Announcing: BahaiPrayers.net


More Books by 6 Compilaties

Bahá'í Gebeden
Consultatie
Gebed en Meditatie
Het Baha'i Leven Leiden
Muziek
Politiek en Overheid
Vrede
Free Interfaith Software

Web - Windows - iPhone








6 Compilaties : Vrede
VREDE
Een compilatie

Vertaling teksten Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá: B. Stoop

Vertaling teksten Shoghi Effendi en Universele Huis van Gerechtigheid: M. Kleijne

Revisie: H. Watrin en G Vernhout
Eindredactie: M. Dekkers
PASSAGES UIT DE GESCHRIFTEN VAN BAHÁ’U’LLÁH

Dit is de Dag waarin Gods verhevenste gunsten over de mensen zijn uitgestort; de Dag waarin Zijn machtigste genade al het geschapene heeft doordrongen. Het is de plicht van alle volkeren ter wereld hun geschillen bij te leggen en in volmaakte eenheid en vrede onder de schaduw van de Boom van Zijn zorg en goedertierenheid te verblijven. Het betaamt hun zich te houden aan al hetgeen in deze Dag zal strekken tot de verheffing van hun staat en de bevordering van hun hoogste belang.

(Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh IV, blz. 9)

Gods plan met het zenden van Zijn Profeten naar de mensen is tweeledig. Ten eerste om de mensenkinderen van het duister der onwetendheid te bevrijden en hen naar het licht van waar begrip te leiden. Ten tweede om de vrede en rust van de mensheid te verzekeren en in alle middelen te voorzien waardoor deze tot stand gebracht kunnen worden.

(Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh XXXIV, blz. 52)

O gij die op aarde woont! Het onderscheidende kenmerk dat het bijzondere karakter van deze meest voortreffelijke Openbaring tekent, bestaat hieruit dat Wij . . . de essentiële vereisten voor eendracht, begrip en voor volledige en blijvende eenheid hebben neergelegd. Wel gaat het hen die Mijn wetten nakomen.

(Lawh-i-Dunyá, in Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh XLIII, blz. 62)

Het Verheven Wezen, in Zijn wens de eerste vereisten voor vrede en rust in de wereld, en voor de vooruitgang van haar volkeren te openbaren, schrijft: De tijd zal komen dat men algemeen de gebiedende noodzaak zal beseffen voor het houden van een grote en alle mensen omvattende vergadering. De koningen en heersers der aarde moeten deze bijwonen en, door deelneming aan de beraadslagingen, wegen en middelen beramen die de grondslag zullen leggen voor de grote Wereldvrede onder de mensen. Zulk een vrede eist dat de grote mogendheden, ter wille van de rust onder de volkeren op aarde, besluiten tot volledige overeenstemming te komen. Indien een koning de wapens opneemt tegen een andere, moeten allen eendrachtig opstaan en hem dit beletten. Als men dit doet, zullen de volkeren der wereld alleen bewapening nodig hebben om de veiligheid in hun gebied te bewaren en de binnenlandse orde te handhaven. Dit zal de vrede en rust van ieder volk, iedere regering en natie waarborgen. Wij hopen vurig dat de koningen en heersers der aarde - de spiegels van de genadige en almachtige naam van God - deze staat mogen bereiken en de mensheid voor de aanvallen van tirannie zullen behoeden. . . . De dag nadert waarop alle volkeren der wereld één wereldtaal en één schrift zullen hebben aangenomen. Wanneer dit bereikt is, zal iemand waarheen hij ook reist, het gevoel hebben zijn eigen huis binnen te gaan. Deze dingen zijn verplicht en absoluut essentieel. Het is de plicht van ieder mens met inzicht en begrip alles in het werk te stellen om hetgeen is neergeschreven werkelijk in daden om te zetten. . . . Hij is waarlijk mens die zich heden ten dage in dienst stelt van de gehele mensheid. Het Verheven Wezen zegt: Gezegend en gelukkig is degene die opstaat om de hoogste belangen van de volkeren en geslachten der aarde te bevorderen. Op een andere plaats heeft Hij verkondigd: Men beroeme zich er niet op zijn vaderland lief te hebben, maar stelle er een eer in de gehele wereld lief te hebben. De aarde is slechts één land, waarvan alle mensen de burgers zijn.

(Lawh-i-Maqsud, in Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh CXVII, blz. 147-8)

O, gij heersers der aarde! Waarom hebt gij de straling van de Zon verduisterd en gezorgd dat hij ophield te schijnen? Luistert naar de raad die de Pen van de Allerhoogste u gaf, opdat zowel gij als de armen tot rust en vrede moogt komen. Wij smeken God de koningen der aarde bij te staan om de vrede op aarde te vestigen. Hij waarlijk doet wat Hij wil.

O koningen der aarde! Wij zien hoe gij uw uitgaven jaarlijks vergroot en uw onderdanen de last laat dragen. Dit, waarlijk, is volkomen en grovelijk onrechtvaardig. Vreest de zuchten en tranen van deze Verguisde en legt uw volkeren geen buitensporige lasten op. Berooft hen niet, teneinde paleizen voor uzelf te bouwen; neen, verkiest veeleer voor hen datgene wat gij voor uzelf verkiest. Aldus onthullen Wij u hetgeen u tot voordeel strekt; ontwaart gij het slechts. Uw volk is uw rijkdom. Waakt ervoor, dat uw bestuur de geboden van God niet schendt en gij uw beschermelingen niet overlevert aan de uitbuiter. Door hen regeert gij, van hun middelen bestaat gij, met hun hulp maakt gij veroveringen. Nochtans, met welk een minachting beziet gij hen! Hoe vreemd, hoe zonderling!

Nu gij de Allergrootste Vrede hebt afgewezen, houdt u aan de Kleine Vrede, zodat gij mogelijkerwijs uw eigen toestand en die van uw onderdanen enigermate kunt verbeteren.

O heersers der aarde! Legt uw geschillen bij, opdat gij niet meer bewapening behoeft dan noodzakelijk is ter beveiliging van uw gebieden. Hoedt u dat gij de raad van de Alwetende, de Getrouwe, niet veronachtzaamt.

Verenigt u, o koningen der aarde, want daardoor zal de storm van verdeeldheid onder u bedaren en zullen uw volkeren rust vinden, indien gij behoort tot hen die begrijpen. Mocht één uwer de wapenen tegen een ander opnemen, staat dan allen tegen hem op, want dit is niet anders dan onmiskenbare gerechtigheid.

(Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh CXIX, blz. 150)

Het welzijn der mensheid, haar vrede en veiligheid zijn onbereikbaar, tenzij haar eenheid blijvend tot stand is gebracht. Deze eenheid kan nooit worden verwezenlijkt, zolang aan de raad die de Pen van de Allerhoogste heeft geopenbaard, achteloos wordt voorbijgegaan.

(Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh CXXXI, blz. 170)

Wij bidden God - verheven zij Zijn heerlijkheid - en koesteren de hoop dat Hij genadiglijk de manifestaties van overvloed en macht en de dageraden van soevereiniteit en glorie, de koningen der aarde - moge God hen door Zijn sterkende genade helpen - zal bijstaan om de Kleine Vrede te vestigen. Dit is voorwaar het beste middel om de rust van de volkeren te verzekeren. Het is de plicht van de vorsten der wereld - moge God hen bijstaan - om eensgezind aan deze Vrede vast te houden, die het belangrijkste instrument voor de bescherming van de gehele mensheid is. Wij hopen dat zij op zullen staan om te bereiken wat het welzijn der mensen zal bevorderen. Het is hun plicht een allen omvattende ver-gadering bijeen te roepen, welke zijzelf ofwel hun ministers zullen bijwonen, en alle noodzakelijke maatregelen te verordenen die nodig zijn om eenheid en eendracht onder de mensen te vestigen. Zij dienen zich van alle oorlogstuig te ontdoen en werktuigen voor universele wederopbouw in gebruik te nemen. Zou één koning het opnemen tegen een andere, dan moeten alle andere koningen opstaan om hem ervan te weerhouden. Wapenen en krijgstoerusting zullen dan niet meer nodig zijn, behalve hetgeen noodzakelijk is om de binnenlandse veiligheid van hun eigen gebied te verzekeren. Als zij deze allesovertreffende zegen bereiken, dan zullen de mensen van elke natie in rust en tevredenheid hun eigen zaken behartigen en zal het kreunen en weeklagen van de meeste mensen tot bedaren komen. Wij smeken God hen te helpen om naar Zijn wil en welbehagen te handelen. Hij, waarlijk, is de Heer van de troon in den hoge en op aarde en de Heer van deze en de komende wereld. Het zou de voorkeur verdienen en passender zijn als de hooggeëerde koningen zelf zulk een vergadering zouden bijwonen en hun verordeningen uitvaardigen. Elke koning die opstaat en de taak uitvoert, zal waarlijk, in Gods ogen, de leidstar van alle koningen worden. Gelukkig is hij en groot zijn zegening!

(Epistel to the Son of the Wolf 55, blz. 30-31.)

De zesde Blijde Tijding is de vestiging van de Kleine Vrede, waarvan de details reeds eerder zijn onthuld door Onze verhevenste Pen. Groot is de gelukzaligheid van hem die deze hooghoudt en nakomt al hetgeen door God, de Alwetende, de Alwijze, is beschikt.

(Tablets of Bahá’u’lláh revealed after the Kitáb-i-Aqdas, blz. 23.)

In alle aangelegenheden is gematigdheid wenselijk. Als iets tot het uiterste wordt doorgevoerd, zal het een bron van kwaad blijken te zijn. Overweegt hoe de beschaving van het westen de volkeren der wereld heeft verontrust en in opschudding gebracht. Een helse machine is ontworpen en heeft bewezen zo'n wreed vernietigingswapen te zijn, dat nog nooit iemand iets dergelijks heeft gezien of gehoord. De uitbanning van zulke diepgewortelde en vernietigende misbruiken kan slechts tot stand worden gebracht, als de volkeren der wereld zich verenigen om een gemeenschappelijk doel na te streven en één universeel geloof te omhelzen. Neigt uw oor naar de Roep van deze Verguisde en houdt u stevig vast aan de Kleine Vrede.

(Tablets of Bahá’u’lláh revealed after the Kitáb-i-Aqdas, blz. 69.)

Ten eerste: De leden van het Huis van Gerechtigheid hebben de plicht om de Kleine Vrede te bevorderen, zodat de mensen op aarde verlost kunnen worden van de last van buitensporige uitgaven. Deze kwestie is van gebiedende aard en volstrekt noodzakelijk, aangezien vijandschap en strijd ten grondslag liggen aan kwellingen en rampspoed.

(Tablets of Bahá’u’lláh revealed after the Kitáb-i-Aqdas, blz. 89.)

In de overvloed van Onze genade en goedertierenheid hebben Wij in het bijzonder voor de heersers en leiders van de wereld datgene geopenbaard wat bevorderlijk is voor veiligheid en bescherming, rust en vrede, opdat wellicht de mensenkinderen gevrijwaard zullen blijven voor het kwaad van onderdrukking. Hij, waarlijk is de Beschermer, de Helper, de Schenker van overwinning. De mannen van Gods Huis van Gerechtigheid hebben de plicht bij dag en bij nacht hun blik te richten op hetgeen is geschreven vanuit de Pen van Heerlijkheid voor de vorming der volkeren, de opbouw van Natiën, de bescherming van de mens en de waarborg van zijn eer.

(Tablets of Bahá’u’lláh revealed after the Kitáb-i-Aqdas. blz. 125.)

Zij die rijkdom bezitten en bekleed zijn met gezag en macht moeten de diepste achting tonen voor religie. Waarlijk, religie is een stralend licht en een onaantastbare vesting voor de bescherming en het welzijn van de volkeren der aarde, want de vreze Gods zet de mens er toe aan vast te houden aan wat goed is en alle kwaad te schuwen. Zou de lamp der religie verduisterd worden, dan zullen daar chaos en verwarring uit voortkomen en de lichten van eerlijkheid en rechtvaardigheid, van rust en vrede zullen ophouden te schijnen. Hier zal ieder mens met waar begrip van getuigen.

(Tablets of Bahá’u’lláh revealed after the Kitáb-i-Aqdas. Blz. 125.)

Wij hebben de gehele mensheid voorgeschreven de Kleine Vrede te vestigen - het zekerste van alle middelen voor de bescherming van de mensheid. De heersers der wereld zouden hier eenstemmig aan vast moeten houden, want dit is het verheven instrument dat de veiligheid en het welzijn van alle volkeren en natiën kan verzekeren. Zij zijn waarlijk de manifestaties van Gods macht en de dageraden van Zijn gezag. Wij smeken de Almachtige, dat Hij hen genadiglijk moge bijstaan in datgene wat bevorderlijk is voor het welzijn van hun onderdanen. Een volledige uitleg betreffende deze zaak is eerder door de Pen van Heerlijkheid uiteengezet; wel gaat het hen die er naar handelen.

(Tablets of Bahá’u’lláh revealed after the Kitáb-i-Aqdas. blz. 126.)

Het doel van religie, zoals geopenbaard uit de hemel van Gods heilige wil, is om eenheid en eendracht te vestigen onder de volkeren van de wereld; maak haar niet tot de oorzaak van tweedracht en strijd. De religie van God en Zijn goddelijke wet zijn de krachtigste werktuigen en de zekerste van alle middelen voor het dagen van het licht van eenheid onder de mensen. De vooruitgang der wereld, de ontwikkeling der natiën, de rust der volkeren, en de vrede van allen die op aarde wonen behoren tot de beginselen en verordeningen van God. Religie schenkt de mens de kostbaarste van alle gaven, biedt de kelk van voorspoed, verleent eeuwig leven en stort onvergankelijke weldaden over de mensheid uit. Het betaamt de leiders en heersers van de wereld, en in het bijzonder de Gevolmachtigden van Gods Huis van Gerechtigheid, zich naar hun uiterste vermogen in te spannen om haar plaats veilig te stellen, haar belangen te bevorderen en haar staat in de ogen van de wereld te verheffen. Evenzo is het hun plicht de omstandigheden van hun onderdanen te onderzoeken en zich op de hoogte te stellen van de aangelegenheden en bezigheden van de verschillende gemeenschappen in hun gebied. Wij doen een beroep op de manifestaties van Gods macht - de vorsten en heersers op aarde - zich in te spannen en alles te doen wat in hun vermogen ligt, opdat zij wellicht onenigheid uit deze wereld mogen verdrijven en haar verlichten met het licht van eendracht....

(Tablets of Bahá’u’lláh revealed after the Kitáb-i-Aqdas, blz. 129-130.)

Wij hopen dat de godsdienstleiders en de heersers der wereld eendrachtig zullen opstaan voor de hervorming van deze tijd en het herstel van haar voorspoed. Laten zij, na diep nagedacht te hebben over ’s werelds noden, tezamen beraadslagen en, door een zorgvuldige en diepgaande overweging, aan een verziekte en hevig gekwelde wereld het geneesmiddel toedienen dat zij van node heeft.

Het Verheven Wezen zegt: De hemel van goddelijke wijsheid is verlicht door de twee hemellichten consultatie en mededogen. Beraadslaagt tezamen in alle aangelegenheden, aangezien consultatie het lichtbaken is dat de weg wijst en de schenker van begrip.

(Tablets of Bahá’u’lláh revealed after the Kitáb-i-Aqdas, blz. 168.)

Beraadslaagt... met elkaar en bekommert u slechts om hetgeen de mensheid ten goede komt en haar toestand verbetert. Beschouwt de wereld als het lichaam van de mens dat, hoewel gaaf en volmaakt bij zijn schepping, door verschillende oorzaken met ernstige ziekten en kwalen wordt bezocht. Geen dag vond het verlichting; integendeel, zijn ziekte werd steeds ernstiger, daar het onder behandeling van onkundige geneesheren kwam die de vrije teugel gaven aan hun persoonlijke begeerte en smartelijk dwaalden. En als wel eens door de zorg van een bekwaam geneesheer een deel van het lichaam genas, bleef de rest even ziek als tevoren, Aldus onderricht u de Alwetende, de Alwijze....

Wat de Heer heeft voorgeschreven als de voortreffelijkste remedie en het machtigste werktuig tot genezing van de gehele wereld is de vereniging van alle volkeren in één universele Zaak, één gemeenschappelijk Geloof. Dit kan op geen andere wijze worden bereikt dan door de kracht van een kundig, een almachtig en bezield Geneesheer. Waarlijk, dit is de waarheid, Hij die de Grootste Naam is, is neergezonden om de mensheid te doen herleven en te herleven en te verenigen. Aanschouw hoe men met getrokken zwaard tegen Hem in opstand kwam en datgene bedreef wat de betrouwbare Geest deed beven.

En steeds wanneer Wij tot hen zeiden: ‘Ziet, de Wereldhervormer is gekomen’, antwoordden zij: ‘Hij is waarlijk één der onheilstichters’.

(Passages uit de Tafel aan Koningin Victoria, aangehaald in The World Order of Bahá’u’lláh, blz. 39-40, 163).

PASSAGES UIT DE WOORDEN VAN BAHÁ’U’LLÁH

Geprezen zij God, dat gij gekomen zijt . . . Gij zijt hier gekomen om een gevangene en banneling te zien . . . Wij wensen slechts het welzijn der wereld en het geluk der volkeren, toch houdt men Ons voor een onruststoker en oproerkraaier, die verdiende gekneveld en verbannen te worden . . . Dat alle volkeren één worden in geloof en alle mensen als broeders, dat de banden van liefde en een-heid onder de mensen verstevigd worden, dat verscheidenheid van godsdienst ophoudt te bestaan, alle onenigheid tussen de rassen teniet wordt gedaan - welk kwaad schuilt daarin? . . . Toch zal dit eenmaal gescheiden; dit vruchteloos strijden, deze vernietigende oorlogen zullen voorbijgaan en de ‘Allergrootste Vrede’ zal komen . . . Hebt gij dit ook in Europa niet nodig? Is dit niet, wat Christus heeft voorgezegd? . . .

Toch zien Wij uwe koningen en heersers hun schatten meer verspillen aan middelen die tot vernietiging van het menselijk ras leiden dan ze aan te wenden om het geluk van de mensheid te bevorderen. Deze strijd, dit bloedvergieten en deze onenigheid moeten ophouden en alle mensen gelijk één familie, één gezin worden . . .

Men beroeme zich er niet op zijn vaderland lief te hebben, maar stelle er een er in de wereld lief te hebben . . .

(Beschrijving van Professor Edward G. Browne van de Universiteit van Cambridge, Engeland, na zijn bezoek aan Bahá’u’lláh in 1890; zie: Bahá’u’lláh en het Nieuwe Tijdperk, blz. 49-50.)

PASSAGES UIT DE GESCHRIFTEN VAN ‘ABDU’L-BAHá

Weet, dat alle aaneengesloten machten niet bij machte zijn wereldvrede te stichten noch in staat zijn, wanneer dan ook, de overweldigende heerschappij van deze eindeloze oorlogen te weerstaan. Eerlang zal echter de hemelse macht, de heerschappij van de Heilige Geest, de banieren van liefde en vrede hijsen op de hoge toppen en daar bovenuit zullen de buchten van majesteit en macht die banieren doen wapperen in de voortjagende winden die waaien uit de liefderijke barmhartigheid Gods.

(Selections from the Writings of ‘Abdu’l-Bahá, blz. 174.)

Wees ervan verzekerd dat in dit tijdperk van de geest het Rijk van Vrede zijn tabernakel zal oprichten op de toppen der wereld en de geboden van de Vredevorst zullen de slagaderen en zenuwen van ieder mens zozeer beïnvloeden, dat alle natiën op aarde naar Zijn beschuttende schaduw getrokken zullen worden. De ware Herder zal Zijn schapen uit bronnen van liefde, waarheid en eenheid te drinken geven.

O dienares van God, eerst moet er vrede worden gesloten tussen de mensen af-zonderlijk, totdat het op den duur voert tot vrede tussen natiën. O, gij Bahá'ís, spant u daarom uit alle macht in om, door de kracht van het Woord Gods, op-liefde, geestelijke en duurzame banden tot stand te brengen tussen de mensen. Dit is uw taak.

(Selections from the Writing of ‘Abdu’l-Bahá, blz. 246.)

Zolang deze vooroordelen blijven bestaan, zullen er aanhoudend vreselijke oorlogen zijn. Tussenvoegen: (van godsdienst, ras nationaliteit en politiek)

Om deze toestand te verhelpen moet er wereldvrede heersen. Teneinde dit tot stand te brengen moet er een Opperst Gerechtshof worden opgericht, dat alle regeringen en volkeren vertegenwoordigt; zowel nationale als internationale vraagstukken moeten daar worden voorgelegd en allen moeten de besluiten van dit Gerechtshof uitvoeren. Mocht een regering of volk niet gehoorzamen, laat dan de gehele wereld opstaan tegen die regering of dat volk.

(Seclections from the Writings of ‘Abdu’l-Bahá, blz. 249.)

In deze tijd is wereldvrede een zaak van groot belang, maar eenheid van geweten is essentieel, zodat de grondslag van deze zaak kan worden zekergesteld, de vestiging ervan stevig is en het bouwwerk sterk.

Daarom heeft Bahá’u’lláh vijftig jaar geleden deze aangelegenheden van wereldvrede uiteengezet, in een tijd waarin Hij opgesloten zat in de vesting van ‘Akká, Hem onrecht werd aangedaan en Hij gevangen werd gehouden. . . .

Tot Zijn leringen behoorde de verklaring van wereldvrede. . . . de leringen van Bahá'u'lláh beperkten zich niet tot de vestiging van wereldvrede. Ze omvatten vele leringen welke die van wereldvrede aanvulden en ondersteunden...

Kortom, dergelijke leringen zijn talrijk. Deze menigvuldige beginselen, die de voornaamste basis vormen voor het geluk van de mensheid en behoren tot de milddadigheden van de Barmhartige, moeten worden toegevoegd aan de zaak van wereldvrede en ermee verbonden worden, opdat er resultaten uit mogen voortvloeien. Anders is de verwezenlijking van wereldvrede op zich moeilijk in de wereld de mensheid. Omdat de leringen van Bahá’u’lláh verbonden zijn met wereldvrede, zijn ze als een tafel vol met vers en heerlijk voedsel. Ieder mens kan aan deze tafel van oneindige milddadigheid datgene vinden wat hij verlangt. Indien de aangelegenheid beperkt blijft tot wereldvrede alleen, zullen de opmerkelijke resultaten die verwacht en gewenst worden, niet worden bereikt. De draagwijdte van wereldvrede moet zodanig zijn dat alle gemeenschappen en religies er hun hoogste verlangen in verwezenlijkt zien. De leringen van Bahá’u’lláh zijn van dien aard dat alle gemeenschappen ter wereld, hetzij religieus, politiek of ethisch, zeer oud of hedendaags, de uitdrukking van hun hoogste verlangen erin vinden. . . .

Het vraagstuk van wereldvrede bijvoorbeeld, waarover Bahá'u'lláh zegt dat een Opperste Gerechtshof moet worden ingesteld; hoewel de Volkenbond in het leven is geroepen, is deze toch niet in staat wereldvrede te vestigen. Maar het Opperste Gerechtshof dat Bahá'u'lláh beschreven heeft, zal deze heilige taak met de allergrootste macht en kracht vervullen. Zijn plan is aldus: dat de nationale raden van elk land en elk natie - dat wil zeggen parlementen - twee of drie personen moeten kiezen, die de besten van die natie zijn en die goed op de hoogte zijn met internationale wetten en met betrekkingen tussen regeringen en zich bewust zijn van de wezenlijke behoeften van de wereld der mensheid in deze dagen. Het aantal van deze vertegenwoordigers moet in verhouding staan tot het aantal inwoners van dat land. De verkiezing van deze mensen die zijn gekozen door de nationale raad, dat wil zeggen het parlement, moet worden bekrachtigd door de senaat, het congres en het kabinet en eveneens door de president of vorst, opdat deze mensen de gekozenen zullen zijn van de gehele natie en de regering. Het Opperste Gerechtshof zal uit deze mensen worden samengesteld en op deze wijze zal de gehele mensheid eraan deelhebben, want een ieder van deze afgevaardigden vertegenwoordigt ten volle zijn natie. Wanneer het Opperste Gerechtshof een uitspraak doet over enig internationaal probleem, hetzij eenstemmig of bij meerderheid, zal er voor de aanklager geen voorwendsel meer zijn of reden tot bezwaar voor de aangeklaagde. In het geval dat een regering of natie in de uitvoering van een on-weerlegbaar beslissing van het Opperste Gerechtshof nalatig is of talmt, zullen de overige natiën zich daartegen verzetten, omdat alle regeringen en natiën der wereld dit Opperste Gerechtshof steunen. Overweegt welk een hechte grondslag dit is! Maar door een Bond van beperkende bepalingen afhankelijk, kan het doel niet worden verwezenlijkt zoals het eigenlijk zou moeten. Dit is de waarheid over de situatie die is uiteengezet....

(Selections from the Writings of ‘Abdu’l-Bahá, blz. 297-298, 304, 306-307.)

Ware beschaving zal haar vaandel ontplooien in het hart van de wereld, wanneer een zeker aantal nobele en bezielde heersers - stralende voorbeelden van toewijding en vastberadenheid - zich vastbesloten en met helder inzicht, zal verheffen voor het geluk en het welzijn der gehele mensheid om universele vrede te stichten. Zij moeten de vrede tot onderwerp van algemene beraadslaging maken en trachten met alle hun beschikking staande middelen een unie van de staten der wereld op te richten. Zij moeten een bindend verdrag sluiten en een verbond oprichten, waarvan de bepalingen reëel, onschendbaar en duidelijk omschreven zullen zijn. Zij moeten dit verdrag aan de wereld bekendmaken en hiervoor de goedkeuring van alle mensen verkrijgen. Deze verheven en nobele onderneming - de ware bron van vrede en welzijn van de gehele wereld - moet als een heilige zaak worden beschouwd door allen die de aarde bewonen. Alle krachten van de mensheid moeten worden gemobiliseerd om de duurzaamheid en bestendigheid van dit Allergrootste Verbond te verzekeren. In dit alomvattende Verdrag moeten de beperkingen en de grenzen van iedere staat duidelijk worden vastgesteld, de grondbeginselen waarop de onderlinge verhoudingen van de regeringen berusten worden vastgelegd en alle internationale verdragen en verplichtingen duidelijk worden geregeld. Eveneens moet de sterkte van de bewapening van iedere regering strikt worden beperkt, immers iedere staat die vrij is zich op een oorlog voor te bereiden en zijn militaire macht uit te breiden, zal het wantrouwen van de andere staten opwekken. Dit plechtige verdrag moet op zulk een hecht fundament berusten, dat iedere regering die later één van de bepalingen overtreedt, door de wereld tot onderwerping zal worden gebracht. Ja, de gehele mensheid zou als één geheel moeten besluiten met alle beschikbare macht deze regering te vernietigen. Wordt dit machtigste geneesmiddel op het zieke lichaam van de wereld toegepast, dan zal het zeker van zijn ziekten genezen en voorgoed veilig en gezond blijven.

Merk op dat, indien zulk een gelukkige situatie zou ontstaan, geen enkele regering bij voortduring oorlogstuig zou behoeven op te stapelen, noch zich verplicht zou voelen steeds nieuwe militaire wapens te produceren om daarmee de mensheid te overmeesteren. Een kleine strijdmacht voor de binnenlandse veiligheid, het straffen van misdadige en wanordelijke elementen en het voor-komen van plaatselijke ongeregeldheden zou zijn vereist - meer niet. Op deze wijze zou de gehele bevolking allereerst zijn ontheven van de verpletterende last van uitgaven hun thans opgelegd voor militaire doeleinden, en vervolgens zouden grote aantallen mensen ermee ophouden hun tijd te besteden aan het voortdurend bedenken van nieuwe vernietigingswapens - deze getuigenissen van hebzucht en bloeddorst, zo onverenigbaar met de gave van het leven - en zij zouden in plaats daarvan hun inspanningen kunnen richten op de produktie van alles wat het menselijk bestaan, vrede en welzijn bevordert, en zij zouden de oorzaak worden van wereldomvattende ontwikkeling en voorspoed. Dan zal ieder land op aarde in ere regeren en ieder volk in rust en tevredenheid worden verzorgd.

Enkelen die zich niet bewust zijn van de kracht, welke verborgen ligt in de inspanningen van de mens, beschouwen deze kwestie als hoogst onpraktisch, ja zelfs buiten het vermogen van ’s mensen uiterste inspanningen. Dit is evenwel niet het geval. Integendeel, dankzij de nimmerfalende genade van God, de liefderijke bejegening van zijn begunstigden, de onversaagde inspanningen van wijze en bekwame mensen en de gedachten en ideeën van de weergaloze leiders van deze tijd, kan absoluut niets onbereikbaar worden geacht. Inspanning, voortdurende inspanning wordt vereist. En uitsluitend een onoverwinbare vastberadenheid kan dit eventueel bereiken. Menige zaak die men in voorbije tijden als uitsluitend hersenschimmig beschouwde, is nu toch maar heel gemakkelijk uitvoerbaar geworden. Waarom zou deze grootse en verheven zaak - de dagster aan het firmament van ware beschaving, de oorzaak van de glorie, de vooruitgang, het welzijn en het succes van de gehele mensheid - als onbereikbaar beschouwd moeten worden? Voorzeker zal de dag komen dat het prachtige licht ervan verlichting zal uitstorten over de mensengemeenschap.

De uitrusting tot strijd zal, naarmate de voorbereidingen in het huidige tempo voortgaan, het punt bereiken waarop oorlog iets onduldbaar zal worden voor de mensheid.

Het is duidelijk uit wat reeds is gezegd, dat ’s mensen eer en grootheid niet bestaat uit bloeddorst en het paraat zijn voor de aanval, uit het vernielen van steden en het verspreiden van verwoesting, uit het afslachten van soldaten en burgers. Datgene, wat een schitterende toekomst voor hem zou betekenen, zou zijn reputatie van rechtvaardigheid zijn, zijn goedheid jegens de gehele be-volking zowel hoog als laag, zijn opbouw van landerijen en steden, dorpen en wijken, zijn reputatie het leven voor zijn medemens te vergemakkelijken, vre-dig en gelukkig te maken, zijn voorschrijven van de grondbeginselen van vooruitgang, zijn verhoging van de normen en zijn inzet de voorspoed der gehele bevolking te doen toenemen...

Geen macht op aarde kan zegevieren over de legers van gerechtigheid en iedere burcht moet voor hen vallen, want de mensen zwichten geredelijk voor de zegevierende slagen van dit kritieke zwaard en troosteloze oorden groeien en bloeien onder de zware laarzen van dit leger. Er zijn twee machtige banieren die als ze de kroon van een koning overschaduwen, de invloed van zijn regering snel en gemakkelijk de gehele aarde doen doordringen, alsof het licht van de zon was: de eerste van deze twee banieren is wijsheid, de tweede is gerechtigheid. Tegen deze twee zeer machtige krachten kunnen ijzeren heuvels niet standhouden en Alexanders muur zal voor hen neerstorten. Het is duidelijk, dat het leven in deze snel voorbijgaande wereld even kortstondig en veranderlijk is als de ochtendwind, en daar dit zo is, behoren de groten die een goede naam nalaten en de herinnering aan een leven besteed in het pad van Gods welbehagen, tot de gelukkigen....

Een overwinning kan prijzenswaardig zijn, en er zijn tijden dat oorlog juist de krachtige basis voor vrede wordt, en vernietiging het middel tot wederopbouw. Als bijvoorbeeld een verlicht heerser zijn troepen opstelt om de aanval van de opstandige en de strijdlustige te verhinderen of wederom, als hij te velde trekt en zich onderscheidt om in een verdeelde staat en een verdeeld volk eenheid te brengen, als hij, kortom, oorlog voert voor een rechtvaardig doel, dan is deze schijnbare gramschap op zichzelf genade en deze schijnbare tirannie de ware basis van gerechtigheid en deze oorlog de hoeksteen voor vre-de. De taak die grote heersers in onze tijd siert, is het vestigen van wereldvrede, want hierin ligt de vrijheid van alle volkeren.

(The Secret of Divine Civilization, blz. 64-67, 70-71.)

Ofschoon er in vervlogen tijdperken harmonie bestond, kon toch door gebrek aan communicatie de eenheid der gehele mensheid niet worden verwezenlijkt. De verschillende continenten bleven ver gescheiden en zelfs voor de volken van hetzelfde werelddeel was het vrijwel onmogelijk met elkaar in binding te treden en van gedachte te wisselen. Onderling verkeer, begrip en de eenheid van alle volken op aarde konden dientengevolge niet worden bereikt. In deze tijd zijn de communicatiemiddelen echter zo talrijk geworden dat de vijf werelddelen eigenlijk al één geheel zijn . . Evenzo zijn alle leden van de samenleving, hetzij volken of regeringen, steden of dorpen, hoe langer hoe meer van elkaar afhankelijk geworden. Want de een kan onmogelijk nog langer zonder de ander bestaan, aangezien politieke belangen alle volken en natiën met elkaar verbinden, terwijl ook op het gebied van handel en industrie, landbouw en onderwijs de onderlinge banden dagelijks worden verstevigd. Hieruit volgt dat in deze tijd de eenheid van de mensheid kan worden bereikt. Dit is inderdaad een van de wonderen van deze buitengewone, deze glorierijke eeuw. Vroegere tijdperken waren hiervan verstoken, maar deze eeuw - de eeuw van licht - is vol van unieke en ongeëvenaarde heerlijkheid, kracht en luister. Vandaar dat iedere dag een nieuw wonder onthuld wordt. Uiteindelijk zal men zien hoe helder de kaarsen van eenheid in de menselijke samenleving brandden.

Ziet hoe het licht van eenheid thans daagt aan de duistere horizont der wereld. De eerste kaars is de eenheid op het politieke vlak, waarvan het eerste flauwe schijnsel nu kan worden waargenomen. De tweede kaars is de eenheid van denken wat betreft de samenwerking op wereldniveau, waarvan men spoedig de totstandkoming zal zien. De derde kaars is de eenheid in vrijheid, de stellig ko-men zal. De vierde kaars is eenheid van religie, die de eigenlijke hoeksteen van het geheel is en die door de macht van God in alle pracht zal worden geopenbaard. De vijfde kaars is de eenheid der volken - een eenheid die in deze eeuw hecht gevestigd zal worden, waardoor alle mensen op aarde zich als burgers van één gemeenschappelijk vaderland zullen beschouwen. De zesde kaars is de eenheid van ras, die alle mensen op aarde, alle volken en geslachten, tot één ras zal maken. De zevende kaars is de eenheid van taal, dit betekent dat er een wereldtaal zal worden gekozen die alle mensen (naast de landstaal) zal worden geleerd, zodat zij met elkaar kunnen spreken. Dit alles zal zonder twijfel tot stand komen door de hulp en kracht van het Koninkrijk Gods.

(The World Order of Bahá’u’lláh, blz. 38-39;
The Promised Day Is Come, blz. 120-121)

. . . iedere zaak in deze bestaanswereld, vindt een zichtbare uitdrukking door drie middelen: ten eerste, het voornemen, ten tweede, de bekrachtiging, ten derde, de handeling. Nu zijn er op deze aarde vele mensen die vrede en verzoening bevorderen en naar de verwezenlijking van de eenheid en het eenzijn van de wereld der mensheid verlangen; maar dit voornemen behoeft een dynamische kracht, zodat het zichtbaar wordt in de bestaanswereld. Heden ten dage bevorderen de goddelijke voorschriften en de gezagvolle vermaningen dit zeer verheven doel en de bekrachtigingen van het Koninkrijk ondersteunen en helpen eveneens de verwezenlijking van dit voornemen. Derhalve, ofschoon de verenigde krachten en ideeën van de natiën der wereld dit verheven doel niet uit zichzelf kunnen bereiken, doordringt de kracht van Gods Woord alle dingen en blijft de bijstand van het Koninkrijk Gods voortgaan. Eerlang zal overduidelijk blijken dat de leringen van Bahá'u'lláh het vaandel van de Allergrootste Vrede zijn en dat de tent van eenheid en harmonie onder de natiën het Tabernakel van het Koninkrijk Gods is, want hierin zijn het voornemen, de kracht en de handeling alle drie bijeengebracht. De verwezenlijking van alles in de bestaanswereld is van deze drie elementen afhankelijk.

(Passage uit een onlangs vertaalde Tafel van ‘Abdu’l-Bahá.)

Rust voor zover mogelijk geen ogenblik, reis naar het noorden en het zuiden van het land en roep alle mensen op tot de eenheid van de wereld der mensheid en tot wereldvrede met de woorden: O mensen! Bahá'u'lláh heeft vijftig jaar geleden de grondslag voor wereldvrede gelegd. Hij richtte zelfs Zijn Brieven aan de Koningen, waarin Hij verklaarde dat oorlog de bestaansbasis van de wereld der mensheid zou vernietigen, dat vrede bevorderlijk is voor het voortbestaan van het leven en dat gruwelijk gevaar de mensheid bedreigt. Drie jaren voor het uitbreken van de wereldoorlog reisde 'Abdu'l-Bahá naar Amerika en een groot deel van Europa, waar hij zijn stem verhief op vele bijeenkomsten, bij vele gezelschappen en in vele kerken en indringend riep: O, gij, die hier bijeen zijt! Het Europese continent is zowaar een met explosieven gevuld arsenaal geworden. Er zijn enorme opslagplaatsen met vernietigingsmateriaal ondergronds verborgen, die door een enkele vonk kunnen ontploffen, waardoor de gehele aarde op zijn grondvesten zal schudden, O, gij, mensen van begrip! Maakt u op, opdat wellicht de opeenhoping van licht onbrandbaar materiaal niet zal exploderen. Maar men sloeg geen acht op deze op-roep en dientengevolge brak deze moordende oorlog uit.

Het merendeel der mensheid realiseert zich nu hoe rampzalig oorlog is en hoe oorlog de mens verandert in een wild beest, waardoor welvarende steden en dorpen tot ruïnes vervallen en de fundamenten van 's mensen bouwwerk verbrokkelen. Nu echter alle mensen zijn ontwaakt en met aandacht luisteren, is de tijd gekomen om wereldvrede bekend te maken - een vrede, gebaseerd op rechtschapenheid en gerechtigheid, opdat de mensheid in de toekomst niet nog meer gevaren zal worden blootgesteld. Nu is het de dageraad van wereldvrede en de eerste stralen van haar licht beginnen te verschijnen. Wij hopen oprecht dat de stralende lichtbron ervan zal schijnen en haar pracht zal uitstorten over het oosten en het westen. Het vestigen van Wereldvrede is alleen mogelijk door de kracht van het Woord Gods. . . .

(Passage uit een onlangs vertaalde Tafel van ‘Abdu’l-Bahá.)

Chaos en verderf nemen dagelijks toe in de wereld. Ze zullen zulk een hevigheid bereiken, dat de mensheid niet meer in staat zal zijn ze te verdragen. Dan zul-len de mensen worden wakker geschud en zich ervan bewust worden, dat religie de onneembare veste en het duidelijke licht van de wereld is en haar wetten, aansporingen en leringen de bron van leven zijn op aarde.

(Woorden van ‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in een brief van het Universele Huis van Gerechtigheid van 10 februari 1980.)

PASSAGES UIT DE WOORDEN VAN ‘ABDU’L-BAHÁ

Nu heeft de wereld der mensheid behoefte aan internationale eenheid en verzoening. Om deze voorname en fundamentele grondbeginselen te vestigen is een stuwende kracht nodig. Het spreekt vanzelf dat de eenheid in de mensenwereld en de Allergrootste Vrede niet tot stand kunnen worden gebracht door materiële middelen. Deze kunnen niet gevestigd worden door politieke macht, want de poli-tieke belangen van natiën zijn verschillend en het beleid van de volkeren is afwijkend en tegenstrijdig. Ze kunnen niet worden gegrondvest op raciale of vaderlandslievend macht, want deze zijn menselijke machten, zelfzuchtig en zwak. Het is juist de aard van deze raciale verschillen en vaderlandslievend vooroordelen die de verwezenlijking van deze eenheid en overeenstemming verhinderen. Het is daarom bewezen dat bevordering van de eenheid van het mensenrijk, welke de essentie is van de leringen van alle Manifestatie van God, onmogelijk is, behalve door de goddelijke kracht en ademtochten van de Heilige Geest. Andere krachten zijn te zwak en niet in staat dit tot stand te brengen.

(The Promulgation of Universal Peace, blz. 11-12.)

Wij zullen bidden dat het vaandel van wereldvrede zal worden gehesen en dat de eenheid van de mensenwereld moge worden verwezenlijkt en voltooid. Dit alles wordt mogelijk en uitvoerbaar door uw inspanningen. Moge deze Amerikaanse democratie de eerste natie zijn die de grondslag van internationale overeenstemming zal leggen. Moge het de eerste natie zijn die de universaliteit der mensheid zal verkondigen. Moge het de eerste zijn die de standaard van de Allergrootste Vrede zal planten en moge door deze democratische natie deze menslievende oogmerken en instellingen over de gehele wereldwijd en zijn wor-den verspreid. Voorwaar, dit is een grote en vereerde natie. Hier heeft vrijheid haar hoogste graad bereikt. De oogmerken van haar volk zijn hoogst prijzenswaardig. Ze is met recht waardig om de eerste te zijn die het Tabernakel van de Allergrootste Vrede bouwt en de eenheid der mensheid verkondigt. Ik zal God smeken om bijstand en bekrachtiging voor u.

(The Promulgation of Universal Peace, blz. 36-37.)

Heden ten dage is het de grootste noodzaak voor de wereld der mensheid om een einde te maken aan de bestaande misverstanden onder volkeren. Dit kan tot stand worden gebracht door de eenheid van taal. Tenzij de eenheid der talen is verwezenlijkt, kan de Allergrootste Vrede en de eenheid der mensheid niet daadwerkelijk worden georganiseerd en gevestigd, omdat het de functie van de taal is de mysteriën en de geheimen van het mensenhart uit te beelden. Het hart is gelijk een doos, waarvan de taal de sleutel is. Alleen door de sleutel te gebruiken, kunnen wij de doos openen en de juwelen die ze bevat, zien. Daarom is de kwestie van een wereldhulptaal van het allergrootste belang . . . Ik hoop dat deze vervolmaakt zal worden door de genadegaven van God en dat intelligente mensen uit de verschillende landen der wereld zullen worden uitgekozen om een internationaal congres bijeen te roepen, waar-van het hoofddoel de bevordering van deze wereldhulptaal is.

(The Promulgation of Univérsal Peace, blz. 60-61.)

. . . omdat ik bemerk dat de Amerikaanse natie zozeer het vermogen heeft iets te bereiken en deze regering de beste is van de westerse regeringen en de instellingen ervan de andere overtreffen, hoop en wens ik dat de banier van internationale verzoening het eerst op dit werelddeel moge worden geheven en de standaard van de Allergrootste Vrede hier moge worden ontplooid. Moge het Amerikaanse volk en zijn regering zich verenigen in hun inspanningen, opdat dit licht vanuit dit punt moge dagen en zich naar alle gebieden verspreiden, want dit is een van de grootste gaven Gods. Opdat Amerika gebruikt moge maken van deze gelegenheid, smeek ik u dat u met hart en ziel streef en bidt, al uw energie wijdend aan dit doel: dat de banier van wereldvrede hier moge worden geheven en dat deze democratie de oorzaak moge zijn van het beëindigen van oorlog in alle andere landen.

(The Promulgation of Universal Peace, blz. 83/4.)

In voorbije tijden was de mensheid gebrekkig en krachteloos, omdat zij onvolledig was. Oorlog en haar verwoestingen hebben de wereld geteisterd; de opleiding van de vrouw zal een grote stap zijn naar het afschaffen en beëindigen ervan, want zij zal haar gehele invloed aanwenden tegen de oorlog. De vrouw brengt het kind groot en voedt de jeugd op tot volwassenheid. Zij zal weigeren haar zonen te offeren voor het slagveld. Zij zal waarlijk de voornaamste factor zijn in het vestigen van wereldvrede en internationale arbitrage. Zonder enige twijfel zal de vrouw oorlogvoering onder de mensheid afschaffen.

(The Promulgation of Universal Peace, blz. 108.)

Wij weten allen dat wereldvrede goed is, dat ze bevorderlijk is voor de wel-vaart en de glorie van de mens, maar het zijn de wil en de daad die noodzakelijk zijn voordat deze kan worden gevestigd. De daad is essentieel. Aangezien deze eeuw een eeuw van licht is, is het vermogen tot daden verzekerd voor de mens-heid. Noodzakelijkerwijs zullen de goddelijke beginselen onder de mensen worden verspreid totdat de tijd van handelen komt. Voorzeker is dit zo geweest en de tijd en omstandigheden zijn nu waarlijk rijp voor de handelen.

(The Promulgation of Universal Peace. blz. 121.)

Dit is geschied. De machten op aarde kunnen de voorrechten en gaven die God voor deze grootste en glorieuze eeuw heeft bestemd, niet weerstaan. Het is een noodzaak en vereiste van de tijd. . . . Laat deze eeuw de zon zijn van voorgaande eeuwen, waarvan de pracht eeuwig zal duren, zodat men in de toekomst de twintigste eeuw zal verheerlijken met de woorden: de twintigste eeuw was de eeuw van het licht, de twintigste eeuw was de eeuw van wereldvrede, de twintigste eeuw was de eeuw van goddelijke gaven en de twintigste eeuw heeft sporen nagelaten die eeuwig zullen blijven.

(The Promulgation of Universal Peace, blz. 125-126)

De gewichtigste aangelegenheid in deze dag is wereldvrede en internationale arbitrage, maar wereldvrede is onmogelijk zonder algemeen stemrecht. Kinderen worden door vrouwen opgevoed. De moeder draagt de zorgen en moeilijkheden tijdens het grootbrengen van het kind en zij ondergaat de beproeving van de geboorte en opvoeding. Daarom is het uiterst moeilijk voor moeders om hen, die zij met zoveel liefde en zorg hebben omringd, naar het slagveld te sturen. Denk aan een zoon die twintig jaar lang is grootgebracht en opgevoed dor een toegewijde moeder. Hoeveel slapeloze nachten en onrustige, zorgelijke dagen heeft zij niet doorgemaakt! Nadat zij hem door gevaren en moeilijkheden heen naar de volwassenheid heeft gevoerd, hoe hartverscheurend is het dan hem op het slagveld op te offeren! De moeders zullen daarom oorlog niet goedkeuren of er vrede mee hebben. Het gevolg hiervan zal zijn dat, wanneer vrouwen volledig en op voet van gelijkheid deelnemen aan de aangelegenheden in de wereld, wanneer zij vol vertrouwen en bekwaam de grote arena van wetgeving en politiek betreden, oorlog zal ophouden te bestaan, want de vrouw zal het beletten en verhinderen. Dit is ongetwijfeld de waarheid.

(The Promulgation of Universal Peace, blz. 134-135)

Nu gloort de roemrijke en stralende twintigste eeuw en de goddelijke milddadigheid straalt alom. . . . Waarlijk dit kan het wonder der eeuwen worden ge-noemd, want ze is vervuld van de bewijzen van het wonderbaarlijke. De tijd is gekomen dat de gehele mensheid verenigd zal zijn, dat alle rassen trouw zullen zijn aan één vaderland, alle religies één religie worden en dat raciale en religieuze vooringenomenheid verdwijnt. Het is een tijd waarin de eenheid der mensheid haar standaard zal heffen en wereldvrede, gelijk de ware morgenstond, de wereld met haar licht zal beschijnen.

(The Promulgation of Universal Peace, blz. 153)

Hij verkondigde dat man en vrouw dezelfde soort opleiding moeten krijgen. Zoons en dochters moeten hetzelfde leerplan volgen, waarbij eenheid der sexen wordt bevorderd. Wanneer de gehele mensheid dezelfde gelegenheid tot onderwijs zal krijgen en de gelijkwaardigheid van man en vrouw zal worden verwerkelijkt, zal de bron tot oorlogvoering volledig worden vernietigd. Zonder gelijkwaardigheid zal dit onmogelijk zijn, omdat verschil en onderscheid tweedracht en strijd bevorderen. Gelijkwaardigheid van man en vrouw bevordert de afschaffing van oorlogvoering, omdat de vrouwen deze nooit willen goedkeuren. Moeders zullen hun zonen nooit op het slagveld willen opofferen, na twintig jaren van zorgen en liefdevolle toewijding bij het hen van kindsbeen af aan grootbrengen, ongeacht voor welke zaak zij worden opgeroepen om te verdedigen. Het lijdt geen twijfel dat, wanneer de vrouw gelijke rechten verkrijgt, oorlog onder de mensheid geheel zal ophouden te bestaan.

(The Promulgation of Universal Peace, blz. 175)

De wereld heeft het meest behoefte aan wereldvrede. Totdat deze gevestigd is, zal de mensheid niet tot kalmte en rust komen. Het is noodzakelijk dat de natiën en de regeringen een internationaal tribunaal bijeenroepen, waaraan al hun geschillen en twistpunten zullen worden voorgelegd. Het besluit van dat tribunaal zal beslissend zijn. Persoonlijke kwesties zullen door een plaatselijk tribunaal worden beslecht. Internationale kwesties zullen voor het wereldtribunaal komen en zo zal de oorzaak van oorlogvoering worden weggenomen.

(The Promulgation of Universal Peace, blz. 301)

Ik vind dat deze twee grote Amerikaanse naties hogelijk bekwaam en vooruitstrevend zijn . . . Ik hoop dat deze geëerbiedigd naties voorname factoren zullen worden bij het vestigen van wereldvrede en de eenheid van de wereld der mensheid . . .

(The Promulgation of Universal Peace, blz. 318)

De wereld der mensheid bezit twee vleugels: de mannelijke en de vrouwelijke. Zolang deze twee vleugels niet even sterk zijn, zal de vogel niet vliegen. Niet voordat de vrouw dezelfde status bereikt als de man en niet voordat zij het-zelfde gebied van activiteiten heeft, zal geen bijzondere vooruitgang door de mensheid worden geboekt; de mensheid kan niet eerder haar vlucht nemen naar hoogten van werkelijk succes. Als de twee vleugels of componenten even sterk worden, waardoor zij dezelfde voorrechten genieten, zal de vlucht die de mens neemt, uitermate verheven en uitzonderlijk zijn. Daarom moet de vrouw dezelfde opleiding krijgen als de man en moet alle onge-lijkwaardigheid worden rechtgezet. Vrouwen zullen, doordrongen met dezelfde deugden als de man, opkomend via alle stadia van menselijke verworvenheid, de gelijke van de man worden, en pas als deze gelijkwaardigheid gevestigd is zullen ware vooruitgang en verworvenheden van het menselijk ras bevorderd worden.

De duidelijke redenen die hier aan ten grondslag liggen zijn de volgende: van nature heeft de vrouw een aversie tegen oorlog, zij is een pleitbezorger voor vrede. Kinderen worden grootgebracht door de moeders die hun de basis-opvoeding geven en die onverdroten voor hen werken. Denk bijvoorbeeld eens aan een moeder die twintig jaar lang een zoon liefhebbend heeft grootgebracht tot aan zijn volwassenheid. Zij zal er zeker niet in toestemmen dat die zoon op het slagveld uiteengerukt en gedood wordt. Naarmate de vrouw derhalve het niveau van de man benadert wat betreft vermogens en voorrechten, met stemrecht en toezicht bij het regeren, zal oorlog stellig ophouden, want de vrouw is door haar aard de meest toegewijde en vastberaden voorstander van wereldvrede.

(The Promulgation of Universal Peace, blz. 375)

Een Opperst Gerechtshof zal door de volkeren en regeringen van iedere natie worden gekozen, waar afgevaardigden van elk land en iedere regering in eenheid samen zullen komen. Alle twistpunten zullen aan dit Hof worden voorgelegd, dat als opdracht heeft oorlogen te voorkomen.

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, blz. 149)

Een Opperst Gerechtshof zal ingesteld worden door de volkeren en regeringen van ieder land, samengesteld uit leden die gekozen zijn uit elk land en elke regering. De leden van dit hoogste college moeten in eenheid vergaderen. Alle geschillen van internationale aard moeten aan dit Hof worden voorgelegd, wiens taak het is om door arbitrage alles wat anders een oorlog zou veroorzaken bij te leggen. De opdracht van dit Tribunaal zal het voorkomen van oorlog zijn.

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, blz. 175)

‘Met betrekking tot ontwapening, moeten alle volken tegelijkertijd ontwapenen. Het heeft geen enkel nut en het wordt ook niet voorgesteld dat slechts enkele volken hun wapens neerleggen, terwijl anderen, hun buren, bewapend blijven. Wereldvrede moet tot stand komen door internationale overeenkomst. Alle volken moeten erin toestemmen zich gelijktijdig te ontwapenen . . . Geen volk kan een vredespolitiek voeren terwijl zijn buurman oorlogszuchten blijft . . . Dat is niet te rechtvaardigen. Niemand zal het in zijn hoofd halen het denkbeeld te opperen dat wereldvrede tot stand kan worden gebracht door een algemene en alomvattende internationale overeenkomst en op geen andere wijze . . .’

‘Gelijktijdig handelen’, zo vervolgde hij, ‘is noodzakelijk bij elk plan tot ontwapening. Alle regeringen ter wereld moeten hun slagschepen en oorlogsschepen veranderen in koopvaardijschepen. Maar geen volk kan alleen aan zulk een politiek beginnen en het zou dwaasheid zijn als welke macht ook dit zou pogen te doen . . . het zou eenvoudigweg de vernietiging uitlokken.’

Aan ‘Abdu’l-Bahá werd gevraagd: ‘Zijn er enige tekenen dat een blijvende we-reldvrede zal worden gevestigd binnen een redelijke tijd?’

‘Ze zal in deze eeuw gevestigd worden,’ antwoordde hij. ‘Ze zal in de twintigste eeuw universeel worden. Alle volken zullen ertoe gedwongen worden.’

‘Zal economische druk gewicht in de schaal leggen?’

‘Ja, de volken zullen ertoe gedwongen worden vrede te sluiten en in te stemmen met de afschaffing van oorlog. De afschuwelijke belastingdruk ten bate van oorlogsdoeleinden zal het menselijk uithoudingsvermogen te boven gaan . . .’

Tenslotte zei ‘Abdu’l-Bahá: ‘Neen, ik herhaal dat geen enkel volk onder der-gelijke omstandigheden kan ontwapenen. Ontwapening zal voorzeker komen, maar het moet en zal komen door de algemene instemming van de beschaafde volkeren op aarde. Middels internationale overeenkomst zullen zij hun wapens neerleggen en zal het grote tijdperk van vrede worden ingeluid’

‘Op deze en geen andere wijze kan vrede op aarde worden gevestigd.’

(Passages uit een interview met een journalist aangehaald in ‘Abdu’l-Bahá in Canada’, blz. 50-51.)

Zodra het Parlement der Volkeren is gevestigd en zijn schragende organisaties zijn ingesteld, zullen de regeringen van de wereld, nadat zij een verbond van eeuwige vriendschap hebben gesloten, geen behoefte meer hebben aan het in stand houden van een groot beroepsleger en een vloot. Een paar bataljons ter handhaving van de binnenlandse orde en een internationaal politieleger dat de hoofsvaarroutes ter zee vrijhoudt, is alles wat nodig zal zijn. Dan zullen deze enorme sommen geldt kunnen worden aangewend voor andere en nuttiger doelen; armoede zal verdwijnen, kennis zal toenemen, de overwinningen der Vrede zullen door dichters en zangers worden bezongen, wetenschap zal de omstandigheden verbeteren en de mensheid zal worden geslaafd aan de bron van gelukzaligheid. Of een regering constitutioneel of republikeins is, een erfelijke monarchie of democratie heeft, de bestuurders ervan zullen dan hun tijd wijden aan de voorspoed van hun land, aan het uitvaardigen van rechtvaardige en wijze wetten en het aankweken van meer hechte en vriendschappelijke relaties met hun buurlanden - aldus zal de wereld der mensheid een spiegel worden die de deugden en hoedanigheden van het Koninkrijk van God weerspiegelt.

. . .Met algemene instemming moeten alle regeringen ter wereld gelijktijdig ontwapenen ... het is niet goed, als één de wapens neerlegt en de ander weigert dit te doen. De natiën van de wereld moeten het met elkaar eens zijn aangaande dit uiterst belangrijke onderwerp; zo kunnen ze gezamenlijk de dodelijk wapens die bloedbaden aanrichten, afschaffen. Zolang één land zijn krijgs- en zeemachtbudget vergroot, zal ook een ander land tot deze waanzinnige wedloop gedwongen zijn, gezien zijn natuurlijke en vermeende belangen.

Nu moet het vraagstuk van ontwapening in praktijk worden gebracht door alle landen. Bijgevolg moeten de voorstanders van vrede zich dag en nacht inspannen, zodat alle bewoners van ieder land vredelievend zullen worden, de openbare mening op een stevige basis wordt geschoeid en het Wereldvredesleger dag na dag groter zal worden, volledige ontwapening zal worden verwezenlijkt en de Vlag van universele Verzoening zal wapperen op de bergtoppen der aarde.

De idealen van vrede moeten worden gevoed en verspreid onder de bewoners der aarde; ze moeten worden onderricht in de school der vrede en het onheil van oorlog moet hun worden bijgebracht. Ten eerste: de financiers en bankiers moeten ervan afzien geld te lenen aan de regering die beoogt een onrechtvaardige oorlog te voeren tegen een onschuldig land. Ten tweede: de directeuren van de spoorwegen en scheepsvaartmaatschappijen moeten nalaten oorlogsmunitie, helse machines, geweren, kanonnen en buskruit van het ene land naar het andere te vervoeren. Ten derde: de soldaten moeten via hun vertegenwoordigers een verzoekschrift richten tot de minister van oorlog, de politici, de kamerleden en de generaals, en in duidelijke, begrijpe-lijke taal de redenen en de gronden aanvoeren die hen aan de rand van zulk een nationale ramp hebben gebracht. De soldaten moeten dit eisen als een van de rechten. Zij moeten zeggen: 'Bewijs ons dat dit een rechtvaardige oorlog is en dan zullen wij het slagveld betreden, anders zullen wij geen stap verzetten . . . Kom tevoorschijn uit uw schuilplaatsen, betreed het slagveld als u elkaar graag wilt aanvallen en elkaar in stukken wilt scheuren, als u uw zogenaamde twistpunten wenst te luchten. De tweedracht en haat zijn tussen u; waarom betrekt u ons, onschuldige mensen, erin? Als vechten en bloedvergieten iets goeds is, ga ons dan vóór door uw aanwezigheid in de strijd!

Kortom, iedere factor die oorlog teweegbrengt, moet worden beteugeld en de gronden die het uitbreken van oorlog voorkomen, moeten worden aangewend -zodat strijd een absolute onmogelijkheid wordt. Anderzijds moet ieder land goed worden afgebakend, moeten zijn grenzen nauwkeurig worden aangegeven, moet zijn nationale onkreukbaarheid worden gewaarborgd, zijn duurzame onafhankelijkheid worden beschermd en moeten zijn vitale belangen worden erkend door alle landen. Deze diensten moeten worden verleend door een onpartijdige, inter-nationale Commissie. Op deze wijze zullen alle oorzaken van wrijvingen en ge-schillen worden weggenomen. En voor het geval er enige geschilpunten tussen landen mochten ontstaan, dan kunnen ze die voorleggen aan het Parlement der volkeren waarvan de vertegenwoordigers zouden moeten worden gekozen uit de meest wijze en oordeelkundige mensen van alle natiën ter wereld.

(Star of the West, Vol. V, blz. 115-117)

Iedere eeuw houdt de oplossing in van één overheersend probleem. Hoewel er veel problemen kunnen zijn, zal toch één van de talloze problemen van buitengewone omvang blijken te zijn en het belangrijkste probleem worden van alle . . . In deze verlichte eeuw is Wereldvrede de grootste gave aan de mensheid welke moet worden gevestigd, zodat het rijk der schepping rust zal vinden, oost en west, die de vijf werelddelen der aarde omvatten, elkaar kunnen omhelzen, de mensheid zal rusten onder de tent van de eenheid der mensenwereld en de vlag van wereldvrede kan wapperen over alle gebieden. . . .

Nu is het de ware plicht van een machtig koning wereldvrede te vestigen, want het betekent voorwaar de vrijheid van alle mensen ter wereld. Sommige mensen die onkundig zijn van de wereld van de ware mensheid en het verheven streven ervan voor het algemeen welzijn, beschouwen zulk een glorieuze levenssituatie als zeer moeilijk, ja eerder onmogelijk om te begrijpen. Maar dit is niet zo, verre van dat.

(Star of the West, Vol. VII, blz. 136)

O, gij mensen, bedenkt middelen voor het stopzetten van het grootscheepse moorden en bloedvergieten. Nú is het de aangewezen tijd! Nú is het de geschikte tijd! Staat op, spant u in, wendt buitengewone kracht aan en ontplooit de vlag van wereldvrede en damt de onweerstaanbare furie in van deze razende stortvloed die vreselijk huishoudt en overal verwoestingen aanricht.

(Star of the West, Vol. XVIII, blz. 345)

De vrager vervolgde: ‘Door welk proces zal deze vrede op aarde worden gevestigd? Zal ze direct volgen op een algemene verklaring van de Waarheid?’

‘Abdu’l-Bahá zei: ‘Neen, ze zal langzamerhand komen. Een plant die te snel groeit, houdt het slechts korte tijd uit. U bent mijn familie’, en hij keek met een glimlach om zich heen, ‘mijn nieuwe kinderen! Als een familie eensgezind is, worden grote resultaten bereikt. Vergroot de kring; als een stad in innerlijke harmonie leeft, zullen grote resultaten worden behaald en een werelddeel dat volledige eenheid kent, zal op gelijke wijze alle andere continenten verenigen. Dan zal het de tijd zijn van de grootste resultaten, want alle bewoners op aarde behoren tot één vaderland.’

(‘Abdu’l-Bahá in London, blz. 106)
PASSAGES UIT DE GESCHRIFTEN VAN SHOGHI EFFENDI

Inniggeliefde vrienden! Of we de mensheid nu bezien in het licht van het individuele gedrag van de mens of de bestaande betrekkingen tussen georganiseerde gemeenschappen en natiën, zij is helaas te ver afgedwaald en te veel in verval geraakt om te worden verlost door de niet-geschraagde pogingen van de besten onder haar erkende bestuurders en staatslieden - hoe belangeloos hun motieven ook mogen zijn, hoe gezamenlijk hun acties, hoe overdadig zij in hun ijver en toewijding tot de zaak ook zijn. Geen plan dat uit overwegingen van eminent staatsmanschap zou kunnen worden beraamd, geen leerstelling waarmee de meest onderscheiden econoom ook maar zou kunnen hopen voor de dag te komen en geen principe waar de vurigste moralist zich voor zou kunnen inspannen om het ingang te doen vinden, kunnen adequate grondslagen verschaffen waarop de toekomst van een verbijsterde wereld kan worden gebouwd. Geen oproep tot onderlinge verdraagzaamheid die de wijzen der wereld zouden kunnen doen, hoe dwingend en dringend deze ook is, kan haar hartstochten tot bedaren brengen of helpen haar kracht te herstellen. Evenmin zou enig algemeen plan dat is gebaseerd op louter georganiseerde internationale samenwerking, op ieder gebied van menselijke activiteiten, hoe vernuftig van opzet of hoe veelomvattend in strekking ook, er in slagen de grondoorzaak weg te nemen van het kwaad dat zo gewelddadig het evenwicht van de hedendaagsesamenleving heeft verstoord. Ik waag het te verklaren dat zelfs het bedenken van de opzet die nodig is voor de politieke en economische eenmaking van de wereld - een principe dat de laatste tijd steeds meer is bepleit - niet het tegengif zal verschaffen tegen het vergif dat de kracht van de georganiseerde volken en natiën gestaag ondermijnt. Wat anders dan het, zo zouden we overtuigd kunnen verzekeren, zonder reserve aanvaarden van het goddelijke Programma dat zo eenvoudig en met zo’n kracht zestig jaar geleden1 door Bahá’u’lláh werd verkondigd en dat in zijn essentie het door God vastgestelde plan voor de eenwording van de mensheid in dit tijdperk belichaamt, gespaard met de onwrikbare overtuiging van de onfeilbare doeltreffendheid van elk van zijn voorzieningen, is tenslotte in staat de krachten van inwendige ontbinding te weerstaan die, als ze niet beteugeld worden, noodzakelijk moeten blijven doorvreten in de levensdelen van een wanhopige samenleving. Naar dit einddoel - het doel van een nieuwe Wereldorde, goddelijk van oorsprong, alomvattend van strekking, met onpartijdige beginselen, uitdagend in haar kenmerken - moet een gekwelde mensheid streven.

Het zou zelfs van de kant van de verklaarde aanhangers van Zijn Geloof aanmatigend zijn als zij er aanspraak op zouden maken dat zij alles wat in Bahá’u’lláh’s wonderbaarlijke plan voor wereldwijde menselijke solidariteit ligt opgesloten, hebben begrepen of de betekenis ervan hebben doorgrond. Proberen, het in al zijn mogelijkheden aanschouwelijk te maken, de toekomstige weldaden ervan te schatten en zijn glorie te schilderen, zou in zelfs zo’n gevorderd stadium in de ontwikkeling aan de mensheid prematuur zijn.

Het enige wat redelijkerwijs in ons vermogen ligt, is te proberen een glimp op te vangen van het eerste schijnsel van de beloofde Dageraad, die in de volheid der tijden de duisternis die de mensheid heeft omgeven moet verjagen. Dat wat wij kunnen doen is het in grote lijnen aanduiden van de - naar ons toeschijnt - voornaamste beginselen die aan de Wereldorde van Bahá’u’lláh ten grondslag liggen, zoals door ‘Abdu’l-Bahá werd uiteengezet en toegelicht, het Middelpunt van Zijn Verbond met het gehele mensheid en de aangewezen legger en Vertolker van Zijn Woord.

Dat de onrust en de ellende die het grootste deel van de mensheid treffen in niet geringe mate het rechtstreekse gevolg zijn van de Wereldoorlog2 en moeten worden toegeschreven aan het onverstand en de kortzichtigheid van degenen die de vredesverdragen hebben ontworpen, kan slechts een bevooroordeelde geest weigeren toe te geven. . . .

Het zou echter onjuist zijn om te beweren dat de oorlog, met alle verliezen die daarmee samengingen, de hartstochten die hij heeft opgeroepen en de bittere ellende die er het gevolg van was, uitsluitend verantwoordelijk zou zijn voor de ongekende verwarring, waarin vrijwel ieder onderdeel van de beschaafde wereld op het ogenblik is gedompeld. Is het niet een feit - en dit is het belangrijkste punt waarop ik de nadruk wens te leggen - dat de grondoorzaak van deze mondiale onrust niet zozeer is te wijten aan de gevolgen van hetgeen vroeg of laat moet worden gezien als een voorbijgaande ontwrichting van de aangelegenheden van een voortdurend veranderende wereld, maar veeleer aan het in gebreke blijven van diegenen in wier handen het onmiddellijke lot van volkeren en natiën was gelegd, om hun stelsels van economische en politieke instituties aan te passen aan de dwingende noden van een zich snel ontwikkelend tijdperk? Zijn niet deze elkaar afwisselende crises die de hedendaagse samenleving schokken, in de eerste plaats toe te schrijven aan het betreurenswaardig onvermogen van de erkende leiders in de wereld om de tekenen des tijds goed te onderkennen, zich eens en voor altijd los te maken van hun vooropgezette ideeën en vastgeroeste overtuigingen, en de bestuurlijke instellingen van hun respectieve regeringen aan te passen aan die maatstaven die vastgelegd liggen in Bahá’u’lláh’s verheven verklaring over de eenheid der mensheid - het voornaamste en uitzonderlijke kenmerk van het Geloof dat Hij verkondigde? . . .

Hoe deerniswekkend zijn werkelijk de inspanningen die leiders van menselijke instellingen die de geest van de tijd totaal negeren en er naar streven nationale processen die pasten in de dagen van soevereine staten, aan te passen aan een tijd waarin of de eenheid van de wereld zoals door Bahá’u’lláh aangegeven, moet worden bereikt, of de wereld ten onder gaat. Op een zo kritiek uur in de geschiedenis van de beschaving betaamt het de leiders van alle staten, grote en kleine, in het oosten of het westen, overwinnaars of overwonnenen, op het klaroengeschal van Bahá’u’lláh acht te slaan en geheel doordrongen met een gevoel van wereldsolidariteit, de conditio sine qua non van loyaliteit aan Zijn Zaak, moedig te verrijzen om in zijn geheel het ene genezingbrengende plan uit te voeren, dat Hij, de goddelijke Heelmeester, aan een lijdende mensheid heeft voorgeschreven. Laten zij eens en vooral iedere vooropgezette mening, ieder nationaal vooroordeel afleggen en op de verheven raad van ‘Abdu’l-Bahá, de gezaghebbende Uitlegger van Zijn leer, acht slaan. Op de vraag hoe hij het beste de belangen van zijn regering en volk zou kunnen bevorderen, antwoordde ‘Abdu’l-Bahá een hoge ambtenaar in dienst van het federale bestuur van de Verenigde Staten van Amerika, dat hij zijn land het beste kon dienen als hij in zijn hoedanigheid van wereldburger trachtte mee te werken aan het uiteindelijk toepassen van het federale grondbeginsel, waarop het bestuur van zijn eigen land berust, op de tussen de volkeren en landen van de wereld bestaande verhoudingen.

. . . Een of andere vorm van een wereldsuperstaat zal zich moeten ontwikkelen ten gunste waarvan alle staten van de wereld vrijwillig het recht om oorlog te voeren zullen opgegeven, evenals bepaalde rechten om belasting op te leggen en alle rechten om bewapening te handhaven anders dan om orde in hun respectieve gebieden te verzekeren. Zulk een wereldstaat zal in zijn sfeer een internationale uitvoerende macht moeten omvatten, toereikend om het allerhoogste en onaantastbare gezag uit te oefenen over ieder weerspannig lid van de wereldstatenbond; een wereldparlement, waarvan de leden door het volk in de respectieve landen zullen worden gekozen en wier verkiezing door hun respectieve regeringen zal worden bekrachtigd; voorts een Opperste Gerechtshof, waarvan het oordeel bindend zal zijn, zelfs in gevallen, waar de desbetreffende partijen niet geneigd zijn vrijwillig hun zaak aan zijn oordeel te onderwerpen. Een wereldgemeenschap, waarin alle economische barrières voorgoed zullen zijn opgeheven en de onderlinge afhankelijkheid van kapitaal en arbeid definitief wordt erkend; waarin het getier van godsdienstig fanatisme en strijd voorgoed zal bedaard; waarin de vlam van rassehaat tenslotte zal zijn gedoofd; waarin en enkele internationale wetgeving - het produkt van het weloverwogen oordeel van de vertegenwoordigers van de wereldfederatie - als strafmaatregelen de onmiddelijke en dwingende interventie van de gecombineerde legers der federale eenheden zal hebben; tenslotte een wereldgemeenschap waarin de woede van een grillig en strijdvaardig nationalisme zal zijn verandering in een blijvend bewustzijn van wereldburgerschap - zo verschijnt in grote lijnen de Orde zoals door Bahá’u’lláh voorzien, een Orde die later als de gaafste vrucht van een langzaam rijpend tijdperk zal worden beschouwd . . .

Laat er geen twijfel bestaan over het bezielende doel van de mondiale wet van Bahá’u’lláh, welke, verre van het omverwerpen van de bestaande grondslag van de maatschappij te beogen, er naar streeft zijn basis te verbreden, zijn instellingen te hervormend op een wijze die in overeenstemming is met de behoeften van een gedurig veranderende wereld. Deze Orde kan met geen trouw aan de wettige regering in strijd komen, en evenmin de noodzakelijke loyaliteit ondermijnen. Het doel ervan is niet om de vlam van een gezonde en begrijpelijke vaderlandsliefde in het hart van de mensen te verstikken, en evenmin om het systeem van nationale autonomie af te schaffen dat zo noodzakelijk is, wil men het kwaad van overdreven centralisatie vermijden. Deze wet verwaarloost niet de ongelijkheid van etnologische oorsprong, van klimaat, van geschiedenis, van taal en traditie, van denkwijze en gewoonten, die de volkeren en naties van de wereld onderscheiden en tracht deze ook niet onderdrukken. Ze roept echter op tot een grotere trouw, een ruimer streven dan ooit het mensdom bezielde. Ze dringt aan op de onderschikking van nationale impulsen en belangen aan de noodzakelijke aanspraken van een verenigde wereld. Ze wijst aan de ene kant overdadige centralisatie af en verwerpt aan de andere kant alle pogingen tot uniformiteit. Het wachtwoord is eenheid in verscheidenheid zoals ‘Abdu’l-Bahá zelf heeft uitgelegd . . .

. . . De gevolgen ervan zijn verreikender, de eisen groter dan die welke de Profeten van weleer mochten stellen. De boodschap is niet slechts bedoeld voor het individu, maar houdt zich voornamelijk bezig met de aard van die essentiële verhoudingen die alle staten en volken moeten verbinden als de leden van een mensenfamilie. Het vormt niet slechts de uiteenzetting van een ideaal, maar blijft onafscheidelijk verbonden met een instituut dat geschikt is om de waarheid ervan belichamen, zijn deugdelijkheid te tonen en zijn invloed te bestendigen. Het betekent een organische verandering in het patroon van de hedendaagse samenleving, een verandering zoals de wereld nog niet eerder heeft ervaren. Het betekent een uitdaging, tegelijk stoutmoedig en universeel, aan verouderde criteria van nationale overtuigingen - overtuigingen die hun tijd hebben gehad en die, in de gewone loop der gebeurtenissen zoals die door de Voorzienigheid zijn gevormd en geregeld, de weg moeten effenen voor een nieuw evangelie dat fundamenteel verschilt van, en oneindig superieur is aan wat de wereld reeds aan denkbeelden heeft gevormd. Het vereist niet minder dan de reconstructie en de demilitarisatie van de gehele beschaafde wereld - een wereld die organisch is verenigd in alle essentiële aspekten van het leven, het politieke apparaat, het geestelijke streven, de handel en de financiën, het schrift en de taal, en toch met een oneidige verscheidenheid in de nationale kenmerken van de federale eenheden.

Het vertegenwoordigdt het einddoel van de menselijke ontwikkeling - een ontwikkeling die in de allereerste aanvang ligt in het tot stand komen het familieleven, daaropvolgende de ontwikkeling tot het verkrijgen saamhorigheid in stamverband, hetgeen weer leidt tot het vestigen van de stad-staat, en later de uitbreding tot de instelling van onafhankelijke en soevereine natiën. . .

Om slechts één voorbeeld te noemen. Hoe vast en zeker waren de beweringen, gedaan in de dagen voorafgaande aan de eenwording van de staten van het Noord-Amerikaanse continent, betreffende de onoverkomelijke hinderpalen die hun uiteindelijke federatieve verband in de weg stonden! Werd niet wijd en zijd uitdrukkelijk verklaard dat de tegenstrijdige belangen, het wederzijdse wantrouwen, de verschillen in regeringsvorm en gewoonten die de staten verdeelden, van dien aard waren dat geen kracht, zij het geestelijk of wereldlijk, ooit mocht hopen ze tot harmonie of onder controle te brengen? En toch hoe anders waren de omstandigheden die 150 jaar geleden heersten dan de condities die de huidige maatschappij kenmerken! Het is bepaald geen overdrijving te zeggen dat het ontbreken van die hulpmiddelen die de moderne wetenschappelijke vooruitgang in onze tijd ter beschikking van de mensheid heeft gesteld, het probleem van het aaneensmeden van de Amerikaanse staten tot één enkele federatie - hoe zeer zij in bepaalde tradities ook op elkaar leken - maakte tot een taak die oneindig veel ingewikkelder was dan die waarvoor een verdeelde mensheid zich thans gesteld ziet in haar inspanningen die eenwording der gehele mensheid te bereiken.

Wie beseft dat voordat zulk een verheven plan vorm aanneemt, de mensheid een zwaarder lijden zal worden opgelegd dan ze ooit tevoren heeft ondergaan? Kon iets anders dan het vuur van een burgeroorlog, met al zijn geweld en ongewisheden - een oorlog die de grote Amerikaanse Republiek bijna verscheurde - de staten aaneengesmeed hebben, niet alleen tot een unie van onafhankelijke eenheden, maar tot een natie - ondanks alle etnische verschillen in de specifieke kenmerken van de samenstellende delen? Dat zo’n ingrijpende ommekeer, met daarbij zulke verreikende veranderingen in de structuur van de samenleving, kan worden bewerkstelligd door de gewone werking van diplomatie en opvoeding lijkt hoogst onwaarschijnlijk. Wij behoeven slechts de blik te richten op de met bloed besmeurde geschiedenis van de mensheid, om te beseffen dat alleen hevige mentale en ook fysieke strijd deze baanbrekende veranderingen heeft kunnen bespoedigen, veranderingen die de belangrijkste mijlpalen vormen in de geschiedenis van de menselijke beschaving.

Hoe groot en vèrreikend deze veranderingen in het verleden ook zijn geweest, toch kunnen ze, wanneer men ze in het juiste perspectief bekijkt, niet veel meer lijken dan bijkomstige aanpassingen die voorafgaan aan die transformatie van ongeëvenaarde majesteit en omvang die de mensheid in dit tijdperk zal moeten ondergaan. Dat de krachten van een wereldcatastrofe zulk een nieuwe fase in het menselijke denken alleen kunnen verhaasten, wordt helaas meer en meer duidelijk. Dat niets minder dan het vuur van een zware beproeving van ongekende hevigheid de tegenstrijdige elementen waaruit de hedendaagse beschaving bestaat kan doen samensmelten en aaneensmeden tot de integrale delen van het toekomstige wereldgemenebest, is een waarheid die de komende gebeurtenissen in toenemende mate zullen aantonen.

De profetische stem van Bahá’u’lláh die, zoals op de laatste bladzijden van de VERBORGEN WOORDEN te lezen staat, de volkeren der wereld waarschuwt dat een onverwachte ramp hen bedreigt en dat hen een smartelijke vergelding te wachten staat, werpt inderdaad een luguber licht op het onmiddellijke lot van een lijdende mensheid. Niets dan een hevige beproeving waaruit de mensheid gelouterd en voorbereid tevoorschijn zal komen, kan dat gevoel van verantwoordelijkheid wakker roepen dat de leiders van een pasgeboren tijdperk op zich moeten nemen.

Ik zou andermaal uw aandacht willen vestigen op die onheilspellende woorden van Bahá’u’lláh die ik al eerder aanhaalde: ‘En wanneer het vastgestelde uur aanbreekt, zal plotseling datgene verschijnen wat de ledematen der mensheid zal doen beven.’....

Heeft niet ‘Abdu’l-Bahá zelf in ondubbelzinnige taal verklaard, dat ‘een nieuwe oorlog, heviger dan de laatste, zeker zal uitbreken?’

Van de uitvoering van deze kolossale, deze onzegbaar glorieuze onderneming - een onderneming waartegenover de vindingrijkheid van het romeinse staatsmanschap verstomde en die Napoleons wanhopige pogingen niet vermochten te verwezenlijken - zal de uiteindelijke verwerkelijking afhangen van dat duizendjarig vredesrijk dat dichters van alle tijden hebben bezongen en waarvan zieners zo lang hebben gedroomd. Daarvan zal de vervulling afhangen van de profetieën, geuit door de oude profeten, dat zwaarden zullen worden omgesmeed tot ploegscharen en de wolf en het lam samen zullen weiden. Dit alleen kan het Koninkrijk van de hemelse Vader vestigen, zoals voorzien door het Geloof van Jezus Christus. Dit alleen kan het fundament leggen van de nieuwe Wereldorde, geschetst door Bahá’u’lláh - een Wereldorde die, hoe vaag ook, op dit aardse niveau de onuitsprekelijke pracht van het Abhá Koninkrijk zal weerspiegelen.

Nog een laatste opmerking. De verkondiging van de Eenheid der Mensheid - de voornaamste hoeksteen van Bahá’u’lláh’s alomvattend rijk - kan onder geen beding worden vergeleken met de woorden van vrome hoop die in het verleden zijn geuit. Wat Hij, alleen en zonder hulp, een banneling en een gevangene in de handen van de twee machtigste oosterse potentaten, in Zijn dagen aan de gezamenlijke en hardvochtige oppositie liet weten, was niet slechts een oproep. Het bevat zowel een waarschuwing als een belofte - een waarschuwing dat daarin de enige oplossing ligt voor de redding van een zwaarlijdende wereld, en een belofte dat de verwezenlijking nabij is.

Geuit op een tijdstip dat de mogelijkheden ervan waar ook ter wereld nog niet serieus onder ogen werden gezien, is er, dankzij de hemelse kracht die er door de geest van Bahá’u’lláh is ingeblazen, door een groeiend aantal nadenkende mensen aandacht aan besteed, niet alleen als een eventuele mogelijkheid, maar als het onafwendbare resultaat van allerlei krachten die thans in de wereld werkzaam zijn.

Zeer zeker heeft de wereld, ingekrompen en getransformeerd tot één hoogst ingewikkeld organisme door de wonderbaarlijke vooruitgang op het gebied van de natuurwetenschappen en door de uitbreiding van handel en industrie op wereldschaal worstelend onder de druk van de krachten der wereldeconomie, temidden van de valstrikken van een materialistische beschaving, een dringende behoefte aan een hernieuwde verklaring van de Waarheid die ten grondslag ligt aan alle openbaringen uit het verleden, in een taal die passend is voor de essentiële vereisten ervan. En welke andere stem dan die van Bahá’u’lláh - de Spreekbuis van God in deze tijd - is in staat de samenleving zo grondig te veranderen als Hij reeds heeft gedaan in het hart van de mannen en vrouwen die voor het oog zoveel van elkaar verschilden en zo onverenigbaar leken, maar die nu over de gehele wereld de kern vormen van Zijn erkende volgelingen?

Dat een zo grootse idee snel postvat bij de mensen, dat er zich stemmen verheffen ter ondersteuning en dat de saillante punten ervan zich snel zullen moeten vastzetten in het bewustzijn van de gezagsdragers, zullen ook maar weinigen kunnen betwijfelen. Dat een bescheiden aanvang reeds vorm heeft gekregen in een wereldomvattend Bestuursstelsel waarbij de aanhangers van het Geloof van Bahá’u’lláh zich aangesloten voelen, kan alleen over het hoofd worden gezien door diegenen wier hart is besmet door vooroordelen.

(The Goal of a New World Order, 28 november 1931,

gepubliceerd in The World Order of Bahá’u’lláh, blz. 33-37, 40-43, 45-48)

Van een bestuursapparaat dat niet beantwoordt aan de ingeprente maatstaven van de Bahá’í Openbaring, in strijd handelt met het sublieme patroon dat in Zijn leringen is verordend en dat door de gezamenlijke inspanning van de mensheidalsnog bedacht kan worden, kan men nooit verwachten dat het iets meer of hogers zou kunnen bereiken dat de ‘Kleine Vrede’ waarop de Auteur van ons Geloof Zelf in Zijn leringen heeft gezinspeeld. In Zijn vermaning aan de koningen en heersers van de wereld heeft Hij geschreven: ‘Nu gij de Allergrootste Vrede hebt afgewezen, houdt u aan de Kleine Vrede, zodat gij mogelijkerwijs uw eigen toestand en die van uw onderdanen enigermate kunt verbeteren.’Uitweidend over deze Kleine Vrede, richt Hij zich in diezelfde Tafel als volgt tot de heersers der aarde: “Legt uw geschillen bij, opdat gij niet meer bewapening behoeft dan noodzakelijk is ter beveiliging van uw gebieden . . . Verenigt u, o koningen der aarde, want daardoor zal de storm van verdeeldheid onder u bedaren en zullen uw volkeren rust vinden, indien gij behoort tot hen die begrijpen. Mocht één uwer de wapenen tegen een ander opnemen, staat dan allen tegen hem op, want dit is niet anders dan onmiskenbare gerechtigheid.”

Anderzijds kan de Allergrootste Vrede, zoals Bahá’u’lláh die heeft ontworpen - een vrede die onvermijdelijk moet komen als het praktische vervolg op de vergeestelijking van de wereld en de samensmelting van alle rassen, gezindten, klassen en natiën - op geen andere grondslag rusten en kan door geen ander toedoen in stand worden gehouden dan door de goddelijk voorgeschreven verordeningen, die zijn ingebed in de Wereldorde waarmee Zijn heilige Naam nauw is verbonden. . . . .

De Openbaring van Bahá’u’lláh, wiens verheven zending geen andere is dan het tot stand brengen van deze organische en geestelijke eenheid van alle naties tezamen, moet – indien wij trouw zijn aan al hetgeen daarin besloten ligt – worden beschouwd als een aankondiging van het volwassen worden van het gehele mensdom. Deze Openbaring moet niet worden gezien als een nieuwe geestelijke opleving in het steeds veranderende lot van de mensheid, niet slechts worden gezien als een verder stadium in de keten van voortschrijdende openbaring, evenmin als het hoogtepunt in een reeks van telkens weerkerende profetische tijdkringen, maar als merkteken van het laatste en hoogste stadium in de verbazingwekkende evolutie van het collectieve leven van de mensheid op deze aarde. De opkomst van een wereldburgerschap, de stichting van een wereldbeschaving en -cultuur – dit alles moet samenvallen met de aanvangsfasen van de ontvouwing van de Gouden Eeuw van het Bahá’í tijdperk – moet, voorzover dit het leven op deze aarde betreft, als de uiterste grenzen in de organisatie van de menselijke samenleving worden beschouwd, ofschoon de mens als individu tengevolge van zulk een voltooiing in ontwikkeling, zal, neen, moet voortgaan zich onbeperkt te ontwikkelen. . . .

De gehele mensheid steunt en klaagt en smacht ernaar tot eenheid te worden geleid en haar eeuwenlange martelaarschap te beëindigen. En toch weigert zij koppig het licht te aanvaarden en het allerhoogste gezag van de ene Macht te erkennen, die haar uit de moeilijke verwikkelingen kan vrijmaken en het rampzalige onheil, dat dreigt haar te verzwelgen, af te wenden.

Onheilspellend is inderdaad de stem van Bahá’u’lláh, die uit deze profetische woorden klinkt: “O, gij volkeren der wereld! Weet voorzeker dat onvoorziene rampspoed u vervolgt, en smartelijke vergelding u wacht. Denkt niet dat de daden die gij hebt bedreven zijn uitgewist voor Mijn blik.” En opnieuw: “Wij hebben een vastgestelde tijd voor u, o volkeren! Indien gij faalt u op het aangewezen uur tot God te keren, dan zal Hij u voorzeker krachtig aangrijpen, en u van alle kanten met smartelijke beproevingen treffen. Hoe hevig is voorzeker de kastijding waarmee uw Heer u dan zal kastijden!”

Moet de mensheid, gekweld als ze nu is, door nog ergere rampspoeden bezocht worden voordat hun zuiverende invloed haar kan voorbereiden op het binnentreden in het hemelse Koninkrijk, dat voorbestemd is op aarde te worden gevestigt? Moet de inwijding van zo een geweldig, uniek en verlicht tijdperk in de geschiedenis der mensheid worden ingeluid door zo een grootte catastrofe in menselijke aangelegenheden, dat deze de verschrikkelijke ineenstorting van de romeinse beschaving in de eerste eeuwen van het christelijke tijdperk in herinnering roept, ja zelfs overtreft? Moet een reeks diepgaande beroeringen het mensenras in beweging brengen en opschrikken, voordat Bahá’u’lláh in de harten en het geweten van de massa’s op de troon geplaatst kan worden, voordat Zijn onbetwiste overwicht universeel erkend wordt en het edele bouwwerk van Zijn Wereldorde ontwikkeld en gevestigd is?

De lange eeuwen van kinderjaren en onvolwassenheid die het mensenras moest doormaken, zijn op de achtergrond getreden. De mensheid ervaart nu de opschudding die altijd is verbonden met het meest stormachtige stadium van haar ontwikkeling, het stadium der puberteit, wanneer de ontstuimigheid en hevigheid van de jeugd hun climax bereiken en langzamerhand vervangen moeten worden door de rust, de wijsheid en de rijpheid die het stadium der volwassenheid kenmerken. Dan zal het mensenras de graad van rijpheid bereiken, die het in staat zal stellen al de krachten en vermogens te verwerven, waarvan zijn uiteindelijke ontwikkeling moet afhangen.

Eenwording van de gehele mensheid is het waarmerk van het stadium, dat de menselijke samenleving thans nadert. Eenheid van gezin, van stam, van stad-staat en natie zijn achtereenvolgens beproefd en bereikt. Wereldeenheid is het doel waarnaar een gekwelde mensheid streeft. Het bouwen van natiën is ten einde. De onafscheidelijk aan staatsgezag verbonden anarchie nadert haar hoogtepunt. Een volwassen wordende wereld moet deze afgod prijsgeven, de eenheid die alle mensen tot één geheel moet samensmeden erkennen en eens en voor al het mechanisme oprichten, dat het beste dit fundamentele levensbeginsel kan belichamen. . . . . .

De eenheid van het mensenras, zoals aangegeven door Bahá’u’lláh, sluit de oprichting in van een wereldgemenebest, waarin alle natiën, rassen, geloven en klassen nauw en duurzaam worden verenigd en waarin de autonomie van zijn lidstaten en de persoonlijke vrijheid en het initiatief van de onderdanen definitief en volledig worden gewaarborgd. Dit gemenebest moet, voor zover wij het ons kunnen voorstellen, bestaan uit een mondiaal wetgevende macht, waarvan de leden als de gevolmachtigden van de gehele mensheid, uiteindelijk het beheer zullen voeren over alle hulpbronnen van de samenstellende natiën, en die wetten zullen uitvaardigen welke noodzakelijk zijn om het leven te ordenen, aan de behoeften te voldoen en de verhouding tussen alle rassen en volkeren onderling in goede banen te leiden. Een mondiaal uitvoerende macht zal, gesteund door een internationaal leger, de genomen besluiten uitvoeren en de wetten, uitgevaardigd door deze mondiaal wetgevende macht, in toepassing brengen en de organische eenheid van het gemenebest waarborgen. Een wereldgerechtshof zal uitspraak doen en een eindvonnis wijzen inzake elk meningsverschil dat eventueel rijst tussen de verschillende delen, waaruit dit universele stelsel bestaat. Een intercontinentaal communicatiesysteem zal ontworpen worden, dat de gehele aarde omvat, vrij is van alle nationale hinderpalen en beperkingen, en dat met wonderbaarlijke snelheid en volmaakte regelmaat zal functioneren. Een wereldmetropolis zal als zenuwcentrum van een wereldbeschaving dienen, het brandpunt waar de verenigde levenskrachten samenkomen en van waaruit de bezielende invloeden zullen uitstralen. Een wereldtaal zal òf uitgevonden òf gekozen worden uit de bestaande talen en zal op de scholen van alle natiën behorende tot de statenbond, onderwezen worden als hulptaal naast de moedertaal. Een wereldschrift, een wereldliteratuur, een wereldmuntstelsel, uniforme maten en gewichten zullen het verkeer en het begrip tussen natiën en volkeren vereenvoudigen en vergemakkelijken. In zo’n wereldgemeenschap zullen wetenschap en religie, de twee machtigste krachten in het leven van de mens, zich met elkaar verzoenen, samenwerken en zich harmonieus ontwikkelen. De pers zal binnen zo’n stelsel de uitingen van de verschillende inzichten en overtuigingen van de mensen tot hun recht laten komen, en niet langer op schadelijke wijze gehanteerd worden door de gevestigde belangen, zij het persoonlijke, zij het algemene, en zal vrij zijn van de invloed van wedijverende regeringen en volkeren. De economische hulpbronnen over de gehele wereld zullen worden georganiseerd, de bronnen van grondstoffen zullen worden aangeboord en ten volle worden benut, de markten daarvan zullen worden gebundeld en ontwikkeld en de verdeling van de produkten zal rechtvaardig worden geregeld.

Nationale wedijver, haat en intriges zullen ophouden te bestaan, terwijl rassenvriendschap, begrip en samenwerking de plaats zullen innemen van rassenhaat en vooroordeel. De oorzaken van godsdiensttwisten zullen voorgoed verdwijnen, economische barrières en restricties zullen volledig worden afgeschaft en buitensporige klassentegenstellingen zullen vervagen. Uiterste armoede aan de ene kant en grove opeenhoping van privébezit aan de andere kant zullen verdwijnen. De reusachtige krachtsinspanningen, verkwist en verspild aan oorlog, zij het economisch of politiek, zullen gewijd worden aan die doeleinden, welke de reeks van uitvindingen en de technische ontwikkelingen zullen vergroten, de produktiviteit van de mens zullen toenemen, aan het uitbannen van ziekte, de uitbreiding van wetenschappelijk onderzoek, het verhogen van het gezondheidspeil, het verscherpen en verfijnen van de menselijke geest, het exploiteren van ongebruikte en niet vermoede hulpbronnen op aarde, het verlengen van de levensduur van de mens en aan de bevordering van ieder hulpmiddel dat het intellectuele, morele en geestelijke leven van het gehele mensenras kan stimuleren.

Een wereldomvattend federaal systeem, dat de gehele aarde bestuurt en een onbetwistbaar gezag uitoefent over de onvoorstelbaar grote hulpbronnen, de idealen van oost en west vermengt en in zich verenigt, vrijgemaakt van de vloek en de ellende van oorlog, en gericht op de exploitatie van alle beschikbare energiebronnen op de aarde, een systeem, waarin macht tot de dienaar van gerechtigheid is gemaakt, welks bestaan wordt geschraagd door de universele erkenning van één God en de trouw aan één gemeenschappelijke Openbaring – dit is het doel waarnaar de mensheid, gedreven door de verenigde levenskrachten, zich beweegt.

(‘The Unfoldment of World Civilization’, 11 maart 1936, opgenomen in ‘The World Order of Bahá’u’lláh, blz. 162-163, 201-204)

De wereldschokkende beproeving die Bahá’u’lláh, zoals in de voorgaande bladzijden is aangehaald, zo beeldend heeft geprofeteerd, kan haar (de Amerikaanse natie) aantreffen, in de maalstroom meegesleurd als nooit tevoren. Daaruit zal ze waarschijnlijk verrijzen, niet zoals haar reacties waren op het laatste wereldconflict, maar welbewust en vastbesloten haar kans te grijpen om het volle gewicht van haar invloed in de schaal te leggen bij het oplossen van de gigantische problemen die zulk een beproeving in haar kielzog meeneemt, en om voorgoed in samenwerking met haar zusternatiën, zowel in het oosten als in het westen, de grootste vloek die sinds onheuglijke tijden het menselijk ras heeft geteisterd en vernederd, uit te bannen.

Dan, en slechts dan, zal de Amerikaanse natie gekneed en gezuiverd in de smeltkroes van een algemene oorlog, gehard door haar ontberingen en tot discipline gebracht door haar lessen, in een positie verkerend om haar stem te verheffen in de beraadslagingen van de natiën, zelf de hoeksteen leggen van een duurzame wereldvrede, de solidariteit, eenheid en volwassenheid van de mensheid verkondigen en behulpzaam zijn bij het vestigen van het beloofde rijk van gerechtigheid op aarde. Dan, en slechts dan zal de Amerikaanse natie - terwijl de gemeenschap van Amerikaanse gelovigen van binnenuit de door God bestemde zending in vervulling brengt - in staat zijn de onuitsprekelijk glorieuze bestemming te vervullen welke voor haar verordonneerd is door de Almachtige en op onsterfelijke wijze is neergelegd in de geschriften van ‘Abdu’-Bahá. Dan, en slechts dan zullen de Amerikaanse natiën volbrengen. ‘datgene, wat de bladzijden der geschiedenis zal sieren’ en ‘het voorwerp van afgunst worden van de wereld en zowel in het oosten als het westen worden gezegend.’

(The Advent of Divine Justice, 25 december 1938, blz. 90-91)

De wereld gaat inderdaad zijn bestemming bereiken. Wat ook de leiders van de verdeling zaaiende krachten in de wereld mogen zeggen of doen, de onderlinge afhankelijkheid van de mensen en natiën is reeds een voldongen feit. Op economisch gebied wordt de eenheid onderkend en aanvaard. Het welzijn van een deel betekent het welzijn van het geheel, en de benardheid van een deel veroorzaakt benardheid van het geheel. De Openbaring van Bahá'u'lláh heeft, zoals Hijzelf heeft gezegd, “een nieuwe impuls en een nieuwe richting” gegeven aan dit reusachtige proces dat nu in de wereld werkt. Het vuur dat nu door deze grote beproeving is ontstoken, is het gevolg van 's mensen onmacht het te onderkennen. Bovendien versnellen ze de voltooiing van dit proces. Langdurige, wereldomvattende, moordende tegenspoed die verbonden is met chaos en universele ondergang, moeten de natiën in beroering brengen, het bewustzijn van de wereld schokken, de grote massa haar illusies ontnemen, een radicale verandering in de gangbare opvattingen over de samenleving bespoedigen en tenslotte de ontwrichte, verwonde ledematen van de mensheid weer samenvoegen tot één, onverdeeld, organisch verenigd lichaam.

In vorige berichten heb ik reeds gesproken over de algemene aard, de gevolgen en de belangrijkste punten van dit wereldgemenebest dat vroeg of laat tevoorschijn zal komen uit het bloedbad, de zware strijd en de verwoesting van deze wereldcatastrofe. Laat het voldoende zijn te zeggen dat deze eindbestemming, alleen reeds door de manier waarop alles zich zal afspelen, geleidelijk bereikt zal worden en eerst, zoals Bahá'u'lláh Zelf heeft aangegeven, moet leiden tot die Kleine Vrede die de bewoners van deze aarde zelf zullen vestigen, ook al zijn zij nog onbewust van Zijn Openbaring, maar zonder het zelf te weten, toch reeds bezig de algemene beginselen die Hij heeft verkondigd, uit te voeren. Deze hoogst belangrijke historische stap, zal met inbegrip van de wederopbouw van de mensheid als gevolg van de universele erkenning van haar algehele eenheid, worden gevolgd door een vergeestelijking van de grote massa, nadat men de aard van het Geloof van Bahá'u'lláh heeft erkend en Zijn aanspraken heeft aanvaard; dit is de essentiële voorwaarde voor de uiteindelijke samensmelting van alle rassen, geloven, klassen en volkeren, welke de opkomst van Zijn nieuwe Wereldorde moet aankondigen.

Dan zal door alle volkeren en natiën op aarde het feit worden verkondigd en gevierd, dat de gehele mensheid tot volwassenheid is gekomen. Dan zal de banier van de Allergrootste Vrede worden gehesen. Dan zal de wereldwijde soevereiniteit van Bahá'u'lláh - de Stichter van het Koninkrijk van de Vader dat werd voorzegd door de Zoon en werd verwacht door de Profeten van God vóór en ná Hem - worden erkend, uitgeroepen en stevig gegrondvest. Dan zal er een wereldbeschaving worden geboren, die zal bloeien en zal blijven groeien, een beschaving met een levenskracht die de wereld nog nooit eerder heeft beleefd en die ook nog niet is voor te stellen. Dan zal het Eeuwige Verbond in volle omvang zijn vervuld. Dan zal de belofte die besloten ligt in alle Boeken van God worden ingelost en zullen alle profetieën van de Profeten van weleer uitkomen en zal de droom van zieners en dichters worden verwezenlijkt. Dan zullen de bewoners van de aarde worden gegalvaniseerd door het universele geloof in één God, door hun trouw aan één gezamenlijke Openbaring en zullen zij, voor zover hun mogelijkheden reiken, de stralende heerlijkheid van Bahá’u’lláhs soevereiniteit weerspiegelen, die in volle glans in het Abhá paradijs straalt, en zal de aarde de voetbank van Zijn Troon in den hoge worden en worden uitgeroepen als de hemel op aarde, die in staat is de onuitsprekelijke bestemming welke sinds onheuglijke tijden ervoor was beschikt, te vervullen door de liefde en wijsheid van haar Schepper.

(The promised Day is Come, 28 maart 1941, blz. 122-124.)

Hij (Bahá’u’lláh) spoort onvoorwaardelijk aan tot het beginsel van collectieve veiligheid; beveelt vermindering van de nationale bewapening aan; en noemt het noodzakelijk en onvermijdelijk dat een wereldvergadering bijeen zal worden geroepen, waar de koningen en heersers van de wereld samen zullen beraadslagen over het stichten van vrede onder de volkeren.

(God Schrijdt Voorbij, blz. 228.)

Gedurende dit Vormende Tijdperk van het Geloof en in de loop van huidige en toekomende tijdperken zal het laatste bekronende stadium in de opbouw van het raamwerk van het Bestuurstelsel van de Religie van Bahá’u’lláh - de verkiezing van het Universele Huis van Gerechtigheid - zijn voltooid, de Kitáb-i-Aqdas, het Moederboek van Zijn Openbaring, zijn gecodificeerd en Zijn Wetten afgekondigd, zal de Kleine Vrede zijn gevestigd, de eenheid van de mensheid zijn bewerkstelligd en haar volwassenheid bereikt, het Plan, ontworpen door ‘Abdu’l-Bahá, uitgevoerd, de bevrijding van het Geloof van de banden van de religieuze orthodoxe gerealiseerd en zijn onafhankelijke religieuze status algemeen zijn erkend

wij kunnen er niet aan ontkomen de uitwerkingen waar te nemen van twee gelijktijdige processen, reeds op gang gebracht in de afsluitende jaren van het Heroïsche Tijdvak van ons Geloof, elk duidelijk omschreven, elk afzonderlijk te onderscheiden, toch nauw met elkaar verwerven en bestemd om hun hoogtepunt te vinden in de volheid der tijden in één enkele glorieuze vervulling.

Een van deze processen is verbonden met de zending van de Amerikaanse Bahá’i Gemeenschappen, het andere met de bestemming van het Amerikaanse volk. Het ene dient direct de belangen van het Bestuursstelsel van de Religie van Bahá’u’lláh

Het andere proces dateert vanaf het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog die de grootse westerse republiek in de maalstroom van het eerste stadium van een wereldcatastrofe wierp. Het kreeg zijn eerste impuls door het formuleren van President Wilson’s Veertien Punten waardoor voor het eerst de republiek nauw verbonden werd met het lot van oude wereld. Het leed zijn eerste terugslag toen diezelfde republiek zich losmaakte van de nieuwsgevormde Volkenbond voor welke totstandkoming de president zich zo had ingespannen. Het verkreeg een extra stuwkracht door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, die een lijden als nooit tevoren over de republiek bracht en waardoor zij nog verder in de aangelegenheden van alle werelddelen werd betrokken. Het werd nog meer versterkt door de verklaring neergelegd in het Atlantisch Verdrag, zoals verwoord door een van zijn belangrijke scheppers, Franklin D. Roosevelt. Het nam een definitieve vorm aan door de geboorte van de Verenigde Naties op de Conferentie van San Francisco. Het verkreeg extra betekenis door de keuze van de Stad van het Verbond zelf als de zetel van de nieuwgeboren organisatie, door de recentelijk, door de Amerikaanse president afgelegde verklaring met betrekking tot de verbintenissen van zijn land in Griekenland en Turkije, alsook door het voorleggen aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van het netelige en uitdagende probleem in het Heilige Land, het geestelijke en bestuurlijke centrum van de Wereldreligie van Bahá’u’lláh. Het moet, hoe lang en kwellend de weg ook is, door een reeks van overwinningen en tegenslagen voeren naar de politieke eenwording van het oostelijk en westelijk halfrond, naar het verrijzen van een wereldregering en het vestigen van de Kleine Vrede, zoals voorzegd door Bahá’u’lláh en aangekondigd door de profeet Jesaja. Het moet tenslotte zijn hoogtepunt bereiken in het zich ontplooien van de banier van de Allergrootste Vrede in het Gouden Tijdperk van de Beschikking van Bahá’u’lláh.

(Citadel of Faith, 5 juni 1947, blz. 6, 32-33)

Het oprichten van dit gebouw (het Internationale Bahá’í Archief) zal op zijn beurt de bouw aankondigen, in de loop van opeenvolgende perioden van het Vormende Tijdperk van het Geloof, van verscheidene andere bouwwerken die zullen dienen als bestuurlijke zetels van goddelijk beschikte instellingen als het Behoederschap, de Handen van de Zaak en het Universele Huis van Gerechtigheid. Deze gebouwen zullen, in de vorm van een uitgestrekte ark (boog) en volgens een harmonische architectonisch stijl, geschaard staan rond de rustplaatsen van het Grootste Heilige Blad, die de meest vooraanstaande positie onder de leden van haar geslacht in de Bahá’í Beschikking inneemt, van haar Broer, door Bahá’u’lláh als een losprijs geofferd voor de bezieling en eenwording van de wereld en van hun Moeder, door Bahá’u’lláh uitgeroepen tot ‘Zijn uitverkoren Gezellin in alle werelden van God’. De uiteindelijke voltooiing van deze overweldigende onderneming zal het hoogtepunt markeren van de ontwikkeling van het wereldwijde, door God aangegeven Bestuurstelsel, waarvan de eerste stappen teruggaan tot de afsluitende jaren van het Heroïsche Tijdvak van het Geloof.

Dit enorme en onweerstaanbare proces, zonder weerga in de geestelijke geschiedenis van de mensheidd, dat tevens zal samenvallen met twee niet minder belangrijke ontwikkeling - de vestiging van de Kleine Vrede en de evolutie van de nationale en plaatselijke Bahá’í instellingen - zal zijn hoogste vervulling bereiken in het Gouden Tijdperk van het Geloof, door het oprichten van de standaard van de Allergrootste Vrede en het verrijzen, in de volheid van zijn kracht en glorie, van het brandpunt van de instellingen waarop de Wereldorde van Bahá’u’lláh berust. De uiteindelijke vestiging van deze zetel van jet toekomstige Bahá’í Wereldgemenebest zal tegelijk de afkondiging betekenen van de soevereiniteit van de Stichter van ons Geloof en de komst van het Koninkrijk van de Vader, herhaaldelijk geprezen en beloond door Jezus Christus.

Deze Wereldorde zal, op zijn beurt, in de loop van opeenvolgende Beschikkingen in de Bahá’í cyclus zijn kostelijke vruchten voortbrengen door de geboorte en bloei van een beschaving, goddelijk geïnspireerd, uniek in haar kenmerken, wereldomvattend in haar draagwijdte en fundamenteel geestelijk van aard - een beschaving, bestemd om, naar gelang zij zich ontvouwt, haar aanvankelijke impuls te ontlenen aan de geest, die dezelfde instellingen bezielt die zich nu, in hun embryonale vorm, roeren in de schoot van het Vormende Tijdperk van het Geloof.

(Messages to the Bahá’í World, 1950-1957, 27 november 1954, blz. 74-75)

PASSAGES UIT BRIEVEN GESCHREVEN NAMENS SHOGHI EFFENDI

De wereld verkeert in grote opschudding en het meest deerniswekkend is dat zij geleerd heeft zich af te keren van God, de Enige die haar kan redden en haar lijden kan verlichten. Het is onze plicht - wij, aan wie de taak is toevertrouwd om het goddelijk medicijn, door Bahá’u’lláh gegeven, toe te passen - onze aandacht te concentreren op het volbrengen van deze taak en niet te rusten tot de vrede, voorzegd door de Profeten van God, voorgoed is gevestigd.

(9 december 1931)

Shoghi Effendi schreef zijn vorige algemene brief (‘The goal of a New World Order’) aan de westerse vrienden, omdat hij voelde dat het publiek duidelijk moet worden gemaakt, wat de houding van het Bahá’í Geloof is tegenover de heersende economische en politieke problemen. Wij moeten de wereld laten weten wat het werkelijke doel van Bahá’u’lláh was. Tot op heden was de eenheid van de mensheid alleen van academisch belang. Nu wordt het steeds meer een onderwerp om over na te denken voor internationale staatslieden. Het is daarom een wondermooie kans om naar voren te treden en de leer uiteen te zetten die het doel en streven is van de maatschappelijke voorschriften van Bahá’u’lláh. Shoghi Effendi hoopt dat de vrienden deze roep om de organische eenheid van de mensheid zullen doen weerklinken, totdat ze deel uitmaakt van het bewuste geloof van elke levende ziel in de wereld.

Met wijs beleid moet echter worden voorkom dat wij worden misverstaan en ons Geloof wordt gerekend tot de radicale bewegingen.

(28 januari 1932)

Shoghi Effendi laat mij de ontvangst bevestigen van uw brief van 26 januari 1932, vergezeld van een gedrukte copie van zijn vorige algemene brief (‘The Goal of a New World Order’) . . . Hij is innig dankbaar te vernemen dat de vrienden deze interessant vinden en voldoende de moeite waard om het onderwerp ervan tot thema te maken voor hun onderrichtscampagnes. Hij hoopt oprecht dat dit bij sommige vrienden ook he besef zal doen ontwaken van het belang van deze lering van het Geloof en hen zal stimuleren er een grondige en diepgaande studie van te maken. Want het vormt zonder twijfel het doel van de maatschappelijke voorschriften van het Geloof. Er is geen reden waarom de Bahá’ís niet het voortouw zouden nemen in het bepleiten van zulk een Wereldfederatie, waartoe de wereld wordt gedreven door krachten die ze niet kan beheersen.

(16 februari 1932)

De verschillende natiën van de wereld zullen nooit vrede bereiken tenzij ze de betekenis erkennen van de leringen en deze van harte hooghouden, want door deze voorschriften zullen alle internationale problemen worden opgelost en ieder mens zal het geestelijk milieu veilig stellen, waarin zijn ziel zich kan ontwikkelen en de hoogste vruchten voortbrengen.

(15 januari 1933)

De Behoeder heeft ook met grote belangstelling alle ingesloten stukken gelezen. Hij is er vast van overtuigd dat door volharding en gezamenlijke actie de zaak van de Vrede tenslotte zal triomferen over alle duistere krachten, die het welzijn en de vooruitgang van de huidige wereld bedreigen. Maar zulke zuiver menselijke pogingen zijn ongetwijfeld niet effectief, tenzij ze worden geïnspireerd en geleid door de kracht van geloof. Zonder de bijstand van God, zoals die wordt gegeven door de Boodschap van Bahá’u’lláh, kan vrede nooit veilig en afdoende worden gevestigd. De Bahá’í oplossing voor wereldvrede buiten beschouwing te laten is bouwen op drijfzand. Het aanvaarden en het toepassen ervan maakt van vrede niet slechts een droom of een ideaal, maar een levende werkelijkheid. Dit is het punt dat de Behoeder u wenst te zien ontwikkelen, steeds weer te benadrukken en te ondersteunen met overtuigende argumenten. Het Bahá’í vredesprogramma is werkelijk niet alleen een weg om dat doel te bereiken; het is zelfs niet relatief de beste. Het is, in laatste instantie, het enige effectieve instrument voor de vestiging van het vredesrijk in deze wereld. Deze houding behelst geenszins het volledig afwijzen van andere oplossingen die worden aangeboden door diverse filantropen. Het toont alleen maar hun ontoereikendheid aan vergeleken met het goddelijk Plan voor de eenmaking van de wereld. Wij kunnen niet ontkomen aan de waarheid dat niets ter wereld in laatste instantie duurzaam kan zijn, tenzij gesteund en geschraagd door de kracht van God.

(25 september 1933)

Wat onze tekortkomingen ook mogen zijn en hoe ontzagwekkend ook de krachten van duisternis die ons heden ten dage belegeren, de eenwording van de mensheid, zoals uiteengezet en verzekerd door de Wereldorde van Bahá’u’lláh, zal in de volheid der tijden vast en blijvend worden gevestigd. Dit is de belofte van Bahá’u’lláh en geen kracht op aarde kan op den duur zijn adekwate verwerkelijking voorkomen of zelfs vertragen. De vrienden moeten daarom de hoop niet verliezen, maar ten volle bewust van hun kracht en hun rol volharden in hun machtige inspanningen voor de uitbreiding en consolidatie van Bahá’u’lláh’s wereldheerschappij op aarde.

(6 november 1933)

Wat betreft de Internationale Uitvoerende Macht waarnaar de Behoeder verwijst in zijn "Goal of a New World Order’, zij erop gewezen dat deze verklaring geenszins verwijst naar het Bahá’í Gemenebest van de toekomst, maar eenvoudigweg naar die wereldregering die de komst zal aankondigen van en zal leiden naar de uiteindelijke vestiging van de Wereld orde van Bahá’u’lláh. De vorming van deze Internationale Uitvoerende Macht, die overeenkomt met het uitvoerend hoofd of lichaam in de huidige nationale regeringen, is slechts een stap op weg naar de Bahá’í wereldregering van de toekomst en moet derhalve niet geïdentificeerd worden noch met de instelling van het Behoederschap noch met het Internationale Huis van Gerechtigheid.

(17 maart 1934)

In verband met uw onderrichtswerk; wat de Behoeder u in het bijzonder in al uw lezingen wenst te zien benadrukken, is de dringende noodzaak voor alle individuen en natiën om thans in zijn geheel het maatschappelijke programma te aanvaarden, dat Bahá’u’lláh heeft gegeven voor de wederopbouw van het religieuze, economische en politieke leven van de mensheid. Hij wenst dat u de elementen uiteenzet en analyseert die dienstig zijn bij het oprichten van de goddelijke Wereldorde in het licht van de huidige gebeurtenissen en omstandigheden in de wereld. Hij meent dat speciale nadruk moet worden gelegd op de dwingende noodzaak van het vestigen van een supranationale en soevereine wereldstaat zoals die door Bahá’u’lláh is omschreven. Terwijl de wereld in toenemende mate bezocht wordt door oproeren en stuiptrekkingen als nooit tevoren, worden niet alleen de wijzen en geleerden, maar ook de gewone mensen zich de verwerkelijking van deze noodzaak bewust. De gelovigen moeten daarom deze kans grijpen en zich tot het uiterste inspannen om in overtuigende en welsprekende taal de maatschappelijke en humanitaire leringen van het Geloof te presenteren, waarvan wij geloven dat ze het enige geneesmiddel uitmaken voor de ontelbare kwalen die de wereld van vandaag teisteren.

(15 november 1935)

Met betrekking tot uw vraag aangaande ‘Abdu’l-Bahá’s verwijzing naar ‘eenheid op het politieke vlak’; deze eenheid moet duidelijk onderscheiden worden van de ‘eenheid der natiën’, De eerste is een eenheid die politiek onafhankelijke en soevereine staten onderling bereiken, terwijl de tweede er een is die tot stand wordt gebracht tussen natiën; het verschil tussen een staat en een natie is -zoals u weet - dat de eerste een politieke eenheid is die niet noodzakelijkerwijs homogeen van ras hoeft te zijn, terwijl de tweede nationale zowel als politieke homogeniteit inhoudt.

(26 juli 1936)

Wat betreft uw onderrichtswerk; de Behoeder heeft u reeds aanbevolen in uw lezingen het idee van een wereldsuperstaat te benadrukken en het concept van de eenheid der mensheid die daaraan ten grondslag ligt. Bovendien wenst hij ook dat u er de nadruk op legt dat de mensheid als geheel het meest kritieke en gewichtige stadium van zijn evolutie is binnengegaan, het stadium van volwassenheid. Dit idee van het volwassenworden van de mensheid vormt het centrale thema van de Bahá’í leringen en is het meest onderscheidende kenmerk van de Openbaring van Bahá’u’lláh. Een goed begrip van dit concept biedt de sleutel tot een voldoende besef van de geweldige aanspraak van de Auteur van het Geloof zowel met betrekking tot Zijn Eigen rang als wat betreft de onvergelijkelijke grootheid van Zijn Beschikking.

(12 oktober 1936)

Met betrekking tot de vraag die u hebt gesteld aangaande de tijd en de middelen waardoor de Kleine en de Allergrootste Vrede, waarvan Bahá’u’lláh melding maakt, na de komende Wereldoorlog zullen worden gevestigd. Uw standpunt dat de Kleine Vrede zal komen door de politieke inspanningen van de staten en natiën van de wereld en onafhankelijk van enig direkt Bahá’í plan of streven, en dat de Allergrootste Vrede zal worden gevestigd door middel van de gelovigen en door direkte werking van de wetten en principes, geopenbaard door Bahá’u’lláh, en het funkioneren van het Universele Huis van Gerechtigheid als het hoogste orgaan van de Bahá’í Superstaat - uw standpunt over dit onderwerp is volkomen juist en in overeenstemming met de uitspraken van de Behoeder, zoals neergelegd in de ‘Unfoldment of World Civilization’.

(14 maart 1939)

Hoewel het nog te vroeg is om te trachten te voorzien op welke basis verschillende natiën zullen zijn vertegenwoordigd in welke internationale raad ook of in welke internationale vorm van regering ook, is het duidelijk dat volgens het Bahá’í standpunt dit alleen uitgevoerd kan worden op basis van waarachtige gerechtigheid; en gerechtigheid laat niet toe dat één ras een zwaarder wegende stem kan hebben over bepaalde vertegenwoordigers van andere rassen en zodoende in een positie verkeert hen te overheersen.

(12 april 1942)

Wat ‘Abdu’l-Bahá bedoelde aangaande de vrouwen die opstaan voor vrede, is dat deze kwestie voor vrouwen van vitaal belang is en dat wanneer zij een bewuste en overweldigende massa vormen in de publieke opinie tegen oorlog, er geen oorlog kan zijn. De Bahá’í vrouwen zijn al georganiseerd door lid te zijn van het Geloof en het Bestuurstelsel. Er is geen verdere organisatie nodig. Maar zij moeten, door te onderrichten en door de actieve, morele steun die zij verlenen aan iedere beweging die op vrede is gericht, trachten een krachtige invloed uit te oefenen op het denken van andere vrouwen met betrekking tot deze essentiële zaak.

(24 maart 1945)

De Zeven Kaarsen van Eenheid zullen niet noodzakkelijkerwijs in de gegeven volgorde verschijnen. Een produkt van de tweede kan zeer wel universele cultuur zijn.

(19 november 1945)

De leringen van Bahá’u’lláh zullen een nieuwe levenswijze voor de mensheid tot stand brengen. Degenen die Bahá’í zijn, moeten trachten deze levenswijze zo spoedig als maar mogelijk is tot stand te brengen. Nu het uur is aangekomen dat het Bahá’í Geloof in aanzien stijgt en door zoveel mensen beschouwd en overwogen wordt, is het noodzakelijk dat de aanhangers van het Geloof in elk opzicht leven naar de hoge idealen van het Geloof. Op deze manier kunnen zij doen blijken dat het Bahá’í Geloof een nieuwe levenswijze schept die voor het individu een volledig samengaan met de Wil van God brengt en aldus de vestiging van een vredige en universele samenleving. Verdelende gehechtheid is des mensen -terwijl universele dienstbaarheid van God is.

De Behoeder verlangt er nu naar dat alle vrienden een universeel bewustzijn en een universele levenswijze bereiken.

(20 november 1955)

Wereldregering zal komen, maar wij weten de datum niet.

(15 augustus 1957)

PASSAGES UIT BRIEVEN VAN HET UNIVERSELE HUIS VAN GERECHTIGHEID.

Toen Bahá’u’lláh Zijn Boodschap in de negentiende eeuw aan de wereld bekend maakte, heeft Hij het overduidelijk gemaakt dat de eerste stap, nodig voor de vrede en de vooruitgang van de mensheid, haar eenwording was. Zo zegt Hij: ‘Het welzijn der mensheid, haar vrede en veiligheid zijn onbereikbaar, tenzij haar eenheid blijvend tot stand is gebracht.’3 Tot op de huidige dag zult u de meeste mensen echter een tegengesteld standpunt in zien nemen: zij zien eenheid als een uiteindelijk en welhaast onbereikbaar doel en concentreren zich eerst op het verhelpen van alle andere kwalen van de mensheid. Wisten ze maar dat deze andere kwalen slechts verschillende symptomen en bijverschijnselen zijn van de belangrijkste ziekte - verdeeldheid.

Bovendien heeft Bahá’u’lláh verklaard dat het nieuw leven inblazen van de mensheid en het herstel van haar ziekte alleen door middel van Zijn Geloof tot stand kan worden gebracht. […]

Shoghi Effendi vertelt ons dat er twee grote processen aan het werk zijn in de wereld: het grote Plan van God, onstuimig in haar vooruitgang, werkend door de hele mensheid, dat de obstakels voor wereldeenheid omver haalt en de mensheid in het vuur van lijden en ondervinding samensmeedt tot een ééngeworden lichaam. Dit proces zal, op het door God bepaalde tijdstip, de Kleine Vrede voortbrengen, de politieke eenwording van de wereld. De mensheid kan op dat moment worden vergeleken met een ééngeworden maar levenloos lichaam. Het tweede proces, de taak leven te blazen in dit ééngeworden lichaam - ware eenheid en spiritualiteit te scheppen met hoogtepunt de Allergrootste Vrede - is aan de Bahá'ís die, welbewust, met uitvoerige aanwijzingen en onder voortdurende goddelijke leiding, werken aan de oprichting van het bouwwerk van het Koninkrijk van God op aarde, waarheen zij hun medemensen oproepen en hen zo het eeuwige leven schenken.

(Wellspring of Guidance, 8 december 1967, blz. 131-134)

Het is waar dat ‘Abdu’l-Bahá uitspraken gedaan heeft waarin Hij de vestiging van de eenheid van de natiën met de twintigste eeuw verbindt, Bijvoorbeeld: ‘De vijfde kaars is de eenheid der volkeren - een eenheid die in deze eeuw hecht gevestigd zal worden, waardoor alle mensen op aarde zich als burgers van één gemeenschappelijk vaderland zullen beschouwen . . .’, en in ‘Promised Day is Come’ geeft Shoghi Effendi na een dergelijke aanhaling uit ‘Beantwoorde Vragen’ het volgende commentaar: ‘Dit is de fase die de wereld nu nadert, de fase van wereldeenheid, die, zoals ‘Abdu’l-Bahá ons verzekert, deze eeuw hecht zal worden gevestigd’.

Er is ook een andere uitspraak uit een brief die in 1946 namens de geliefde Behoeder door diens secretaris aan een gelovige werd geschreven: ‘Alles wat we weten is dat de Kleine en de Allergrootste Vrede zullen komen - we weten niet de exacte data. Ditzelfe geldt wat betreft de mogelijkheid van een toekomstige oorlog. We kunnen niet dogmatisch stellen dat deze wel of niet zal plaatsvinden - alles wat we weten is dat de mensheid moet lijden en voldoende gestraft moet worden om haar naar God te doen keren’.

(29 juli 1974)
PASSAGES UIT BRIEVEN GESCHREVEN
NAMENS HET UNIVERSELE HUIS VAN GERECHTIGHEID

. . . het Bahá’í Geloof streeft ernaar alle oorlog uit te bannen, inclusief atoomoorlog. Het fundamentale doel van ons Geloof is eenheid en het vestigen van vrede. Dit doel, dat het verlangen van mensen in een steeds onveilige wereld is, kan alleen door de leringen van Bahá’u’lláh worden bereikt. Daar alleen de Bahá’ís deze leringen aan de mensheid kunnen geven, moeten de vrienden zorgvuldig overwegen hoe zij hun tijd en energie zullen besteden, en hoe zij zich kunnen vrijwaren van het zich mengen in activiteiten die hen onnodig afleiden van hun eerste verantwoordelijkheid om anderen deelgenoot te maken van de Boodschap van Bahá’u’lláh.

(4 juli 1982)

In deze tijd is nucleaire ontwapening in de politiek een heet hangijzer geworden, waarvoor niet alleen in de Verenigde Staten gedemonstreed wordt, maar ook in Engelang en sommige westeuropese landen. Het apartnemen van nucleaire ontwapening doet tekort aan de Bahá’í standpunt en zou het Geloof in de huidige twisten tussen de landen betrekken. Het is heel duidelijk dat Bahá’ís geloven dat niet alleen nucleaire ontwapening essentieel is, maar ook het uitbannen van biologische, chemische en alle andere vormen van oorlogvoering.

(12 januari 1983)

Wat berteft de overgang van het huidige systeem van nationale soevereiniteit naar een systeem van wereldbestuur, is het Huis van Gerechtigheid het volledig eens met uw visie dat Bahá’ís nu alles moeten doen wat binnen hun macht is om deze overgang te bevorderen. Dit vereist tal van met elkaar in verband staande activiteiten, die alle doelen van het huidige Zevenjaren Plan zijn. Eén doel is om zo snel mogelijk in ieder deel van de wereld stevig gegrondveste en efficiënt functionerende Plaatselijke Geestelijke Raden te vestigen, zodat zoekers overal een vraagbaak hebben, waarheen zij zich voor leiding en voor de leringen van het Geloof kunnen richten. Een tweede is het verdiepen van gelovigen van alle leeftijden in hun begrip van en gehoorzaamheid aan de leringen. Ten derde: het Geloof aan alle legen van de samenleving te verkondigen, in het bijzonder aan gezagsdragers en vooraanstaande denkers, zodat zij die de leiding van het volk in handen hebben, de aard en de doelstellingen van het Geloof nauwkeurig zullen vernemen, en het zullen gaan respecteren en zijn beginselen gaan toepassen.

Ten vierde: het bevorderen van Bahá’í wetenschap, zodat een groeiend aantal gelovigen in staat zal zijn op ieder gebied de problemen van de mensheid te analyseren en aan te tonen hoe die door de leringen worden opgelost. Ten vijfde: het ontwikkelen van de banden tussen de Internationale Bahá’í Gemeenschap en de Verenigde Naties, zowel direct met de hoogste VN instellingen alsook aan de basis op het gebied van plattelandsontwikkeling, onderwijs en dergelijke.

Zoals u zich ongetwijfeld bewust zult zijn, heeft de Behoeder aangegeven dat de ontwikkeling van de mensheid vanuit haar huidige chaotische toestand naar het niveau van het Bahá’í Wereldgemenbest langdurig en geleidelijk zal zijn. Het totstandkomen van een Wereldautoriteit en de aanvang van de Kleine Vrede is een belangrijke overgang in dit proces en zal, zoals door Shoghi Effendi in zijn geschriften uiteen wordt gezet, door andere stadia in de ontwikkeling van het Geloof worden gevolgd. Ongetwijfeld zullen in de loop van deze ontwikkelingen de raad die instellingen van het Geloof aan regeringen kunnen geven, het voorbeeld van wereldbestuur dat door de Bahá’í Gemeenschap wordt gegeven en de grote menslievende projecten die onder auspiciën van het Universele Huis van Gerechtigheid gelanceerd zullen worden, een grote invloed op de voortgang van dit proces uitoefenen.

(19 januari 1983)

... Het is waar dat Bahá’ís geen pacifisten zijn, daar wij het gebruik van strijdkrachten in dienst van gerechtigheid en voor het hoodhouden van de wet goedkeuren. Maar wij geloven niet dat oorlog ooit nodig is en de uitbanning ervan is één van de essentiële doelstellingen en duidelijkste beloftes van Bahá’u’lláh’s Openbaring. Zijn specifiek gebod aan de koningen der aarde luidt: ‘Zou één van u de wapenen opnemen tegen de ander, dan moet gij allen tegen hem opstaan, want dit is niets dan duidelijke gerechtigheid’. De geliefde Behoeder heeft uitgelegd dat de eenheid der mensheid een wereldgemenebest, een federaal wereldsysteem insluit’ . . . bevrijd van de vloek van oorlog en zijn ellende . . . waarin strijdkracht tot de dienaar van Gerechtigheid zal zijn gemaakt . . .’ welks werelduitvoerende macht, ‘geruggesteund door internationale strijdkrachten . . . de organische eenheid van de gehele gemenebest veilig zal stellen.’ Dit slaat klaarblijkelijk niet op oorlog, maar op het handhaven van de wet en de openbare orde op wereldschaal. Oorlog is de uiteindelijke tragedie van onenigheid tussen natiën, waar geen internationaal gezag bestaat dat machtig genoeg is om hen ervan te weerhouden hun eigen beperkte belangen na te streven. Daarom verzoeken Bahá’ís hun land gedurende zulke gevechten op een ongewapende manier tegen dienen; zij zullen ongetwijfeld in zo’n internationale strijdmacht dienen, wanneer die, zoals door Bahá’u’lláh voorzien, tot stand komt.

(11 september 1984)

Het hoofddoel van Bahá’u’lláh’s verschijning op dit moment in de geschiedenis van de mensheid is het totstandbrengen van de eenheid der mensheid en het vestigen van vrede onder de volkeren; daarom zijn alle krachten die geconcentreerd zijn op het bereiken van die doelen, door Zijn Openbaring beïnvloed. Wij weten echter dat vrede stap voor stap komt. Eerst zal de Kleine Vrede komen, wanneer de eenheid der natiën bereikt zal zijn, daarna geleidelijk de Allergrootste Vrede, de zowel geestelijke alsook sociale en politieke eenheid van de mensheid, wanneer het Bahá’í Wereldgemenebest, dat in strikte overeenstemming met de wetten en verordeningen van het allerheiligste Boek van de Bahá’í Openbaring zal functioneren, door de inspanningen van de Bahá’ís zal zijn gevestigd.

Wat betreft de Kleine Vrede heeft Shoghi Effendi uitgelegd dat dit in het eerste begin een politieke eenheid zal zijn, die bereikt zal worden door een besluit van de regeringen van verschillende landen; ze zal niet door directe acties vanuit de Bahá’í Gemeenschap bereikt worden. Dit betekent echter niet dat de Bahá’ís terzijde staan te wachten op de komst van de Kleine Vrede voordat zij iets voor de vrede van de mensheid zullen doen. De Bahá’ís zijn met recht, door het bevorderen van de beginselen van het Geloof die onmisbaar zijn voor het handhaven van vrede en door het opbouwen van de instellingen van het Bahá’í Bestuursstelsel die, zoals ons door de geliefde Behoeder is verteld, het raamwerk van de toekomstige maatschappij vormen, voortdurend in de weer de basis voor een permanente vrede te leggen met de Allergrootste Vrede als hun uiteindelijke doel

De Kleine Vrede zelf zal verschillende stadia doorlopen; in de beginfase zullen de regeringen volledig uit zichzelf handelen zonder het Geloof er bewust bij te betrekken. Later zal, op Gods tid, het Geloof een directe invloed hebben op een manier zoals door Shoghi Effendi in ‘The Goal of a New World Order’ wordt aangeduid. In verband met de stappen die naar deze tweede fase zullen voeren, zal het Universele Huis van Gerechtigheid zeker bepalen wat er in overeenstemming met de leidraad in de Geschriften, zoals in de door u aangehaalde passage van blz. 89 van ‘Tablets of Bahá’u’lláh’, moet gebeuren. Ondertussen zullen de Bahá’ís ongetwijfeld ermee doorgaan om alles te doen wat binnen hun vermogen ligt om de vestiging van vrede te bevorderen.

(31 januari 1985)
BIBLIOGRAFIE

Bahá’u’lláh. ‘Epistle to the Son of the Wolf’. Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1953.

Bahá’u’lláh. ‘Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh’. Den Haag: Stichting Bahá’í Literatuur, 1979.

Bahá’u’lláh. ‘Tablets of Bahá’u’lláh revealed after the Kitáb-i-Aqdas’. Haifa: Bahá’í World Centre, 1978.

‘Abdu’l-Bahá. ‘‘Abdu’l-Bahá in London’. London: Bahá’í Publishing Trust, 1982.

‘Abdu’l-Bahá. ‘De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs’. Den Haag: Stichting Bahá’í Literatuur, 1984.

‘Abdu’l-Bahá. ‘The Promulgation of Universal Peace’. Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1982.

‘Abdu’l-Bahá. ‘The Secret of Divine Civilization’. Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1975.

‘Abdu’l-Bahá. ‘Selections from the Writings of ‘Abdu’l-Bahá’. Haifa: Bahá’í Publishing Trust, 1978.

Shoghi Effendi. ‘The Advent of Divine Justice’. Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1984.

Shoghi Effendi. ‘Citadel of Faith’. Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1965.

Shoghi Effendi. ‘The Promised Day is Come’. Den Haag: Stichting Bahá’í Literatuur, 1983.

Shoghi Effendi. ‘Messages to the Bahá’í World, 1950-1957’ Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1971.

Shoghi Effendi. ‘The Promised Day Is Come’. Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1980.

Shoghi Effendi. ‘The World Order of Bahá’u’lláh’. Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1974.

Universal House of Justice. ‘Wellspring of Guidance’. Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1969.

‘‘Abdu’l-Bahá in Canada’. Toronto: National Spriritual Assembly of the Bahá’ís of Canada, 1962

‘Bahá’u’lláh en het Nieuwe Tijdperk’. 2e druk Esslemont, John Ebenezer. Den Haag: Stichting Bahá’í Literatuur, 1978.

‘Star of the West’, vol. I, no. 1-vol. XXV, no 12; March 21, 1910-March 1935. Chicago: Bahá’í News Service.

1Geschreven in 1931 (noot vertaler)

2 geschreven in 1931, en heeft betrekking op de erste wereldoorlog

3 Bloemlezing CXXXI
??
??
??
??

Table of Contents: Albanian :Arabic :Belarusian :Bulgarian :Chinese_Simplified :Chinese_Traditional :Danish :Dutch :English :French :German :Hungarian :Italian :Japanese :Korean :Latvian :Norwegian :Persian :Polish :Portuguese :Romanian :Russian :Spanish :Swedish :Turkish :Ukrainian :