Announcing: BahaiPrayers.net


More Books by 3 Diversen

Bahá'í Vizier Index
Copyright
Errata
Transliteratie in de bahá'í-geschriften
Woordenlijst
Free Interfaith Software

Web - Windows - iPhone








3 Diversen : Woordenlijst
Nederlandse bahá'í-literatuur
Verklarende Woordenlijst
'Abdu'l-Aziz:

De sultan die de drie verbanningen van Bahá'u'lláh verordende.

`Abdu'l-Bahá:

De "Dienaar van Bahá", `Abbás Effendi (1844 - 1921), de oudste zoon en aangewezen Opvolger van Bahá'u'lláh en het Middelpunt van Zijn Verbond.

'Abdu'lláh:

De vader van de Profeet Muhammad. Hij behoorde tot de familie der Háshimieten, de edelste stam van het Quraische deel van het Arabische volk, rechtstreekse afstammelingen van Ismaël.

'Abdu'lláh-i-Ubayy:

Een voorname tegenstander van Muhammad; genaamd de "Vorst der hypocrieten".

Abhá:

Bahá betekent "heerlijkheid". Abhá is de overtreffende trap ervan. Allebei zijn titels van Bahá'u'lláh en van Zijn Koninkrijk.

Abjad:

Het oude Arabische systeem van het toekennen van een numerieke waarde aan de letters van het alfabet, zodat getallen kunnen worden weergegeven door letters en omgekeerd. Zo heeft elk woord zowel een letterlijke betekenis als een numerieke waarde.

Abraham:

Zie Genesis 11 : 25 en Beantwoorde Vragen hoofdstuk IV. Geleerden geven als datum 2100-2000 voor Chr. Door Joden, Christenen en Mohammedanen beschouwd als de Vriend van God, de Vader der Gelovigen.

Abú-Abdi'lláh:

Een der Bábí martelaren. In 1852 in Tihrán gedood. Belasterd door Mírzá Yahyá.

Abú-'Abdu'lláh:

(Husayn van Milan) Was een der drie personen die voorgaven de incarnatie van Imám Husayn te zijn en valse aanspraken naar voren brachten op het hoogste gezag in het Bábí Geloof.

Abú'Amir:
Een tegenstander van Muhammad; een monnik.
Abú-Jahl:

Letterlijk: "De Vader der Dwaasheid"; zo betiteld door de Mohammedanen. Een onverzoenlijke vijand van de Profeet.

Afnán:

Lett. "twijgen". Duiden de verwanten van de Báb aan.

A.H:

"Na Hedsjra", datum van Muhammads verhuizing van Mekka naar Medina en het begin van de mohammedaanse tijdrekening.

'Akká:

De gevangenisstad in Palestina, waarheen Bahá'u'lláh uiteindelijk werd verbannen. Hij kwam daar aan op 31 augustus 1868.

'Alí:

De eerste Imám; neef en eerste discipel van Muhammad en gehuwd met Zijn dochter Fátimih. De eerste van de twaalf Imáms.

'Alí Muhammad:

Siyyid 'Alí Muhammad, geboren in Shíráz, Perzië, op 21 oktober 1819; het "Punt van de Bayán" de "Báb" en de voorloper van Bahá'u'lláh.

Alif, Lam, Mim:

Deze en andere niet bij elkaar behorende letters komen voor bij de aanvang van negen en twintig surahs van de Qur'án.

Al-Medina:

Letterlijk: "de stad", zo genoemd daar zij beschutting verleende aan Muhammad; het voormalige "Yathrib". De plaats waar Muhammad begraven ligt; na Mekka de heiligste plaats.

Aloude der Dagen:

Een titel van God, speciaal in het Boek Daniël in de Bijbel.

Amalekieten:

In oude tijden uit Babylonië verjaagd, verspreidden zij zich via Arabië naar Palestina en Syrië en zelfs tot in Egypte, waaraan zij verschillende Farao's gaven.

Annas:

Hogepriester der Joden en schoonvader van Kajafas (Johannes 18-13).

Aqdas:

Het voornaamste werk van Bahá'u'lláh, bevat Zijn wetten en verordeningen.

Ashraf:

Siyyid Ashraf, geboren in Fort Zanján, gedurende de belegering.

Athím:
Zondaar.
Aválim:
Verzameling Shí'ih tradities.
Báb, De:

Letterlijk de "Poort"; deze titel werd aangenomen door Mírzá `Alí-Muhammad (1819 - 1850) na de Verkondiging van Zijn Zending in mei 1844 in Shíráz. Hij was de Stichter van het Bábí-geloof en de Heraut van Bahá'u'lláh.

Baghdád:

Gesticht door de Kalif in Mansur in 762 A.D., op de plaats van een christelijk dorp op de westelijke oever van de Tigris. Gedurende 500 jaar was deze de zetel van de regering der Abbasiden.

Bahá:

Een titel door de Báb aan Bahá'u'lláh gegeven. Bahá betekent Pracht, Heerlijkheid. Het is de Grootste Naam van God en een van de titels waarmee Bahá'u'lláh wordt aangeduid. Het is ook de naam van de eerste maand van het bahá'í-jaar en van de eerste dag van elke bahá'í-maand.

Bahá'u'lláh:

De "Heerlijkheid des Heren", titel van Mírzá Husayn-`Alí (1817 - 1892), de Stichter van het Bahá'í-geloof.

Balál:

Een Ethiopische slaaf in Mecca, analfabeet en veracht, maar geheel omgevormd door zijn erkenning van Muhammad.

Baní-Háshim:
de familie waartoe Muhammad behoorde.
Bathá:
Mekka.
Bayán:

De Bayán ("Uiteenzetting") is de titel die de Báb aan Zijn Wetboek gaf, en die ook voor het geheel van Zijn Geschriften wordt gebruikt. De Perzische Bayán is het belangrijkste boek met leerstellingen en de voornaamste schatkamer van de door de Báb opgelegde wetten. De Arabische Bayán is qua inhoud overeenkomstig maar korter en van minder belang. Verwijzingen in de annotaties naar onderwerpen die zowel in de Perzische Bayán als in de Arabische Bayán te vinden zijn, worden aangegeven door de term "Bayán" zonder verdere aanduiding.

Bihár:
Verwijzing naar de Shí'ih traditie.
Biháru'l-Anvár:
Een verzameling Shí'ih tradities.
Brandende Braamstruik:

Zie Exodus 3-2. Symbolisch voor Gods tegenwoordigheid in het hart van Mozes.

Cherubim:

In de Bijbel komen de Cherubim voor als zijnde verschillend van de engelen die de boodschappers zijn van Jehova, terwijl de cherubim dáár zijn waar God Zelf tegenwoordig is, b.v. "Hij (God) reed op een cherub" Ps. 18 : 11. Afbeeldingen van cherubijnen waren aangebracht op de wandkleden in het Heilige der Heilige en boven de Verzoendeksel (van de Arke des Verbonds) daarbinnen. In een latere overlevering werden de cherubijnen gerekend tot de negen soorten engelen.

Dagster van Muhammad:
Symbool voor de Profeet, die de wereld verlicht.
Dhabíh:

Ishmaël, beroemde Bahá'í en de broeder van Mírzá Jani van Kashán (zie "The Dawnbreakers"). Deze titel (offer) werd hem door Bahá'u'lláh gegeven.

Eerste Punt:
De Báb.
Eerste Wil:

"Het eerste wat uit God emaneerde is die universele werkelijkheid...die het volk van Bahá "de Eerste Wil" noemt." (Beantwoorde Vragen hoofdstuk LIII).

Fátimih:

De dochter van Muhammad en Khadíjah. Zij huwde 'Alí, de neef van Muhammad, en had drie zoons. Een stierf als kind en uit de twee anderen, Hassan en Husayn, stammen de nakomelingen van de Profeet af, bekend als Siyyids.

Gabriël:

De hoogste van alle engelen, de heilige Geest. Het is zijn taak de geboden van God neer te schrijven; de Qur'án werd door hem aan Muhammad geopenbaard.

Goddelijke Boodschapper:

Profeet van God. De verheven Ziel, de Volmaakte door wie een Openbaring wordt gegeven.

Goddelijk Elixer:

Symbool van de kracht van het geloof dat eeuwig leven aan de mens geeft; van het woord "elixer", een denkbeeldige drank, waarvan verondersteld wordt het menselijk leven onbepaald te verlengen.

Symbolische verwijzing naar het Elixer van de alchimisten dat, naar men veronderstelde, de niet-edele metalen in goud verandert.

Goddelijke Messias:

De goddelijke Koning en Verlosser verwacht door de Joden.

Grootste Naam:
Titel van Bahá'u'lláh.
Há:

De letter H waarvan het getal 5 is, soms als een symbool voor Bahá'u'lláh gebruikt: zie de "Four Valleys" p. 56.

Hájí Mírzá Karím Khan:

Een man die voorwendde kennis te bezitten, auteur van een boek "Gids voor de Onwetende" ("Irshádu'l-'Avám") wiens werken met hem verloren gingen.

Hamzih:

"Vorst der Martelaren". Titel aan de oom van Muhammad gegeven.

Herodus:

Herodus I ("De Grote") Hij kwam uit Idumaea en werd door een Hood opgevoed. In 40 voor Chr. werd hij door de Romeinse Senaat tot koning van Judea benoemd. Hij herbouwde de Tempel in Jeruzalem.

Hijáz:

Een gebied in het zuidwesten van Arabië, dat beschouwd kan worden als het heilige land van de Moslims, daar de heilige steden Medina en Mekka en vele andere plaatsen, verbonden met de geschiedenis van Muhammad, daarin liggen. De "taal van Hijáz" is Arabisch.

Húd:

Een profeet, gezonden naar de stam Ad. Hij stamde af van Noach en in de Qurán wordt hij genoemd, in surah 7, 63-70; surah 11, 52-63; en in surah 26, 123-139.

Huqúqu'lláh:

Het "Recht van God". Dit werd ingesteld in de Kitáb-i-Aqdas en is een offergave die de bahá'ís schenken via het Hoofd van het Geloof voor doelen die in de Bahá'í-geschriften zijn omschreven.

Húrís:

Engelen. Schone maagden die volgens de Islám de metgezellen der gelovigen zijn in het Paradijs. Een term die geestelijke eigenschappen of krachten aanduidt.

Husayn:

De derde Imám. Zoon van 'Alí en Fátimih; de Martelaar van Karbilá.

Ibn-i-Súriyá:
Een geleerde joodse rabbi ten tijde van Muhammad.
Imám 'Alí:

De neef en eerste volgeling van Muhammad; echtgenoot van Muhammads dochter, Fátimih; en door zijn zoon Husayn de voorvader van Siyyid 'Alí Muhammad, de Báb.

Imám:

Titel van de twaalf Shí'ih opvolgers van Muhammad. Eveneens gegeven aan de mohammedaanse godsdienstleiders in het algemeen.

'Imrán:

de vader van Mozes en Aäron; Qur'án, surah 3, 30 en de Bijbel Exodus 6 : 20.

Iqán:

Letterlijk "zekerheid". De titel van het epistel van Bahá'u'lláh aan de oom van de Báb.

'Iráq:

Deel van het Turkse Keizerrijk in 1862 toen dit boek werd geopenbaard. Nu een Arabisch land met als hoofdstad Baghdád.

Islám:

Lett. "Gehoorzaamheid aan de wil van God", de naam aan de religie van Muhammad gegeven.

Jaar zestig:

Betekent 1260 n.H. (na Hedsjra), 1844 A.D., het jaar van de Verkondiging van de Báb.

Javád:

Háji Siyyid Javád, een van de eerste Bábís, zeer geprezen door zowel de Báb als door Bahá'u'lláh die hij in Baghdád ontmoette.

Jesaja, Boek van:
Zie Jesaja 2-10.
Jozef:

De zoon van Jacob en in de Qur'án een bezielde Profeet.

Ka'b-Ibn-i-Ashraf:

Een onverzoenlijke vijand van Muhammad. Hij spande samen met de aartsvijand, Abu-Soy-yan, om de dood van de Profeet te bewerkstelligen.

Ka'bih (=Kaäba):

Letterlijk een "kubus". Het kubusachtige bouwwerk in het midden van de moskee in Mekka, die de Zwarte Steen bevat. Nu de heiligste graftombe van de Islám, daar de Imám Husayn er begraven werd.

Káfí:

Een belangrijke verzameling van Shí'ih tradities. Jábir is een bron voor aanhalingen in het Boek van Zekerheid.

Kajafas:

De joodse hogepriester die de leiding had van het gerechtshof dat Jezus berechtte en veroordeelde.

Kain en Abel:

de twee zonen van Adam en Eva. Zie Gen. 4 en Qur'án, surah 5.

Kaliefen:

Letterlijk "opvolgers" of "plaatsvervangers". De Shí'ihs zijn van oordeel dat de opvolgers van de Profeet leden van Zijn familie moeten zijn, maar zij gebruiken de titel Khalifah of "Kalief" niet. De sultan van Turkije nam deze titel aan in het begin van de 16e eeuw.

Kanal:

Hájí Mírzá Kamál, een beroemde zeer ontwikkelde Bábi, die Bahá'u'lláh in Baghdád ontmoette en Zijn rang erkende nog voor Hij Zich had verklaard. Hij wilde iedereen het grote nieuws vertellen en werd naar Perzië teruggezonden.

Karbilá:

Een stad ongeveer 70 km Z.W. van Baghdád aan de Eufraat. De stad waar de Imám Husayn werd gemarteld en waar hij begraven ligt. Een van de twee "belangrijkste graftomben" van de Islám, de andere is Najaf.

Karím:
Hoogwelgeboren.
Karmel:

Een van de heilige plaatsen in de Bahá'í geschiedenis, waar de graftomben van de Báb en 'Abdu'l-Bahá en gedenktekenen van andere leden van de familie van 'Abdu'l-Bahá zijn.

Karmozijnrode Pilaar:

Een toespeling op de religie van Bahá'u'lláh, karmozijn gekleurd met het bloed van de martelaren.

Kawthar:

Een rivier in het Paradijs waaruit alle andere rivieren stromen. Een deel van het water ervan voert naar een groot meer. Op de oever hiervan rusten de zielen van de gelovigen, nadat zij de vreselijke brug die midden over de Hel ligt, zijn gepasseerd.

Khaybar:

Een bergachtig gebied aan de N.W. grens van India.

Kopt:

De Kopten waren nakomelingen van het zeer oude Egyptische volk. De Septen waren de stammen van Israël.

Lamp van God:

Het geestelijke licht door Gods profeet verspreid.

Leviathan:

Een niet geïdentificeerd watermonster; een walvis of slang.

Magi:

een priesterkaste en de wijzen onder de oude Perzen.

Manifestatie:

De aard van en Profeet of Manifestatie van God wordt aldus beschreven in de "Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh XXVII: "...aangezien er geen band van directe gemeenschap kan zijn die de ene ware God met Zijn schepping verbindt en er geen enkele overeenkomst kan bestaan tussen het vergankelijke en de Eeuwige, het toevallige en de Absolute, heeft Hij beschikt dat in ieder tijdperk en iedere beschikking een zuivere en onbevlekte Ziel in de koninkrijken van hemel en aarde wordt geopenbaard... Deze Essenties van onthechting, deze schitterende Werkelijkheden zijn de kanalen van Gods aldoordringende genade. Geleid door het licht van nimmer falende leiding, en bekleed met de hoogste soevereiniteit, hebben Zij de opdracht de inspiratie van Hun woorden, de uitstralingen van Hun onfeilbare genade en de heiligende bries van Hun Openbaring aan te wenden voor de zuivering van ieder verlangend hart en iedere ontvankelijke geest van de droesem en het stof van aardse zorgen en beperkingen."

Mashriqu'l-Adhkár:

Letterlijk "de Dageraadsplaats van het loven van God", de aanduiding van het Bahá'í Huis van Aanbidding en bijbehorende gebouwen.

Mecca:

De hoofdstad van Arabië, de geboorteplaats van Muhammad, de plaats van de Ka'bih (Kaäba) en de allerheiligste stad van de Islám.

Medina:

De stad waar Muhammad bescherming vond en waar Hij werd begraven; wordt na Mecca als de heiligste stad beschouwd.

Midian:

Een stad en een gebied aan de Rode Zee, zuidoostelijk van de Sinaï, bewoond door de nakomelingen van Midian, zoon van Abraham en Keturah. Qur'án, surah 7,83.

Mihdí:
Titel van de Manifestatie door de Islám verwacht.
"Míráj":
De nachtelijke reis van Muhammad met Gabriël...
Mithqál:

Een gewichtseenheid, gelijk aan iets meer dan 3,5 gram, die in de Kitáb-i-Aqdas wordt gebruikt met betrekking tot hoeveelheden goud en zilver voor verschillende doelen, gewoonlijk in hoeveelheden van 9, 19 of 95 mithqál. De waarden hiervan uitgedrukt in het metrieke stelsel en in "troy-ons" (in gebruik bij het wegen van kostbare metalen) zijn als volgt:

9 mithqál = 32,775 gram = 1,05374 troy-ons
19 mithqál = 69,192 gram = 2,22456 troy-ons
95 mithqál = 345,958 gram = 11,12282 troy-ons

Deze berekening is gebaseerd op het advies van Shoghi Effendi in een namens hem geschreven brief waarin wordt verklaard: "een mithqál bestaat uit negentien Nakhud. Het gewicht van vierentwintig Nakhud is gelijk aan vier drie-vijfde gram. Berekeningen kunnen op deze basis worden verricht." De mithqál die traditioneel in het Midden-Oosten werd gebruikt bestond uit 24 Nakhud maar in de Bayán werd dit veranderd in 19 Nakhud en Bahá'u'lláh bevestigde dit als de maat van de mithqál waarnaar in de bahá'í-wetten wordt verwezen (V&A 23).

Mozes:

Een van de zes grote profeten, volgens de Mohammedanen. Zie Exodus 4 : 16, waar God tot Mozes zei: "...gij zult hem tot God zijn."; en Exodus 7 : 1 "Zie ik stel u als God voor Farao." Mozes voerde de exodus (uittocht) aan uit Egypte, waarvoor men nu als datum omstreeks 1440 voor Chr. aanneemt.

Mufaddal:
Verwijzing naar de Shí'íh traditie.
Muhammad:

Lett. "De Geprezene". De Profeet en Grondlegger van de Islám, de zoon van "Abdu'lláh van het geslacht Hashim, de Openbaarder van de Qur'án. Geboren in augustus 570 A.D. Verklaarde Zijn Zending in 613 A.D. Vluchtte naar Medina in 622 A.D. (Zie "Beantwoorde Vragen" VII). Door Mozes voorzegd, Deut. 18:15 en door Johannes, Openbaring 11 (Zie "Beantwoorde Vragen" XI).

Mullá 'Abdu'l-Kwaliq-i-Yazdí:

Aanvankelijk een joodse priester, aanvaardde hij de Islám, voegde zich bij de Shaykhi School en werd door Mullá Husayn tot het Bábí Geloof bekeerd.

Mullá 'Alíy-i-Baraqání:

De oom van Táhirih, een van de geleerdste en beroemdste leden van de Shaykhi gemeenschap. Nadat hij was overgegaan naar het Bábí Geloof werd hij in Tihrán een van de meest ijverige en kundige uitleggers hiervan.

Mullá 'Alíy-i-Bastámi:

Een van de Letters van de Levenden. Door de Báb gezonden met een speciale zending uit Shíráz in 1844, was hij een van de eersten die moesten lijden en zijn leven gaf op het pad van het nieuwe Geloof.

Mullá Báqir:

Een broeder van Mullá Mihdíy-i-Kandí, stierf de marteldood in Tabarsi.

Mullá Husayn:

De eerste die in de Báb geloofde, de eerste "Letter van de Levenden", de "Bábu'l-Báb" - betekent "De poort van de Poort", een titel hem door de Báb gegeven. Geboren in 1813, was hij negen jaar lang een student van Siyyid Kázim en negen jaar een volgeling van de Báb. Hij stierf de marteldood in het fort Shaykh Tabarsi, op 2 februari 1849.

Mullá Mihdíy-i-Khu'í:

Een naaste medewerker van Bahá'u'lláh en onderwijzer van de kinderen van Zijn huishouding. Stierf de marteldood in Tabarsi.

Mullá Muhammad 'Alíy-i-Zanjáni:

Bijgenaamd Hujjat. "Eén van de kundigste en geduchtste voorvechters van het Geloof" (God Schrijdt Voorbij III/13), de aanvoerder van de Bábís in wat Lord Curzon noemde "de vreselijke belegering en afslachting" die zij ondergingen in Zanján waar hij met 1800 medediscipelen de marteldood stierf.

Mullá Ni'matu'll-i-Mazindarání:

Een Bábí die de marteldood stierf in Shaykh Tabarsi.

Mustagháth:

Lett. "Hij die wordt aangeroepen". Met betrekking tot de numerieke waarde van dit woord, onthulde de Báb het negende jaar van dit Tijdperk (1853) als de datum van de openbaring van Bahá'u'lláh.

Nabíl-i-Azam:

De Bahá'í titel van Muhammad-i-Zarandi, een toegewijd volgeling van de Báb en Bahá'u'lláh, auteur van het geschiedkundige werk, bekend als "Nabíl's Narrative".

Nachtegaal van het Paradijs:
Manifestatie van God; Boodschapper van God.
Nadr-Ibn-i-Hatith:
Een tegenstander van Muhammad.
Nakhud:
Een gewichtseenheid. Zie "mithqál".
Nebukadnezar:

Koning van Babylon. In 599 voor Chr. veroverde hij Jeruzalem, in 588 verwoestte hij de stad en verwijderde het grootste deel der inwoners naar Chaldea.

Nimrod:

In mohammedaanse commentaren voorgesteld als degeen die Abraham vervolgde.

Noach:

Een profeet aan wie de Mohammedanen de titel geven van de "Profeet van God", zie Gen. 6 : 10 en de Qur'án, surah 11, 71 voor het verhaal van zijn leven en de Zondvloed.

Nudbih, Gebed van:
Een klaagzang van de Imám 'Alí.
Openbaring:

De Ontsluiering door God aan de mensen van iets dat Hij tot dan voor hen had verborgen.

Paradijs:

Een hemelse tuin; een staat van gelukzaligheid. De Manifestatie is "De Nachtegaal van het Paradijs"; Zijn Openbaring, "het geruis van de bladeren van het Paradijs"; "de liefde Gods" is het Paradijs zelf.

Párán:

Een bergketen ten noorden van de Sinaï en ten zuiden van Seir; beide zijn heilige plaatsen van openbaring. Temam ligt NW van Edom, niet ver van Párán. Zie Habakuk 3 : 3. Mozes zelf gebruikte "Párán" als speciale verwijzing naar Muhammad en "Seir" naar Jezus Christus; "Hij zeide: De Here is gekomen van Sinaï en over hen opgegaan uit Seir; Hij is in lichtglans verschenen van het gebergte Párán en gekomen uit het midden van heilige tienduizend; aan zijn rechterzijde zagen zij een brandend vuur." (Deut. 33 : 2). Hier voorzegt Mozes de komst van drie openbaringen en drie profeten na hem, hiervan is Bahá'u'lláh de laatste. Ismaël (Gen. 21 : 21) stichtte het Arabische volk in de woestijn Párán.

Pentateuch:

Letterlijk "het vijfvoudige boek"; de eerste vijf boeken van de Bijbel.

Pharao (Farao):

De titel van de Egyptische koningen. Aangenomen wordt dat de Pharao van de verdrukking Ramses II (ca 1340 voor Chr.) was, en zijn zoon en opvolger Merenptah de Pharao van de Exodus was. Het is helemaal niet zeker, daar de datum van de geboorte van Mozes veel vroeger wordt gesteld, n.l. 1520 voor Chr.

Phoenix:

Een mythische vogel die op zichzelf bestond en verteerd werd door een vuur door hemzelf ontstoken en uit de as herrees.

Qá'im:
De beloofde van de Islám.
Qayyúmu'l-Asmá':

Het commentaar van de Báb op de Soera van Jozef in de Qur'án. Dit boek werd geopenbaard in 1844 en wordt door Bahá'u'lláh gekenschetst als "het eerste, het grootste en machtigste van alle boeken" in de Bábí-beschikking.

Qiblih of Qiblah:

De richting waar men zich met het gezicht naar keert voor het gebed. Qur'án, surah 2, 136-145 schrijft Mekka voor als de Qiblih voor de mohammedanen. Voor bahá'ís is dit Bahjí, de rustplaats van Bahá'u'lláh.

Quintessens:

In de wijsbegeerte de "vijfde substantie des hemels" naast de vier elementen aarde, water, lucht en vuur: vandaar de hoogste essentie van alles. (Zie van Dale).

Qur'án:

De Qur'án (Arabisch: "voorlezing"), de heilige Schrift van het mohammedaanse Geloof, geopenbaard door Muhammad. De verzen zijn ondergebracht in hoofdstukken die surahs worden genoemd. Het bevat 77.974 woorden en is iets langer dan het Nieuwe Testament; het is samengesteld gedurende 21 jaar. Het hele boek werd pas na de dood van de Profeet gerangschikt, maar men neemt aan dat Hijzelf het in surahs heeft ingedeeld en aan de meesten ervan de huidige benaming gegeven. De vertaling in het Engels door G. Sale (1734) is de meest gezaghebbende, maar die van J.M. Rodwell (Everyman's Series) wordt als de beste aanbevolen.

Rayy:

Een oude stad in de nabijheid waarvan Tihrán werd gebouwd.

Ridván:

De naam van de wachter van het Paradijs. Bahá'u'lláh gebruikt het om het Paradijs zelf aan te duiden.

Rik'at:

verootmoediging, waarbij men geknield het gelaat naar de grond buigt.

Rúz-bih:

Een Pers die christen werd; toen hem verteld werd dat een Profeet in Arabië zou opstaan, reisde hij daarheen en toen hij Muhammad op Zijn vlucht naar Medina ontmoette in Koba, erkende hij Zijn rang en werd mohammedaan. (Zie Salmán).

Sádiq:
De zesde Imám der Shí'ihs.
Sadratu'l Muntahá:

De naam van een boom die in aloude tijden door de Arabieren aan het einde van een weg werd geplant om als gids dienst te doen. Als symbool duidt het op de Manifestatie van God in Zijn Dag.

Sadrih:
Letterlijk: Tak.
Sálih:

Een profeet der Arabieren uit oude tijden, vermeld in de Qur'án surah 7, 71-77. Sommige commentatoren identificeren hem met de Selah uit Genesis 11 : 13.

Salmán, of Shaykh Almán:

Vroeger Rúz-bih genaamd. Geboren in Zuid-Perzië, een analfabeet; hij werd een van de meest beminde en meest toegewijde discipelen van Bahá'u'lláh die hem menige gevaarlijke en belangrijke zending toevertrouwde. Hij was één der vier mannen die achtereenvolgens aan het volk van Arabië de blijde tijding van de komst van Muhammad aankondigden.

Salsabíl:

Letterlijk zacht stromend. Een fontein in het Paradijs.

Samiri:

Een magiër die door de Farao werd gebruikt als een mededinger van Mozes. Volgens de mohammedanen was hij het en niet Aäron die het gouden kalf maakte.

Sháh:
Násiri'd-Dín Sháh.
Shaykh:
Verwijst naar Shaykh Salmán.
Shaykh Ahmad:

De eerste der twee voorlopers van de Báb, geboren in 1753 A.D., stichter van de Shaykh School en schrijver van 96 boeken. Gestorven in 1831.

Scheba:

Stad in het zuidelijk deel van het Arabisch Schiereiland, waarnaar wordt verwezen in Gen. 10 : 28; I Koningen 10; II Kronieken 9. Een symbool gebruikt om het huis of de verblijfplaats aan te duiden.

Shi-ah:

Een sekte van de Islám die zich onderscheidt door haar geestelijke doctrine over het Imamaat en vertegenwoordigd wordt door de Sháh.

Shí'ih:

Letterlijk: "Volgeling". In het algemeen verdeelt men het probleem van opvolging in de Islám in twee denominaties. Volgens de ene opvatting, die de Shí'ihs in hoofdzaak huldigen, is het regentschap een geestelijke zaak die wordt bepaald door de Profeet en door hen die Hem opvolgen. Volgens de andere opvatting, die der Sunnieten, wordt de opvolging bepaald door de uitspraak van het volk. De Kalief van de Sunnieten is de naar buiten tredende en zichtbare Verdediger van het Geloof. De Shí'ih Imám is goddelijk beschikt en begiftigd met meer dan menselijke wijsheid en gezag.

Shíráz:

De hoofdstad van de provincie Fars in Perzië; de geboorteplaats van de Báb en de plaats van Zijn Verkondiging in 1844.

Shoeb:

Een priester van Midian (Exodus 2 : 16-21), Mozes huwde diens dochter; in Exodus 18 wordt hij Jethro genoemd.

Shoghi Effendi:

Shoghi Effendi (1897 - 1957) was Behoeder van het Bahá'í-geloof van 1921 tot 1957. Hij was de oudste kleinzoon van `Abdu'l-Bahá en werd door hem aangewezen als het Hoofd van het Geloof.

Síyáh-Chál:

Letterlijk "de Zwarte Put". De donkere, walgelijk stinkende onderaardse kerker in Tihrán waar Bahá'u'lláh in 1852 vier maanden gevangen werd gehouden.

Sinaï:

De Berg waar God de tafelen van de Wet aan Mozes gaf; soms een embleem van het menselijk hart dat de plaats der nederdaling van God is. (Qur'án, surah 7, 139 en Exodus 19).

Siyyid Husayn-i-Turshizi:

Een mujtahid, een van de Zeven Martelaren van Tihrán.

Siyyid Kázim:

Voornaamste discipel van Shaykh Ahmad en diens opvolger. Husayn en andere voorname Bábís behoorden tot zijn leerlingen. Overleed 31 december 1843.

Siyyid Yahyá bijgenaamd Vahíd:

Een voorname godgeleerde met grote kennis die Bábí werd en de marteldood stierf na de belegering van Nayríz op 29 juni 1850, tien dagen voor de dood van de Báb.

Stad van Zekerheid:

Een toestand van verheven geestelijke verworvenheid.

Standvastigheid (Profeten begiftigd met):

Een titel gegeven aan de profeten die een Boek hebben geopenbaard en godsdienstwetten hebben ingesteld.

Steen der Wijzen:

Een stof waarmee alchimisten dachten goud te kunnen maken uit niet-edele metalen (Zie van Dale).

Súfi:
Een orde van mohammedaanse mystici.
Sultán:
Sultán 'Abdu'l-Azíz.
Sunni:

De grootste en machtigste van de twee grote Islamitische sekten, vertegenwoordigd door de Sultán, de wereldlijke en zichtbare Verdediger van het Geloof.

Súrah:

Een rij of laag stenen in een muur. Een term die uitsluitend wordt gebruikt voor de 114 hoofdstukken van de Qur'án.

Súry-i-Ra'ís:

Tafel van Bahá'u'lláh gericht aan 'Alí Páshá, de grootvizier. Geopenbaard in Adrianopel.

Tá, Land van:

Bedoeld word Tihrán, daar deze de beginletter is van de naam.

Tafel:

Naam van een heilig epistel dat een openbaring bevat. De Wet, gegeven aan Mozes op stenen tafelen, wordt vermeld in de Qur'án, surah 7, 142.

Taff (het land van):
De provincie Tihrán.
Talisman:

Lett. een amulet die de kracht des hemels neertrok om de drager te beschermen. Een symbool van de mens, beschermd door de kracht van God.

Thamúd:

Een oeroude Hamitische volksstam die de grenzen van Edom bewoonden en in holen leefden. Zij werden bijna uitgeroeid door Chedorlaomer, de Elomitische veroveraar. De overlevenden vluchtten naar de berg Seir, waar zij ten tijde van Izaäk en Jacob verbleven.

Tihrán:

De geboorteplaats van Bahá'u'lláh (12 november 1817) en hoofdstad van Iran.

Torah:
De Pentateuch van Mozes.
Tradities:

Het gezaghebbende verslag van de geïnspireerde uitspraken en handelingen van de Profeet, naast de openbaring vervat in de Qur'án.

'Urvatu'l-Vuthqa:

Letterlijk: "de sterkste handgreep", symbool voor het Geloof Gods.

Vierde hemel:

Een van de graden in het onzichtbare Rijk. Een term die ook gebruikt wordt als symbool voor het christendom; de "vierde Hemel" betekent de vierde Godsdienst in de reeks profetische Openbaringen in de cyclus van Adam.

Vogel van Eeuwigheid:
Manifestatie van God; Profeet.
Yahyá:

Johannes de Doper, de voorloper van Jezus Christus. Hij werd door Herodus onthoofd.

Yanbu:
Een verzameling Shí'ih tradities.
Yathrib:

De oude naam voor de stad die werd veranderd in Medinat un-Nabi, de Stad van de Profeet, afgekort Medina, de stad bij uitnemendheid.

Zá, Land van:

Bedoeld wordt Zanján, daar het de beginletter is van de naam.

Zaggúm:
Een boom in de regionen der hel.
Zanján:

Hoofdstad van het district Khamsih en toneel van het martelaarschap van ongeveer 1800 Bábís.

Zegel der Profeten:

Een titel van Muhammad, welke verwijst naar het naderende einde van de Profetische Cyclus.

Zion:

Een heuvel in Jerusalem. De zetel van het koninklijk verblijf van David en zijn opvolgers.

Ziyárat:

Tafel van Ontmoeting, geopenbaard door de Imám 'Alí.

Zon van Waarheid:
Manifestatie van God; Profeet.

Table of Contents: Albanian :Arabic :Belarusian :Bulgarian :Chinese_Simplified :Chinese_Traditional :Danish :Dutch :English :French :German :Hungarian :Italian :Japanese :Korean :Latvian :Norwegian :Persian :Polish :Portuguese :Romanian :Russian :Spanish :Swedish :Turkish :Ukrainian :