV 10.129.06-07). Iemand die zegt God te kennen, kent Hem niet; iemand die de Waarheid kent, zegt dat hij het niet weet. Voor een persoon met ware kennis blijft God de onbekende, alleen de onwetende weet het (KeU 2.01-03). De ultieme bron van kosmische energie is en zal een geheim blijven. Elke specifieke beschrijving van God, tevens deze van hemel en aarde, is niets anders dan mentale speculatie. (Dr. Ramananda Prasad)

[12] Amritam: het elixir van onsterfelijkheid.

[13] Vertaald naar R.P.: �O Arjuna, I am the Supreme Spirit (or Supersoul) abiding in the inner psyche of all beings. I am also the creator, maintainer, and destroyer - or the beginning, the middle, and the end - of all beings.� (10.20)

[14] Bedoeld, hemellichamen.

[15] Vertaald naar R.P.: �I am the sustainer, I am the radiant sun among the luminaries, I am the controller of wind, I am the moon among the stars.� (10.21)

[16] Vertaald naar R.P.: �I am the Vedas, I am the celestial rulers, I am the mind among the senses, I am the consciousness in living beings.� (10.22)

[17] Een heel mooie samengevatte vertaling van R.P.: �I am Lord Shiva, I am the god of wealth, I am the fire god, and the mountains.� (10.23) Een andere vertaling: �Van alle Rudra�s ben Ik Heer Siva; van de Yaksa�s en Raksasa�s ben Ik de Heer der rijkdom (Kuvera); van de Vas�s ben Ik het vuur (Agni) en van de bergen ben Ik de Meru.� (10.23)

[18] Vertaald naar R.P.: �I am the priest, and the army general of the celestial controllers, O Arjuna. I am the ocean among the bodies of water.� (10.24)

[19] De Heer Krishna beschouwt het prevelen van mantra�s (japa) als het belangrijkste offer dat een mens kan brengen. Onder de mantra�s � geestgeleiders � die men prevelend kan reciteren, zijn die welke Krishna�s Heilige Namen bevatten � en niet de namen van grootheden in de tweede en derde graad zoals Siva, Ganesha, Sarasvat� � het voornaamst.

[20] Vertaald naar R.P.: �I am the monosyllable cosmic sound, OM, among the words; I am the chanting of mantra among the spiritual disciplines; and I am the Himalaya among the mountains.� (10.25)

Dr. Ramananda Prasad: Gedurende zingen van een mantra, of van een heilige naam van God, zijn door heiligen en wijzen van alle godsdiensten beschouwd als de gemakkelijkste en meest krachtige methode van zelfrealisatie in deze tijd. Het in praktijk brengen van deze geestelijk discipline in geloof, verspreid geluidsvibratie in de diepste lagen van het gemoed, waar het als een bevochtiger werkt om het opkomen van de golven der negatieve gedachten en idee�n tot de innerlijke ontwaking te voorkomen. Meditatie is het uitgebreide en hogere stadium van deze ontwikkeling. Het moet eerst gepraktiseerd worden alvorens met de transcendentale meditatie te beginnen. Swami Harihar zegt: onnodig om herhaaldelijk de goddelijke naam te repeteren in ruil voor wereldse voorwerpen. De geestelijke kracht van de goddelijke naam mag zomaar niet worden gebruikt, zelfs niet om de ondergang van de zonde te bekomen. Het kan enkel worden gebruikt voor goddelijke realisatie.

De vormgeving van de Heer kan door het gemoed niet worden vastgesteld, of zonder een benaming begrepen. Indien iemand zingt, of mediteert op de naam zonder de vorm te zien, komt deze te voorschijn als een voorwerp van liefde op het scherm van het gemoed. Een grote heilige zei: plaatst de lamp van de naam van de Heer naast de deur van uw tong indien u binnen en buiten wenst verlicht te zijn. De naam van God is groter dan de onpersoonlijke en persoonlijke aspecten van God, daar de kracht van de naam beide aspecten van God controleert. Er wordt gezegd dat de herinnering en het herhalen van de naam van God de beste geestelijke inspanning zijn.

[21] Vertaald naar R.P.: �I am the holy fig tree among the trees, Narada among the sages, and I am all other celestial rulers.� (10.26)

[22] De mantra:
Aum Bh�r Bhuvah Svah
Aum Tat Savitur varenyam bhargo devasya dh�mahi
Dhiyo yo nah prachoday�t
Aum
Vertaling:
Aum
O, Schepper van het heelal

Mogen wij Uw soevereine zondevernietigend licht ontvangen

Moge U onze intellect in de goede richting leiden
Aum

[23] Vertaald naar R.P.: �I am Krishna, Vyasa, Arjuna, and the power of rulers, the statesmanship of the seekers of victory. I am silence among the secrets, and the Self-knowledge of the knowledgeable.� (10.37-38)

Hoofdstuk 11
HET VISIOEN DER KOSMISCHE VORM

1. Arjuna zei: Deze woorden over het verheven geheim aangaande het Zelf[1] die Gij uit mededogen jegens mij gesproken hebt, hebben de begoocheling van mij doen wijken.

2. O Krishna, het ontstaan en het tenietgaan der schepselen heb ik tot in bijzonderheden van U vernomen, o gij met Uw lotusogen, en eveneens Uw onvergankelijke majesteit.

GOD�s VISIOEN IS HET UITERSTE DOEL VAN DE ZOEKER

3. O Heer[2], zoals Gij Uzelf beschrijft, zo is het, O Soevereine Wezen; mocht ik U toch in Uw onvergankelijke almacht zien.

4. O Heer, indien Gij meent, dat deze door mij geschouwd kan worden. Heer[3] van yoga, openbaar Uzelf dan als Uw onvergankelijk Zelf.

5. De Heer Krishna zei: Aanschouw, O Arjuna, mijn vormen, honderdvoudig, duizendvoudig, verschillend van aard, goddelijk, van velerlei kleur en gestalte.

6. Aanschouw de Adityas, de Rudras, de twee Asvins, en ook Maruts; aanschouw vele nimmer tevoren geschouwde wonderen, O Arjuna.

7. Aanschouw nu hier het ganse heelal, het beweeglijke en het onbeweeglijke als ��n in Mijn lichaam, O Arjuna, en al wat ge verder verlangt te zien.

8. Maar ge kunt Mij niet zien met de ogen die u hebt. Daarom geef Ik u het goddelijk oog[4], waarmee u Mijn mystieke volheid kunt aanschouwen.

DE HEER TOONT DE KOSMISCHE VORM AAN ARJUNA

9. Sanjaya zei: O Koning, met deze woorden openbaarde de Allerhoogste, de Heer van alle mystieke kracht, de Persoonlijkheid Gods, Zijn universele gedaante aan Arjuna.

10-11 Arjuna ontwaarde in die universele gedaante ontelbare monden en ontelbare ogen. Alles was even prachtig. De gedaante was getooid met goddelijke, oogverblindende sieraden en gehuld in tal van gewaden. Ze was rijkelijk met bloemenslingers omhangen en haar huid was ingewreven met verschillende reukzalven. Alles was even schitterend, allesomvattend, onbegrensd. Dit was hetgeen Arjuna aanschouwde.

12. Als honderdduizenden zonnen tegelijk zouden oprijzen in de hemel, zou dat op de stralengloed lijken van de Allerhoogste Persoon in die universele gedaante.

13. Daar aanschouwde Arjuna het ganse universum in al zijn veelvuldigheid als ��n geheel in het lichaam van de God der goden. (Zie ook 13.16, en 18.20)

EEN PERSOON ZOU NOG NIET BEREIDT OF GEKWALIFICEERD ZIJN DE HEER TE ZIEN

14. Overweldigd en verbijsterd boog Arjuna, wiens haren te berge rezen, het hoofd diep voor de Heer en met de handpalmen tegen elkander, sprak hij:

15. Arjuna zei: In Uw gestalte, O Heer, zie ik al de goden en scharen van velerlei wezens; de Heer, op zijn lotustroon gezeten, en al de rishis[5] en de goddelijke slangen[6].

16. Met velerlei monden, ogen, armen, buiken, aanschouw ik U allerwegen, onbegrensd; ik zie begin, noch midden, noch einde van U, O Heer; ook niet Uw oorsprong, O Gij wiens vorm het oneindig Al is.

17. Uw gedaante, getooid met verschillende soorten kronen, knotsen en werpschijven, is moeilijk te zien vanwege haar stralende gloed, welke vurig en onmetelijk is als de zon.

18. Als het onvergankelijk, het allerhoogste moet men U leren doorgronden; het verhevene, rijk aan schatten zijt Gij; inwonend in al het geschapene; Gij de onsterfelijke bewaarder van de eeuwige Wet (dharma); als de eeuwige Godmens[7] zie ik U.

19. Begin, noch midden, noch einde; oneindige kracht; ontelbare armen; Uw ogen, de zon en de maan. Ik aanschouw Uw gelaat, laaiend als het offervuur, dat dit ganse heelal doorgloeit met zijn stralende pracht.

20. Door U, de Unieke, worden hemel en aarde vervuld en ook de gebieden ertussen; de drie werelden sidderen, O Verheven Zelf als zij Uw ontzagwekkende, gemanifesteerde gestalte aanschouwen.

21. De heerscharen der goden geven zich in groepen aan U over en gaan in U binnen. Ze zijn uiterst bevreesd en met gevouwen handen zingen ze de Vedische gezangen, U ter eer.

22. Rudras, Vasus, Sadhyas, Adityas, Vishvas, de twee Ashvins, de Maruts, Usmapas, Gandharvas, Yakshas, Siddhas en Asuras houden vol ontzag de blik op U gericht.

23. Al de werelden zijn evenals ik ontzet, daar zij Uw geweldige vorm aanschouwen, met vele monden en ogen, O Machtigarmige, met dijen en voeten zonder tal, met vele lijven en schrikwekkende tanden.

ARJUNA IS BEVREESD OM DE KOSMISCHE VORM TE ZIEN

24. Fel lichtend beroert Gij de hemelen in regenboogtinten, Uw mond wijd geopend, Uw ogen groot glanzend. Tot in het diepst van mijn ziel ben ik ontroerd, daar ik U heb gezien, O Vishnu, mijn kracht begeeft me, en mijn rust en vrede.

25. O Heer der heren, O toevlucht der werelden, wil mij genadig zijn. Ik kan mijn gemoedrust niet bewaren nu ik Uw laaiende, doodse gezichten en afschuwelijke tanden zie. Ik ben volkomen van streek.

26-27. Al mijn neven broeders en met hen de scharen van al deze vorsten der aarde, Bhishma, Drona, Karna en al onze soldaten, storten zich onstuimig in Uw opengesperde muilen met de ontzettende slagtanden, angstwekkend om te zien; sommigen ziet men tussen Uw tanden gevangen, het hoofd verpletterd en tot stof vergruisd.

28. Zoals de rivieren in de oceaan stromen, storten al deze grote krijgers zich in Uw laaiende monden en vergaan.

29. Ik zie alle mensen zich met volle vaart in Uw monden werpen, zoals muggen een laaiend vuur invliegen.

30. O Visnu, ik zie U alle mensen in Uw vlammende monden verslinden en het universum vervullen met Uw onmetelijke stralengloed. U openbaart Zich in de verzenging der werelden.

31. Openbaar mij Uw Zelf; Wie zijt Gij, wiens vorm zo schrikwekkend is? Nederig breng ik U mijn eerbiedige groet. Wees mij genadig, O Vooraanstaande Heer. Ik zou U willen kennen, O Gij die waart van den beginne, want ik ken Uw werking niet.

DE HEER BESCHRIJFT ZIJN KRACHTEN

32. De Heer Krishna zei: Ik ben de tijd, de vernietiger der werelden, en Ik ben gekomen om alle mensen in de strijd te brengen. Met uitzondering van jullie (de Pandava�s) zullen alle hier aanwezige soldaten van beide partijen worden gedood.

33. En daarom, rijs op, win roem en eer voor uzelf; overwin uw vijanden; verkrijg een welvarend rijk. Door Mij zijn zij reeds overwonnen. Wees gij slechts de uiterlijke oorzaak, gij, wiens gewoonte het is met de linkerhand aan te leggen[8].

34. Dood al deze krijgers die door Mij reeds zijn gedood. Vrees niet. U zult zeker de vijand in de strijd overwinnen; daarom, vecht![9]

ARJUNA�s GEBEDEN TOT DE KOSMISCHE VORM

35. Samjaya zei: Nadat hij deze woorden van Kesava had gehoord, sprak Arjuna, de drager van de kroon, zijn handen eerbiedig tegen elkaar, met bevende stem wederom tot Krishna, stamelend van schrik en steeds weer diep buigend.

36. O Krishna, de wereld verblijdt zich wanneer ze Uw naam verneemt en zo raakt een ieder aan U gehecht. Degenen die de volmaaktheid hebben bereikt betuigen U eerbiedig alle eer, maar de demonen worden bang en vluchten alle kanten uit. En zo is het goed.

37. Hoe zouden zij ook anders � O grote ziel � tot U buigen, Gij schepper der beginne die zelf groter is dan de schepper van de materi�le werelden? O Oneindige Heer, O God van alle hemelse heersers, O Woonst van het universum, U bent Eeuwig en Tijdelijk, en de Verhevene Wezen die boven Eeuwigheid en Tijd staat[10]. (Zie ook 9.19, en 13.12 voor uitleg)

38. Gij zijt de eerste der goden, de oorspronkelijke Persoonlijkheid, God. Allerhoogste toevlucht der wereld. Gij zijt de Kenner, dat wat gekend wordt en de verheven woonst. Door U wordt dit heelal doordrongen, O Gij van vormen zonder tal.

39. Gij zijt lucht, vuur, water en Gij zijt de maan! Gij zijt de allerhoogste bestuurder en de voorvader. Duizend maal breng ik U eerbiedig mijn eerbetuiging keer op keer.

40. Ik breng U mijn groeten v��r, achter en aan alle kanten! O onbegrensde macht, U bent de meester van alle grenzeloos vermogen! U bent alomtegenwoordig en daarom bent U alles!

41. Indien ik, U slechts houdend voor een vriend, mij aan U opdrong, �Krishna en O Yadava of O vriend!� zei, daar ik Uw verheven majesteit niet kende en achteloos was in mijn genegenheid voor U.

42. Als ik mij gekscherend betoonde of oneerbiedig bij het spel, of in de rustpoos, aan de maaltijd aangezeten, met U alleen Onwankelbare, of tezamen met mijn vrienden, wil toch mijn dwaling mij vergeven, O Gij, met geen maat te meten.

43. Vader der werelden, van het beweeglijke en onbeweeglijke, de eerbiedwaardigste, de grootste aller Gurus, niemand is U gelijk, niemand, die U overtreft, of Uw macht benadert in de drie werelden.

44. U bent de Opperheer, die door elk levend wezen aanbeden moet worden. Zo werp ik me ter aarde om U mijn eerbetuigingen aan te bieden en U genade af te smeken. Vergeef me het kwaad dat ik U misschien heb aangedaan en wees geduldig met me zoals een vader met zijn zoon, of een vriend met zijn vriend, of een minnaar met zijn lief.

45. Nu ik deze universele gedaante heb gezien, die ik nimmer tevoren heb aanschouwd, ben ik verblijd, maar tegelijk is mijn geest angstig en verward. Wil me daarom Uw genade bewijzen en openbaar me wederom Uw gedaante als Persoonlijkheid Gods, O Heer der heren, O toevlucht van het universum.

MEN KAN GOD IN EENDER VORM OF NAAR KEUZE ZIEN[11]

46. De kroon op het hoofd, de scepter en discus als tevoren in de hand, zo zou ik U wederom willen zien: neem Uw vierarmige gestalte weer aan, O Heer, O duizendarmige, O Gij van vormen zonder tal.

47. Arjuna, door Mijn goedgunstigheid hebt gij deze allerverhevenste vorm aanschouwd, aan u geopenbaard door Atma-yoga[12], stralend gemaakt, aldoordringend, zonder einde, wat was van den beginne, wat niemand dan gij ooit gezien heeft.

48. O Arjuna, noch door kennis der Veda�s, door offerande, studie, het bedelen van aalmoezen, riten en ceremoni�n, noch door strenge onthouding kan iemand Mij in deze wereld in deze gestalte aanschouwen, dan alleen gij.

DE HEER TOONT ARJUNA ZIJN VIERARMIGE EN MENSELIJKE VORM

49. Wees niet geschokt, wees niet verbijsterd, dat ge deze ontzagwekkende vorm hebt aanschouwd; werp uw vrees van u, laat uw hart zich verblijden; aanschouw wederom Mijn u zo vertrouwde gestalte.

50. Sanjaya zei: Nadat Krishna aldus tot Arjuna had gesproken, toonde Hij weer zijn eigen vorm; de verheven Heer vertroostte de ontstelde en hernam zijn zachtmoedig voorkomen.

51. Arjuna zei:Nu ik wederom Uw zachtmoedige, menselijke vorm aanschouw, O Krishna, kom ik tot bedaren en ben ik mijzelf weer meester.

DE HEER KAN IN LIEFDEVOLLE DEVOTIE GEZIEN WORDEN

52. De Heer Krishna zei: Mijn beste Arjuna, de gedaante welke u nu ziet is zeer moeilijk te aanschouwen. Zelfs de hemelse heersers[13] zijn er altijd op uit een kans te krijgen deze gedaante te zien, die zo dierbaar is.

53. Noch door bestudering der Veda�s, noch door ascese, noch door liefdadigheid, noch door het brengen van offers, kan men Mij zien, zoals gij Mij hebt gezien.

54. Slechts door toewijding aan Mij[14] kan men Mij dus aanschouwen, wezenlijk kennen en zien, en in Mij opgaan, O Arjuna.

55. Mijn dierbare Arjuna, hij die handelingen verricht om Mijnentwil, hij voor wie Ik het hoogste heil ben, hij die Mij is toegewijd, bevrijd van alle gehechtheid, zonder haat jegens welke mens dan ook, hij zal tot Mij komen. (Zie ook 8.22)

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het elfde hoofdstuk, genaamd �Het Visioen der Kosmische Vorm�.

[1] Adhyatma: Geestelijk licht, enz. In de �Yoga Sutra�s van Patanjali� leest men: �Bij het verkrijgen van de allerhoogste zuiverheid van het Nirvicara (een toestand van het bewustzijn tijdens samprajnata samadhi, als geestelijk licht begint te dagen) stadium van Samadhi, begint het geestelijk licht te dagen.� (Deel I. Vers 47).

[2] Paramesvara: de Opperheer.
[3] Yogesvara: de Heer van alle mystieke kracht.

[4] De goddelijke visie, een gave van God, dient om de schoonheid en de glorie van God�s Verheven Personaliteit te zien. (Ramananda Prasad)

[5] Rishis: wijzen, in het meervoud. Het zijn mensen tot volmaaktheid gekomen, en die beschikken over bijzondere paranormale vermogens, zoals helderziendheid, helderhorend, enz.

[6] Uragan: slangen of kosmische lichtkracht.

[7] Sanatana purusha: de eeuwige god (mens), zuiver bewustzijn.

[8] Bedoeld, �linkshandige�.

[9] Vertaald naar R.P.: �Kill all these great warriors who are already killed by Me. Do not fear. You will certainly conquer the enemies in the battle; therefore, fight!� (11.34)

[10] Vertaald naar R.P.: �Why should they not - O great soul - bow to You, the original creator who is even greater than the creator of material worlds? O infinite Lord, O God of all celestial rulers, O abode of the universe, You are both Eternal and Temporal, and the Supreme Being that is beyond Eternal and Temporal. (See also 9.19, and 13.12 for a commentary)� (11.37)

[11] Zien, of inbeelden.
[12] De Yoga van het Zelf.
[13] Halfgoden.

[14] Geloven in iemand, is ook vertrouwen in de persoon. Toewijding betekent totale overgave.

Hoofdstuk 12
HET PAD DER DEVOTIE

ZOU MEN EEN PERSOONLIJKE OF EEN ONPERSOONLIJKE GOD MOETEN AANBIDDEN

1. Arjuna vroeg: wie worden er beschouwd als m��r volmaakt: degenen die zich op de juiste wijze verbonden hebben in toegewijde dienst aan U, of degenen die het onpersoonlijk Absolute, het ongeopenbaarde, aanbidden?

2. De Heer Krishna zei: Degene wiens geest gericht is op Mijn persoonlijke gedaante en die altijd bezig is Mij met groot en verheven geloof te aanbidden, die beschouw Ik als de meest volmaakte.

3-4. Maar degenen die door zinsbeteugeling en gelijkgezindheid jegens iedereen opgaan in aanbidding van het ongeopenbaarde, van datgene wat buiten waarnemingsbereik van de zinnen ligt, het alomtegenwoordige, onvoorstelbare, hechte en onbeweeglijke � het onpersoonlijke beeld van de Absolute Waarheid � diegenen komen, omdat ze zich met aller welzijn bezig houden, uiteindelijk ook tot Mij.

REDENEN WAAROM EEN PERSOONLIJKE VORM VAN GOD TE AANBIDDEN

5. Zelfrealisatie is moeilijker voor hen die hun gemoed op een onpersoonlijke, ongemanifesteerde, en vormloos Absolute vestigen; daar het ongemanifesteerde moeilijk te begrijpen is voor hen die in een lichaam leven[1].

6-7. Voor degene die Mij aanbidt, die al zijn bezigheden aan Mij wijdt en Me onveranderlijk trouw is, die verbonden is in toegewijde dienst en altijd op Me mediteert, die zijn geest op Mij gericht houdt, O Arjuna, - voor hem ben Ik de snelle redding uit de oceaan van geboorte en dood.

VIER PADEN TOT GOD

8. Daarom, vestig uw gemoed op Mij, en laat uw intellect op Mij alleen vertoeven door meditatie en contemplatie. Hierna zult gij zeker in Mij verblijven[2].

9. Maar als ge niet in staat zijt uw aandacht vast op Mij gericht te houden, probeer dan tot Mij te komen door de yoga van oefening[3], O Arjuna.

10. Zo gij ook niet opgewassen zijt tegen voortdurend oefenen, houd u dan ijverig bezig met dienst aan Mij; door handeling te verrichten om Mijnentwil, zult ge volmaaktheid bereiken.

11. Zo gij zelfs hiertoe de kracht niet hebt, neem dan uw toevlucht tot eenwording met Mij; geef alle vruchten van handeling op en bewerkt zelfbeheersing[4].

KARMA-YOGA IS HET BESTE OM ERMEE TE BEGINNEN

12. Kennis[5] is beter dan gedurende beoefening van concentratie[6]; meditatie is beter dan kennis; beter dan meditatie is verzaking van de vruchten van handeling; op verzaking van de vruchten van handeling[7] volgt onmiddellijk vrede[8]. (Zie meer over het onderwerp �verzaking� in 18.02, 18.09)

DE ATTRIBUTEN VAN EEN DEVOOT

13-14. Wie niet afgunstig is, maar een goede vriend van alle levende wezens, wie niet denkt dat hij enig-iets bezit, wie vrij is van eigendunk en gelijkmoedig in geluk en verdriet, wie altijd voldaan is en onwankelbaar in zijn verrichting van toegewijde dienst en wiens geest en verstand op Mij zijn afgestemd � die is Mij zeer dierbaar.

15. Wie niemand in moeilijkheden brengt, zich niet door angst laat verontrusten en evenwichtig is in geluk en verdriet, is Mij zeer dierbaar.

16. Wie geen begeerten koestert, zuiver, waardig in handeling, onbekommerd en door niets verontrust is, wie alle initiatief heeft opgegeven en Mij vereert, die is Mij dierbaar.

17. Wie zich niets aantrekt van vreugde of verdriet, wie klachten noch begeerten koesteren en wie zich noch met gunstige, noch met ongunstige zaken inlaat, is Mij zeer dierbaar.

18-19. Wie vriend en vijand gelijkgezind is, wie evenwichtig blijft in eer en schande, hitte en kou, geluk en verdriet, roem en smaad, wie altijd rein is, altijd zwijgzaam en met alles tevreden, wie zich niet bekommert om zijn onderdak, wie in kennis verankerd is en verbonden in toegewijde dienst, is Mij zeer dierbaar.

MEN ZOU IN ALLE OPRECHTHEID MOETEN PROBEREN GODDELIJKE KWALITEITEN TE ONTWIKKELEN

20. Maar de trouwe devoten, die Mij als hun verhevene bestemming hebben genomen en volgen � of die gewoon in oprechtheid proberen te ontwikkelen � de hogerop aangehaalde nectar van morele waarden, zijn Mij heel dierbaar[9].

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het twaalfde hoofdstuk, genaamd �Het Pad der Devotie�.

[1] Vertaald naar R.P.: �Self-realization is more difficult for those who fix their mind on the impersonal, unmanifest, and formless Absolute; because, comprehension of the unmanifest by embodied beings is attained with difficulty. �(12.05)

Een persoon dient vrij te zijn van lichamelijke gevoelens en zich vestigen in het gevoelsleven van het Zelf alleen, wil hij vorderingen maken in het praktiseren van de eredienst der vormloze Absolute. Men wordt bevrijdt van de lichamelijke conceptie van het leven, wanneer men volledig gezuiverd in totale en enige toewijding met de Verheven Heer is verbonden. Het bereiken van een dergelijke staat is voor de doorsnee mens onmogelijk, echter wel voor gevorderde zielen. Daarom, is het voor de gewone zoeker zeker verantwoordt God met een vorm voorstelling te aanbidden. Dus, is de manier van aanbidding van het individu zelf afhankelijk. Men zou voor zichzelf moeten uitmaken welke methode voor hem of zij het beste is. Het is volledig nutteloos om aan een kind te vragen een vormloze God te aanbidden, terwijl de wijze God in elke vorm ziet, en heeft echter geen beeld of prent nodig om God te aanbidden.

Liefdevolle contemplatie en de eredienst van een persoonlijke God is een nodige eerste stap tot de realisatie van een onpersoonlijke Absolute. Er wordt ook gezegd dat de devotie naar een persoonlijke aspect van God ook tot Zijn transcendentale aspect kan leiden. God is niet enkel een extra kosmische, almachtige Wezen, maar tevens het Zelf in alle wezens. De aanbidding van God als een persoon in de vorm van iemand�s geprefereerde, persoonlijke god stimuleert goddelijke liefde tot de opwekking van het zelfbewustzijn, en ten gepaste tijde de ervaring van eenheid. God, de transcendent, openbaart zich in de zuivere innerlijke psyche van de persoon nadat hij de liefdevolle contemplatie van de immanente God heeft betracht.

Er is eigenlijk geen verschil tussen de twee paden � het pad der devotie tot een persoonlijke God en het pad van Zelfkennis tot een onpersoonlijke god in het bereiken van het hoogste doelpunt. In het hoogste stadium van de realisatie, zijn ze met elkaar verbonden en eengemaakt. Andere wijzen vinden het pad der devotie gemakkelijker dan de tweede, vooral bij beginnelingen. Naar Tulasidasa is het pad van Zelfkennis moeilijker te begrijpen, te verklaren, en te volgen. Het is dan ook zeer gemakkelijk te hervallen, of zich op het lage sensuele vlak der bewustzijn van het pad der Kennis terug te deinzen. (TR 7.118.00) In de volgende twee verzen zegt de Heer dat het pad der devotie niet gemakkelijk is, toch vlugger dan het pad der Kennis.

De persoonlijke en de onpersoonlijke, de fysieke vorm en de transcendentale vorm, zijn de twee kanten van de munt der ultieme realiteit. Ramakrishna zei: �Beeldaanbidding is in het begin nodig, maar nadien niet, daar een stellage nodig is tijdens de constructie van een gebouw.� Een persoon moet eerst leren zijn gedachten en gemoed op de vorm van een persoonlijke God te richten, en vervolgens na deze te hebben verworven zich op de transcendentale vorm te vestigen. De hoogste bevrijding is pas mogelijk door de Godrealisatie als het enige Zelf in alle wezens, (BS 4.3.15, ShU 3.07) en het is pas door de devotionele rijpheid in een persoonlijke God en Zijn genade bereikt. Deze realisatie is de tweede (of geestelijke) geboorte, of de tweede komst van Christus. Jezus zei: het koninkrijk van de Vader is op aarde verspreidt maar de mensen zien het niet. Een andere heilige zei: het is gelijk een vis die in het water dorst heeft, en naar water zoekt.

Volgens oude schriften, eender geestelijke praktijk wordt krachtiger, wanneer het wordt voltooid door kennis, geloof, en contemplatie in een persoonlijke God (ChU 1.01.10). Ascetische praktijken, gebed, naastenliefde, boetedoening, uitvoeren van offers, belofteaflegging, en andere godsdienstige verplichtingen zijn om het afsmeken van de Heer�s barmhartigheid nutteloos, zoals tevens onvermengde en zuivere devotie. De magneet (kennis, geloof en contemplatie) brengt de Heer gemakkelijker naderbij (TR 6.06-07). (Dr. Ramananda Prasad)

[2] Vertaald naar R.P.: �Therefore, focus your mind on Me, and let your intellect dwell upon Me alone through meditation and contemplation. Thereafter you shall certainly attain Me.�(12.08)

[3] Bhakti-yoga.
[4] �Onderwerp uw �ik� aan het Zelf.

[5] Jnana: Geestelijke kennis, of kennis waardoor men in staat is onderscheid te maken tussen het materi�le omhulsel en de geestelijke ziel.

[6] Adhyasa.

[7] Karma-phala-tyaga: afzien van het resultaat van vruchtdragende activiteit.

[8] Shanti: vrede.

[9] Vertaald naar R.P.: �But those faithful devotees, who set Me as their supreme goal and follow � or just sincerely try to develop � the above mentioned nectar of moral values are very dear to Me.� (12.20)

Iemand kan niet al de deugden bezitten, maar de oprechte wilskracht om dezen te ontwikkelen, is door de Heer ten zeerste geapprecieerd. De strijdende is zodoende zeer kostbaar voor de Heer. De hogere klasse van devoten begeren niets, ook niet om de verlossing van de Heer te bekomen, behalve voor een enkele gunst: de devotie aan de lotusvoeten van een persoonlijke God geboorte na geboorte (TR 2.204.00). De lage klas devoten gebruiken God als dienaar om hun materi�le vragen en begeerten te vervullen. De ontwikkeling van onwankelbare liefde en devotie aan de lotusvoeten van de Heer is het uiterste doel van alle geestelijke disciplines en verdienstelijke daden zowel als het doel van de menselijke geboorte. Een ware devoot beschouwt zichzelf als de dienaar, de Heer als de meester, en de ganse schepping als Zijn lichaam.

Het pad van devotie is het meest bereikbare voor menige mensen, maar devotie komt niet tot ontwikkeling zonder de combinatie van persoonlijke wilskracht, geloof en God�s genade. Er zijn negen technieken om devotie aan te wakkeren � door een intensieve liefde voor God als een persoonlijke Wezen � gebaseerd op Tulasi Ramayana (TR. 3.34.04-3. 35.03) en deze zijn:

(1) De nabijheid van heilige wijzen (mystieken) te zoeken.

(2) Het beluisteren en lezen van verhalen over de Heer�s incarnatie en Zijn scheppingsactiviteiten, behoud en ontbinding zoals in godsdienstige Schriften aangehaald.

(3) Seva of God dienen door dienstbaarheid aan noodlottigen, heiligen, en de gemeenschap.

(4) Gemeenschappelijke zingen en gezangen tot God�s glorie.

(5) De herhaling van de Naam des Heren en mantras uitgesproken met vast geloof.

(6) Discipline en controle over de zes zinnen, en ongehechtheid.

(7) Eigen persoonlijke God in alles en overal zien.

(8) Tevredenheid en ontzeggen aan verdiensten, tevens de fouten van anderen te ontzien.

(9) Eenvoud in alles, gemis aan toorn, jaloersheid, en haat.

Het beste dat de mens kan doen is een liefde voor God ontwikkelen. De Heer Rama zei dat men de hierboven aangehaalde methoden dienen in geloof na te leven en God�s liefde naleven om waarlijk een devoot te worden.

Het goede gezelschap van heiligen en wijzen is een krachtige tuig om tot Godrealisatie te komen. Het wordt gezegd dat vriendschap, discussie, onderhandelingen, en huwelijken met gelijkdenkende of met mensen die beter zijn dan wij gezocht moet worden, en geenszins met mensen die van een lagere intellectuele stand komen (MB 5.13.117). Iemand is trouwens in eigen kring steeds beter bekend. Volgens de meeste heiligen en wijzen, is het pad der devotie eenvoudiger en beter om na te volgen. Men kan beginnen met gewoon een persoonlijke mantra te zingen, of eender welke naam van God. De ontwikkeling van devotionele dienstbaarheid bepaalt zich tot de volgende praktijken: luisteren naar spreekbeurten, de heilige naam van God zingen, God in herinnering brengen en Hem aanschouwen, Hem aanbidden en tot Hem bidden, God en de mensheid dienen, in totale overgave aan Zijn wil. (Dr. Ramananda Prasad)

Hoofdstuk 13
DE SCHEPPING EN DE SCHEPPER
DE SCHEPPINGSTHEORIE

1. De Heer Krishna zei: O Arjuna, dit lichaam wordt het veld genoemd, en degene die dit lichaam kent wordt de kenner van het veld genoemd[1].

2. O Arjuna, weet dat in ieder lichaam ook Ik de kenner ben, en dat begrijpen wat dit lichaam en wie de kenner is, kennis wordt genoemd. Dat is wat Ik ervan zeg.

3. Verneem in het kort van Mij wat het veld is en van welke aard, hoe het gewijzigd wordt, vanwaar het stamt, en wie Hij is, de Kenner van het veld en wat Hij vermag.

4. Deze kennis van het veld der activiteiten en van de kenner der activiteiten is door verschillende wijzen in menige Vedische geschriften beschreven � met name in de Vedanta-sutra � met volledige behandeling van oorzaak en gevolg[2].

5-6 De grote elementen, individualiteit, rede, en ook het ongemanifesteerde, de tien zinnen en de ��n (het denken), en de vijf objecten der zinnen; begeerte, afgunst, vreugde, smart, het gehele organisme (het lichaam), intelligentie en vastberadenheid, vormen in het kort het veld en zijn transformaties. (Zie ook 7.04)

DE VIERVOUDIGE EDELE WAARHEID ALS MIDDEL TOT NIRVANA

7-8 Nederigheid, bescheidenheid, geweldloosheid, verdraagzaamheid, eenvoud, dienstbaarheid tegenover een leraar[3], zuiverheid, standvastigheid, zelfbeheersing. Ongehechtheid jegens de objecten der zinnen, onzelfzuchtigheid en ook inzicht in het euvel van geboorte, dood, ouderdom en ziekte[4],

9-11 Ongehechtheid met kinderen, echtgenote, tehuis; voortdurende evenwichtigheid in gewenste en ongewenste omstandigheden. Onwankelbare toewijding aan Mij door yoga zonder enig ander doel, verblijf op eenzame plaatsen, ongehechtheid van alle mensen in het algemeen; volhardend zich verdiepen in de kennis omtrent het Zelf[5], besef[6] van het doel der kennis omtrent de essentie; dat is wat men wijsheid noemt; alles wat hiertegen ingaat is onwetendheid[7].

GOD KAN DOOR PARABELEN WORDEN BESCHREVEN, EN OP GEEN ENKEL ANDERE MANIER

12. Ik zal nu verklaren wat men hoort te weten en wat, als men het weet, de onsterfelijkheid doet ervaren, het Allerhoogste, Eeuwige, Verhevene Wezen, het Absolute, zonder begin, dat men noch zijn, noch niet-zijn kan noemen. (Zie ook 9.19, 11.37, en 15.18)

13. Zijn handen en benen, Zijn ogen en gezichten zijn overal, en Hij hoort alles. Zo is de Superziel alomtegenwoordig.

14. De Superziel[8] is de oorsprong van de zinnen van alle levende wezens, maar Zelf heeft Hij geen zinnen. Hij is aan niets gehecht, en toch houdt Hij alles in stand. Hij is ontstegen aan de geaardheden der materi�le natuur, en tegelijk is Hij meester der hoedanigheden.

15. De Verhevene Waarheid bestaat zowel binnen als buiten, zowel in het bewegende als in het niet bewegende. Hij kan niet worden waargenomen of doorgrond met behulp van de stoffelijke zinnen. Hoewel Hij ver, ver weg is, is Hij overal erbij.

16. Hoewel de Superziel verdeeld lijkt, is Hij nimmer verdeeld. Hij is ��n. Hoewel Hij de instandhouder van alle levende wezens is, dient ge te weten dat Hij het ook is, die ze alle verslindt en ze alle tot ontwikkeling laat komen. (Zie ook 11.13, en 18.20)

17. Hij is de lichtbron van al wat licht geeft. Hij verwijlt buiten de duisternis der stof en is daarin ongeopenbaard. Hij is kennis, Hij is het kenbare en Hij is het doel der kennis. Hij bevindt Zich in ieders hart.

18. Aldus luidt in het kort Mijn beschrijving van het veld der activiteiten (het lichaam), kennis en het kenbare. Enkel degenen die Mij toegewijd zijn, kunnen deze zaken begrijpen en zo tot Mijn wezen doordringen.

EEN BESCHRIJVING VAN DE VERHEVENE GEEST, GEEST, MATERI�LE NATUUR, EN DE INDIVIDUELE ZIELEN

19-20 Weet, dat materie en geest beide zonder begin zijn; weet eveneens dat de transformaties en de hoedanigheden alle uit de materie voortspruiten. Materie[9], natuur, wordt de oorzaak genoemd van het voortbrengen van oorzaken en gevolgen; de geest[10] wordt de oorzaak genoemd van der ervaring van vreugde en smart.

21. De geest, in de materie verblijvend, geniet de hoedanigheden uit de materie voortgekomen; gehechtheid aan de hoedanigheden is de oorzaak van zijn geboorte uit een goede of kwade moederschoot.

22. Maar er is in het lichaam nog een andere � bovennatuurlijke � genieter. Het is de Heer, de hoogste bezitter, die toeziet en toestaat, en die de Superziel wordt genoemd.

23. Wie deze kennis aangaande de materi�le natuur, het levend wezen en de wisselwerking van de geaardheden der natuur begrijpt, zal zeker worden verlost. Ongeacht zijn huidige toestand, zal hij hier niet worden wedergeboren.

24. Sommigen aanschouwen de Superziel door meditatie, anderen door hun metafysische kennis[11] te verdiepen, en weer anderen door onbaatzuchtige arbeid.

GELOOF ALLEEN KAN TOT NIRVANA LEIDEN

25. Ook zijn er, die onwetend hieromtrent[12] Mij aanbidden en vereren, na er van anderen gehoord te hebben; ook deze zullen naar de andere zijde komen, uitstijgend boven de dood, daar zij zich houden aan wat zij hebben gehoord.

26. Weet, O Arjuna, dat elk schepsel, dat geboren wordt, hetzij beweeglijk of onbeweeglijk, voortkomt uit de vereniging tussen het veld en de Kenner van het veld. (Zie ook 7.06)

27. Hij die dezelfde eeuwige Verhevene Heer ziet als het onvergankelijke in het vergankelijke, gelijkelijk verblijvend in alle schepselen, ziet de dingen zoals ze zijn.

28. Wie de Superziel overal in elk levend wezen in dezelfde gedaante ziet, laat zich niet meer door zijn geest naar het lagere meeslepen. En zo nadert hij zijn Verhevene Woonst.

29. Wie zien kan dat alle activiteiten worden verricht door het lichaam, dat de materi�le natuur geschapen is, en ziet dat het zelf niets doet, ziet de dingen zoals ze zijn. (Zie ook 3.27, 5.09, en 14.19)

30. Wanneer men niet langer op grond van de verscheidenheid der materi�le lichamen aanneemt dat alles van elkaar verschilt, maar dat alles in de Ene geworteld is, bereikt men de Verhevene Geest[13].

DE ATTRIBUTEN VAN DE GEEST (BRAHM)

31. Degenen die begiftigd zijn met de blik der eeuwigheid kunnen zien dat de ziel bovennatuurlijk, eeuwig en vrij van de geaardheden der natuur is. In weerwil van haar contact met het stoffelijk lichaam, O Arjuna, verricht de ziel geen handelingen, noch is ze verstrikt.

32. Vanwege zijn fijnheid mengt de ruimte[14] zich nergens mee, hoewel hij alles doordringend is. Evenzo mengt de ziel zich niet met het lichaam, alhoewel ze zich in het lichaam bevindt.

33. Zoals de ene zon deze hele wereld verlicht, zo verlicht de Heer van het veld het ganse veld, O Arjuna.

34. Zij, die met het oog van wijsheid dit verschil zien tussen het veld[15] en de Kenner van het veld[16], en ook de bevrijding van de schepselen uit de materi�le gevangenschap, gaan in tot het Verhevene Woonst.

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het dertiende hoofdstuk, genaamd �De Schepping en de Schepper�.

[1] Er bestaat ook een inleidende vers die in sommige uitgaven zoals in de onze wordt weggelaten, en het luidt als volgt: �Materie en geest, het veld en de Kenner van het veld, kennis en dat wat geweten moet worden, dit zou ik graag willen vernemen, O Heer Krishna.� De verdeling in drie: kennis, de kenner, en het kennen, hoort tot de wereld van het betrekkelijke, het vergankelijke.

Dr. Ramananda Prasad: Wat alhier in het lichaam gevonden wordt, is ook in de kosmos; wat ginder is, hetzelfde is ook hier (KaU4.10). Het menselijk lichaam, de microkosmos, is een kopie van het universum, de macrokosmos. Het lichaam wordt het terrein van de activiteiten van de ziel genoemd. Het lichaam of de schepping is anders dan de ziel, of de schepper. Om het verschil te weten, dient men de metafysische kennis te verkennen, zoals in huidige hoofdstuk aangehaald.

[2] De G�t� verklaart tevens de waarheden van andere gewijde schrifturen. Alle schrifturen zowel als deze van heiligen en wijzen van alle godsdiensten, putten het water der waarheid van dezelfde oceaan van de Geest. Hun uitdrukking kan verschillen volgens de noden van het individu en de contemporaine maatschappij. (Dr. Ramananda Prasad)

[3] Men moet zich van leraars (goeroes) behoeden die erop aanspraak maken bepaalde meesters, adepten of ingewijden te zijn. Een ware leraar blijft zoveel mogelijk verborgen, daar alleen wat de Waarheid is, is belangrijk. Tevens, wat de leraar zelf door de harde ervaring heeft geleerd is voor de leerling nuttig. Toch, moet worden opgelet, daar tegenwoordig veel onjuiste leringen zijn omtrent het denkvermogen en de ziel. Vele onder hen laten het licht vallen op datgene, dat de objectieve vorm tot stand zal brengen, welke vorm door henzelf van hoedanigheden wordt voorzien. Zij versterken hun eigen doel in die van de denkenden, om hun eigen zinnen ten uitvoer te brengen. Het is dus op te letten, maar men moet ook niet veralgemenen. Het staat ieder leerling vrij over deze punten na te denken, om nutteloze speculaties van leraars en goeroes achterwege te laten. Sluiten we ons gewoon bij de Bhagavad G�t� aan (4.6): �Hoewel Ik ongeboren ben en Mijn bovenzinnelijk lichaam nooit vergaat en hoewel Ik de Heer van alle geboren wezens ben, verschijn Ik in ieder tijdvak in Mijn oorspronkelijke bovennatuurlijke kracht (Maya).� Het gaat om zelf te discrimineren wat voor ons goed of slecht is, en door wie we precies worden aangesproken en waarom, we hebben daarvoor de nodige gaven. (Ph. De Coster) (Zie ook in de Engelse taal: http://www.gita-society.com/guru4.htm )

[4] Vers 13.08 van de G�t� vormt het beginsel van het Boeddhisme. De voortdurende contemplatie en begrip van agonie en lijden bij de geboorte, ouderdom, ziekte, en de dood worden in het Boeddhisme het begrip van de Viervoudige Edele Waarheid genoemd. Een duidelijk begrip van deze waarheid is nodig om de spirituele reis te ondernemen. Afgunst en ontevredenheid tegenover de onzin en de irrealiteit met de daarbij verbonden objectieven zijn het nodige voorspel om met de spirituele reis te beginnen. Zoals de vogels wanneer ze moe zijn op een boom onderdak vinden; zoekt de mens eveneens goddelijke bescherming nadat ze de frustratie en het sombere van het materialisme ontdekt hebben. (Dr. Ramananda Prasad)

[5] Adhyatma-jnana, vergelijk hoofdstuk 7.29.
[6] Realisatie.
[7] Ajnana.
[8] De Almachtige, de Verhevene Wezen.

[9] Prakriti: (1) De stoffelijke of materi�le natuur (apara-prakrti). (2) De levende wezens (para-prakrti). De naam �prakriti� is afgeleid uit de functie ervan als de materi�le oorzaak van de eerste evolutie van het heelal. Men kan zeggen dat de naam is samengesteld uit twee woordkernen, namelijk �pra�, het openbare, en �krita�, het maken, en er wordt dus datgene ermee bedoeld wat de oorzaak was waardoor het heelal zich ging openbaren.

[10] Purusha: Het geestelijk zelf. Het belichaamde zelf. Het woord betekent letterlijk �De bewoner van de stad� of wel de bewoner van het lichaam. �Pura� komt uit het Sanskriet en betekent stad of lichaam, terwijl �usha� een afleiding is van het werkwoord �vas�, wonen. (Dit werd in vroegere hoofdstukken aangehaald.) Feitelijk kan �Purusha� van beide, bewustzijn en materie zijn, of Purusha en Prakriti in de verzen 19 en 20, worden gezien, daar de aanwezigheid van beide noodzakelijk is, opdat het functioneert. Als het een gevorderde yogi betreft, kan de �geest� ervaring zich telkens weer herhalen en dan gaat hij van het ene gebied naar het andere over, totdat hij de laatste sprong doet van het ijlste gebied (het Atmische gebied) naar de Werkelijkheid zelf � het bewustzijn van Purusha. Als dus het lagere denken geheel en al opgaat in het object in Nirvitarka Samadhi dan is het Purusha, werkend in Zijn hogere beginselen, die alles onder Zijn hoede heeft en die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de voortdurende en tere transformaties die plaats vinden in de verdere stadie van Samadhi. Purusha dient beschouwd te worden als degene, die leiding geeft aan de evolutie.

[11] Vergelijken de verzen 2, 12, 22, 30 en 31 van dit hoofdstuk. Parameshvara schijnt hier te betekenen: Brahman of Paramatma, d.w.z. Purusha plus Prakriti (zie voetnoot 8), het Zelf plus het immer-veranderde, het Ene en het Andere, de Al-Ene in Zijn schepping.

[12] De paden van yoga.

[13] Vertaald naar R.P. : �The moment one discovers diverse variety of beings and their different ideas abiding in One, and coming out from �That� alone, one attains the Supreme Being.� (13.30)

[14] Ether.
[15] Lichaam.
[16] De persoon zelf (eigenaar van het lichaam).
Hoofdstuk 14
DE DRIEVOUDIGE AARD DER MATERI�LE NATUUR

1. De Heer Krishna zei: Wederom zal Ik je deze verhevene wijsheid uiteenzetten, de meest verheven kennis, waardoor de wijzen, die haar bevatten, tot de hoogste volmaaktheid kwamen.

2. Daar zij hun toevlucht tot deze wijsheid hebben genomen en in Mijn wezen zijn opgegaan, worden zij niet wederom geboren, zelfs niet bij de schepping van een heelal, en evenmin zullen zij lijden als het uiteenvalt.

ALLE WEZENS ZIJN DOOR DE VERENIGING VAN GEEST EN MATERIE GEBOREN

3. Mijn materi�le Natuur is de moederschoot van de schepping, waarin Ik de kiem der Bewustzijn breng; hieruit spruiten alle schepselen voort, O Arjuna[1]. (Zie ook 9.10)

4. Men dient te begrijpen, O Arjuna, dat uit welke moeder de stervelingen ook geboren worden, de materi�le Natuur is hun moederschoot, en de Geest of Bewustzijn, is de leven-gevende Vader[2].

HOE DE DRIEVOUDIGE MATERI�LE NATUUR DE GEEST ZIEL AAN HET LICHAAM BINDT

5. De materi�le natuur bestaat uit de drie geaardheden � goedheid, hartstocht en inertie. Wanneer het onvergankelijk levend wezen met de natuur in aanraking komt, O Arjuna, raakt het door deze geaardheden geconditioneerd[3].

6. O zondeloze Arjuna, de geaardheid goedheid, die zuiverder is dan de beide andere, verlicht het levend wezen en bevrijdt het van de terugslagen van zijn zondig doen en laten. Degenen die zich in deze geaardheid bevinden ontwikkelen kennis, maar raken gebonden door het geluksgevoel waarmee goedheid gepaard gaat[4].

7. O Arjuna, de geaardheid hartstocht bestaat uit ongebreidelde verlangens en hunkeringen, en hierdoor raakt men gebonden aan materi�le activiteiten en de vruchten van dien.

8. Weet, O Arjuna, dat de geaardheid onwetendheid brengt alle levende wezens in illusie. Onwetendheid leidt tot waanzin, luiheid en slaap, waardoor de ziel gebonden raakt.

9. Harmonie[5] hecht de mens aan zaligheid; beweeglijkheid[6] aan handeling, O Arjuna. Inertie[7] die de wijsheid versluiert, echt de mens daarentegen aan nalatigheid, achteloosheid[8].

KARAKTERISTIEKEN VAN HET DRIEVOUD DER NATUUR

10. Soms heeft de harmonie de overhand, wanneer ze beweeglijkheid en traagheid heeft bedwongen, O Arjuna; soms beweeglijkheid, als deze harmonie en traagheid heeft overwonnen; en soms traagheid als ze harmonie en beweeglijkheid heeft overmeesterd.

11. Wanneer door alle poorten van het lichaam het licht der Zelfkennis binnendringt, kan men ervan verzekerd zijn dat de geaardheid goedheid zich openbaart[9].

12. O Arjuna, wanneer de geaardheid hartstocht zich laat gelden, ontwikkelen er zich symptomen van grote gehechtheid, onbedwingbare begeerte, verlangen en hevig streven.

13. O Arjuna, duisternis, stilstand, achteloosheid en ook de waan, deze spruiten voort uit de toename van inertie.

DE DRIEVOUDIGE AARDEN ZIJN OOK DE VOERTUIGEN VOOR DE TRANSMIGRATIE VAN DE INDIVIDUELE ZIEL

14. Sterft men tijdens de overhand van goedheid dan bereikt men de hemel � de zuivere wereld van de kenners der Verhevene[10].

15. Sterft men in de geaardheid hartstocht, dan wordt men geboren onder hen die zich bezighouden met baatzuchtige streven; en sterft men in de geaardheid onwetendheid, dan wordt men onder de lagere wezen geboren.

16. Door te handelen in de geaardheid goedheid raakt men gelouterd. Werk dat men doet in de geaardheid hartstocht leidt tot verdriet, en activiteiten in de geaardheid onwetendheid leiden tot dwaasheid.

17. Uit de geaardheid goedheid ontwikkelt zich werkelijke kennis; uit de geaardheid hartstocht ontwikkelt zich verdriet; en uit de geaardheid onwetendheid ontwikkelen zich dwaasheid, waanzin en begoocheling.

18. Zij die zich in de geaardheid goedheid bevinden stijgen geleidelijk op naar de hogere gewesten; zij die in de geaardheid hartstocht leven op aarde; en zij die in de geaardheid onwetendheid verkeren dalen af naar de lagere gewesten der hel[11].

HET BEREIKEN VAN NIRVANA NA DE DRIEVOUDIGE AARD DER MATERI�LE AARD TE HEBBEN OVERTROFFEN

19. Als de ziener ziet dat er niets anders is wat handelt dan de leibanden en weet wat er boven de leibanden uitgaat, gaat hij in Mij op[12]. (Zie ook 3.27, 5.09, en 13.29)

20. Wanneer de ziel ontstijgt aan deze drie geaardheden (gunas)[13], waaraan het lichaam is ontsproten, is ze vrij van geboorte, dood, ziekte en ouderdom en bereikt ze onsterfelijkheid.

HET VERLOOP OM BOVEN DE DRIE AARDEN TE KOMEN

21. Wat zijn de kenmerken van hem, die aan de drie geaardheden (gunas) is ontstegen, O Heer Krishna? Hoe gedraagt hij zich? En hoe transcendeert hij deze drie geaardheden (gunas)?

22. De Heer Krishna zei: Hij die geen afkeer heeft van verlichting, gehechtheid en begoocheling[14], wanneer deze zich voordoen, en er ook niet naar verlangt, als ze er niet zijn.

23. Hij die als het ware terzijde zit, en onberoerd blijft door de geaardheden (gunas); die met de woorden: �de gunas weren zich�, onbeweeglijk terzijde staat;

24. Hij die evenwichtig is in wel en wee; vol zelfvertrouwen; voor wie een kluit aarde, een kei en een klomp goud gelijk zijn; die gelijkmatig is jegens degenen die hij liefheeft en die hij niet mag, standvastig, gelijkmoedig onder lof en blaam;

25. Hij die gelijkmoedig is in eer en schande, onpartijdig tegenover vriend en vijand, die zich niet identificeert met wat hij ook onderneemt, hij is boven de gunas uitgestegen.

DE BANDEN DER DRIE AARDEN KUNNEN DOOR DEVOTIONELE LIEFDE WORDEN AFGEDAAN

26. Wie zich volledig verbindt in toegewijde dienst en in geen enkele omstandigheid ten val komt, ontstijgt terstond aan de geaardheden der materi�le natuur en bereikt Nirvana of verlossing. (Zie ook 7.14 en 15.19)

27. Want �Ik Ben� de eeuwige Geest en de overgankelijke nectar der onsterfelijkheid, de eeuwige gerechtigheid (Dharma), de onvergankelijk en eeuwige rust in Mij[15].

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het veertiende hoofdstuk, genaamd �De Drievoudige Aard der Materi�le Natuur�.

[1] Vertaald naar R.P.: �My material Nature is the womb of creation wherein I place the seed of Consciousness from which all beings are born, O Arjuna.� (See also 9.10) (14.03)

[2] Vertaald naar R.P.: �Whatever forms are produced in all different wombs, O Arjuna, the material Nature is their body-giving mother; and the Spirit or Consciousness is the life-giving father.� (14.04) Vers vier is aldus bedoeld: �Men gelieve te begrijpen, O Arjuna, dat de aanwezigheid van alle levenssoorten mogelijk wordt gemaakt door geboorte in de stoffelijke (materi�le) natuur, en dat Ik de vader ben van wie het zaad afkomstig is.� (14.04)

[3] De verzen 3 en 4 tezamen anders gelezen: �O Arjuna, voor Mij is de schoot de algemene materie, waaraan Ik het zaad schenk: daarin ligt het ontstaan van alle schepselen. O Arjuna, van de levensvormen die in alle schoten tot aanzijn komen is de materie de oerschoot en ben Ik de zaadgevende Vader.� Bij de schepping verkrijgt de individuele ziel (jivatma) een gewaad, ontstaan uit prakriti, gevormd door de drie gunas en geweven uit draden der subtiele verlangens (vasanas). Vasanas zijn er geweest van den beginne, want in ieder mens is het verlangen om te leven onverwoestbaar aanwezig van in het begin; subtiele verlangens (vasanas) zijn de grondslag van het bestaan in deze wereld. Jivatma: de individuele ziel, de microkosmos, die in het aardse bestaan evolueert totdat hij volmaakt is geworden. Gunas: Een der drie geaardheden der materi�le natuur � goedheid, hartstocht en inertie. Anders uitgedrukt, de drie vibraties van de door purusha, belevendigde prakriti of materie, (weerspiegeling van Sat-Chit-Ananda); ze vormen de basis van het gemanifesteerde heelal. Vasanas: Potenti�le begeerte, tendens (gebondenheid aan het rad van geboorte en dood veroorzakend �vasanas� vergezellen alle voertuigen van bewustzijn en gradaties van citta (spiegel of scherm van het bewustzijn o.a.).

[4] De verzen 5 en 6 anders vertaald: �O Arjuna, goedheid, hartstochtelijk streven en inertie � dat zijn de leibanden ontwonden door de natuur: zij zijn het die de onvergankelijke ziel aan het lichaam binden. O zondeloze Arjuna, van hen bindt de verlichtende en heilzame goedheid vanwege haar zuiverheid de ziel door gehechtheid aan geluk en kennis.� Voor de spirituele zoekers zijn hartstochtelijk streven en inertie gemakkelijk te herkennen en omzeilen. Maar de invloed van goedheid is moeilijk te onderscheiden omdat deze zo subtiel is. Geluk en kennis zijn begeerlijk. En, zolang men ze wilt bezitten, is men aan de materie gebonden door haar subtielste leibanden. Alleen indien men ze als een bijkomend iets beschouwd van zijn levensloutering, waarop men geen aanspraak mag maken, en de blik vast op de Verhevene Heer gericht houdt, met de hoop Hem werkelijk te zullen dienen, laat deze subtiele leiband los.

[5] Sattva: De geaardheid goedheid van de materi�le natuur. Ook, harmonie, evenwichtigheid inzicht; een van de drie gunas, het vermogen om te zien, waar te nemen.

[6] Rajas: Een van de gunas: goedheid, hartstocht en inertie.

[7] Tamas: Een van de gunas, zoals traagheid, inertie, luiheid, vadsigheid, stabiliteit.

[8] Ofwel: �O Arjuna, de geaardheid goedheid bindt het levend wezen aan geluk, hartstocht bindt het aan de vruchten van zijn doen en laten, en onwetendheid bindt het aan waanzin.�

Commentaar door dr. Ramananda Prasad: De geaardheid der goedheid houdt de mens van zondige handelingen weg, en leidt hen tot Zelfkennis en geluk, maar niet tot de verlossing. De geaardheid hartstocht schept Karmische slavernij en houdt het individu op verdere afstand van de bevrijding. Deze mensen weten wat goede en slechte handelingen zijn gebaseerd op godsdienstige princiepen, maar zijn onbekwaam deze te volgen daar hun sterke zinnelijke lusten. De geaardheid der hartstocht behandelt de eigenlijke kennis van het Zelf en veroorzaakt het experiment van pijn en de genoegens van het wereldse leven. Deze personen voelen zich sterk aangetrokken tot rijkdom, macht, prestige, sensuele genoegens, en zijn zeer baatzuchtig en begerig. In de geaardheid onwetendheid is men onbekwaam het werkelijke doel van het leven te herkennen, onbekwaam om tussen goed en kwaad onderscheid te maken, en blijven zodoende met zondige en verboden activiteiten verbonden. Dergelijke persoon is lui, gewelddadig, ontbreekt beredenering, en heeft voor geestelijke kennis geen interesse.

[9] De zintuigen (neus, tong, ogen, huid, gemoed, en intellect) zijn de poorten tot Zelfkennis in het lichaam. Het gemoed en het intellect komen bij de geaardheid goedheid te staan, en komt voor Zelfkennis receptief, wanneer de zinnen door onbaatzuchtige dienstbewijs, discipline en geestelijk praktijken zijn gezuiverd. In vers 14.17 wordt aangehaald dat Zelfkennis opkomt wanneer het gemoed in de geaardheid goedheid sterk is gevestigd. Zoals voorwerpen duidelijk in het licht te zien zijn, evenzo, de waarneming en het denken in een juiste perspectief; schuwen de zintuigen datgene ongeschikt is; waarbij het gemoed geen plaats vindt voor sensuele plezier, zodra deze verlicht wordt door de dageraad van het licht der Zelfkennis. (Dr. Ramananda Prasad)

[10] Vertaald naar R.P.: �One who dies during the dominance of goodness goes to heaven - the pure world of knowers of the Supreme.� (14.14)

[11] Met andere woorden, �In goedheid gaat men opwaarts; in hartstocht blijft men in het midden; en de onwetenden, aan de laagste leiband, gaan omlaag.� (14:18) �Gewesten� kunnen als �geestelijke niveaus� van het hoogste naar het laagste worden beschouwd, in gebruik bij de apostel Paulus in zijn brief aan de Ephezi�rs (tenminste in de Nederlandse Nieuwe Vertaling van de Bijbel): �Geestelijke zegen in de hemelse gewesten� (Eph. 1:3), (in goedheid gaat men opwaarts); �want wij hebben niet geworsteld tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis� (Eph. 6:12a), (in hartstocht blijft men in het midden); �tegen de boze geesten in de hemelse gewesten� (Eph. 6:12b) (en de onwetenden, aan de laagste leiband, gaan omlaag). �Opwaarts� wordt veelal ge�nterpreteerd naar de goden of totdat men de Nirvana heeft bereikt waar geen terugkeer op aarde (noch in geboren worden en sterven) mogelijk is. �In het midden� als �in de mensenwereld op aarde�; of �omlaag� zoals �naar de hel� of naar het helse van het aardse leven, te vergelijken met de dierenwereld en de planten. Naar deze drie niveaus of gewesten, wordt de kosmos in de Veda �de drie werelden genoemd. (Ph. De Coster)

[12] Andersom: �Als de ziener inziet, dat het slechts de hoedanigheden zijn, die werken, en als hij Dat kent, dat boven de hoedanigheden uitgaat, gaat hij in Mij op.� (14.19) De ziel handelt niet materieel en is eveneens aangegeven in de verzen 5.8 en 13.21.

[13] Gunas (ter herhaling): Een der drie geaardheden der materi�le natuur � goedheid, hartstocht en inertie.

[14] Verlichting, streven en begoocheling zijn de effecten van de invloed der respectievelijk goedheid, hartstocht en onwetendheid.

[15] De Verhevene Wezen is de bron of de basis van de Geest. De Geest is een van de expansies van de Verhevene Wezen. Het is de Geest (of de Verhevene Wezen) die het ganse Kosmische drama in beweging brengt en alles ondersteunt. Daarom, wordt de Geest tevens de Verhevene Wezen of the Heer genoemd. Het is van betekenis dat de Heer Krishna nooit woorden zoals �aanbid de Verhevene God� of �de Absolute is aan de basis van alles� heeft aangehaald. In deze vers, en aldus verder in de G�t�, verklaart de Heer Krishna dat Hij de Verhevene Geest is. Krishna wordt door de mensen op verschillende wijzen begrepen. Sommige commentatoren zien in Krishna iemand anders dan God, anderen noemen Hen een �Hindoe God.� Nog anderen een politieker, een leraar, de goddelijke geliefde, en een diplomaat. Voor de devoten, is Krishna de incarnatie van de Absolute, en het voorwerp van liefde. De lezers zouden zich moeten tevreden stellen met het begrijpen en het in werking brengen van Krishna�s leringen, zonder zich te bekommeren over de vraag wie Krishna was. (Dr. Ramananda Prasad)

Hoofdstuk 15
DE VERHEVENE (ABSOLUTE) WEZEN

DE SCHEPPING IS ZOALS EEN BOOM DOOR DE KRACHTEN VAN MAYA GESCHAPEN

1. De Heer Krishna zei: Het universum (of menselijk lichaam) kan met een eeuwige boom vergeleken worden die met zijn afkomst (of wortels) in de Verhevene Wezen omhoog verblijft en met zijn takken omlaag in de kosmos. De Vedische gezangen zijn de bladeren van deze boom. Hij, die dit weet, is een Veda-kenner[1].

2. De takken van deze eeuwige boom zijn over de gehele kosmos verspreidt[2]. De boom is door de drievoudige geaardheid der materi�le Natuur gevoed; haar twijgen zijn de zinsgenoegens; en haar wortels het ego en begeerte verspreidt omlaag in de menselijke samenleving en in de boeien van Karmische gebondenheid[3].

HOE ZICH VAN DE BOOM DER GEHECHTHEID ONTTREKKEN EN VERLOSSING BEREIKEN DOOR GOD�S TOEVLUCHT TE ZOEKEN

3-4 De werkelijke gedaante van deze boom kan door niemand worden waargenomen in deze wereld. Niemand kan zien waar hij eindigt, begint of staat[4]. Maar vastberaden moet men deze sterk gewortelde boom omhakken met de bijl der onthechting, op zoek naar het oord vanwaar men, wanneer men het eenmaal heeft bereikt, nimmer terugkeert, en zich daar overgeven aan de Verhevene Persoonlijkheid Gods, bij wie alles begonnen is en in wie alles sinds onheugelijke tijden verwijlt[5].

5. Wie vrij is van begoocheling, valse trots en verkeerd gezelschap, wie het eeuwige begrijpt, wie afgedaan heeft met aardse lust en verlost is van de dualiteit van geluk en verdriet en weet hoe zich over te geven aan de Verhevene Wezen, die bereikt de Verhevene Oord.

6. Mijn Verhevene Woonst wordt door zon noch maan verlicht, noch door vuur. En ieder die haar bereikt keert nimmer terug in deze materi�le wereld.

DE BELICHAAMDE ZIEL IS DE GENIETER

7. Een onsterfelijke eeuwig deeltje[6] van Mijn Zelf, in de wereld der levenden neergetransformeerd als een levende geest[7], omhult zich met de vijf zinnen en als zesde het bewustzijn[8], versluierd in materie.

8. Als de Heer een lichaam aanneemt en als Hij het verlaat, grijpt Hij deze dingen, namelijk de vijf zinnen en manas en neemt ze mee, zoals de wind de frisse geuren uit hun schuilhoeken meedraagt. (Zie ook 2.13)

9. Verborgen in het oor, het oog, de huid, de tong, de neus en ook in het bewustzijn[9], geniet Hij van de objecten der zinnen.

10. Zij, die bewogen door de drie materi�le geaardheden in de begoocheling leven, worden Hem niet gewaar, als Hij heengaat of verblijft, of geniet; zij die zien met de ogen van wijsheid, worden Hem gewaar.

11. Ook yogi�s, in hun streven naar eenheid, worden Hem gewaar, gegrondvest in het Zelf; maar al zouden de niet-intelligenten ernaar streven, zij zouden Hem niet gewaar worden, daar hun zelf ongeoefend is.

DE GEEST IS DE ESSENTIE VAN ALLES

12. Het stralende licht van de zon, dat het duister van de gehele wereld verdrijft, komt van Mij. En het stralende licht van de maan en het stralende licht van het vuur zijn eveneens van Mij afkomstig. (Zie ook 13.17 en 15.06)

13. De aarde met Mijn levenskracht doordringend, houd Ik de schepselen in stand; en door het verrukkelijke Soma-sap[10] te worden[11], voed ik alle planten.

14. Ik ben het spijsverteringsvuur[12] in ieder levend lichaam en Ik ben de levensadem, zowel de uitgaande als de ingaande, en zo verteer ik de vier soorten voedsel.

15. Ik woon in ieders hart en van Mij komen geheugen, kennis en vergetelheid. De bedoeling van alle Veda�s is dat men Mij leert kennen. Ik ben voorwaar de schrijver van de Vedanta en degene die de Veda�s doorgrondt. (Zie ook 6.39)

WIE ZIJN DE VERHEVENE GEEST, GEEST EN DE INDIVIDUELE ZIEL

16. Er zijn twee�rlei entiteiten in de kosmos: de veranderlijke Tijdelijke Wezens, en de onvergankelijke Eeuwige Wezen (Geest). Al de geschapen wezens zijn aan verandering onderhevig, maar de Geest blijft onveranderd[13].

17. De Verhevene Geest staat boven beide � de Tijdelijke Wezens en de Eeuwige Wezen. Hij wordt ook de Absolute Realiteit genoemd die beide het Tijdelijke en het Eeuwige in alles tot stand houdt[14].

18. Daar de Verhevene Wezen boven beide het Tijdelijke en het Eeuwige verblijft; staat Hij in de wereld en de geschriften als de Verhevene Wezen (Absolute realiteit, Waarheid, Superziel) bekend[15].

19. Hij, die vrij van begoocheling, Mij aldus kent als de Verhevene Wezen[16], aanbidt Mij met zijn hele wezen, O Arjuna. (Zie ook 7.14, 14.26, en 18.66)

20. En zo heb Ik dan de geheime transcendentale wetenschap der Absolute uitgelegd. Moge hij, die dit vernomen heeft, als zijn taak vervuld is, de verlichting ontvangen, O Arjuna[17].

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het vijftiende hoofdstuk, genaamd �De Verhevene (Absolute) Wezen�.

[1] Vertaald naar R.P.: �Lord Krishna said: The universe (or human body) may be compared to an eternal tree that has its origin (or root) in the Supreme Being and its branches below in the cosmos. The Vedic hymns are the leaves of this tree. One who understands this tree is a knower of the Vedas�. (15.01)

[2] Het menselijk lichaam, het microkosmisch heelal of wereld, mag met een beginloze en eindeloze boom vergeleken worden. Karma is het zaad, de ontelbare begeerten zijn de wortelen, de vijf grondelementen zijn de hoofdtakken, en de tien organen der perceptie en handelen zijn de bijtakken. Drie geaardheden der materi�le natuur voorziet in de voeding, waarbij de zinnelijke genoegens de scheutjes zijn. Deze boom is steeds veranderlijk; toch eeuwig zonder begin of einde. De mens die waarlijk deze wonderlijke boom begrijpt, zijn oorsprong (of wortel), zijn natuur en werking, is in de ware zin van het woord de kenner van de Veda�s.

Twee aspecten van de Eeuwige Geest � de goddelijke Heerser en de gecontroleerde (levende entiteit, individuele ziel) maken hun nesten en verblijven in dezelfde boom als deeluitmakend van het kosmische drama. Deugd en ondeugd zijn de glorierijke bloemen; genoegens en pijn zijn de zoete en zure vruchten. De levende entiteit eet deze vruchten in onwetendheid; terwijl de Heerser op de troon zit, observeert, en begeleidt de levende entiteiten. De levende entiteiten zijn zoals mooie vogels met veelvuldige kleuren. Geen twee vogels gelijken op elkaar. De schepping is gewoon mooi. En, de Schepper moet onbeschrijfelijk prachtig zijn. (Dr Ramananda Prasad)

[3] Vertaald naar R.P.: �The branches of this eternal tree are spread all over the cosmos. The tree is nourished by the energy of material Nature; sense pleasures are its sprouts; and its roots of ego and desires stretch below in the human world causing Karmic bondage.� (15.02)

[4] De schepping is cyclisch, zonder begin of einde. Ze is steeds veranderlijk, en heeft geen permanente bestaan noch een werkelijke vorm. Men moet het mes van de metafysische kennis slijpen op de steen van de geestelijke praktijk; het gevoel der scheiding tussen de levende entiteit en de Heer wegnemen; opgewekt deelnemen aan het drama des leven met de voorbijgaande schaduwen van geluk en verdriet vervaardigd; om in deze wereld volledig bevrijdt van het ego en begeerten te leven. Wanneer de gehechtheden zijn getemperd, een houding van heilige onverschil heeft thans plaats genomen, als eerste vereiste voor geestelijke groei. (Dr Ramananda Prasad)

[5] De verzen 2 tot 4 op een andere manier gelezen: �Zijn takken verspreiden zich omlaag en omhoog, door met de ontwikkelde leibanden der zinsobjecten als scheuten, en beneden strekken zich de wortels uit, die in de mensenwereld tot baatzuchtig streven aanspoort. Begin, eind en vastheid van zijn vorm zijn in deze wereld onwaarneembaar. Deze diepwortelende asvattha (Samsara) nu dient men om te hakken met de sterke bijl der onthechting en zich vervolgens naar dat oord te begeven vanwaar degenen die het eenmaal hebben bereikt niet meer terugkeren, en wel aldus: �Ik vind toevlucht in de Oerpersoon, aan wie deze aloude schepping is ontsproten.�

[6] Jiva, Jivatma: �eeuwig deeltje van Mijn Zelf� of, �individuele ziel�. Jiva: levend wezen, (bijzondere) persoonlijkheid. Jivatma: individuele ziel, de microkosmos.

[7] Jiva-bhutah: de geconditioneerde levende wezen.

[8] Manas: het denken.
[9] Manas.

[10] Soma-sap: saprijke, waterige maan; de levenskracht, die de plantenwereld in stand houdt.

[11] Letterlijk vertaald: �door de saprijke, waterige maan te worden.�

[12] Uit de Ayur-veda vernemen we dat er in de maag een vuur is dat alle voedsel verteert dat erin komt. Wanneer dit vuur niet laait, is er geen hongergevoel, en wanneer het vuur brandt, krijgen we honger. Wanneer nu en dan het vuur onregelmatig is, moet er iets aan gedaan worden.

[13] Vertaald naar R.P.: �There are two entities in the cosmos: The changeable Temporal Beings, and the unchangeable Eternal Being (Spirit). All created beings are subject to change, but the Spirit does not change.� (15.16)

[14] Vertaald naar R.P.: �The Supreme Being is beyond both - the Temporal Beings and the Eternal Being. He is also called the Absolute Reality that sustains both the Temporal and the Eternal by pervading everything.� (15.17)

[15] Vertaald naar R.P.: �Because the Supreme Being is beyond both Temporal and Eternal; therefore, He is known in this world and in the scriptures as the Supreme Being (Absolute Reality, Truth, Supersoul)� (15.18) Een andere vorm van vertaling: �Daar Ik het veranderlijke en ook het onvergankelijke te boven sta, word Ik door de mensen en in de Veda�s de Verhevene Wezen genoemd.� (15.18) Purusottama: Verhevene Wezen, Persoon of Geest.

[16]Purusottama.

[17] Vertaald naar R.P.: �Thus this most secret transcendental science of the Absolute has been explained by Me. Having understood this, one becomes enlightened, and one�s all duties are accomplished, O Arjuna.� (15.20)

Hoofdstuk 16
DE GODDELIJKE EN DE DEMONISCHE AARD[1]

EEN LIJST VAN GROTE GODDELIJKE EIGENSCHAPPEN DAT WORDEN AANGEKWEEKT OM VERLOSSING TE BEKOMEN

1-3. De Heer Krishna zei: Onbevreesdheid, levensloutering, ontwikkeling van geestelijke kennis, barmhartigheid, zelfbeheersing, het brengen van offers, het bestuderen van de Veda�s, soberheid en eenvoud; geweldloosheid, waarheidlievendheid, vrijheid van woede; verzaking, rust, afkeer van vitten, onwankelbare vastberadenheid; energie, vergevingsgezindheid, kracht, reinheid, vrijheid van afgunst en van het verlangen naar eer � deze bovennatuurlijke eigenschappen, O Arjuna, treft men aan bij lieden die begiftigd zijn met een goddelijke karakter.[2]

EEN LIJST VAN DEMONISCHE EIGENSCHAPPEN DAT V��R HET BEGIN VAN DE SPIRITUELE REIS MOET OPGEGEVEN WORDEN

4. Hoogmoed, trost, woede, verwaandheid, hardheid en onwetendheid zijn eigenschappen van degenen die demonisch van aard zijn, O Arjuna.

5. De goddelijke eigenschappen leiden tot verlossing, terwijl de demonische eigenschappen tot gevangenschap leiden. Vrees niet, O Arjuna, want gij zijt geboren met de goddelijke eigenschappen.

ER ZIJN MAAR TWEE SOORTEN MENSELIJKE WEZENS � DE WIJZE EN DE ONWETENDE

6. Er zijn in deze wereld twee soorten wezens (of casten), O Arjuna, de goddelijke of de wijze, en de demonische of de onwetende. Ik heb u reeds omstandig uiteengezet wat de goddelijke eigenschappen zijn. Luister nu naar wat Ik over de demonische te zeggen heb.

7. Degenen die demonisch zijn weten niet hoe het wel en niet hoort. Men vindt bij hen reinheid, noch wellevendheid, noch waarheidlievendheid.

8. Ze beweren dat deze wereld onwerkelijk is en nergens op berust en dat er geen God is die alles bestuurd; ze komt voort uit seksueel verlangen en kent geen andere oorzaak dan lust.

9. Van deze opvattingen uitgaande wijden de demonische wezens, die verloren zijn voor zichzelf en geen verstand bezitten, zich aan heilloze, gruwelijke werken, die tot bedoeling hebben de wereld te vernietigen.

10. De demonische wezens, die zich overgeven aan ijdelheid, trots en onverzadelijke wellust, vallen ten prooi aan begoocheling. Geboeid door het tijdelijke, wijden ze zich aan onreine praktijken.

11. Zichzelf overgevend aan mateloze zucht naar wereldse dingen, hetgeen alleen op de dood uitloopt; de bevrediging van hun lusten als het hoogste beschouwend; verzekerd dat dit alles is.

12. In verslaving gehouden door het leven uit de verwachting, overgegeven aan lusten en toorn, trachten zij langs slinkse wegen grote rijkdom te vergaren voor hun zinnelijke genietingen.

13. �Dit heb ik vandaag gewonnen; dat doel zal ik bereiken; dit heb ik reeds en dat zal ik binnenkort ook nog bezitten.�

14. �Deze vijand heb ik gedood en anderen zal ik nog doden. Ik heers, ik geniet, ik ben volmaakt, ik heb macht, ik ben gelukkig.

15. �Ik ben rijk, van aanzienlijke geboorte, wie kan mij evenaren? Ik wil offers brengen, ik wil aalmoezen geven, ik wil genieten.� Zo worden dergelijke personen door onwetendheid begoocheld.

16. Aldus verward door allerlei zorgen en verstrikt in een netwerk van begoocheling, raken de demonische personen te zeer gehecht aan zingenot en vallen in de hel.

17. Verwaand als ze zijn en altijd onbeschaamd, begoocheld door rijkdom en ijdelheid, brengen ze soms offers om een goede indruk te maken, zonder zich ook maar aan ��n regel of bepaling te houden.

18. Overgeleverd aan zelfzucht, heerszucht, onbeschaamdheid, wellust, wraakgierigheid, boosaardig en vol haat jegens Mij in hun eigen lichaam en in dat van anderen.

HET LIJDEN IS DE BESTEMMING VAN DE ONWETENDE

19. De afgunstigen en kwaadaardigen, die de laagsten onder de mensen zijn, werp Ik in de oceaan der materi�le ellende in de verschillende demonische levensvormen.

20. Telkens wedergeboren onder de demonische moederschoot, begoocheld in de ene geboorte na de andere, nimmer Mij bereikend, O Arjuna, zinken ze neer tot de diepste diepten[3].

LUST, WOEDE, EN HEBZUCHT ZIJN DE DRIE POORTEN DER HEL

21. Er zijn drie poorten die toegang geven tot deze hel � lust, woede en hebzucht. Ieder verstandig mens dient zich hiervan af te wenden, want ze leiden de ziel omlaag.

22. De mens, die bevrijd is van deze drie poorten der duisternis, O Arjuna, bewerkt zijn eigen welzijn en bereikt aldus het hoogste doel.

MEN MOET DE SCHRIFTELIJKE BEVELEN VOLGEN

23. Maar hij die de geboden der Schriften verwerpt en zich gedraagt zoals het hem uitkomt, bereikt noch volmaaktheid, noch geluk, nog het hoogste doel.

24. Laat u daarom leiden door het gezag der Schrift bij het bepalen van wat wel en wat niet gedaan moet worden. Kent men deze regels en bepalingen, dan dient men ernaar te handelen, zodat men geleidelijk verheven kan worden.

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het zestiende hoofdstuk, genaamd �De Goddelijke en de Demonische Aard�.

[1] Goed en kwaad staan tegenover elkaar, en alles wat erbij hoort. Opgesomd in hoofdstuk 16 wordt een reeks van de driften der bozen aangehaald, die meesleuren, binden en beknellen; en, een reeks van de drijfveren der goeden, die vrij maken en vreugde scheppen. De verzen 7 tot en met 9 zijn een uitval naar sceptici, rationalisten en materialisten; terwijl, de verzen 10 tot en met 21 zijn vol boosachtigheid en laten aan duidelijkheid niets te wensen over. De verzen 22 tot en met 24 concludeert, en zegt, �Houden jullie aan de regels der plichten en geboden, om geleidelijk verheven te worden�.

[2] Men mag niemand veroordelen en zichzelf aanbevelen (MB3.207.50). We moeten anderen behandelen zoals we het voor ons voorhouden (MB 12.137.09). Een persoon van demonische aard moet op een verschillende manier worden behandeld en begeleidt, tegenover een persoon met een goddelijke natuur (MB 12.109.30). We betalen steeds de prijs van iemand ander�s ontwikkeling, daar niemand volmaakt is. Spreken over de tekortkomingen van anderen is de meest verachtelijke zonde. Zie andermans fouten niet, maar verbetert uw eigen tekortkomingen totdat ge zelf aan de verlichting toe bent.

Men zou over andermans fouten en tekortkomingen niet mogen weerleggen, luisteren of er zelfs niet aan denken. Wanneer men aan de gebreken van een andere denkt, wordt daarmee onze eigen denkvermogen bezoedeld. Er is niets gewonnen andermans fouten te ontdekken; daarom, ontdekt uw eigen fouten en corrigeert ze. De onbeminde beminnen, vriendelijk zijn tegenover de onvriendelijke, en genadig zijn tegenover de ongenadige is waarlijk goddelijk. Er wordt gezegd dat men dient te verantwoorden voor hetgeen wij aan anderen doen.

Waarden kunnen ook voor problemen zorgen, indien men vergeet dat anderen ook verschillende waarden hebben, daar mijn waarden verschillend zijn van de uwe. Waardenstrijd tussen individuen maken relaties kapot. Dikwijls twee waarden bij dezelfde persoon in praktijk gebracht, schept ook zijn moeilijkheden. Bijvoorbeeld, indien een leugen een waardevolle leven kan redden, zou men de waarheid niet mogen vertellen. Men mag zich blindelings niet aan waarden hechten, daar waarden niet absoluut zijn. Men zou met idealen nooit mogen spotten, noch anderen naar onze eigen standaarden oordelen, daar de schepper�s plan eenheid in verscheidenheid is.

De wereld wordt door allerlei mensen gemaakt. Men wenst anderen te veranderen om zelf vrij te zijn, maar zo werkt het eigenlijk niet. Indien men anderen volledig en onvoorwaardelijk aanvaarden, dan pas kan men vrij zijn. Mensen zijn wat ze zijn, daar ze hun eigen achtergrond bezitten, en kunnen gewoon anders niet zijn. (Swami Dagananda) Men kan een echtgenoot(e) beminnen, terwijl men de manier van zijn of haar handelen niet aanvaarden. Uw vijand kan uw vriend worden, indien u hem of haar aanvaardt zoals ze zijn. Indien ge een vijand wenst te maken, tracht deze te veranderen. Mensen veranderen �kan� wanneer ze tot bewustheid komen dat lijden moeilijker is dan veranderen. Niemand is bevoegd om iemand�s leven, denken en idealen ongeschikt te verklaren. Evolutie op de ladder van de volmaaktheid is een trage en moeilijke ontwikkeling. Het is niet gemakkelijk om zich van Karmische afdrukken te ontdoen, terwijl men toch echt moet proberen. De verandering neemt door eigen kracht plaats, en wanneer de tijd van God�s genade is aangebroken, en geen dag vroeger. Tevens, de manifestatie der oorspronkelijke energie, het bewustzijn, varieert volgens de wezens. Daarom, zoekt om verzoening met alles in het universum, en alles wordt uw vriend. Ramakrishna zei: wanneer de dageraad van het goddelijke is aangebroken, menselijke zwakheid verdwijnt uit eigen beweging, zoals de pedalen van een bloem afvallen om de vrucht te laten ontwikkelen.

Stervelingen zijn hulpeloos gebonden, zoals de koeien door de koord van hun verborgen begeerten die uit hun Karmische afdrukken voorkomen. De koord kan enkel worden doorgesneden indien we het mes van het intellect gebruiken door God aan ons geschonken, en niet aan de dieren. De tijger is instinctief geneigd om te doden, terwijl niemand er iets kan aan veranderen. De menselijke wezens kunnen door hun intellect en berederneringskracht traag maar zeker de koord doorsnijden. In onwetendheid missen we de kracht van de beredenering en het gebruik van het intellect. De vijand is niemand anders dan onze andere heft. Dikwijls komt het intellect in de greep van de valse spelletjes der denkbeeldige energie (Maya), v��r het aanbreken van de dageraad der voorbestemde vijand. Men moet het intellect gebruiken daar het een kostbare goddelijke gave is die aan de mens werd geschonken, om hen toe te laten een situatie te analyseren. Er is geen enkel ander manier om uit het verdorven circuit van Maya te geraken.

Er kan niets overkomen aan de mens die tegenover de andere een vreedzame houding heeft in gedachten, woord en daad (VP1.19.05). Zelfs de gevaarlijke dieren doen geen kwaad aan hen die vreedzaam zijn in gedachte, woord en daad (MB 12.175.27). Iemand die tegenover een wezen geen geweld uitoefent, bekomt wat hij wenst en boekt succes zonder veel inspanning in al zijn geestelijke disciplines.

De hoge vorm van het leven gebruikt de lagere als voedsel der ondersteuning (MB 12.15.20). Het is onmogelijk om vreedzaamheid in praktijk te brengen, of eender welke andere waarde in de echte zin van het woord. Landbouwactiviteit betekent gewelddadigheid tegenover insecten en wormen. In de praktijk brengen van vreedzaamheid tot al de schepselen zijn voor eigen ontwikkeling bedoeld op de ladder naar de volmaaktheid. Het is vereist om de dag tot dag geweld in het praktisch leven tot een minimum te leiden. Het bereiken van een minimale gewelddadigheid is natuurlijk zeer afhankelijk. Geweld mag voor persoonlijke doeleinden nooit gebruikt worden. Het mag wel gebruikt worden om de zwakken te verdedigen, of om Dharma (Orde en Recht) te handhaven. (Dr. Ramananda Prasad)

[3] Bedoeld, �tot het laagste pad.�
Hoofdstuk 17
HET DRIEVOUDIG GELOOF

1. Arjuna zei: O Krishna, iemand die zich niet aan de beginselen der Schrift[1] houdt, maar op eigen wijze aanbidt, waar bevindt hij zich? Is hij in goedheid[2], in hartstocht[3] of in onwetendheid[4]?

DE DRIE TYPEN VAN GELOOF

2. De Heer Krishna zei: Naar gelang de geaardheden der natuur waarin de belichaamde ziel zich bevindt, kunnen er drie vormen van geloof voorkomen � in goedheid, hartstocht of onwetendheid. Hoor nu hieromtrent.

3. O Arjuna: Naar gelang men be�nvloed wordt door de verschillende geaardheden der natuur, ontwikkelt men een bepaalde vorm van geloof. Het levend wezen wordt geacht een vorm van geloof aan te hangen die overeenkomt met de mate waarin het door geaardheden is be�nvloed[5].

4. Personen in de geaardheid goedheid aanbidden de hemelse heersers; personen in de geaardheid hartstocht aanbidden demonen; en personen in de geaardheid onwetendheid aanbidden de schimmen der afgestorvenen en troepen van elementalen[6].

5-6. Degenen die ernstige onthoudingen naleven en boete doen welke niet in de Schriften worden aanbevolen en zulks uit trots, geldingsdrang, lust en gehechtheid, die door hartstocht gedreven worden en zowel hun lichaamsorganen als de Superziel die in ze woont martelen, dienen beschouwd te worden als demonen.

DE DRIE TYPEN VAN VOEDSEL

7. Zelfs het voedsel dat iedereen nuttigt is van drievoudige aard, overeenkomstig de drie geaardheden der materi�le natuur. Hetzelfde geldt voor offers, boetedoening en barmhartigheid. Hoor nu het onderscheid.

8. Het voedsel, dat vitaliteit, energie, kracht, gezondheid, blijmoedigheid en opgewektheid ten goede komt, dat heerlijk en aangenaam smaakt, voedzaam en lekker is, dat hebben de mensen graag die de geaardheid goedheid naleven.

9. Mensen in de geaardheid hartstocht verlangen voedsel, dat bitter, zuur, zout, zeer heet, pikant, droog en brandend scherp is en dat pijn, leed en ziekte veroorzaakt.

10. Wat oudbakken, verschaald, rottend en bedorven is, overschoten restjes en onrein voedsel is wat onwetende mensen graag eten[7].

DE DRIE TYPEN VAN OFFERS

11. Van alle offers dat plichtsgetrouw en volgens schriftuurlijke bepalingen gebracht wordt, zonder dat men er beloning voor verwacht, behoort tot de geaardheid goedheid.

12. Weet dat het offer, dat gebracht wordt met het oog op de vruchten van handeling en ook inderdaad ter wille van eigen glorie, tot de geaardheid hartstocht behoort, O Arjuna.

13. Het offer dat tegen de Schriften ingaat en waarbij geen geestelijk voedsel wordt verdeeld, geen gezangen worden gezongen en geen giften geschonken aan de priesters, en dat zonder geloof wordt gebracht � dat offer behoort tot de geaardheid onwetendheid[8].

ASCESE[9] IN GEDACHTE, WOORD, EN DAAD

14. Eerbetoon aan hemelse heersers, de priesters, de goeroe en de wijze; alsook zuiverheid, oprechtheid, celibaat, en geweldloosheid; noemt men de ascese van het lichaam[10].

15. Het gesproken woord, dat geen ergernis wekt, dat waar, aangenaam en weldadig is, en de gewoonte de schriften te bestuderen, noemt men de ascese van de spraak.

16. Rust, eenvoud, ernst, zelfbeheersing en zuiverheid van denken noemt men mentale ascese.

DE DRIE TYPEN VAN ASCESE

17. Deze drievoudige ascese (in gedachte, woord en daad), beoefend door yogi�s die geen materi�le gewin nastreven, maar voldoening vinden in het verhevene geloof, behoort tot de geaardheid goedheid[11].

18. De ascese, die beoefend wordt met het doel respect roem en verering te winnen, en ter wille van het uiterlijk vertoon, noemt men hartstocht. Ze zijn onbestendig en kortstondig.

19. De ascese, die men, uit onverstand met zelffoltering gepaard, beoefend of met het doel iemand anders te doden of te kwetsen, noemt men onwetendheid.

DE DRIE TYPEN VAN NAASTENLIEFDE

20. Het geschenk welke gegeven wordt uit plicht, te juister tijd en plaats, aan iemand die het waard is, zonder dat men er iets voor terug verwacht, wordt beschouwd als barmhartigheid in de geaardheid goedheid.

21. Dat wat gegeven wordt met het doel er iets voor in de plaats te ontvangen of in de verwachting van de vruchten van handeling, of met tegenzin, wordt beschouwd als zijnde de geaardheid hartstocht.

22. De aalmoes, die niet op de juiste plaats en tijd en aan de verkeerde personen wordt geschonken, met geringschatting en minachting, behoort tot de geaardheid onwetendheid.

DE DRIEVOUDIGE NAAM VAN GOD

23. Sedert het begin der schepping zijn de drie lettergrepen �Aum Tat Sat� gebruikt om de Verhevene Absolute Waarheid[12] aan te duiden. Hiermede werden Brahmanas, Vedas en offeranden gewijd[13].

24. Daarom worden de offeranden, giften en ascese, zoals deze voorgeschreven zijn in de schriften, steeds door de kenners van het eeuwige Brahman ingeleid met het uitspreken van het woord �Aum�.

25. De zoekers naar verlossing verrichten verschillende types van offer, naastenliefde en ascese door �Hij is alles[14]� uit te spreken, zonder daarom een beloning te verwachten[15].

26. Het woord �Waarheid[16]� staat voor Realiteit en goedheid. Het woord Waarheid wordt eveneens voor een gunstige handeling aangehaald, O Arjuna[17].

27. Standvastigheid in het verrichten van offers, naastenliefde, en ascese worden ook Waarheid genoemd. Ongehechte dienstbaarheid voor de zaak van de Verhevene wordt ook als Waarheid bepaald[18].

28. Alles wat men zonder geloof[19] verricht � ongeacht het offer, naastenliefde, ascese of eender welke andere handeling is nutteloos. Het heeft geen waarde hier en in het hiernamaals, O Arjuna[20].

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het zeventiende hoofdstuk, genaamd �Het Drievoudig Geloof �.

[1] Sastra-vidhim: de regelen der Schrift.

[2] Sattvam: in goedheid. Sattva: harmonie, evenwichtigheid, inzicht; een van de drie gunas, het vermogen om te zien en waar te nemen.

[3] Rajah: in hartstocht.
[4] Tamah: onwetendheid.

[5] Men kan in elke inspanning succes boeken indien men in een vaste beslissing volhardt (MB 12.153.116). Een persoon die met een gezuiverd gemoed om het even wat begeert, hij ontvangt de voorwerpen. (MuU 3.01.10). De doener van goede werken wordt goed, en de doener van het slechte wordt slecht. Men wordt deugdzaam door deugdelijke daden, en verdorvenheid door gelijke daden (BrU 4.04.05). Men wordt datgene men steeds sterk in gedachten houdt; wat de motieven ook mogen zijn, zoals ontzag, vrees, jaloersheid, liefde of zelfs haat (BP 11.09.22) Men ontvangt steeds waar men er naar uitkijkt � bewust of onbewust. De gedachten (het denken) leiden tot handelen, handelen wordt vlug een gewoonte, en de gewoonte leidt tot succes wat de inspanning ook zijn mag, als door een passie gedreven. Wordt gepassioneerd in hetgeen ge wilt bereiken. Passie ontwaakt slapende krachten in ons.

Wij zijn de producten van onze eigen gedachten en begeerten, ook onze eigen architect. Gedachten bouwt onze toekomst. Wij worden hetgeen wij denken. Er is een grote kracht in onze gedachten om negatieve en positieve energie rondom naar ons te trekken. Waar een wil is, is ook een weg. We zouden edele gedachten moeten herbergen, daar gedachten daden voorafgaan. De gedachten controleren onze fysische, mentale, financi�le, zowel als onze geestelijke welzijn. Laat nooit eender welke negatieve gedachte of twijfel indringen. Alhoewel we heel veel kracht ter onze beschikking hebben, toch de ironie dat wij falen deze te gebruiken. Indien men het gewenste niet verkrijgt, is men voor geen honderd percent toegewijd. Men is de oorzaak van al hetgeen ons voorkomt. Men kan het beste van het leven niet verlangen, wanneer we zelf ons best niet doen. Succes is bereikt langs een reeks goede voorziene stappen die traag en met volharding zijn ondernomen. Stephen Covey zei: �De beste manier om uw toekomst te voorspellen is deze te cre�ren.� Elke grote succesvolle daad was vroeger als onmogelijk geacht. Onderschat nooit de potenti�le mogelijkheden en de kracht van de menselijke geest en gemoed. Vele boeken werden geschreven en gemotiveerde programma�s ontwikkeld voor de praktische toepassing van deze krachtige en eenvoudige G�t� mantra.

(Dr. Ramananda Prasad)
[6] Natuurgeesten.

[7] De zuiverheid van het gemoed is het gevolg van zuiverheid van voeding. De Waarheid wordt aan een zuiver gemoed openbaart. Men wordt van alle slavernij bevrijdt na de Waarheid te hebben aangenomen (ChU 7.26.02). Gokken, intoxicatie, onwettige seksuele relaties, en vlees eten is een natuurlijke negatieve neiging van de menselijke wezens, maar zich van deze vier activiteiten distanti�ren is waarlijk goddelijk. Men moet deze vier zonde pilaren trachten te vermijden (BP.1.17.38). Zich onthouden van vlees eten is vergelijkbaar met het verrichten van honderd heilige offers (MS 5.53-56).

(Dr. Ramananda Prasad)

[8] Een geestelijke discipline of offer is niet compleet zonder een mantra, en een mantra is niet volledig zonder geestelijke discipline (DB 7.35.60). (Dr. Ramananda Prasad)

[9] Of, �strengheid�. Het woord �boetedoening� wordt in vertalingen ook veel gebruikt, en staat voor �ascese�.

[10] Vertaald naar R.P.: �The worship of celestial controllers, the priest, guru, and the wise; purity, honesty, celibacy, and non-violence; these are said to be the austerity of deed.� (17.14)

[11] Geweldloosheid, waarheid, vergiffenis, vriendelijkheid, de controle van het gemoed en de zinnen worden door de wijze als ascese beschouwd (MB 12.79.18). Er kan geen zuiverheid van woorden en daden zijn, zonder zuiverheid in gedachten. (Dr Ramananda Prasad)

[12] Brahman.

[13] Anders vertaalt: �Sedert het begin der schepping zijn de drie lettergrepen �Aum Tat Sat� gebruikt om de Verhevene Absolute Waarheid aan te duiden. Ze werden door de Brahmanas tijdens het reciteren van Vedische gezangen en tijdens offerrituelen ten gehore gebracht om de Verhevene voldoening te schenken.�

[14] Betekent �tat�, uitgesproken �dat�.

[15] Vertaald naar R.P.: �The seekers of salvation perform various types of sacrifice, charity, and austerity by uttering, "He is all" without seeking a reward.� (17.25)

[16] �Sat�.

[17] Vertaald naar R.P.: �The word "Truth" is used in the sense of Reality and goodness. The word Truth is also used for an auspicious act, O Arjuna.� (17.26)

[18] Vertaald naar R.P.: �Faith in sacrifice, charity, and austerity is also called Truth. The selfless service for the sake of the Supreme is verily termed as Truth.� (17.27)

[19] �Geloof en vertrouwen� is identiek daar het ene niet zonder het andere gaat.

[20] Vertaald naar R.P.: �Whatever is done without faith - whether it is sacrifice, charity, austerity, or any other act - is useless. It has no value here or hereafter, O Arjuna.� (17.28)

Hoofdstuk 18
VERLOSSING DOOR VERZAKING

1. Arjuna zei: Ik begeer te weten waartoe verzaking[1] dient en waartoe de respectievelijke zelfverzaking[2] dient, O Heer Krishna[3].

DEFINITIE DER VERZAKING EN OFFER

2. De Heer Krishna zei: De wijzen noemen het verzaken van handelingen, die door begeerte worden ingegeven, zelfverzaking (sannyasa). Het afzien van de vruchten van alle handeling wordt door de wijzen onthouding (tyaga) genoemd[4]. (Zie ook 5.01, 5.05, en 6.01)

3. Sommige filosofen verklaren dat alle vruchtdragende activiteit dient te worden gestaakt, maar er zijn ook anderen die erop houden, dat men activiteit inzake offers, barmhartigheid en ascese nimmer moet laten varen.

4. O Arjuna, luister nu naar wat Ik u uiteenzet over verzaking. Verzaking is, zoals gezegd wordt, drievoudig.

5. Activiteiten in verband met offers, barmhartigheid en ascetisch leven dienen niet te worden gestaakt, maar te worden verricht. Want offers, barmhartigheid en ascese reinigen de verstandigen.

6. Al deze activiteiten dienen te worden verricht zonder dat men er iets voor terug verwacht. Ze dienen te worden verricht uit plichtsbetrachting, is mijn vaste overtuiging, O Arjuna.

DRIE TYPEN VAN OFFERS

7. Voorgeschreven plichten dient men nimmer te verzaken. Als men als gevolg van begoocheling zijn voorgeschreven plichten staakt, noemt zulks verzaking de geaardheid onwetendheid.

8. Wie zijn voorgeschreven plichten staakt omdat hij ze lastig vindt, of uit vrees, wordt geacht te handelen in de geaardheid hartstocht. Deze vorm van handelen leidt nimmer tot de hoogte die men door verzaking bereikt.

9. Maar wie zijn voorgeschreven plicht vervult uitsluitend omdat ze moet worden gedaan, en alle gehechtheid ook de begeerte naar de vruchten laat varen � zo�n verzaking behoort tot de geaardheid goedheid, O Arjuna.

10. Degenen die geen afkeer hebben van onaangename arbeid, noch gehecht zijn aan aangenaam werk in de geaardheid goedheid, kennen wat betreft hun handelen geen twijfel.

11. Het is trouwens onmogelijk voor iemand, die in een lichaam leeft, volledig van handeling af te zien; maar wie afziet van de vruchten van handeling, die beoefent waarlijk verzaking.

12. Wie niet van verzaken weet, vallen na de dood de drievoudige vruchten van zijn handelen toe � de gewenste, de ongewenste en die daartussenin. Maar degenen die zich in het ascetisch leven bevinden behoeven niet van de vruchten van hun handelen te lijden of te genieten.

VIJF FACTOREN VOOR HET HANDELEN

13. Leer van Mij, O Arjuna, deze vijf factoren voor het verrichten van alle handelingen, zoals deze uiteengezet zijn in de Sankhya-filosofie:

14. De zetel van handeling (het lichaam) en de handelende (het verschijnsel ik), de verschillende organen, de diverse soorten van werkingen (bewegingen, ingespannen pogingen, wilsdaden) en ook de Voorzienigheid als de vijfde.

15. Wat een mens ook doet naar lichaam, geest of woord, hetzij goed, hetzij slecht, wordt door de vijf factoren veroorzaakt.

16. En aangezien het zo is, heeft hij, die � door zijn ongeoefende rede[5]- zijn individuele zelf alleen aanziet voor de handelende, geen inziet, want zijn denken is fout[6].

17. Wie niet gedreven wordt door de ik-gerichtheid[7] en niet verward is van verstand, doodt niet, zelfs al doodt hij deze volkeren[8]. Evenmin wordt hij door zijn doen en laten gebonden.

18. Kennis, het doel der kennis en de kenner zijn de drie factoren welke tot handelen leiden; de zinnen, de handeling en de handelende persoon vormen de drievoudige grondslag van het handelen[9].

DRIE TYPEN VAN KENNIS

19. Kennis, handeling en handelende zijn in de categorie der geaardheden elk afzonderlijk, ook drievoudig door het verschil tussen de geaardheden; verneem dit eveneens zoals het behoort.

20. Die kennis waarmee men in alle vormen van bestaan ��n onverdeelde geestelijke natuur ziet in het verdeelde, is kennis in de geaardheid goedheid. (Zie ook 11.13, en 13.16)

21. Die kennis waarmee men in de verschillende soorten lichamen verschillende soorten levende wezens ziet, is kennis in de geaardheid hartstocht.

22. En die kennis waarmee men aan ��n soort werk gehecht geraakt, alsof er niets anders bestaat, zonder enig inzicht in de waarheid, en die uiterst schraal is, noemt kennis in de geaardheid onwetendheid te zijn.

DRIE TYPEN VAN HANDELEN

23. Wat het handelen aangaat: die handeling welke verricht wordt uit plicht, zonder gehechtheid, zonder liefde of haat, en zonder verlangen naar de vruchten, wordt handelen in de geaardheid goedheid genoemd.

24. Maar die handeling waarvoor men zich grote moeite getroost en die ter wille van zinsbevrediging verricht wordt vanuit een gevoel van ik-gerichtheid, wordt handelen in de geaardheid hartstocht genoemd.

25. En die handeling welke verricht wordt in onwetendheid en begoocheling zonder dat men acht slaat op de toekomstige gebondenheid en gevolgen van dien, en welke leed veroorzaakt en onpraktisch is, noemt men handelen in de geaardheid onwetendheid.

DRIE TYPEN VAN HANDELENDE PERSONEN

26. De handelde persoon die vrij is van alle materi�le gebondenheid en van ik-gerichtheid, die geestdriftig en vastberaden is en onverschillig staat tegenover welslagen of falen, werkt in de geaardheid goedheid.

27. De handelde persoon die driftig werk verricht, vol verlangen naar de vruchten van handeling, hebzuchtig, schade berokkenend, onzuiver, gedreven door vreugde en smart, werkt in de geaardheid hartstocht.

28. En die handelende persoon die altijd bezig is met het werk dat tegen de geboden der Schriften indruist, die materialistisch is, koppig, vol bedrog en bedreven in het honen en beledigen, die lui is, gemelijk en alles altijd uitstelt, werkt in de geaardheid onwetendheid.

DRIE TYPEN VAN INTELLECT

29. Verneem nu ook volledig en alles na elkaar de drievoudige indeling van inzicht en standvastigheid volgens de geaardheden, O Arjuna.

30. O Arjuna, dat inzicht waardoor men weet wat wel en wat niet gedaan behoort te worden, wat men wel en niet dient te vrezen, wat bindt en wat verlost, is inzicht in de geaardheid goedheid.

31. En dat inzicht dat geen onderscheid weet te maken tussen de religieuze (Dharma) en de niet-religieuze (Adharma) levenswijze, tussen handelingen die wel en die niet verricht dienen te worden, dat onvolmaakte inzicht, O Arjuna, is in de geaardheid hartstocht.

32. Dat inzicht dat in de ban van begoocheling en duisternis goddeloosheid (Adharma) voor religie en religie (Dharma) voor goddeloosheid aanziet en altijd in de verkeerde richting streeft, O Arjuna, bevindt zich in de geaardheid onwetendheid.

DE DRIE TYPEN VAN RESOLUTIE, EN DE VIER DOELPUNTEN VAN HET MENSELIJK LEVEN

33. De resolutie[10] waarmee men de geest, de Prana (bio-impuls) en de zinnen onwankelbaar in de God-realizatie laat opgaan, O Arjuna, is in goedheid[11].

34. En die resolutie waarmee men zich vastklampt aan de vruchten van zijn streven op het gebied van religie, van het verwerven van goederen en van zinsbevrediging, is in de geaardheid hartstocht, O Arjuna.

35. En die resolutie welke niet kan uitstijgen boven gedroom, vreesachtigheid, geklaag, gemelijkheid en begoocheling � dit soort onintelligentie standvastigheid bevindt zich in de geaardheid onwetendheid[12].

DRIE TYPEN VAN GENOEGENS

36. Hoor nu van Mij, O Arjuna, over de drie vormen van plezier. Het plezier dat men van geestelijke praktijken geniet, waardoor alle leed ten einde komt[13].

37. Dat, wat in het begin als vergif, maar tenslotte als nectar is; die vreugde, voortspruitend uit de rustige kalmte van het Zelf, noemt men de geaardheid goedheid.

38. Sensuele plezieren die eerst als nectar voorkomen, maar tenslotte als vergif lijken te veranderen; zulke genoegens komen van de geaardheid hartstocht. (Zie ook 5.22)[14]

39. En het plezier dat zowel in het begin als daarna zelfbegoocheling is en dat voorkomt uit slaap, luiheid en zorgeloosheid, wordt plezier in de geaardheid onwetendheid genoemd.

40. Er bestaat geen enkel wezen, noch hier, noch onder de hemelse heersers in de hemelse gewesten, dat vrij is van de invloed der drievoudige aard der materi�le natuur.

DE VERDELING VAN DE WERKZAAMHEID IS VOLGENS PERSOONLIJKE BEVOEGDHEID AFHANKELIJK

41. De werkzaamheden van Brahmanen, beschermers, meesters en knechten, o verdelger uwer vijanden zijn verdeeld al naar gelang van de hoedanigheden, uit hun eigen aard voortgesproten[15]. (Zie ook 4.13)

42. Vreedzaamheid, zelfbeheersing, soberheid, reinheid, verdraagzaamheid, eerlijkheid, wijsheid, kennis en vroomheid � van deze aard is het werk van de Brahmanen.

43. Dapperheid, kracht, vastberadenheid, behendigheid, moed in de strijd, edelmoedigheid en leiderschap vormen de aard van het werk van de beschermers.

44. Landbouw, veeteelt en handel geven de aard van het werk van de meesters aan, en de dienaren dienen de anderen door hun arbeid.

HET BEREIKEN DER VERLOSSING DOOR PLICHT VERVULLING, DISCIPLINE, EN DEVOTIE

45. Ieder mens komt tot volmaaktheid, als hij opgaat in zijn eigen plicht. Luister, hoe volmaaktheid wordt verkregen door de mens, die geheel gericht is op zijn eigen karmische plicht.

46. Door aanbidding van de Verhevene Wezen, de oorsprong van alle schepselen, die alomtegenwoordig is, kan de mens bij het vervullen van zijn eigen plicht tot volmaaktheid komen. (Zie ook 9.27, 12.10)

47. Het is beter zich aan zijn eigen taak te wijden, ook al verricht men haar gebrekkig, dan zich over andermans taak te ontfermen en haar volmaakt te verrichten. De plichten die de mens zijn voorgeschreven naar gelang zijn wezen leiden nimmer tot terugslagen zoals bij zondige activiteiten. (Zie ook 3.35)

48. Ieder streven gaat gepaard met fouten, zoals vuur gepaard gaat met rook. Daarom dient men werk dat met zijn aard strookt niet te laten varen, O Arjuna, ook al wemelt het van de fouten.

49. Men kan de vruchten der verzaking ontvangen louter door zelfbeheersing, onthechting van materi�le zaken en geringschatting van materi�le geneugten. Dat is de hoogste volmaaktheid der verzaking.

50. O Arjuna, verneem van Mij hoe men tot het hoogste peil der volmaaktheid, Brahman, kan komen, door te handelen op een wijze die Ik nu kort zal samenvatten[16].

51-53. Wanneer men door zijn verstand gelouterd wordt en de geest vastberaden beteugelt, wanneer men hetgeen de zinnen bevredigt laat varen en zich zo bevrijdt van gehechtheid en haat, wanneer men in afzondering leeft, weinig eet, lichaam en tong beheerst, altijd in verheven concentratie is en onthecht, zonder ik-gerichtheid, valse kracht, valse trots, lust en woede, en wanneer men geen materi�le zaken aanneemt, raakt men beslist bevordert tot het peil der zelfverwerkelijking[17].

54. Opgaande in de Verhevene Wezen, verheven kalm in het Zelf, treurt hij niet en begeert hij niet; tegenover alle schepselen hetzelfde, bereikt hij de hoogste staat van toewijding aan Mij.

55. Door toewijding leert hij Mij in essentie kennen, wie en wat Ik ben; Mij aldus in essentie kennend, gaat hij zonder verwijl op in het koninkrijk Gods. (Zie ook 5.19)

56. Een Karma-yogi devoot bereikt de eeuwige onveranderlijke woonst van Mijn genade � zelfs terwijl alle verplichtingen worden verricht � gewoon door in Mij toevlucht te zoeken (door overgave van alle handelingen in liefdevolle devotie aan Mij)[18].

57. Wijd in oprechtheid alle handelingen aan Mij, en plaatst Mij als uw verhevene doel, en verbindt u gans aan Mij. Fixeer steeds uw gemoed op Mij, en verblijf in Karma-yoga[19].

58. Aan mij denkend, zult ge door Mijn genade alle belemmeringen te boven komen; maar zo ge uit zelfzucht niet wilt luisteren, zult ge tenietgaan.[20]

DE KARMISCHE GEBONDENHEID

59. Handelt ge niet volgens Mijn aanwijzingen en weigert ge te strijden, maar dat is een loos besluit: de natuur zal u ertoe dwingen.

60. O Arjuna, gebonden door uw eigen karma, dat uit uw eigen aard is voortgekomen, zult ge juist dat hulpeloos verrichten wat ge uit misleiding niet wenst te doen.

WIJ WORDEN DE MARIONETTEN VAN ONZE EIGEN VRIJE WIL

61. De Verhevene Heer zetelt in ieders hart, O Arjuna, en bestuurt het doen en laten van alle levende wezens, die zich in het lichaam als het ware in een mechaniek bevinden, dat gemaakt is van de materi�le energie.[21]

62. Neemt uw toevlucht tot Hem met geheel uw wezen, O Arjuna; door zijn genade zult ge de opperste vrede verkrijgen, de Eeuwige Woonst.

63. Zo heb ik u de kennis medegedeeld die geheimer is dan ieder geheim: denk er goed over na, en handelt zoals u het goeddunkt.

HET PAD DER OVERGAVE IS DE ULTIEME PAD NAAR GOD

64. Luister nog eens naar Mijn verheven woord, dat het meest verborgen is van al: gij zijt Mij dierbaar en ge zijt standvastig; daarom wil ik in uw belang spreken.

65. Denk onafgebroken aan Mij en wees Mij toegewijd. Aanbid Mij en bewijs Mij eer. Zo zult gij voorzeker tot Mij komen. Ik geef u Mijn woord; gij zijt Mij dierbaar.[22]

66. Laat alle vormen van geloof voor wat ze zijn en geeft u slechts aan Mij over. Ik zal u verlossen van de terugslagen van al uw zonden.

67. Nooit moogt gij hierover spreken met iemand, die geen asceet is, nooit met iemand zonder toewijding en ook niet met iemand, die niet wenst te luisteren en evenmin met degene, die Mij afgunstig is.

DE HOOGSTE DIENST AAN GOD EN DE BESTE NAASTENLIEFDE

68-69. Wie dit verheven geheim aan de toegewijden onthult komt voorzeker tot toegewijde dienst en zal tenslotte tot Mij terugkeren. Geen dienaar ter wereld is Mij dierbaarder en nimmer zal er een Mij dierbaarder zijn.

DE GENADE VAN DE G�T�

70. En Ik verklaar dat hij die zich in dit heilige gesprek verdiept, Mij aanbidt met zijn verstand[23].

71. En wie gelovig en zonder afgunst naar deze woorden luistert wordt bevrijd van de terugslagen van zijn zonden en gaat naat de gewesten waar de vromen verblijven[24].

72. O Arjuna, hebt gij aandachtig naar dit alles geluisterd? En zijn uw begoocheling en onwetendheid thans verdreven?

73. Arjuna zei: Mijn dierbare Krishna, O Onfeilbare, mijn begoocheling is thans geweken. Door Uw genade heb ik mijn geheugen weer terug en ik ben nu sterk, vrij van twijfel en bereid te handelen zoals Gij het mij opdraagt.

74. Sanjaya zei: Aldus heb ik de woorden vernomen die twee grote zielen, Krishna en Arjuna, tot elkaar spraken. En deze boodschap is zo wonderbaarlijk dat mijn haar ervan overeind staat.

75. Door de goedgunstigheid van Vyasa heb ik geluisterd naar dit geheim en de geheime yoga van de Heer van yoga, Krishna zelf, zoals hij voor mijn aangezicht sprak.

76. O Koning, terwijl ik me deze verwonderlijke en heilige tweespraak van Krishna en Arjuna telkens weer voor de geest haal, huiver ik onophoudelijk van vreugde.

77. O Koning, wanneer ik aan de heerlijke gedaante van Heer Krishna denk, word ik bevangen door nog groter verbazing en verheug ik me keer op keer.

TRANSCENDENTALE KENNIS EN HANDELING ZIJN BEIDE NODIG VOOR EEN EVENWICHTIG LEVEN

78. Overal waar Krishna, de Heer van yoga, of Dharma in de vorm der schrifturen, en Arjuna met de wapens van plicht en bescherming zullen zijn; zal er eeuwige voorspoed, overwinning, geluk en moraliteit wezen. Dit is mijn overtuiging[25].

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad G�t�, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het achttiende hoofdstuk be�indigd, genaamd �Verlossing door Verzaking �.

[1] Tyaga: verzaking.
[2] Sannyasa: levensorde.

[3] Arjuna wilt klaarheid verkrijgen aangaande twee duidelijke onderscheidbare onderwerpen van de Bhagavad G�t�, namelijk verzaking (tyaga) en de respectievelijke zelfverzaking (sannyasa). Daarom vraagt hij wat deze twee begrippen inhouden. Over het algemeen aanvaardt men de visie van Sankara, dat tyaga, het opgeven van dingen, het nalaten van handelingen, geschikt is voor karma-yogis, terwijl voor jnana-yogis de volledige zelfverzaking (sannyasa) geboden is.

[4] De Bhagavad G�t� onderstreept telkens weer dat activiteit omwille van het resultaat totaal verkeerd is, en mag gewoon niet. Enkel ongehechte activiteiten verheffen ons tot geestelijke ontwikkeling, en dit zal later in het hoofdstuk duidelijk worden. Er staan in de Vedische literatuur veel aanwijzingen aangaande het brengen van offers, te beginnen met zichzelf, en voor verschillende andere doeleinden. Men kan offers brengen om iets te bekomen, maar deze voor de loutering van het hart of voor geestelijke en innerlijke ontwikkeling hebben voorgang en is prijswaardig.

[5] Buddhi: kennisneming, rede, inzicht.

[6] De vers anders gezien: �Dit nu zo zijnde, is de wargeest die door zijn onvolkomen inzicht zichzelf als de handelende persoon beschouwt, verblind.� (Hendrik van Teylingen)

[7] Ego�sme en egocentriciteit.

[8] Bedoeld op het slagveld van Kurukshetra bijeenkomst. Men kan alleen in dit zuiver inzicht leven als men zich totaal aan de Verhevene Wezen heeft overgegeven. Elke daad die men vanuit zulk inzicht verricht, ook die van het doden in de strijd, is dan de Goddelijke Wil en volledig gerechtvaardigd.

[9] De Heer Krishna volgt hier nog steeds de methode van het Vedisch analytische denken �sankhya� van waaruit ook in het tweede hoofdstuk het onderscheid tussen lichaam en ziel wordt behandeld en verder in het dertiende hoofdstuk het onderscheid tussen natuur en wezen.

[10] Vastberadenheid of standvastigheid.

[11] Vers naar R.P. ge�nterpreteerd. Zijn vertaling luidt: �The resolve by which one manipulates the functions of the mind, Prana (bioimpulses), and senses for God-realization only; that resolve is in the mode of goodness, O Arjuna.� (18.33) De vers kan ook zo worden vertaald: �O Arjuna, die standvastigheid welke onverbrekelijk is en geschraagd wordt met de yoga-beoefening verworven evenwichtigheid, en zo de geest, het leven en de werking der zinnen beteugelt, is in de geaardheid goedheid.� (18.33)

[12] Volgens de volksmond ge�nterpreteerd: �En de resolutie waarmee een domoor zich niet losmaakt van slaap, angst, gelamenteer, zwaarmoedigheid en trots, O Arjuna, is in onwetendheid.� (18.35)

[13] Vertaald naar R.P.: And now hear from Me, O Arjuna, about the threefold pleasure. The pleasure one enjoys from spiritual practice results in cessation of all sorrows.� (18.36)

[14] Vertaald naar R.P.: �Sensual pleasures appear as nectar in the beginning, but become poison in the end; such pleasures are in the mode of passion.� (See also 5.22) (18.38)

[15] Men maakt niet deel uit van een bepaalde maatschappelijke rang of kaste op grond van zijn geboorte in een bepaald milieu, maar op grond van zijn wezenlijke eigenschappen. Un India noemt drie percent van de Hindoebevolking zich brahmaan, terwijl er volgens Vedische bronnen naar goddelijke ordening in normale omstandigheden niet meer dan ��n promille van de bevolking Brahmanen (priesters) kan zijn: op duizend mensen is er ��n brahmaan en zijn er negen kshatriya�s (beschermers), negentig vaisya�s (meesters) en negenhonderd sudra�s (knechten of dienaren).

[16] De Heer Krishna beschrijft Arjuna hoe hij het hoogste niveau van volmaaktheid kan bereiken door zich gewoon aan zijn ge�igende taak te houden en deze te verrichten omwille van de Verhevene Wezen. Men bereikt het Brahman-niveau door gewoon de vruchten van zijn werk te wijden aan de voldoening van de Verhevene Heer.

[17] Tot hier heeft de Verhevene Heer bij wijze van nog eens herhalen namelijk de lering van het eerste deel van de Bhagavad G�t�, in het kort de weg naar de geestelijke volmaaktheid en wat er op volgt, beschreven. Vanaf hier wijst Hij in het kort het onderricht door Brahman heen het peil der zelf-verwerkelijking, dat van brahma-bhuta (uitleg verder), uiteindelijk de weg naar de Verhevene Woonst, waar door geboorte en dood geen terugkeur in het materi�le is. Brahma-bhuta: toestand waarin men bevrijd is van de materi�le besmetting. Wie zich in deze toestand bevindt is innerlijk gelukkig en stelt zich in ongehechte dienst van de Verhevene Heer.

[18] Vertaald naar R.P.: �A Karma-yogi devotee attains the eternal immutable abode by My grace - even while doing all duties - just by taking refuge in Me (by surrendering all action to Me with loving devotion).� (18.56)

[19] Vertaald naar R.P.: �Sincerely offer all actions to Me, set Me as your supreme goal, and completely depend on Me. Always fix your mind on Me, and resort to Karma-yoga.� (18.57)

[20] Deze laatste woorden, �zult ge juist �dat� hulpeloos verrichten wat ge uit misleiding niet wenst te doen�, zijn geen dreigement, maar de naakte waarheid. Weliswaar, kan een ziel die verloren gaat, en dat wilt natuurlijk zeggen die terugvalt in lagere levensvormen, uiteindelijk wederom de mensengedaante ontvangen, om opnieuw de kans te krijgen het Woord van de Verhevene te vernemen, maar laat door zijn ik-gerichtheid wederom de boodschap voorbijgaan, om opnieuw te vallen en wederom verloren gaan, en willicht verloren blijven.

[21] Bedoeld, het rad van de wedergeboorte, waarin de ziel, gebonden door haar eigen gehechtheden, die door de Verhevene worden opgewekt, van het ene omhulsel in het andere belandt.

[22] De eerste zin van dit vers, �Denk onafgebroken aan Mij� aan het einde van de tweede helft van de G�t�, hetgeen de kernboodschap van de Verhevene verwoordt, is identiek aan de eerste zin van het laatste vers aan het einde van de eerste helft van de G�t� (9.34). Het is voor de yogi�s een heel belangrijke vers, �Denk onafgebroken aan Mij en wees Mij toegewijd�. De sleutel bij uitstek.

[23] God en Zijn Woorden zijn ��n en hetzelfde. De studie van de G�t� evenaart de aanbidding van God. Het leven in de moderne maatschappij is niets anders dan werk en houdt voor spiritualiteit geen ruimte. Swami Haribar zei: �De dagelijkse studie van de G�t� verzen laadt de mentale batterijen op, en voegt betekenis aan de triestige routine van het leven in deze moderne maatschappij. Voor studenten die het ernstig nemen, is de dagelijkse studie van een hoofdstuk van de G�t� ten sterkste aanbevolen (of gedeelte ervan, bijvoorbeeld uit de bloemlezing van 40 verzen nog niet vertaald, waarbij de Engelse versie kan worden geraadpleegd op http://www.gita-society.com/hinduism_in_nutshell.htm .) (Dr. Ramananda Prasad)

[24] Een samenvatting van de �Glorie der G�t� zoals aangehaald in de schriften wordt hieronder aangehaald. Het lezen van de �Glorie der G�t� verwekt geloof en devotie in het hart als het essenti�le om de weldaden van de G�t� studie te oogsten.

Het einddoel der menselijke geboorte is om het gemoed en de zinnen te kunnen beheersen om de bestemming te bereiken. Een regelmatige studie van de G�t� is zeker een waardevolle hulp om het edele doel te bereiken. Iemand die geregeld de G�t� bestudeerd wordt gelukkig, vredig, voorspoedig, en is bevrijdt van de slavernij der Karma, alhoewel nog steeds met de wereldse plichten verbonden. De zonde kleurt hen niet die de G�t� regelmatig bestuderen, zoals water een lotusblad niet bezoedelt. De G�t� is de beste woonst van de Heer Krishna. De geestelijke kracht van de Heer verblijft in iedere vers van de G�t�. De Bhagavad G�t� is het stapelhuis van geestelijke kennis. De Heer Zelf verklaarde deze verhevene wetenschap der Absolute die de essentie van alle schrifturen bevat voor de welvaart van de mensheid. De ganse Upanishads zijn de koeien; Arjuna is het kalf; Krishna is de melker; de nectar van de G�t� is de melk; en, de personen met gezuiverde intellecten zijn de drinkers. Men dient de andere schrifturen niet te bestuderen indien hij of zij de G�t� ernstig verdiepen, zich op de betekenis van de verzen beschouwen, en haar leringen in het dagelijks leven in praktijk brengen.

De wereldse aangelegenheden beheerd door het eerste gebod van de Schepper � de leringen van onbaatzuchtige dienstverlening zijn zo mooi in de G�t� uitgelegd. De heilige kennis om eigen werk te verrichten zonder daarvoor een beloning te verwachten is volgens de oorspronkelijke leer datgene die alleen tot verlossing kan leiden. De G�t� is zoals een boot als een middel om gemakkelijk de oceaan der transmigratie te doorkruisen, en bevrijding bereiken. Het wordt gezegd dat telkens de G�t� wordt gezongen, of met liefde en devotie gelezen, de Heer Zichzelf tegenwoordig maakt, om naar de devoten te luisteren en om Zich in hun gezelschap te verblijden. Zich naar een plaats begeven waar de G�t� gewoonlijk wordt gezongen of gelezen, is vergelijkbaar met een bezoek aan een bedevaartplaats. De Heer Zelf komt, bij het verlaten van het fysisch lichaam de devoot tegemoet om Zijn Verheven Woonst binnen te treden, daar deze de kennis van de G�t� in beschouwing bracht. De persoon die regelmatig de G�t� leest, in bijzijn van anderen deze reciteert, of erna luistert en de heilige kennis van de G�t� beleeft, is zeker van de slavernij der Karma verlost te zullen worden en Nirvana bereiken.

Alhoewel verbonden in de verwezenlijking van wereldse plichten, de persoon die trouw blijft in het bestuderen van de G�t� wordt vrolijk, en vrij van Karmische slavernij. Goden, wijzen en grote zielen komen in bedevaart plaatsen waar de G�t� is bewaard en gelezen. Moeilijkheden geraken vlug opgelost waar de G�t� is gereciteerd, en de Heer is tegenwoordig waar het wordt gelezen, gehoord, onderwezen en beschouwd. Door het veelvuldig lezen van de G�t� bekomt men zegen en bevrijding. De persoon die op het uur van sterven de leer van de G�t� in beschouwing brengt, wordt van zonde bevrijdt en bekomt de verlossing. De Heer Krishna komt persoonlijk een dergelijke persoon tegemoet om in Zijn Verhevene Woonst intrek te nemen � het hoogste transcendentale niveau van het bestaan.

De genade van de G�t� kan niet in woorden worden gebracht. Haar lering is eenvoudig, zowel als diepzinnig en diepgaand. Nieuwe en diepere betekennissen worden aan de ernstige student van de G�t� geopenbaard, terwijl de lering steeds voor inspiratie zorgt. De belangstelling voor ernstige studie van de G�t� is niet tot ieder�s bereik, maar pas voor de personen met een goede Karma. Men zou de studie van de G�t� heel ernstig moeten aanpakken.

De G�t� is het hart, de ziel, de adem, en de stemvorm van de Heer. Geen ascese, noch boete, offer, naastenliefde, bedevaart, belofte, vasten, en zelfbeheersing, evenaart de studie van de G�t�. Voor gewone mensen zoals wij, zelfs voor voorname wijzen en geleerden, is het moeilijk om de diepe en geheime betekenis van de G�t� te begrijpen. Om de G�t� volledig te begrijpen is zoals een vis die de peilloze oceaan wilt doorkruisen, of een vogel die de hemel probeert af te meten. De G�t� is de diepe oceaan van de kennis der Absolute, waarbij enkel de Heer een volledige kennis ervan heeft. Niemand anders dan de Heer Krishna kan het gezag van de G�t� eigen maken. (Dr. Ramananda Prasad)

[25] Vertaald naar R.P.: �Wherever there will be both Krishna, the Lord of yoga, or Dharma in the form of the scriptures, and Arjuna with the weapons of duty and protection; there will be everlasting prosperity, victory, happiness, and morality. This is my conviction.� (18.78) Anders in het Nederlands vertaalt: �Overal waar Krishna, de Heer van yoga, en overal waar Arjuna, de boogschutter zich bevindt, zal er eeuwige voorspoed, overwinning, vooruitgang, vastberadenheid en rechtschapenheid zijn. Dit is mijn overtuiging.� (18.78)

Epiloog
DE AFSCHEIDSREDE VAN DE HEER KRISHNA

De Heer Krishna op de avond van Zijn vertrek der arena deze wereld, nadat was be�indigd de moeilijke taak de Dharma te vestigen, gaf Hij zijn laatste afscheidsrede aan Zijn onkel Uddhava die tevens Zijn geliefde devoot en volgeling was. Op het einde van een lange preek met de inhoud van meer dan duizend verzen (BP 11.06-29), zei Uddhava: �O Heer, ik denk dat het naleven van yoga zoals Gij (aan Arjuna, en nu) tot mij hebt verteld, moeilijk is en zelfs voor de meeste mensen, daar het de controle bevat van de onhandelbare zinnen. Vertel me kort, eenvoudig, en gemakkelijk de weg naar de Godrealisatie. De Heer Krishna gaf op Uddhava�s aanvraag de bijzonderheden om in deze moderne tijd tot zelfrealisatie te komen, en deze zijn:

(1) Vervul zo goed mogelijk uw plichten voor Mij, zonder zelfzuchtige bedoelingen, en herinner Mij ten alle tijde � voor het begin van het werk, bij het voleindigen van een taak, en tijdens de inactiviteit.

(2) Praktiseer om Mij in alle creaturen te zien in gedachte, woord en daad; en maak hen mentaal een buiging.

(3) Ontwaakt uw slapende Kundalini Sakti en besef dat God�s kracht steeds met u is; door de activiteiten van het gemoed, de zinnen, de ademhaling, en de emoties; en dat Hij voortdurend al het werk verricht door u als een te instrument in gebruik. Yog�r�ja Muntaz zei: de persoon die zich als een louter instrument herkend en zijnde een sportveld voor het gemoed en de materie, kent Brahma of de Waarheid. Het be�indigen van alle begeerten door de ware essentie der wereld en menselijk gemoed te realiseren, is Zelfrealisatie. Paramahamsa Harihar�nanda zei: God is alles en zelfs boven alles. Daarom, indien ge Hem wilt realiseren, dient ge Hem te zoeken en Hem zien in ieder atoom, in iedere materie, in ieder lichamelijke functie, en elk wezen in een houding van overgave.

De essentie van de Godrealisatie is tevens in de Bhagavad Mah� Pur�na (BP 2.09.32-35) als volgt opgesomd:

De Verhevene Heer Krishna zei: O Brahma, de persoon die Mij wenst te kennen, de Verhevene Goddelijke Persoonlijkheid, de Heer Sr� Krishna, zou moeten begrijpen dat Ik voor de schepping bestond, dat Ik in de schepping besta, en evenzo na de dissolutie. Al andere bestaan is niets anders dan Mijn denkbeeldig energie. Ik besta in de schepping, en tezelfdertijd buiten de schepping. Ik ben de alvervullend Verhevene Heer die overal bestaat, in alles, en ten alle tijde.

Harih AUM tatsat Harih AUM tatsat Harih AUM tatsat

Sr� Krsn�rpanam astu subham bh�y�t.
AUM S�ntih S�ntih S�ntih

Het boek is aan de Heer Sri Krishna geschonken. Moge Hij ons allen zegenen met goedheid, voorspoed, en vrede.


Table of Contents: Albanian :Arabic :Belarusian :Bulgarian :Chinese_Simplified :Chinese_Traditional :Danish :Dutch :English :French :German :Hungarian :Italian :Japanese :Korean :Latvian :Norwegian :Persian :Polish :Portuguese :Romanian :Russian :Spanish :Swedish :Turkish :Ukrainian :