Announcing: BahaiPrayers.net


More Books by Oude Testament

OT 01 Genesis
OT 02 Exodus
OT 03 Leviticus
OT 04 Numeri
OT 05 Deuteronomium
OT 06 Jozua
OT 07 Richteren
OT 08 Ruth
OT 09 1Samuel
OT 10 2Samuel
OT 11-1Koningen
OT 12 2Koningen
OT 13 1Kronieken
OT 14 2Kronieken
OT 15 Ezra
OT 16 Nehemia
OT 17 Esther
OT 18 Job
OT 19 Psalmen
OT 20 Spreuken
OT 21 Prediker
OT 22 Hooglied
OT 23 Jesaja
OT 24 Jeremia
OT 25 Klaagliederen
OT 26 Ezechiel
OT 27 Daniël
OT 28 Hosea
OT 29 Joël
OT 30 Amos
OT 31 Obadja
OT 32 Jona
OT 33 Micha
OT 34 Nahum
OT 35 Habakuk
OT 36 Zephanja
OT 37 Haggaï
OT 38 Zacharia
OT 39 Maleachi
Free Interfaith Software

Web - Windows - iPhone








Oude Testament : OT 29 Joël
Jo�l 1

1:1 Dit is het woord des Heren, hetwelk geschied is tot Jo�l, den zoon van Pethu�l.

1:2 Hoort dit, gij oudsten, en merkt op, alle inwoners des lands, of iets dergelijks geschied is in uwe tijden of in de tijden uwer vaderen;

1:3 verhaalt er van aan uwe kinderen en laat uwe kinderen het aan hunne kinderen zeggen en de kinderen van dezen aan hunne nakomelingen.

1:4 Wat de rupsen overlaten, dat eten de sprinkhanen af; en wat de sprinkhanen overlaten, dat eten de kevers af; en wat de kevers overlaten, dat eet de kaalvreter af.

1:5 Waakt �p, gij dronkenen, en weent en jammert, allen gij wijndrinkers, vanwege den most; want hij is van uwen mond weggenomen.

1:6 Want er trekt een volk op in mijn land, machtig en zonder getal; het heeft tanden als van leeuwen en slagtanden als van leeuwinnen;

1:7 dat verwoest mijnen wijnstok en stroopt mijnen vijgeboom af; het schilt hem af en werpt hem neder, dat zijne takken wit zijn.

1:8 Kerm als ene jonkvrouw, die rouwgewaad aantrekt over haren bruidegom.

1:9 Want het spijsoffer en drankoffer is weg van het huis des Heren; en de priesters, de dienaars des Heren, treuren.

1:10 Het veld is verwoest en de akker treurt; het koren is verbroken, de wijn is verdroogd en de olie is vergaan.

1:11 De akkerlieden zien er jammerlijk uit en de wijngaardeniers kermen om de tarwe en om de gerst, omdat van den oogst op het veld niets kan worden.

1:12 Ook is de wijnstok verdroogd en de vijgeboom verwelkt, daarenboven zijn de granaatbomen, palmbomen, appelbomen en alle bomen op het veld verdord; want de vreugde der mensen is tot jammer geworden.

1:13 Omgordt u en klaagt, gij priesters, kermt, gij dienaars van het altaar; treedt binnen en trekt rouwgewaad aan, gij dienaars van mijnen God; want het spijsoffer en drankoffer is weg van het huis uws Gods.

1:14 Heiligt een vasten, roept de gemeente bijeen, vergadert de oudsten en alle inwoners des lands tot het huis van den Heer uwen God, en roept tot den Heer.

1:15 Wee die dag! want de dag des Heren is nabij en komt als een verderf van den Almachtigen.

1:16 Wij zien immers, dat de spijs voor onze ogen is weggenomen en van het huis onzes Gods vreugde en blijdschap.

1:17 Het zaad is onder de aarde verrot, de korenhuizen staan woest, de schuren vervallen, want het graan is verdorven. 0 hoe zucht het vee!

1:18 De runderen zien er droevig uit, want zij hebben geen weide; en de schapen versmachten.

1:19 Heer, U roep ik aan; want het vuur heeft de landouwen in de woestijn verbrand, en de vlam heeft alle bomen op den akker aangestoken.

1:20 Ook schreeuwen de wilde dieren tot U; want de waterbeken zijn uitgedroogd en het vuur heeft de landouwen in de woestijn verbrand.

Jo�l 2

2:1 Blaast de bazuin op Sion, roept op mijnen heiligen berg; dat alle inwoners des lands beven, want de dag des Heren komt en is nabij.

2:2 Een duistere dag, een donkere dag, een bewolkte dag, een nevelachtige dag; den dageraad gelijk, die zich uitbreidt over de bergen, komt een groot en machtig volk, gelijk tevoren niet geweest is en voortaan niet zal zijn ten eeuwigen tijde, immer en altoos.

2:3 Een verterend vuur gaat V��r hen uit en achter hen ene brandende vlam; het land is V��r hen als een lusthof, maar achter hen als ene woeste wildernis en niemand zal hen ontkomen.

2:4 Zij zien er uit als paarden en rennen als ruiters;

2:5 zij springen daarheen bovenop de bergen, gelijk wagens rammelen en gelijk ene vlam flikkert in het stro; als een machtig volk, dat toegerust is tot den strijd.

2:6 De volken ontzetten zich voor hen, aller aangezichten verliezen hunne kleur.

2:7 Zij lopen als reuzen en beklimmen de muren als krijgslieden; ieder gaat recht voor zich uit op zijnen weg en zij wijken niet af van hunne paden;

2:8 de een verhindert den ander niet, maar elk trekt op zijn eigen pad daarheen; zij zullen door wapenen heenbreken en niet gewond worden.

2:9 Zij zwerven overal in de stad, lopen op de muren en klimmen in de huizen en door de vensters komen zij in als een dief.

2:10 Voor hen siddert de aarde en beeft de hemel; de zon en de maan worden duister en de sterren weerhouden haren glans.

2:11 En de Heer laat zijnen donder voor zijn heir uitgaan; want zijn heir, dat zijn bevel zal voeren, is zeer groot en machtig, ja de dag des Heren is groot en zeer verschrikkelijk en wie kan hem verdragen?

2:12 Dus spreekt nu de Heer: Bekeert u tot Mij van ganser harte met vasten, met wenen, met klagen;

2:13 scheurt uwe harten en niet uwe klederen en bekeert u tot den Heer, uwen God; want Hij is genadig, barmhartig, lankmoedig en van grote goedheid, en de straf berouwt Hem welhaast:

2:14 wie weet, het mocht Hem wederom berouwen en Hij een zegen achter zich laten om spijsoffer en drankoffer te offeren voor den Heer, uwen God.

2:15 Blaast de bazuinen op Sion, heiligt een vasten, roept de gemeente te zamen;

2:16 verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, brengt bijeen de jonge kinderen en de zuigelingen; de bruidegom ga uit zijne kamer en de bruid uit haar vertrek.

2:17 Dat de priesters, de dienaars des Heren, wenen tussen het voorhuis en het altaar en zeggen: Heer, verschoon uw volk en laat uw erfdeel niet te schande worden, dat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zou men onder de volken zeggen: Waar is nu hun God?

2:18 Zo zal dan de Heer over zijn land ijveren en zijn volk verschonen;

2:19 en de Heer zal antwoorden en zeggen tot zijn volk: Zie, Ik zal u koren, most en olie in overvloed zenden, dat gij er genoeg aan zult hebben; en Ik zal u niet meer onder de volken te schande laten worden.

2:20 En Ik zal den van het Noorden gekomene ver van u drijven en hem in een dor en woest land verstoten, zijne voorhoede naar de Oostzee en zijne achterhoede naar de Westelijke zee toe; hij zal verrotten en stinken, omdat hij grote daden gedaan heeft.

2:21 Vrees niet, o land, maar wees vrolijk en welgemoed; want de Heer doet grote daden.

2:22 Vreest niet, gij dieren des velds, want de woningen in de woestijn zullen groenen en de bomen hunne vruchten voortbrengen en de vijgeboom en de wijnstok zullen hun vermogen geven.

2:23 En gij, kinderen Sions, verheugt u en zijt vrolijk in den Heer, uwen God; want Hij zal u een leeraar tot gerechtigheid geven, en u den vroegen regen en spaden regen nederzenden gelijk voorheen;

2:24 dat de dorsvloeren vol koren zullen zijn en de perskuipen overvloed van most en olie zullen hebben.

2:25 En Ik zal u de jaren vergoeden, welke de sprinkhanen, de kevers, de kaalvreter en de rupsen, mijn groot heir, dat Ik onder u gezonden had, hebben afgegeten;

2:26 en gij zult genoeg te eten hebben en den naam van den Heer, uwen God, prijzen, die wonderen onder u gedaan heeft; en mijn volk zal niet meer te schande worden.

2:27 En gijlieden zult gewaarworden, dat Ik in het midden van Isra�l ben, en dat ik, de Heer, uw God ben en niemand meer; en mijn volk zal voortaan niet te schande worden.

2:28 En na dezen zal Ik mijnen Geest uitstorten over alle vlees en uwe zonen en dochters zullen profeteren; uwe oudsten zullen dromen hebben en uwe jongelingen zullen gezichten zien;

2:29 ook zal Ik in dien tijd op de dienstknechten en dienstmaagden mijnen Geest uitstorten,

2:30 en zal wondertekenen geven in den hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen.

2:31 De zon zal in duisternis en de maan in bloed veranderd worden, eer de grote en verschrikkelijke dag des Heren komt.

2:32 En het zal geschieden, dat alwie den naam des Heren zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sion en te Jeruzalem zal ene redding zijn, gelijk de Heer gezegd heeft, ook bij de verstrooiden, die de Heer zal roepen.

Jo�l 3

3:1 Doch zie, in die dagen en in dien tijd, als Ik de gevangenschap van Juda en Jeruzalem zal wenden,

3:2 dan zal Ik alle volken vergaderen en hen naar het dal van Josafat afvoeren; en Ik zal aldaar met hen richten aangaande mijn volk en mijn erfdeel Isra�l, hetwelk zij onder de volken verstrooid hebben; en zij hebben mijn land onder zich gedeeld,

3:3 en het lot over mijn volk geworpen, en hebben knapen voor spijs gegeven en jonge maagden voor wijn verkocht om te drinken.

3:4 En gij, Tyrus en Sidon en alle grenspalen der Filistijnen, wat hebt gij met Mij te doen? Wilt gij Mij tergen? Welaan, zo gij Mij tergt, zal Ik het u schielijk en ras weder op uw eigen hoofd vergelden;

3:5 gij, die mijn zilver en goud en mijne schone kleinodi�n weggenomen en in uwe tempels gebracht hebt,

3:6 daarenboven ook de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht hebt aan de Grieken om hen ver van hunne grenzen te verwijderen.

3:7 Zie, Ik zal hen opwekken uit de plaats, waarheen gij hen verkocht hebt, en Ik zal het u vergelden op uw hoofd;

3:8 en Ik zal uwe zonen en dochters weder verkopen in de hand der kinderen van Juda, die zullen hen aan de inwoners van Rijk Arabi�, een volk in verre landen, verkopen; want de Heer heeft het gesproken.

3:9 Roept dit uit onder de volken: Heiligt een strijd; wekt de helden op, laat al de krijgslieden herwaarts komen en optrekken.

3:10 Maakt van uwe ploegijzers zwaarden en van uwe sikkels spiesen; de zwakke zelfs zegge: Ik ben sterk.

3:11 Komt met hopen te zamen, alle volken van rondom, en vergadert u; doe derwaarts, Heer, uwe helden afdalen.

3:12 Dat de volken zich opmaken en optrekken naar het dal van Josafat; daar zal Ik zitten om alle volken van rondom te richten.

3:13 Zwaait de sikkel, want de oogst is rijp; komt af, want de pers is vol en de perskuip loopt over; want hunne boosheid is groot.

3:14 Hopen bij hopen volks liggen in het dal der beslissing; want de dag des Heren is nabij in het dal der beslissing.

3:15 De zon en de maan zullen verduisteren en de sterren zullen haren glans weerhouden.

3:16 En de Heer zal brullen uit Sion en uit Jeruzalem zijne stem doen horen, dat hemel en aarde zullen beven; maar de Heer zal voor zijn volk ene toevlucht zijn en ene sterkte voor de kinderen Isra�ls;

3:17 en gij zult gewaarworden, dat Ik, de Heer uw God, op Sion, mijnen heiligen berg, woon; alsdan zal Jeruzalem heilig zijn, en geen vreemdeling zal er meer door wandelen.

3:18 In dien tijd zullen de bergen van zoeten wijn druipen en de heuvelen van melk vloeien en alle beken in Juda zullen van water stromen; en er zal ene bronwel van het huis des Heren uitgaan, die het dal Sittim zal besproeien.

3:19 Maar Egypte zal woest zijn en Edom ene woeste wildernis worden, wegens den moedwil aan de kinderen van Juda bedreven, dat zij onschuldig bloed in hun land hebben vergoten.

3:20 Maar Juda zal eeuwig bewoond worden en Jeruzalem immer en altoos;

3:21 en Ik zal hun bloed niet ongewroken laten en de Heer zal wonen op Sion.


Table of Contents: Albanian :Arabic :Belarusian :Bulgarian :Chinese_Simplified :Chinese_Traditional :Danish :Dutch :English :French :German :Hungarian :Italian :Japanese :Korean :Norwegian :Persian :Portuguese :Romanian :Russian :Spanish :Swedish :Turkish :Ukrainian :