Announcing: BahaiPrayers.net


More Books by 6 Compilaties

Bahá'í Gebeden
Consultatie
Gebed en Meditatie
Het Baha'i Leven Leiden
Muziek
Politiek en Overheid
Vrede
Free Interfaith Software

Web - Windows - iPhone








6 Compilaties : Het Baha'i Leven Leiden
Het Bahá’í Leven Leiden
Een Compilatie
O ZOON VAN GEEST!

Mijn eerste raad is deze: bezit een rein, warm en stralend hart, dat een aloude, onvergankelijke en eeuwige heerschappij de uwe zij.

(Verborgen Woorden, uit het Arabisch, no. 1)
VOORAF

De Compilatie “Het Bahá’í Leven Leiden” is samengesteld uit twee engelstalige compilaties.

De eerste draagt de titel “The Pattern of Bahá’í Life”, in 1948 voor het eerst uitgegeven door de Nationale Geestelijke Raad van de Britse Eilanden. Deze compilatie is in 1990 in opdracht van Het Universele Huis van Gerechtigheid geheel herzien. De Nederlandse vertaling is naar Engels voorbeeld onderverdeeld in drie delen: Een rein hart, een warm hart, een stralend hart. Een overzicht van de vertaling van de trefwoorden aan de hand waarvan de teksten zijn gerangschikt is achterin dit boekje te vinden.

De tweede compilatie “Living the Life” is in 1972 uitgegeven in opdracht van het Universele Huis van Gerechigheid als een aanvulling op “The Pattern of Bahá’í Life”. Deze bevat teksten van Shoghi Effendi en is later aangevuld met een brief van het Universele Huis van Gerechtigheid van 6 februari 1973 aan alle Nationale Geestelijke Raden.

Stichting Bahá’í Literatuur.
DEEL 1
EEN REIN HART
BEZIT

Zeg: Verheugt u niet over de dingen die gij bezit; vanavond zijn ze nog van u, morgen zullen anderen ze bezitten....

(Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh (Den Haag: Stichting Bahá’í Literatuur, 1979), LXXI, p. 86)

O MENSENZOON!

Gij verlangt naar goud en Ik wens dat gij u ervan bevrijdt. Gij acht u rijk in het bezit ervan en Ik zie uw rijkdom in uw onthechting eraan. Bij Mijn leven! Het ene is Mijn kennis, het andere uw waan; hoe kan Mijn weg samengaan met de uwe?

(Bahá’u’lláh: Verborgen Woorden (Den Haag: Stichting Bahá’í Literatuur, 2e herz.dr., 1975), uit het Arabisch, nr. 56, p. 29)

Bij Hem Die schijnt boven de Dageraad van heiligheid! Zou de ganse aarde worden omgezet in zilver en goud, dan zou geen mens van wie gezegd kan worden dat hij werkelijk omhoog is gestegen in de hemel van geloof en zekerheid, zich verwaardigen ernaar te kijken, laat staan het te grijpen en te behouden....

(Bahá’u’lláh, aangehaald in Shoghi Effendi: “The Advent of Divine Justice” (Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1984), pp. 23-24)

BIECHT
...verlaag uzelf niet, noch zucht en ween.

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, nr. 44, p. 49)

Wanneer de zondaar geheel onthecht en bevrijd is van alles buiten God, moet hij van Hem om vergiffenis en kwijtschelding vragen. Het biechten van zonden en overtredingen tegenover mensen is niet geoorloofd, daar dit nooit werd en nooit zal worden beschouwd als vergeving door God. Daarenboven resulteert een dergelijk biechten in iemands vernedering en verlaging, terwijl God - verheven zij Zijn heerlijkheid - de vernedering van Zijn dienaren niet wenst. ...

(Bisharat, Negende Blijde Tijding, Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas (Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1988), p. 24)

GEDULD

Hij, waarlijk, zal de beloning van hen die geduldig verdragen, vergroten.

(Bloemlezing, LXVI, p. 80)

Indien iemand u beschimpt of tegenspoed u overvalt op Gods weg, wees geduldig en stel uw vertrouwen in Hem Die hoort, Die ziet....

(Bahá’u’lláh: “Epistle to the Son of the Wolf” (Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1988), p. 24)

GEHEELONTHOUDING

Drinkt, o dienstmaagden Gods, de mystieke wijn uit de kelk van Mijn woorden. Werpt dan van u hetgeen uw verstand verafschuwt, want het is u verboden in Zijn Tafelen en Zijn Geschriften. Hoedt u, dat gij de Rivier die het ware leven is niet verkwanselt voor dat waarvan de ziel van de zuiveren van hart een afkeer heeft. Geraakt in vervoering door de wijn van de liefde Gods en wordt niet bedwelmd door hetgeen uw verstand verzwakt, o gij die Hem aanbidt! Waarlijk, het is iedere gelovige, hetzij man of vrouw, verboden....

(Bahá’u’lláh, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 33)

Het drinken van wijn is overeenkomstig de tekst van het Allerheiligste Boek verboden; want het is de oorzaak van chronische ziekten, het verzwakt de zenuwen en verteert het verstand.

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 33)

GEMATIGDHEID

Alles wat de grenzen van gematigdheid overschrijdt zal geen heilzame invloed meer uitoefenen....

(Bloemlezing, CX, p. 130)

Een ieder die vasthoudt aan gerechtigheid, kan onder geen enkele omstandigheid de grenzen der gematigdheid overschrijden.... De beschaving waar zich de geleerde vertegenwoordigers van kunsten en wetenschappen zo dikwijls op beroemen zal, wanneer men voorbijgaat aan de grenzen van gematigdheid, de mensen veel kwaad berokkenen.... Tot het uiterste doorgevoerd zal beschaving een even grote bron van kwaad blijken te zijn als van geluk, wanneer ze binnen de grenzen van gematigdheid wordt gehouden....

Alle andere dingen zijn onderworpen aan ditzelfde beginsel van gematigdheid....

(Bloemlezing, CLXIII, p. 201)
GEZONDHEID

...iedere ziekte die het lichaam van de mens aantast is een belemmering voor de ziel om haar innerlijke kracht en macht te manifesteren.

(Bloemlezing, LXXX, p. 95)

Als de gezondheid en het welzijn van het lichaam aangewend worden in het pad van het Koninkrijk, is dit geheel aanvaardbaar en zeer prijzenswaardig; en als deze aangewend worden ten bate van de wereld der mensen in het algemeen - zelfs al zou dit voor hun stoffelijke voordeel zijn en een middel om goed te doen - dan is dat ook aanvaardbaar. Maar als de gezondheid en het welzijn van de mens worden verspild aan zinnelijke begeerten, aan een leven op het dierlijke niveau en aan duivelse najagerijen - dan is ziekte beter dan zo’n gezondheid; ja zelfs de dood is te verkiezen boven zo’n leven. Als gij gezondheid begeert, wenst dan gezondheid om het Koninkrijk te dienen.

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas (Chicago: Bahá’í Publishing Society, 1909), Dl. 1, p. 207)

HEILIGHEID

Uit de gehele wereld heeft Hij de harten van Zijn dienaren verkozen, en elk ervan tot een zetel gemaakt voor de openbaring van Zijn heerlijkheid. Heiligt ze daarom van iedere bezoedeling, zodat de dingen waarvoor ze werden geschapen erop gegrift kunnen worden....

(Bloemlezing, CXXXVI, p. 175)

Zeg: Weest uzelf en uw medemensen genadig en laat de Zaak Gods - een Zaak die onmetelijk verheven is boven het diepste wezen van heiligheid - niet worden bezoedeld met de smetten van uw hersenschimmen, uw onbetamelijke en verdorven inbeeldingen.

(Bloemlezing, CXXXVII, p. 177)

Verheft u, o mensen, en besluit door de kracht van Gods macht de overwinning op uzelf te behalen, zodat de gehele mensheid kan worden bevrijd en gelouterd van haar knechtschap aan de goden van haar ijdele verbeelding - goden die haar zulk een schade berokkenen en verantwoordelijk zijn voor de ellende van hun rampzalige aanbidders. Deze afgoden vormen de hindernis die de mens belemmert in zijn pogingen tot vooruitgang op de weg naar volmaaktheid....

(Bloemlezing, XLIII, p. 60)
INTEGRITEIT

Het zwaard van een deugdzaam karakter en oprecht gedrag is scherper dan een blad van staal....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 29)

Dit volk heeft geen vernietigingswapenen van node, daar zij zich hebben toegerust voor de vernieuwing van de wereld. Hun leger is de schare van goede daden, hun wapens bestaan uit hun rechtschapen gedrag en hun aanvoerder is de vreze Gods....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 74)

Al wie in deze Dag opstaat om Onze Zaak te helpen, en de heerscharen van een prijzenswaardig karakter en een rechtschapen gedrag te hulp roept, zal de gehele wereld voorzeker doordrenken met de invloed die van zulk een daad uitgaat.

(Bloemlezing, CXXXI, p. 170)
KUISHEID

Zij die hun begeerten en verkeerde neigingen volgen, dwalen en verspillen hun krachten. Zij behoren inderdaad tot de verlorenen.

(Bloemlezing, CXXXVI, p. 176)

Zuiverheid en kuisheid waren en zijn nog steeds de grootste sieraden voor de dienstmaagden van God. God is Mij tot getuige! Het heldere licht van kuisheid verlicht met zijn stralen de werelden van de geest, en zijn geuren worden zelfs tot het Meest Verheven Paradijs gevoerd.

God heeft waarlijk kuisheid tot een kroon op het hoofd van Zijn dienstmaagden gemaakt. Groot is de zegen voor die dienstmaagd die deze verheven rang heeft bereikt.

(Bahá’u’lláh, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 32)

Zeg: degene die zijn wereldse begeerten volgt of zijn hart zet op aardse dingen, wordt niet gerekend tot het volk van Bahá. Mijn ware volgeling is degene die, wanneer hij bij een vallei uit zuiver goud komt, er recht doorheen zal gaan als een overdrijvende wolk, zonder zich om te keren of stil te staan. Zulk een mens is voorzeker van Mij. Van zijn gewaad kan de Schare in den hoge de geur van heiligheid inademen.... En zou hij de mooiste en bevalligste vrouw ontmoeten, dan zou geen spoor van begeerte naar haar schoonheid zijn hart in verleiding brengen. Zo iemand is met recht de schepping van smetteloze kuisheid. Aldus onderricht u de Pen van de Aloude der Dagen gelijk bevolen door uw Heer, de Almachtige, de Almiddadige.

(Bloemlezing, LX, p. 74)

Wat een kuise en godvruchtige levenswijze betreft, die moet gezien worden als een niet minder wezenlijke factor die zijn eigen deel moet bijdragen aan de versterking en bezieling van de Bahá'í gemeenschap, waarvan op haar beurt het succes van ieder Bahá'í plan of iedere Bahá'í onderneming moet afhangen. In deze tijd, waarin de krachten van ongodsdienstigheid het morele karakter verzwakken, en het fundament van persoonlijke zedelijkheid ondermijnen, moet de verplichting tot kuisheid en godsvrucht de toenemende aandacht van de Amerikaanse gelovigen opeisen, zowel in hun persoonlijke hoedanigheid als in die van de verantwoordelijke beheerders van de belangen van het Geloof van Bahá'u'lláh. Bij het voldoen aan zo'n verplichting, waaraan de bijzondere omstandigheden, als gevolg van een buitensporig en futloos makend materialisme dat nu in hun land heerst, een speciale betekenis verlenen, moeten zij een opvallende en invloedrijke rol spelen. Allen, man en vrouw, moeten op dit dreigende uur waarop de lichten van religie aan het uitdoven zijn, en haar beperkingen één voor één afgeschaft worden, een ogenblik tijd nemen om hun gedrag aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, en met karakteristieke vastberadenheid opstaan om het leven van hun gemeenschap te zuiveren van ieder spoor van morele laksheid die de naam van zo'n heilig en kostbaar Geloof zou kunnen bezoedelen, of de onkreukbaarheid ervan zou kunnen schaden.

Een kuise en godvruchtige levenswijze moet het leidende principe worden in het gedrag en de houding van alle Bahá'ís, zowel in hun sociale betrekkingen met de leden van hun eigen gemeenschap als in hun contacten met de wereld daarbuiten. Deze levenswijze moet het ononderbroken werken en de verdienstelijke inspanningen sieren en versterken van hen die in de benijdenswaardige omstandigheid verkeren de Boodschap te verspreiden en de aangelegenheden van het Geloof van Bahá'u'lláh te besturen. Zij moet in haar absolute onkreukbaarheid en in alles wat ze in zich sluit in iedere fase van het leven van hen die de gelederen van dat Geloof vormen, hooggehouden worden, zowel thuis als op hun reizen, in hun clubs, hun verenigingen, hun amusement, en op hun scholen en universiteiten. Er moet speciale aandacht aan worden geschonken bij het leiden van sociale activiteiten op iedere Bahá'í zomerschool en bij alle andere gelegenheden waarbij het Bahá'í gemeenschapsleven georganiseerd en verzorgd wordt. Ze moet voortdurend nauw vereenzelvigd worden met de opdracht van de Bahá'í Jongeren, als een element in het leven van de Bahá'í gemeenschap, en als een faktor in de toekomstige vooruitgang en de oriëntering van de jongeren in hun eigen land.

Deze kuise en godvruchtige levenswijze die bescheidenheid, reinheid, gematigdheid, welvoeglijkheid en zuiver denken inhoudt, betekent niet minder dan het toepassen van gematigdheid in al datgene, wat betrekking heeft op kleding, taal, amusement en artistieke en literaire werkzaamheden. Zij vraagt om dagelijkse waakzaamheid ten aanzien van de beheersing van zinnelijke begeerten en verdorven neigingen. Zij roept op afstand te doen van lichtzinnig gedrag, op buitensporige wijze gepaard gaand met onbeduidende en dikwijls verkeerd gerichte genoegens. Zij vereist volledige onthouding van alle alcoholische dranken, van opium en soortgelijke verslavende middelen. Zij veroordeelt de ontering van kunst en literatuur, de praktijken van naaktlopen en van het vrije huwelijk, ontrouw in het huwelijk en iedere vorm van vrij geslachtelijk verkeer, van al te gemakkelijke omgangsvormen en van sexuele losbandigheid. Zij staat geen compromis toe met de theorieën, de normen, de gewoonten en de uitspattingen van een in verval zijnd tijdperk; wat meer is, zij tracht door de dynamische kracht van haar voorbeeld het verderfelijke karakter van zulke theorieën, de onjuistheid van zulke normen, de voosheid van zulke aanspraken, de verdorvenheid van zulke gewoonten en het heiligschennende karakter van zulke buitensporigheden aan te tonen.

(The Advent of Divine Justice, pp. 29-30)

Men moet echter in gedachten houden dat het handhaven van zo'n hoge standaard van moreel gedrag niet verbonden of verward moet worden met enige vorm van ascetisme of van buitensporig en dweperig puritanisme. Met de maatstaf die Bahá'u'lláh ons op het hart drukt, wordt er in geen geval naar gestreefd iemand de wettige rechten en voorrechten te ontzeggen, om het volle profijt te trekken uit en volop te genieten van de veelvuldige vreugden, al het mooie en de genoegens waarmee de wereld zo overdadig verrijkt is door een Al liefhebbende Schepper. "Als iemand," zo stelt Bahá'u'lláh Zelf ons gerust, "zich met wereldse sieraden en kleding wil tooien of wil genieten van al het goede der aarde, kan hem dit niet schaden, zolang hij niet toelaat dat er iets tussen hem en God komt, want God heeft al het goede, hetzij geschapen in de hemelen of op de aarde, voor diegenen van Zijn dienaren beschikt die waarlijk in Hem geloven. Eet, o mensen, van de goede dingen die God u heeft geschonken en onthoudt u niet van Zijn wondere gaven. Dankt en looft Hem, en behoort tot hen die waarlijk dankbaar zijn."

(The Advent of Divine Justice, p. 33)
LICHAAM

Uw oog is Mijn pand, laat niet toe dat het stof van ijdele begeerten de luister ervan verduistert. Uw oor is een teken van Mijn milddadigheid, laat de beroering van onbetamelijke beweegredenen dit niet doen afwenden van Mijn Woord dat de gehele schepping omvat. Uw hart is Mijn schatkamer; laat niet toe dat het verraderlijke eigen ik u berooft van de parels die Ik daarin heb opgeborgen. Uw hand is een zinnebeeld van Mijn goedertierenheid, belet haar niet aan Mijn welbewaarde en verborgen Tafelen vast te houden.

(Bloemlezing, CLII, p. 189)
NEDERIGHEID

Nederigheid verheft de mens tot de hemel van heerlijkheid en macht, terwijl trots hem verlaagt tot de diepten van ellende en vernedering....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 30)

Ieder mens met inzicht voelt zich, terwijl hij op de aarde wandelt, werkelijk beschaamd, aangezien hij zich er volledig van bewust is dat hetgeen de bron is van zijn voorspoed, zijn rijkdom, zijn macht, zijn verheffing, zijn vooruitgang en kracht, zoals door God beschikt, de aarde is die vertrapt wordt onder de voeten van alle mensen. Er kan geen twijfel bestaan dat al wie op de hoogte is van deze waarheid, verschoond en geheiligd is van alle trots, aanmatiging en snoeverij....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 44)
ONZELFZUCHTIGHEID

De staat van volkomen zelfovergave gaat iedere andere staat te boven en zal er altijd boven verheven blijven.

(Bloemlezing, CLX, p. 198)

Weest licht en onbelemmerd als de bries, opdat gij toegang moogt verkrijgen tot het gebied van Mijn hof, Mijn onschendbaar heiligdom.

(Bloemlezing, CLII, p. 190)

Zeg: Bevrijdt uw ziel, o mensen, van de ketenen van het eigen ik, en zuivert haar van iedere gehechtheid aan iets buiten Mij. Het Mij gedenken zuivert alle dingen van ontwijding, kon gij het slechts begrijpen....

(Bloemlezing, CXXXVI, p. 174)

Dit zijn allemaal wensen die het waard zijn gevraagd te worden. Vooral de bevrijding van eigenliefde. Dit is een vreemde karaktertrek waardoor vele belangrijke mensen in de wereld ten onder zijn gegaan. Als iemand met alle goede eigenschappen is begiftigd maar zelfzuchtig is, zullen alle andere deugden vervagen of verdwijnen, en zal hij tenslotte steeds verder achteruitgaan.

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, Dl. 1, p. 136)

Het betaamt u dat gij u losrukt van alle verlangens buiten uw Heer, de Verhevene, en geen hulp of steun verwacht van wie dan ook in het heelal....

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, Dl. 1, p. 97)
OPRECHTHEID

Hij [een waar zoeker] moet voor anderen niet wensen wat hij niet voor zichzelf wenst, noch beloven wat hij niet nakomt....

(Bahá’u’lláh: “Het Boek van Zekerheid” (Den Haag: Stichting Bahá’í Literatuur, 1976), p. 109/110)

Verwacht niet dat zij die de geboden van God schenden betrouwbaar of oprecht zullen zijn in het geloof dat zij belijden. Mijd hen en waak nauwlettend over uzelf, opdat hun lagen en listen u niet schaden....

(Bloemlezing, CXIV, p. 139)

Waakt ervoor, o mensen, dat gij niet behoort tot hen die anderen goede raad geven, maar vergeten zelf deze raad op te volgen. De woorden van dergelijke mensen en achter de woorden de werkelijkheid aller dingen, en achter deze werkelijkheid de engelen die God nabij zijn, zullen hen van onwaarheid beschuldigen.

(Bloemlezing, CXXVIII, p. 164/5)

...het is uw plicht volkomen oprecht te zijn, u te keren naar het heilig Koninkrijk en overvloedig uw geest te wijden aan de zaak van de Heer van Macht. Waarlijk, dit is geen ander leven dan het eeuwige leven dat in de wereld van het bestaan geen einde kent.

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, Dl. 3, (Chicago: Bahá’í Publishing Society, 1916), p. 620)

REINHEID

Vleugels die besmeurd zijn met slijk kunnen nooit omhoogwieken.....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 131)

Wanneer de mens in alle omstandigheden zuiver en onberispelijk is, zal hij het middelpunt worden van de weerspiegeling van het duidelijke Licht. Al zijn handelingen en gedrag moeten ten eerste zuiver zijn, vervolgens bewonderenswaardig en onafhankelijk. Het kanaal moet gereinigd zijn voordat het gevuld wordt met vers water. Het zuivere oog omvat Gods zienswijze en het Hem ontmoeten; de zuivere neusvleugel ademt de zoete geuren in van de rozentuin van genade; het zuivere hart wordt de spiegel van de schoonheid van waarheid. Daarom zijn in de hemelse Boeken de goddelijke raadgevingen en geboden vergeleken met water....

...reinheid en heiligheid, zuiverheid en fijngevoeligheid verheffen de mensheid en zorgen dat de sterfelijke wezens vooruitgaan. Zelfs wanneer toegepast op fysieke zaken, brengt verfijndheid spiritualiteit voort, zoals in de heilige Geschriften is vastgelegd

Uiterlijke reinheid heeft, hoewel deze slechts een fysieke zaak is, grote invloed op spiritualiteit....

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, Dl. 3, p. 581)
SCHAAMTEGEVOEL

De vreze Gods is altijd al een betrouwbaar verweer en veilig bolwerk voor alle volkeren der wereld geweest. Zij is de voornaamste oorzaak voor de bescherming van de mensheid en het voortreffelijkste werktuig voor haar behoud. Er bestaat in de mens inderdaad een eigenschap die hem afhoudt van en beschermt tegen alles wat onwaardig en ongepast is, en welke bekend staat als zijn schaamtegevoel. Dit is echter aan weinigen voorbehouden; niet allen hebben het bezeten en niet allen zullen het bezitten.

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 27)
SLAAP

...de mens moet geheel in God opgaan, moet niet denken aan zijn eigen zelfzuchtige omstandigheden, opdat hij zich aldus moge verheffen tot de staat van dienstbaarheid. Het moet zelfs in die mate zijn, dat als hij slaapt, het niet voor zijn genot is, maar om het lichaam uit te laten rusten opdat hij beter handelen, beter spreken, mooier uitleggen, de dienaren van God dienen en de waarheden bewijzen kan. Wanneer hij wakker is moet hij trachten opmerkzaam te zijn, de Zaak van God te dienen en zijn eigen rang op te offeren voor die van God. Wanneer hij deze rang bereikt, zullen de bekrachtigingen van de Heilige Geest hem zeker bereiken, en de mens die deze kracht bezit kan allen die de aarde bewonen weerstaan.

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, Dl. 3, p. 460)
STANDVASTIGHEID

De bron van moed en kracht is de verbreiding van het Woord van God en standvastigheid in Zijn liefde.

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 156)

O MENSENZOON!

Voor alles is een teken. Het teken van liefde is standvastigheid onder Mijn gebod en geduld onder Mijn beproevingen.

(Verborgen Woorden, uit het Arabisch, nr. 48, p. 27)

VRIJHEID

Vrijheid moet uiteindelijk tot opstand leiden, waarvan niemand de vlammen kan uitdoven ... Weet, dat het dier de belichaming en het symbool van de vrijheid is! Hetgeen de mens betaamt, is onderwerping aan beperkingen die hem beschermen tegen zijn eigen onwetendheid en hem behoeden voor het kwaad van de onruststoker. Vrijheid maakt, dat de mens de grenzen van welvoeglijkheid overschrijdt en de waardigheid van zijn staat schendt. Het verlaagt hem tot het peil van ontaarding en goddeloosheid....

Zeg: Ware vrijheid ligt in onderwerping van de mens aan Mijn geboden, hoe weinig gij dit ook beseft. Zouden de mensen datgene wat Wij tot hen hebben gezonden uit de Hemel van Openbaring in acht nemen, dan zouden zij voorzeker volmaakte vrijheid deelachtig worden. Gelukkig is de mens die het Plan van God heeft begrepen in alles wat Hij heeft geopenbaard vanuit de Hemel van Zijn Wil, die al het geschapene doordringt. Zeg: de vrijheid die u zal baten is nergens te vinden dan in volkomen dienstbaarheid aan God, de eeuwige Waarheid. Al wie die zoetheid heeft geproefd, zal haar voor alle heerschappij in de hemel en op aarde niet willen ruilen.

(Bloemlezing, CLIX, p. 197)
WAARDIGHEID

Alle mensen zijn geschapen om een immer voortschrijdende beschaving uit te dragen.... De Almachtige is Mijn getuige: zich te gedragen als de dieren in het veld is de mens onwaardig. De deugden die bij zijn waardigheid passen zijn: verdraagzaamheid, barmhartigheid, mededogen en naastenliefde jegens alle volkeren en geslachten der aarde....

(Bloemlezing, CIX, p. 129)

De grenzen te overschrijden van eigen rang en staat is geenszins geoorloofd. De onkreukbaarheid van iedere rang en staat moet ontegenzeglijk in stand worden gehouden. Hiermee wordt bedoeld dat ieder geschapen ding bezien moet worden in het licht van de plaats die het, zoals verordend, moet innemen.

(Bloemlezing, XCIII, p. 114)
DE WERELD
O ZOON VAN HET BESTAAN!

Houd u niet bezig met deze wereld, want met vuur toetsen Wij het goud en met goud toetsen Wij Onze dienaren.

(Verborgen Woorden, uit het Arabisch, nr. 55, p. 29)

Zeg: Indien gij zoekers zijt naar dit leven en de ijdelheden ervan, dan had gij ze moeten zoeken zolang gij nog in de moederschoot waart, want toen naderde gij ze gestadig, zo gij het slechts kon bevatten. Anderzijds zijt gij u - sinds gij werd geboren en uw volwassenheid bereikte - langzaam maar zeker gaan terugtrekken van de wereld en het stof gaan naderen. Waarom dan zulk een hebzucht in het ophopen van aardse schatten, wanneer uw dagen zijn geteld en uw kansen nagenoeg verloren zijn? O, achtelozen, wilt gij dan niet uw sluimer van u afschudden?

(Bloemlezing, LXVI, p. 79)

De wereld is slechts een schouwtoneel, leeg en nietszeggend, een louter niets dat de schijn heeft van werkelijkheid. Zet er niet uw zinnen op. Verbreekt niet de band die u vereent met uw Schepper, en behoort niet tot hen die hebben gezondigd en zijn afgedwaald van Zijn wegen. Waarlijk, Ik zeg u dat de wereld gelijk de nevel is in de woestijn, waarvan de dorstende denkt dat het water is en zich uit alle macht inspant het te bereiken om, naderbij gekomen, te ontdekken dat het louter begoocheling is. Het kan bovendien vergeleken worden met het levenloze beeld van de geliefde naar wie de minnaar heeft gezocht en, na lang zoeken, tot zijn diepe smart uiteindelijk ontdekt dat het behoorde tot dezulken die “zijn honger niet kunnen stillen of hem verzadigen”.

(Bloemlezing, CLIII, p. 193)
ZELFKENNIS
“Hij die zichzelf kent, kent God.”
(Bloemlezing, XC, p. 108)

...de mens behoort zichzelf te kennen en behoort in te zien wat tot verhoging of verlaging, tot glorie of vernedering, tot rijkdom of armoede leidt. Nu de mens in het stadium van vervulling is gekomen en zijn volwassenheid heeft bereikt heeft hij rijkdom nodig....

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 35)

O Mijn Dienaren! Kon gij begrijpen welke wonderen van Mijn vrijgevige milddadigheid Ik uw ziel wilde toevertrouwen, dan zoudt gij u waarlijk bevrijden van gehechtheid aan al het geschapene, en ware kennis omtrent uzelf verwerven - een kennis die gelijk is aan het begrijpen van Mijn eigen Wezen. Gij zoudt u onafhankelijk weten van alles buiten Mij, en met uw geestelijk en stoffelijk oog even duidelijk als de openbaring van Mijn stralende naam de zeeën van Mijn goedertierenheid en milddadigheid zich in u zien bewegen....

(Bloemlezing, CLIII, p. 192)
ZUIVERHEID

Wij zien waarlijk uw daden. Als Wij het zoetgeurende aroma van zuiverheid en godsvrucht ervan bespeuren, zullen Wij u zeer zeker zegenen....

(Bloemlezing, CXLI, p. 181)

Wij dragen de dienaren van God en Zijn dienstmaagden op zuiver te zijn en God te vrezen, opdat zij de sluimeringen van hun verdorven begeerten van zich af mogen schudden en zich tot God wenden....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 23)

Het zuivere hart is het hart dat geheel is afgesneden van het eigen ik....

(‘Abdu’l-Bahá in London: Addresses, and Notes of Conversations, p. 107)

EEN WARM HART
OPRECHT GEDRAG

Deze rechtschapenheid van gedrag, waaruit voortvloeien rechtvaardigheid, onpartijdigheid, waarheidlievendheid, oprechtheid, eerlijkheid en betrouwbaarheid, moet iedere fase van het leven van de Bahá’í gemeenschap kenmerken....

(The Advent of Divine Justice, p. 23)

Zulk een rechtschapenheid van gedrag moet met steeds toenemende kracht aan de dag worden gelegd bij iedere beslissing waarover de gekozen vertegenwoordigers van de Bahá’í gemeenschap, in welke positie zij zich ook mogen bevinden, geroepen kunnen zijn zich uit te spreken. Zij moet voortdurend worden weerspiegeld in de zakelijke transacties van al haar leden, in hun huiselijk leven, in alle soorten beroepen en in iedere dienst die zij in de toekomst aan hun regering of hun volk zullen bewijzen. Zij moet als voorbeeld dienen in het gedrag van alle Bahá’í kiezers bij het uitoefenen van hun gewijde rechten en functies. Zij moet de houding kenmerken van iedere trouwe gelovige aangaande het niet-aanvaarden van politieke functies, het zich niet-identificeren met politieke partijen, het niet-deelnemen aan politieke geschillen, het niet-lid zijn van politieke organisaties en kerkelijke instellingen. Zij moet hierin tot uiting komen dat allen, zij het jong of oud, zich onvoorwaardelijk houden aan de duidelijk uiteengezette en fundamentele beginselen die ‘Abdu’l-Bahá in zijn toespraken heeft voorgeschreven en aan de wetten en verordeningen die Bahá’u’lláh in Zijn Allerheiligste Boek heeft geopenbaard. Zij moet getoond worden in de onpartijdigheid van iedere verdediger van het Geloof jegens zijn vijanden, in de oprechtheid waarmee hij elke verdienste die die vijand zou hebben, erkent en in zijn eerlijkheid bij het zich kwijten van alle verplichtingen die hij tegenover hem zou hebben. Zij moet het fraaiste sieraad vormen van het leven, van de bezigheden, de inspanningen en de woorden van iedere Bahá’í leraar, of hij nu in het binnenland of in het buitenland werkt, in de voorhoede van het onderrichtsleger of in een minder actieve en verantwoordelijke positie. Zij moet tot het waarmerk gemaakt worden van dat in aantal geringe, maar intens dynamische en hoogst verantwoordelijke lichaam der gekozen landelijke vertegenwoordigers van iedere Bahá’í gemeenschap, hetwelk de schragende pijler vormt en het enige instrument in iedere gemeenschap voor de verkiezing van het Universele Huis, waarvan alleen al de naam, zoals die door Bahá’u’lláh werd beschikt, die rechtschapenheid van gedrag symboliseert die het als hoogste opdracht heeft om die veilig te stellen en te versterken.

Zo verheven en allesovertreffend is dit principe van goddelijke gerechtigheid, een principe dat gezien moet worden als de weergaloze onderscheiding van alle Plaatselijke en Nationale Raden, in hun hoedanigheid als voorlopers van het Universele Huis van Gerechtigheid, dat Bahá’u’lláh Zelf Zijn persoonlijke voorkeur en wil ondergeschikt maakt aan de alles-dwingende kracht van de eisen en implicaties daarvan. “God is Mij tot getuige!”, zo verklaart Hij, “Ware het niet in strijd met de Wet Gods, Ik zou de handen van hem die Mij wilde vermoorden hebben gekust, en hem Mijn aardse goederen hebben laten erven. Ik word echter weerhouden door de bindende Wet die in het Boek is neergelegd en ben Zelf verstoken van ieder aards bezit”....

(The Advent of Divine Justice, p. 26-27)

Geen wonder dus, dat de Auteur van de Bahá’í Openbaring heeft gekozen de naam van dat Huis, dat de glorierijke kroon van Zijn bestuursinstellingen moet worden, niet met vergeving, maar met gerechtigheid te verbinden; dat Hij rechtvaardigheid tot de enige basis en het duurzame fundament van Zijn Allergrootste Vrede heeft gemaakt en haar in Zijn Verborgen Woorden heeft uitgeroepen tot “het meest geliefde” in Zijn ogen....

(The Advent of Divine Justice, p. 28-29)
AFZONDERING

Leven in afzondering of een ascetisch leven leiden is niet aanvaardbaar in de tegenwoordigheid van God.... Ontzeg u niet de milddadigheden die om uwentwil zijn geschapen.

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 71)

Zondert u af in de vesting van Mijn liefde. Dit, voorwaar, is een afzondering die u past, wist gij het slechts. Hij die zich in zijn huis opsluit is werkelijk gelijk een dode. Het betaamt de mens aan de dag te leggen wat de mensheid tot voordeel zal strekken. Hij die geen vruchten voortbrengt is geschikt voor het vuur....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 49)
BETROUWBAARHEID

Handel niet verraderlijk met het bezit van uw naaste. Weest gij betrouwbaar op aarde en onthoudt de armen niet hetgeen u door God is gegeven door middel van Zijn genade. Hij, waarlijk, zal u het dubbele schenken van wat gij bezit....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 54-55)

Weet met zekerheid dat wie niet in God gelooft noch betrouwbaar noch waarheidlievend is. Dit inderdaad is de waarheid, de ontwijfelbare waarheid. Wie verraderlijk handelt jegens God zal ook verraderlijk handelen jegens zijn koning. Niets kan zulk een mens weerhouden van het kwade, niets kan hem beletten zijn naaste te bedriegen, niets kan hem nopen oprecht te zijn.

(Bloemlezing, CXIV, p. 139)

Spant u in opdat alle naties en gemeenschappen van de wereld, zelfs de vijanden, hun vertrouwen, zekerheid en hoop op u stellen; opdat iemand, indien hij honderdduizend keer fouten maakt, toch zijn gelaat naar u mag wenden in de hoop dat u zijn zonden zult vergeven; want hij mag niet wanhopig, noch verdrietig of moedeloos worden....

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 2 (Chicago, Bahá’í Publishing Society), p. 436)

DIENSTBAARHEID

Hij is waarlijk mens die zich heden ten dage in dienst stelt van de gehele mensheid....

(Bloemlezing, CXVII, p. 148)

O volk Gods! Houdt u niet bezig met uw eigen belangen; laat uw denken gericht zijn op hetgeen de mensheid geluk en welzijn brengt, en hart en ziel der mensen heiligt....

(Bloemlezing, XLIII, p. 60)

...dienstbaarheid uit liefde voor de mensheid is eenheid met God. Hij die dient is het Koninkrijk reeds binnengegaan en is gezeten aan de rechterhand van zijn Heer.

(The Promulgation of Universal Peace: Talks Delivered by ‘Abdu’l-Bahá during His Visit to the United States and Canada in 1912, 2nd. ed., (Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1982), p. 186)

Dienstbetoon is gebed....

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, (Den Haag: Stichting Bahá’í literatuur, 1984), p. 199)

Staat op en dient de Macht van God!

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 189)

De dienstbaarheid van de vrienden behoort aan God en niet aan hen....

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 1, p. 61)
DIEREN

Hij [een waar zoeker] moet goed zijn voor dieren, hoeveel te meer voor zijn medemens die met het vermogen van spraak is begiftigd....

(Het Boek van Zekerheid, p. 109)

...wat voor verschil bestaat er op het gebied van fysieke gewaarwording? De gevoelens zijn precies hetzelfde, of u nu een mens of een dier pijn bezorgt. Er is geen enkel verschil. En u doet er inderdaad meer kwaad mee een dier letsel toe te brengen, want de mens heeft een taal, hij kan een klacht indienen, hij kan het uitschreeuwen en weeklagen; als hij gewond is kan hij zijn toevlucht nemen tot de autoriteiten en deze zullen hem tegen zijn aanvaller beschermen. Maar het ongelukkige dier kan niet spreken en is noch in staat zijn verwonding onder woorden te brengen noch in staat met zijn geval naar de autoriteiten te gaan.... Daarom is het zeer belangrijk dat u de uiterste voorkomendheid tegenover het dier in acht neemt, en dat u zelfs vriendelijker bent tegen het dier dan tegen uw medemens.

Oefen uw kinderen van jongs af aan oneindig zacht en lief voor dieren te zijn....

(Selections from the Writings of ‘Abdu’l-Bahá, (Haifa: Bahá’í World Centre, 1982) 138, p. 159)

EERLIJKHEID

Deze Verguisde legt u eerlijkheid en vroomheid op. Gezegend is de stad die schittert door hun licht. Ze verheffen de mens en door hen wordt de deur van veiligheid ontsloten voor het aangezicht van de gehele schepping....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 23)

Zij die in het Tabernakel Gods verblijven en gevestigd zijn op de zetels van eeuwigdurende heerlijkheid zullen, ook al sterven zij van de honger, weigeren hun hand uit te strekken om het eigendom van hun naaste onrechtmatig in beslag te nemen, hoe verachtelijk en nietswaardig deze ook moge zijn.

(Bloemlezing, CXXXVII, p. 176-177)
GASTVRIJHEID
...verwelkomt allen met het licht van eenheid.

(Bahá’u’lláh, aangehaald in The Advent of Divine Justice, p. 37)

Wanneer een mens zijn gelaat tot God keert, vindt hij overal zonneschijn. Alle mensen zijn zijn broeders. Laat geen vormelijkheid er de oorzaak van zijn dat u koel en onhartelijk lijkt, wanneer u vreemden ontmoet. Kijk niet naar hen alsof u hen ervan verdenkt boosdoeners, dieven of boerenkinkels te zijn. U denkt dat het noodzakelijk is zeer voorzichtig te zijn en uzelf niet bloot te stellen aan het gevaar met dergelijke, mogelijk ongewenste mensen kennis te maken.

Ik vraag u om niet alleen aan uzelf te denken. Weest vriendelijk tegen vreemdelingen, of zij nu uit Turkije, Japan, Perzië, Rusland, China of enig ander land ter wereld komen.

Helpt hen zich thuis te voelen; gaat na waar zij verblijf houden, vraagt of u hen van dienst kunt zijn en tracht hun leven wat gelukkiger te maken.

Zelfs wanneer uw oorspronkelijke verdenking soms waar zou zijn, blijft dan toch zo vriendelijk mogelijk voor hen - deze vriendelijkheid zal hen helpen zich te verbeteren.

Waarom moeten buitenlanders per slot van rekening als vreemden behandeld worden?

Toont degenen die u ontmoet, ook zonder dat u het zegt, dat u met recht Bahá’í bent.

Brengt de lering van Bahá’u’lláh, en wel die van vriendelijkheid voor alle volkeren, in praktijk. Weest niet tevreden met het tonen van vriendschap in woorden alléén, maar laat uw hart branden van liefdevolle genegenheid jegens allen die uw weg mogen kruisen.

(Toespraken in Parijs, p. 15-16)
GEHOORZAAMHEID

Niemand heeft het recht op enigerlei wijze te handelen in strijd met de geldende inzichten van hen die de gezagsdragers zijn....

(Bloemlezing, CXV, p. 143)

Wat de mensheid in deze Dag van node heeft, is gehoorzaamheid aan de machthebbers en hechte trouw aan het koord van wijsheid....

(Bloemlezing, CII, p. 124-125)

Legt op geen mens een last die gij niet zelf opgelegd wilt hebben en wenst niemand datgene toe wat gij niet voor uzelf zoudt wensen....

(Bloemlezing, LXVI, p. 79)

De wet moet regeren en niet de enkeling. Dan zal de wereld een wereld van schoonheid worden en zal ware broederschap worden verwezenlijkt.

(Toespraken in Parijs, p. 149)
GENADE

O Mensenzoon! Indien uw ogen op genade zijn gericht, verzaak de dingen die u ten goede komen en houd u vast aan hetgeen de mensheid ten goede komt. En als uw ogen op gerechtigheid zijn gericht, kies voor uw naaste hetgeen u voor uzelf kiest....

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 64)

GESLACHT

Het geslacht heeft, in verhouding tot de vereisten op het lichamelijke vlak, geen verband met de Geest....

(‘Abdu’l-Bahá in Londen, p. 81)

Maar in Gods ogen maakt het geslacht geen verschil. Hij of zij die het dichtst bij God staat is het grootst.

(‘Abdu’l-Bahá in Londen, p. 105)

Als vrouwen dezelfde onderwijskansen zouden krijgen als mannen, dan zou het resultaat bewijzen dat beide geslachten gelijke capaciteiten hebben voor de wetenschap.

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 182)

GEWELD

Er is geen roem voor hem die wanorde veroorzaakt op de aarde, nadat zij zo goed gemaakt is....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 24)

Verspreidt geen wanorde in het land, vergiet niemands bloed, verbruikt niet onrechtmatig andermans vermogen en volgt evenmin iedere hatelijke kletser.

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 25)

Vechten en het gebruiken van geweld zullen, zelfs voor een goede zaak, geen goede resultaten opleveren. De onderdrukten die het recht aan hun kant hebben moeten dat recht niet met geweld nemen, dan zal het kwaad voortduren. Het hart moet veranderd worden....

(‘Abdu’l-Bahá in London, p. 92)
HOFFELIJKHEID

Waarlijk, Wij hebben hoffelijkheid verkozen en haar het ware teken gemaakt van diegenen die Hem nabij zijn. Hoffelijkheid is, in waarheid, een kleed dat ieder mens past, zij het jong of oud. Wel ga het hem, die zijn tempel hiermee tooit en wee hem die deze grote milddadigheid onthouden is....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 50)

O volk van God! Ik maan u aan hoffelijkheid in acht te nemen, want boven alles is zij de vorst der deugden. Wel gaat het hem die verlicht is met het licht van hoffelijkheid en getooid is met het kleed van rechtschapenheid. Al wie begiftigd is met hoffelijkheid heeft werkelijk een sublieme staat bereikt....

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 88)

HUWELIJK

Gaat een huwelijk aan, opdat na u een ander zich in uw plaats moge verheffen. Waarlijk Wij hebben u ontucht verboden en niet datgene dat leidt tot trouw. Hebt gij u vastgeklemd aan wat uw natuur u ingeeft en de verordeningen van God verworpen? Vreest God en behoort niet tot de dwazen. Als de mens er niet was, wie op Mijn aarde zou Mij gedenken en hoe zouden Mijn eigenschappen en Mijn Naam geopenbaard kunnen worden?

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 49)
KARAKTER

De metgezellen van God zijn in deze dag het zuurdesem dat de volkeren der wereld moet doortrekken. Zij moeten zulk een betrouwbaarheid, zulk een waarheidsliefde en doorzettingsvermogen ten toon spreiden, dat de gehele mensheid baat zal vinden bij hun voorbeeld.

(Bahá’u’lláh, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 23)

Het doel van de ene ware God met Zich te openbaren is om de gehele mensheid op te roepen tot waarheidsliefde en oprechtheid, tot godsvrucht, betrouwbaarheid, tot overgave en onderwerping aan de Wil van God, tot verdraagzaamheid en welwillendheid, tot rechtschapenheid en wijsheid. Zijn oogmerk is ieder mens uit te rusten met de mantel van een godvruchtig karakter en hem te tooien met het sieraad van toegewijde en voortreffelijke daden.

(Bloemlezing, CXXXVII, p. 177)

In deze dag is het de hoogste plicht uw karakter te zuiveren, uw handelwijze te verbeteren en uw gedrag te vervolmaken. De beminden van de Barmhartige moeten een zodanig karakter en gedrag onder Zijn schepselen aan de dag leggen dat de geur van hun heiligheid over de gehele wereld wordt verspreid en de doden tot nieuw leven worden gewekt, aangezien het doel van de Manifestatie van God en het dagen van de onbegrensde lichten van de Onzichtbare is om de zielen der mensen op te voeden en het karakter van ieder levend mens te verfijnen....

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 26)

Een goed karakter is, waarlijk, de beste mantel van God voor de mensen; hiermee siert Hij de slapen van Zijn geliefden. Bij mijn leven! Het licht van een goed karakter overtreft het licht van de zon en de straling ervan. Al wie dit bereikt wordt als een juweel onder de mensen beschouwd. De heerlijkheid en de verheffing van de wereld zijn daar volkomen van afhankelijk. Een uitnemend karakter is een middel waardoor mensen naar het Rechte Pad en naar de Grote Aankondiging worden geleid....

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 36)

KINDEREN

Een ieder, hetzij man of vrouw, moet een gedeelte van wat hij of zij door handel, landbouw of een ander beroep verdient, aan een vertrouwd persoon overhandigen voor de opleiding en het onderwijs van kinderen, voor dit doel te besteden met medeweten van de Gevolmachtigden van het Huis van Gerechtigheid.

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 90)

Van iedere vader wordt vereist zijn zoon en dochter in de kunst van lezen en schrijven te onderrichten, alsmede in alles wat in de Heilige Tafel is vastgelegd.... Als iemand zijn zoon of de zoon van een ander opvoedt, is het alsof hij een zoon van Mij heeft opgevoed....

(Synopsis en Codificatie van de Kitáb-i-Aqdas, het Heiligste Boek van Bahá’u’lláh (Den Haag: Nationale Geestelijke Raad van de Bahá’ís van Nederland), p. 29)

In de eerste plaats moeten de scholen de kinderen onderrichten in de beginselen der religie, dat de Belofte en de Bedreiging die in de boeken van God zijn vermeld, hen van verboden dingen zullen weerhouden en hen zullen tooien met de mantel der Geboden. Maar op zulk een wijze, dat het de kinderen geen kwaad doet doordat het uitloopt op dom fanatisme en dweepzucht.

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 68)

Doe wat u kunt om spiritualiteit in hen (de kinderen) aan te moedigen.

(‘Abdu’l-Bahá in Londen, p.111)

Het is de plicht van allen om voor de kinderen te zorgen. Degenen die geen kinderen hebben moeten, indien mogelijk, de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van een kind voor hun rekening nemen.

(‘Abdu’l-Bahá in London, p. 91)
KWAADAARDIGHEID
O MIJN DIENAAR!

Zuiver uw hart van kwaad en treed, vrij van afgunst, de goddelijke hof van heiligheid binnen.

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no 42, p. 48)

...de tong is een smeulend vuur en overdadig spreken een dodelijk gif. Het stoffelijke vuur verteert het lichaam, terwijl het vuur van de tong hart en ziel verslindt. De kracht van het eerste duurt slechts kort, terwijl de uitwerking van het laatste een eeuw duurt... Kwaadspreken dooft het licht van het hart, en blust het leven van de ziel uit....

(Het Boek van Zekerheid, p. 109)
LASTER
O MENSENZOON!

Gewaag niet van de zonden van anderen zolang gij zelf een zondaar zijt. Indien gij dit gebod schendt, zult gij verworpen worden, dit betuig Ik u.

(Verborgen Woorden, uit het Arabisch, no. 27, p. 23)

O GIJ UITGEWEKENEN!

De tong heb Ik bestemd om van Mij te gewagen, bezoedelt haar niet met laster. Als het vuur van eigenliefde u overmeestert, herinnert u dan uw eigen fouten en niet de fouten van Mijn schepselen, daar een ieder van u zichzelf beter kent dan hij anderen kent.

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 66, p. 56)

O METGEZEL VAN MIJN TROON!

Hoor geen kwaad en zie geen kwaad, verlaag uzelf niet, noch zucht en ween. Spreek geen kwaad, opdat het niet tegen u gesproken wordt en overdrijf niet de fouten van anderen, opdat uw eigen fouten niet groot lijken. Wens niet de vernedering van een ander, opdat uw eigen vernedering niet blootgelegd wordt....

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 44, p. 49)

Hoed u ervoor de gevoelens van iemand te kwetsen, of het hart van iemand te bedroeven, of iemand verwijten te maken en op iemand te vitten ... Hoed u, hoed u ervoor dat iemand een ander berispt of te schande maakt, al is hij misschien kwaadwillig en boosaardig.

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 1, p. 45)
LIEFDADIGHEID

Liefdadigheid is in Gods ogen welgevallig en prijzenswaardig, en wordt beschouwd als de prins onder de voortreffelijke daden.... In dit licht gezien is bovenvermelde gezegende uitspraak waarlijk de morgenster van uitspraken. Gezegend is hij die zijn broeder boven zichzelf verkiest; zo iemand wordt waarlijk, krachtens de Wil van God, de Alwetende, de Alwijze, gerekend tot het volk van Bahá dat in de Karmozijnrode Ark woont.

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 71)

Zij die rijkdommen bezitten moeten evenwel de grootste zorg besteden aan de armen, want groot is de eer die God heeft weggelegd voor de armen die zich geduldig betonen... Er is geen eer die vergeleken kan worden met de eer die het God behaagt te verlenen. Groot is de gelukzaligheid welke de armen wacht die geduldig volhouden en hun lijden verbergen, en goed gaat het de rijken die van hun rijkdom geven aan de armen, en hen de voorkeur geven boven zichzelf.

(Bloemlezing, C, p. 122)

Zo is ook een goede daad die iemand verricht, hoe prijzenswaardig ook, indien niet veroorzaakt door de liefde tot en kennis van God, onvolmaakt....

(‘Abdu’l-Bahá: “Beantwoorde Vragen”, (Den Haag: Stichting Bahá’í Literatuur, 1982), p. 257)

LIEFDE VOOR DE MENSHEID

Een ieder ziet in de ander de schoonheid van God weerspiegeld in de ziel en als men dit punt van overeenkomst ontdekt, wordt men in liefde tot elkaar aangetrokken. Deze liefde zal alle mensen tot de golven van één zee maken, deze liefde zal hen allen tot de sterren van één hemel en de vruchten van één boom maken. Deze liefde zal de verwezenlijking van zuivere harmonie, de basis van ware eenheid brengen.

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 204)

Liefde is onbeperkt, onbegrensd, oneindig! Stoffelijke dingen zijn begrensd, vastomlijnd, eindig. U kunt onbegrensde liefde niet op toereikende wijze uitdrukken met begrensde middelen.

De volmaakte liefde heeft een onzelfzuchtig werktuig nodig, volkomen bevrijd van ketenen van welke aard ook. Familieliefde is beperkt; de band van bloedverwantschap is niet de sterkste band. Dikwijls passen leden van dezelfde familie niet bij elkaar en haten elkaar zelfs.

Vaderlandsliefde is eindig; de liefde voor zijn land, die de oorzaak is van haat voor alle andere landen, is geen volmaakte liefde! Ook landgenoten zijn niet vrij van ruzies onder elkaar.

Rassenliefde is beperkt; er bestaat hier enige eendracht, maar deze is onvoldoende. Liefde moet vrij van grenzen zijn!

Het liefhebben van ons eigen ras kan het haten van alle andere rassen betekenen, en zelfs mensen van hetzelfde ras houden dikwijls niet van elkaar.

Politieke liefde is ook sterk verbonden met haat van de éne partij ten opzichte van de andere; deze liefde is zeer begrensd en onzeker.

De liefde van de belangengemeenschap in dienstverband is eveneens onbestendig; dikwijls ontstaat er concurrentie die tot jaloezie leidt en uiteindelijk maakt liefde plaats voor haat.

Enige jaren geleden stonden Turkije en Italië, in politiek opzicht, op vriendschappelijke voet met elkaar; nu zijn zij in oorlog!

Al deze liefdesbanden zijn onvolmaakt. Het is duidelijk, dat beperkte stoffelijke banden onvoldoende zijn om de universele liefde doelmatig uit te drukken.

De grote onzelfzuchtige liefde voor de mensheid is aan geen van deze onvolmaakte, half-zelfzuchtige banden gebonden; deze liefde is de enige volmaakte liefde die voor de gehele mensheid mogelijk is en zij kan alleen worden verkregen door de kracht van de goddelijke Geest....

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 39-40)

MEDEDOGEN

Het is een van de belangrijkste plichten voor de zieken te zorgen! Wanneer iemand ziek wordt, moeten de andere vrienden zeker met de uiterste vriendelijkheid hem hun leven (van dienstbaarheid) aanbieden.

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 1, p. 149)

Wij moeten allen de zieken bezoeken. Wanneer ze verdrietig zijn en veel lijden is het een weldaad en helpt het echt als er een vriend komt. Geluk is voor hen die ziek zijn een geweldige heelmeester. In het oosten is het de gewoonte de patient vaak op te zoeken en hem persoonlijk te ontmoeten. De mensen in het oosten betonen de zieken en lijdenden uiterste vriendelijkheid en mededogen. Dit heeft een grotere uitwerking dan het geneesmiddel zelf. U moet altijd met deze gedachten van liefde en genegenheid op bezoek gaan bij de zieken en getroffenen.

(The Promulgation of Universal Peace, p. 204)
NAASTENLIEFDE

O volk van Bahá, ga met alle mensen om in een geest van vriendelijkheid en kameraadschap....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 15)

Wees niet tevreden totdat een ieder met wie u te maken hebt als een familielid voor u is. Beschouw elkaar ofwel als een vader, of als een broer, of als een zus, of als een moeder, of als een kind. Als u dit kunt bereiken zullen uw moeilijkheden verdwijnen; u zult weten wat u moet doen....

(‘Abdu’l-Bahá in London, p. 91)

Wanneer u een familielid of een landgenoot liefhebt, laat dit met een lichtstraal van de oneindige liefde zijn! Laat het in God en voor God zijn! Overal waar u de hoedanigheden van God vindt, hebt die persoon lief, of hij nu tot uw familie behoort of tot een andere. Stort het licht van een grenzeloze liefde uit over ieder menselijk wezen dat u tegenkomt ...

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 41/2)

O MENSENZOON!

Wijs Mijn dienaar niet af, wanneer hij u om iets vraagt, want zijn gelaat is Mijn gelaat; wees dus ootmoedig voor Mij.

(Verborgen Woorden, uit het Arabisch, no. 30, p. 24)

Laat het uw voornaamste zorg zijn de gevallene te redden uit de poel van dreigende ondergang en hem te helpen het aloude Geloof Gods te omhelzen.

(Bloemlezing, CXLVII, p. 186)
OORLOG

Ik draag u allen ... op, om alle gedachten van uw hart op liefde en eenheid te concentreren. Wanneer een oorlogsgedachte opkomt, bestrijdt deze met een sterkere vredesgedachte. Een haatdragende gedachte moet worden vernietigd door een krachtiger gedachte van liefde. Oorlogsgedachten werken vernietigend op alle harmonie, welzijn, rust en tevredenheid.

Gedachten van liefde zijn opbouwend voor broederschap, vrede, vriendschap en geluk.

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 31)

Hoe is het mogelijk dat mensen van de ochtend tot de avond vechten, elkaar doden en het bloed van hun medemensen vergieten. En met welk oogmerk? Om een deel van de aarde in bezit te nemen! Zelfs dieren hebben als ze vechten een directe en redelijker beweegreden voor hun aanvallen! Hoe ontzettend is het, dat mensen die tot het hogere rijk behoren zich kunnen verlagen tot doodslag, rampspoed brengend onder hun medeschepselen, voor het bezit van een stuk land!

Het hoogste van de geschapen wezens vechtend om de laagste stoffelijke vorm te verwerven, de aarde! Land behoort niet aan één volk maar aan alle mensen. Deze aarde is niet het tehuis van de mens, maar zijn graf....

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 30)
OPOFFERING

Mijn leven te hebben opgeofferd voor de Manifestatie van Uw Zelf, mijn ziel te hebben geofferd op het pad van de Onthullers van Uw wonderbare Schoonheid, is gelijk het opofferen van mijn geest voor Uw Geest, mijn wezen voor Uw Wezen, mijn heerlijkheid voor Uw Heerlijkheid. Het is of ik al deze dingen had geofferd om Uwentwil en omwille van Uw geliefden.

Hoewel mijn lichaam gepijnigd wordt door de beproevingen die U mij doet toekomen, hoewel het geteisterd wordt door de onthullingen van Uw Bevel, toch verheugt mijn ziel zich deel te hebben gehad aan de wateren van Uw Schoonheid en de kusten van de oceaan van Uw eeuwigheid te hebben bereikt. Past het een minnaar van zijn geliefde weg te vluchten, of het doel van zijn hartsverlangen te verlaten? Neen, wij allen geloven in U en hopen vurig Uw tegenwoordigheid binnen te gaan.

(Prayers and Meditations by Bahá’u’lláh, (Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1987), no. 60, p. 95-96)

Op zekere dag kwamen enkele soldaten bij het huis van een Bahá’í en eisten dat, overeenkomstig hun bevelschrift, een van de gasten zou worden overgeleverd om geëxecuteerd te worden. De gastheer nam de plaats van zijn gast in en stierf in zijn plaats.

(‘Abdu’l-Bahá in London, p. 53)
OUDERS

Men veronderstelt dat er op het pad van liefde vier tochten zijn: de reis der schepselen naar de Waarachtige, die van de Waarachtige naar de schepselen, van de schepselen tot de schepselen, en de tocht van de Waarachtige tot de Waarachtige.

(Bahá’u’lláh: “De Zeven Valleien”, (Den Haag, Mirananda, 1986), p. 46)

Laat bijvoorbeeld uwe eminentie zichzelf beschouwen: met betrekking tot uw zoon bent u de eerste, met betrekking tot uw vader, de laatste. In uw uiterlijke gedaante vertelt u over de verschijning van macht in de rijken der goddelijke schepping; in uw innerlijk wezen onthult u de verborgen mysteriën, het goddelijk pand dat bij u berust.

(De Zeven Valleien, p. 47-48)

Wees de zoon van uw vader en wees de vrucht van die boom. Wees een zoon die uit zijn hart en ziel geboren is en niet alleen uit water en klei. Een ware zoon is hij die uit het geestelijk deel van een man is ontsproten.

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 2, p. 342)
POLITIEK

Vroeger is geopenbaard: “Liefde voor het vaderland is een bestanddeel van het Godsgeloof”. De Tong van verhevenheid heeft echter ten tijde van Zijn manifestatie verkondigd: “Men beroeme zich er niet op zijn vaderland lief te hebben, doch stelle er een eer in de wereld lief te hebben”.

(Bloemlezing, XLIII, p. 61)

...Hij (Bahá’u’lláh) heeft hen verboden zich ook maar enigszins te bemoeien met politieke vraagstukken. Hij heeft de gelovigen zelfs verboden over politieke zaken te praten.

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 3, p. 498)

De vrienden mogen stemmen, wanneer ze dat kunnen zonder zich met een of andere partij te identificeren. Het betreden van de arena van partijpolitiek is zeker nadelig voor de belangen van het Geloof en het zal de Zaak schaden. Het is aan de individuen zelf om hun stemrecht zo te gebruiken dat ze zich verre houden van partijpolitiek en er altijd aan denken dat ze op een persoon stemmen om zijn verdiensten en niet omdat hij tot de een of andere politieke partij behoort....

(Uit een brief van 16 maart 1933 namens Shoghi Effendi geschreven aan de Nationale Geestelijke Raad van de Verenigde Staten en Canada)

RECHTSCHAPENHEID

Hoedt u dat gij niet uzelf verkiest boven uw naasten....

(Bloemlezing, CXLVI, p. 185)

Weest eerlijk jegens uzelf en jegens anderen, opdat door uw daden de bewijzen van gerechtigheid mogen worden onthuld onder Onze trouwe dienaren.

(Bahá’u’lláh, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 25)

... rechtschapenheid is de voornaamste der menselijke deugden. De waardebepaling van alle dingen moet daarvan afhangen. ...

Zeg: Betracht rechtvaardigheid in uw oordeel, gij mensen met een begrijpend hart! Hij die onrechtvaardig is in zijn oordeel, is verstoken van de kenmerken die ‘s mensen staat onderscheiden.

(Bloemlezing, C, p. 122 en 123)
RECHTVAARDIGHEID
O ZOON VAN GEEST!

Het meest geliefde in Mijn ogen is rechtvaardigheid. Keer u niet van haar af indien gij Mij begeert, en veronachtzaam haar niet, zodat Ik u Mijn vertrouwen kan schenken. Met haar hulp zult gij met uw eigen ogen zien en niet door de ogen van anderen, uit eigen kennis weten en niet door de kennis van uw naaste.

(Verborgen Woorden, uit het Arabisch, no. 2, p.17-18)

Hij zal nooit iemand onrechtvaardig behandelen en evenmin zal Hij een mens boven zijn kracht beproeven....

(Bloemlezing, LII, p. 67)

Het licht van de mens is gerechtigheid. Doof het niet met de tegenwinden van onderdrukking en tyrannie. Het doel van gerechtigheid is het tevoorschijn komen van eenheid onder de mensen.

(Bahá’u’lláh, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 27-28)

O ZOON VAN GEEST!

Weet voorzeker dat wie de mensen tot gerechtigheid maant en zelf onrecht pleegt, niet één van de Mijnen is, ook al draagt hij Mijn naam.

(Verborgen Woorden, uit het Arabisch, no. 28, p. 23)

O koningen der aarde, legt de vreze Gods niet naast u neer, en hoedt u ervoor de grenzen die de Almachtige heeft gesteld, te overschrijden. Neemt de bevelen, u opgelegd in Zijn Boek, in acht, en waakt er zorgvuldig voor de grenzen ervan niet de overschrijden. Weest waakzaam dat gij niemand enig onrecht aandoet, ook al ware het slechts ter grootte van een mosterdzaadje. Bewandelt de weg der rechtvaardigheid, want dit is waarlijk de rechte weg.

(Bloemlezing, CXVIII, p. 148)

Het baldakijn van het bestaan rust op de pijler van gerechtigheid en niet op die van vergiffenis, en het leven van de mensheid is afhankelijk van gerechtigheid en niet van vergeving.

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 28)

Elk mens bekleedt een ereplaats die hij niet moet verlaten. Een eenvoudige arbeider die een onrechtvaardigheid begaat is evenzeer te laken als een beruchte tiran. Wij allen hebben dus de keus tussen rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid.

(De Toespraken van Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 180)
REDETWISTEN

Zij die redetwisten zoals hun begeerten hun ingeven zijn werkelijk in een tastbare sluier gewikkeld.

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 55)

Hoedt u dat gij met niemand strijdt, ja spant u zelfs in hem op vriendelijke wijze en met overtuigingskracht bewust te maken van de waarheid. Als uw toehoorder reageert, zal hem dit ten voordeel strekken, zo niet, keert u dan van hem af en wendt uw gelaat tot Gods gewijde hof, de zetel van luisterrijke heiligheid.

(Bloemlezing, CXXVIII, p. 165)

Alle tweedracht en meningsverschillen die ons van alle kanten ter ore komen, leiden slechts tot een toename van het materialisme.

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 137)

RODDEL

Zij hebben er de voorkeur aan gegeven liever hun hoofd te laten afhakken dan één onbetamelijk woord te uiten....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 74)

Volgens het ondubbelzinnige en heilige gebod van God is het ons verboden te lasteren....

(Testament van ‘Abdu’l-Bahá, in: Testamenten van Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá, (Den Haag: Stichting Bahá’í Literatuur), p. 12)

Onthoud bovenal de lering van Bahá’u’lláh over roddel en ongepast gepraat over anderen. Verhalen die over anderen verteld worden zijn zelden goed. Een zwijgzame tong is het veiligst. Zelfs iets goeds kan schadelijk zijn als het op het verkeerde moment of aan de verkeerde persoon verteld wordt.

(‘Abdu’l-Bahá in London, p. 125)
TAALGEBRUIK

Het betaamt ieder mens om elk spoor van ijdele woorden van de tafel van zijn hart uit te wissen ...

(Bloemlezing, VII, p. 11)

Bezoedelt uw tong niet met het vervloeken of beschimpen van enig mens en beschermt uw ogen tegen hetgeen onbetamelijk is....

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 27)

...de tong is bestemd om het goede te vermelden; bezoedel haar niet met onbetamelijke praat. God heeft datgene wat voorbij is vergeven; voortaan moet een ieder datgene zeggen wat gepast en betamelijk is en afzien van laster, scheldwoorden en al wat mensen verdriet bezorgt....

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p.219-220)

TROUW

De mens die trouw bleef aan de Zaak van God en onwrikbaar vast stond in Zijn Pad, zal na zijn verscheiden zulk een kracht bezitten dat alle werelden die de Almachtige heeft geschapen door hem vooruit kunnen komen. Zulk een ziel verschaft - op het bevel van de volmaakte Koning en goddelijke Opvoeder - de zuivere zuurdesem die de bestaanswereld doortrekt en van het vermogen voorziet waardoor de kunsten en de wetenschappen der wereld zichtbaar worden. Bedenk dat meel zuurdesem nodig heeft om te rijzen. De zielen die de zinnebeelden van onthechting zijn, vormen het zuurdesem van de wereld. Denk hierover na en behoor tot de dankbaren.

(Bloemlezing, LXXXII, p. 98-99)
TROUW AAN DE REGERING

Een rechtvaardige koning is de schaduw van God op aarde. Allen moeten beschutting zoeken in de schaduw van zijn rechtvaardigheid en verblijven in de schaduw van zijn gunst....

(Bahá’u’lláh, aangehaald in Shoghi Effendi: The Promised Day is Come, (Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1980), p. 73)

In elk land waar iemand van dit volk woont, moeten zij zich loyaal, eerlijk en oprecht jegens de regering van dat land gedragen....

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 22-23)

Achting voor de rang van vorsten is goddelijk beschikt, zoals duidelijk wordt bevestigd door de woorden van de Profeten van God en Zijn uitverkorenen. Aan Hem Die de Geest is (Jezus) - moge vrede op Hem rusten - werd gevraagd: “O Geest van God! Is het wettig om Caesar belasting te betalen of niet?” En Hij gaf ten antwoord: “Jawel, geef aan Caesar wat Caesar toekomt en aan God, wat God toekomt.” Hij verbood het niet. Deze twee uitspraken zijn, naar de mening van mensen met inzicht, één en dezelfde, want als dat wat Caesar toebehoorde niet van God gekomen was, zou Hij het verboden hebben....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 89-90)
TWEEDRACHT

De religie van God staat voor liefde en eenheid; maak er niet de oorzaak van onenigheid en tweedracht van....

Hij heeft onenigheid en strijd onvoorwaardelijk verboden in Zijn Boek....

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 220, 221)

In deze Dag kan niets groter schade aan deze Zaak toebrengen dan tweedracht en strijd, twist, vervreemding en traagheid onder de geliefden van God....

(Bloemlezing, V, p. 10)

O gij vrienden van God! Hoedt u! Hoedt u voor geschillen! Door geschillen wordt de Tempel van God tot op zijn grondvesten volledig verwoest, en door het waaien van de winden van onenigheid wordt de Gezegende Boom verhinderd vruchten voort te brengen. Door de intense koude van de verschillen van mening verdort de rozentuin van eenheid, en wordt het vuur van de liefde tot God geblust!

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 2, p. 431)
VERDEDIGING VAN HET GELOOF

Alle mensen zijn verplicht om, een ieder naar vermogen, de betogen van degenen die het Geloof Gods hebben aangevallen, te weerleggen... Zou er iemand opstaan om in zijn geschriften de Zaak van God te verdedigen tegen de aanvallers ervan, dan zal zo iemand, hoe gering ook zijn aandeel, dermate worden geëerd in het hiernamaals dat de Schare in den hoge hem zijn glorie zal benijden. Geen pen kan de verhevenheid van zijn staat afschilderen noch enige tong de pracht ervan beschrijven. Want al wie sterk en standvastig staat in deze heilige, deze glorierijke en verheven Openbaring zal zulk een kracht worden gegeven dat hij in staat is alles wat in de hemel en op aarde is het hoofd te bieden en te weerstaan....

(Bloemlezing, CLIV, p. 193-4)
VRIENDELIJKHEID

Een aangename spraak is de magneet van ‘s mensen hart. Ze is het brood van de geest, ze geeft betekenis aan de woorden, ze is de bron van het licht van wijsheid en begrip.

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 15)

Doe niemand verdriet en misken niemand door te zeggen: “Hij is geen Bahá’í”. Hij zal door zijn daden bekend zijn. Er zijn geen geheimen onder Bahá’ís; een Bahá’í verbergt niets.

(‘Abdu’l-Bahá in London, p. 98)
VRIJGEVIGHEID
O GIJ RIJKEN OP AARDE!

De armen in uw midden heb Ik aan u toevertrouwd. Behoedt Mijn pand en tracht niet alleen naar uw eigen welzijn.

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 54, p. 53)

Als gij iemand ontmoet die arm is, behandel hem dan niet met verachting. Denk na over datgene waaruit gij geschapen werd. Ieder van u werd geschapen uit een armzalige kiem.

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 55)
O KINDEREN VAN STOF!

Vertelt de rijken van het zuchten der armen in het diepst van de nacht, opdat achteloosheid hen niet voert tot de weg van de ondergang en hen berooft van de Boom van Rijkdom. Vrijgevigheid en grootmoedigheid zijn Mijn eigenschappen; wel ga het hem die zich met Mijn deugden tooit.

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 49, p. 51)

WAARHEIDSLIEFDE

Eerlijk spreken en waarheidsliefde worden, uit hoofde van hun verheven rang en positie, beschouwd als een zon die schijnt boven de horizon van kennis....

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 40)

Zij die het volk Gods zijn hebben als enig streven de wereld te vernieuwen, haar leven te adelen en haar volkeren tot nieuw leven te brengen. Waarheidsliefde en welwillendheid hebben te allen tijde de betrekkingen tussen alle mensen gekenmerkt. Hun uiterlijk gedrag is slechts een afspiegeling van hun innerlijk leven, en hun innerlijk leven een spiegel van hun uiterlijk gedrag.

(Bloemlezing, CXXVI, p. 161)

Waarheidlievendheid is de grondslag van alle deugden van de wereld der mensheid. Zonder waarheidlievendheid zijn vooruitgang en succes in alle werelden van God voor een ziel onmogelijk. Wanneer deze heilige eigenschap in de mens gevestigd wordt, zullen alle goddelijke hoedanigheden ook verwerkelijkt worden.

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 2, p. 459)
WELWILLENDHEID

Wij scheppen er behagen in u te allen tijde in vriendschap en eendracht met elkaar te zien omgaan in het paradijs van Mijn welbehagen, en van uw daden de geur te ademen van welwillendheid en eenheid, van liefdevolle bejegening en kameraadschap. Aldus raadt u de Alwetende, de Getrouwe. Wij zullen altijd met u zijn; als Wij de geur van uw kameraadschap inademen, zal Ons hart zich zekerlijk verblijden, want niets anders kan Ons tevredenstellen....

(Bloemlezing, CXLVI, p. 186)

Betoont elkander verdraagzaamheid, welwillendheid en liefde. Mocht iemand onder u niet bij machte zijn een bepaalde waarheid te vatten en zich inspannen om deze te begrijpen, legt dan in uw gesprek met hem een geest van uiterste vriendelijkheid en welwillendheid aan de dag. Helpt hem de waarheid te zien en te erkennen zonder uzelf in het minst superieur of in het bezit van grotere gaven te achten.

(Bloemlezing, V, p. 10)
WRAAK

Wraak ... is ... afkeurenswaardig, omdat door wraak door de wraaknemer geen goed resultaat verkregen wordt. Als dus iemand een ander slaat en degene die geslagen wordt wraakneemt door de klap terug te geven, welk voordeel behaalt hij dan? Zal dit een balsem zijn voor zijn wond, of een remedie tegen zijn pijn? Neen, God verhoede het! In waarheid zijn de twee handelingen aan elkaar gelijk, beide brengen letsel toe; het enige verschil is dat de ene eerst plaats vond en de andere daarna. Als daarom degene die geslagen wordt, vergeeft, ja, als hij handelt op een manier die tegengesteld is aan die welke jegens hem is gebruikt, is dit lofwaardig.

(Beantwoorde Vragen, p. 229)

Toen Christus zei: “Wie u op de rechter wang slaat, keer hem ook de linker toe”, *) was dat met de bedoeling om de mensen te leren dat zij niet persoonlijk wraak moesten nemen. Hij bedoelde niet dat als een wolf een kudde schapen aanvalt en deze wil verscheuren, de wolf daartoe moet worden aangemoedigd. Neen, indien Christus geweten had dat een wolf de kudde was binnengedrongen en op het punt stond de schapen te verscheuren, zou Hij dat zeer zeker voorkomen hebben.

(Beantwoorde Vragen, p. 231)
*) Mattheüs 5:39
ZACHTMOEDIGHEID

Mochten zich geschillen onder u voordoen, ziet Mij dan voor u staan, en ziet elkaars fouten door de vingers terwille van Mijn Naam en als een teken van uw liefde voor Mijn duidelijke en schitterende Zaak.

(Bloemlezing, CXLVI, p. 186)

De bekrachtigingen van de Geest zijn al die krachten en gaven waarmee sommigen worden geboren (en die mensen soms begaafdheid noemen) maar waarvoor anderen zich met eindeloos veel moeite moeten inspannen. Zij komen tot die man of vrouw die zijn of haar leven in stralende berusting aanvaardt.

(‘Abdu’l-Bahá in London, p. 121)
ZELFEXPRESSIE
O MIJN DIENAAR!

Gij zijt gelijk een edel gesmeed zwaard, verborgen in het donker van zijn schede en waarvan de waarde verborgen blijft voor de maker. Kom dus te voorschijn uit de schede van zelfzucht en begeerte, dat uw waarde helder stralend aan de gehele wereld zichtbaar kan worden.

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 72, p. 58)

...niemand moet in het openbaar of in besloten kring ook maar iets tegen of in tegenspraak met de algemene leringen uitspreken....

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 2, p. 432)

...Een basisprincipe van de Zaak is het onbetwijfelbare recht van het individu op zelfexpressie, zijn vrijheid naar zijn geweten te spreken en zijn ideeën naar voren te brengen...

(Uit een brief van 23 februari 1924, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Bahá’ís van Amerika, gepubliceerd in “Bahá’í Administration: Selected Messages 1922-1932” (Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1980), p. 63)

EEN STRALEND HART
EENHEID

Ieder gevoel van verdeeldheid of scheiding in zijn gelederen is vreemd aan zijn eigenlijke doel, principes en idealen. Wanneer de leden de aanspraak van zijn Auteur eenmaal volledig hebben erkend en, door zich te identificeren met het Bestuursstelsel, zonder voorbehoud de principes en wetten die belichaamd zijn in de leringen hebben geaccepteerd, moet ieder onderscheid naar klasse, geloof of kleur automatisch uitgewist worden en mag onder geen enkel voorwendsel, hoe groot de druk van de gebeurtenissen of de publieke opinie ook is, toegestaan worden dat het zich opnieuw laat gelden. Als er dan toch enige discriminatie getolereerd moet worden, zou het geen discriminatie tegen, maar juist ten gunste van de minderheid moeten zijn, of die nu raciaal of anders is. In tegenstelling tot de naties en volkeren der aarde, of ze nu uit het oosten of uit het westen zijn, democratisch of autoritair, communistisch of kapitalistisch, of ze nu tot de Oude of de Nieuwe Wereld behoren, die de rassen-, religieuze of politieke minderheden binnen hun rechtsgebied negeren, vertrappen of uitroeien, zou iedere georganiseerde gemeenschap, die zich schaart onder de banier van Bahá’u’lláh het als haar eerste en onontkoombare verplichting moeten zien om iedere minderheid binnen haar grenzen, tot welk geloof, welk ras of welke natie die ook behoort, te verzorgen, te bemoedigen en te beschermen. Dit principe is zo belangrijk en wezenlijk, dat in die omstandigheden wanneer er bij een verkiezing een gelijk aantal stemmen is uitgebracht, of wanneer de bekwaamheden voor enig ambt onder de verschillende rassen, geloven of nationaliteiten binnen de gemeenschap in evenwicht zijn, zonder aarzelen voorrang zou moeten worden verleend aan diegene die de minderheid vertegenwoordigt, en dit om geen andere reden dan deze te stimuleren en te bemoedigen en de mogelijkheid te bieden de belangen van de gemeenschap te bevorderen. In het licht van dit principe, en met in gedachten dat het buitengewoon wenselijk is de leden van de minderheden te laten participeren en hen in de verantwoordelijkheid bij het uitvoeren van Bahá’í-activiteiten te laten delen, zou het de plicht van iedere Bahá’í gemeenschap moeten zijn haar zaken zo te regelen dat, in gevallen waarin er binnen die gemeenschap personen zijn die tot de verschillende minderheden behoren en die reeds geschikt zijn en aan de noodzakelijke vereisten voldoen, de Bahá’í vertegenwoordigende instellingen, of het nu Raden, conventies, conferenties of comité’s zijn, zo veel mogelijk deze verschillende groepen, raciaal of anderszins, in zich vertegenwoordigd hebben. Het aannemen van zo’n koers en deze trouw te volgen, zou niet slechts een bron van inspiratie en bemoediging zijn voor die groepen die numeriek klein en onvoldoende vertegenwoordigd zijn, maar zou ook het gros der mensen de universaliteit en het representatieve karakter van het Geloof van Bahá’u’lláh tonen, alsmede dat Zijn volgelingen vrij zijn van de smet van die vooroordelen die zowel in de binnenlandse aangelegenheden als in de buitenlandse betrekkingen van de naties al zo’n verwoesting hebben bewerkstelligd.

(The Advent of Divine Justice, p. 35-36)

Van deze eerste geestelijke vereisten voor succes, welke het fundament vormen waarop de waarborg voor het welslagen van alle onderrichtsplannen, Tempelprojecten en financiële programma’s uiteindelijk moet rusten, komen de volgende duidelijk als bijzonder en van wezenlijk belang naar voren, en de leden van de Amerikaanse Bahá’í gemeenschap zouden er goed aan doen daarover diep na te denken. De omvang van de menigvuldige zegeningen die de Almilddadige Bezitter hun allen kan schenken, hangt af van de mate waarin aan deze eerste vereisten wordt voldaan en van de wijze waarop de Amerikaanse gelovigen er in hun persoonlijk leven, bestuurlijke activiteiten en sociale betrekkingen aan beantwoorden. Deze vereisten zijn geen andere dan een diep besef van morele rechtschapenheid in hun sociale en bestuurlijke activiteiten, absolute kuisheid in hun persoonlijk leven, en volkomen vrijheid van vooroordeel in hun omgang met mensen van een ander ras, klasse, geloof of kleur.

(The Advent of Divine Justice, p. 21-22)

Rechtschapenheid van gedrag, een blijvend besef van niet afwijkende rechtvaardigheid, niet belemmerd door de demoraliserende invloeden die een van corruptie vergeven politiek leven zo opvallend aan de dag legt; een kuis, zuiver en godvruchtig leven, onbezoedeld en niet overschaduwd door de onzedelijkheden, de verdorvenheden en valse maatstaven, die worden geduld, bestendigd en aangemoedigd door een intrinsiek ontoereikende zedenwet; een broederschap die bevrijd is van het kankergezwel van rassenvooroordeel, dat zich invreet in de levenskracht van een reeds uitgeputte maatschappij - dit zijn de idealen die de Amerikaanse gelovigen van nu af aan, individueel en door gezamenlijke actie, moeten trachten te bevorderen, zowel in hun privé- als in hun openbare leven, idealen, die de voornaamste voortstuwende krachten vormen die de opmars van hun instellingen, plannen en ondernemingen, die de eer en onkreukbaarheid van hun Geloof kunnen beschermen en die iedere hindernis waar het in de toekomst tegenover kan komen te staan kunnen nemen, op de meest doelmatige wijze bespoedigen.

(The Advent of Divine Justice, p. 23)
AANBIDDING

Een schilderes vroeg: “Is het beoefenen van kunst een achtenswaardig beroep?” Terwijl ‘Abdu’l-Bahá zich op indrukwekkende wijze tot haar wendde, zei hij: “Kunst is aanbidding”.

(‘Abdu’l-Bahá in London, p. 93)

...alle inspanning die de mens zich getroost uit de volheid van zijn hart is aanbidding, als ze door de edelste motieven wordt ingegeven en de wil om de mensheid te dienen. Dit is aanbidding: de mensheid dienen en de noden der mensen lenigen....

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 199)

Weest vrijgevig in voorspoed en dankbaar in tegenspoed. Weest het vertrouwen van uw naaste waardig en beziet hem met een stralend en liefdevol gelaat. Weest een schat voor de arme, een vermaner voor de rijke. Beantwoordt de roep van de behoeftige, houdt u aan de heiligheid van uw belofte. Weest rechtvaardig in uw oordeel en behoedzaam in uw spreken. Behandelt niemand onrechtvaardig en weest zachtmoedig jegens alle mensen. Weest gelijk een lamp voor hen die in duisternis dwalen, een vreugde voor de bedroefden, een bron voor de dorstigen, een haven voor hen die in nood verkeren, een steun en verdediger voor het slachtoffer van verdrukking. Laat eerlijkheid en oprechtheid al uw daden kenmerken. Weest een tehuis voor de vreemdeling, een balsem voor de lijdende, een toevlucht voor de vluchteling. Weest het oog voor de blinde en een lichtbaken voor de dwalende. Weest een sieraad voor het aangezicht der waarheid, een kroon op het hoofd van trouw, een zuil van de tempel van rechtschapenheid, een levensadem voor het lichaam der mensheid, een vaandel van de heerscharen der gerechtigheid, een ster boven de horizon van deugd, dauw voor de bodem van het menselijk hart, een ark op de zee van kennis, een zon aan de hemel van milddadigheid, een juweel in de diadeem van wijsheid, een stralend licht aan het firmament van uw generatie en een vrucht aan de boom van nederigheid. (Bloemlezing, CXXX, p.169)

AANTREKKINGSKRACHT

Al wie opstaat onder u om de Zaak van zijn Heer te onderrichten, laat hem vóór alles zichzelf onderrichten, opdat zijn woorden de harten van hen die hem horen, mogen aantrekken. Tenzij hij zichzelf onderricht, zullen de woorden die hij spreekt, het hart van de zoeker niet beïnvloeden....

(Bloemlezing, CXXVIII, p. 164)

...het grondbeginsel van Bahá’u’lláh is liefde ... u moet oneindige liefde voor elkaar hebben, waarbij een ieder aan de ander de voorkeur geeft boven zichzelf. De mensen moeten zo tot u aangetrokken worden dat ze zullen uitroepen: “Welk een geluk bestaat er toch tussen u!” en in uw gezicht het licht van het Koninkrijk zullen zien; dan zullen ze zich in verwondering tot u keren en naar de oorzaak van uw geluk zoeken. U moet de boodschap door daden brengen, niet alleen door woorden. Woorden moeten samengaan met daden. U moet uw vriend meer liefhebben dan uzelf; ja, u moet bereid zijn uzelf op te offeren ... Ik wens dat u bereid bent alles voor elkaar op te offeren, zelfs uw leven; dan zal ik weten dat de Zaak van Bahá’u’lláh gevestigd is. Ik zal voor u bidden dat u er de oorzaak van mag zijn dat het licht van God zich verheft. Moge iedereen naar u wijzen en vragen: “Waarom zijn deze mensen zo gelukkig?” Ik wil dat u gelukkig bent in Green Acre, dat u lacht, glimlacht en u verheugt opdat anderen door u gelukkig gemaakt mogen worden....

(The Promulgation of Universal Peace, p. 218)
BEELD VAN GOD

De eer van de mens ligt in het verwerven van de kennis van God; zijn geluk komt van de liefde van God; zijn vreugde ligt in de blijde tijding van God; zijn grootheid is afhankelijk van zijn dienstbaarheid aan God. De hoogste ontwikkeling van de mens is zijn binnengaan in het goddelijk Koninkrijk; en het resultaat van dit menselijk bestaan is de kern en het wezen van eeuwig leven. Wanneer de mens verstoken is van de goddelijke gaven en wanneer zijn vreugde

en geluk beperkt zijn tot zijn materiële neigingen, welk onderscheid of verschil is er dan tussen hem en het dier? In feite is het geluk van het dier groter, want het heeft minder behoeften en zijn middelen van bestaan zijn gemakkelijker te verwerven. Hoewel het voor de mens noodzakelijk is om bevrediging van materiële behoeften en comfort na te streven is zijn werkelijke behoefte de milddadigheid van God te verwerven. Wanneer hij verstoken is van goddelijke milddadigheden, geestelijke ontvankelijkheid en hemelse blijde tijdingen heeft het leven van de mens in deze wereld geen enkele waardevolle vrucht afgeworpen. Terwijl hij het fysieke leven bezit moet hij het geestelijk leven verwerven en samen met lichamelijk comfort en geluk moet hij goddelijke genoegens en tevredenheid genieten. Dan is de mens de titel mens waardig; dan zal hij naar het beeld en de gelijkenis van God zijn, want het beeld van de Barmhartige bestaat uit de hoedanigheden van het hemels Koninkrijk. Als er geen vruchten van het Koninkrijk in de tuin van zijn ziel verschijnen, is de mens niet naar het beeld en de gelijkenis van God, maar als die vruchten wel tevoorschijn komen wordt hij de ontvanger van volmaakte gaven en is hij aangestoken met het vuur van de liefde van God. Als zijn zeden geestelijk van aard worden, zijn aspiraties hemels en zijn handelingen zich voegen naar de wil van God, heeft de mens het beeld en de gelijkenis van Zijn Schepper verworven; anders is hij het beeld en de gelijkenis van Satan. Daarom heeft Christus gezegd: “Aan hun vruchten zult gij hen kennen.”

(The Promulgation of Universal Peace, p. 335/6)
CAPACITEITEN

...de mens moet trachten capaciteiten te verwerven en hij moet ontvankelijkheid ontwikkelen. Zolang hij de gevoeligheid voor goddelijke invloeden mist is hij niet in staat het licht te weerkaatsen en de weldaden ervan op te nemen. Onvruchtbare grond zal niets voortbrengen ook al stort de wolk van milddadigheid er duizend jaar regen over uit. Wij moeten de bodem van ons hart ontvankelijk en vruchtbaar maken door deze te bewerken opdat de regen van goddelijke barmhartigheid ons hart kan verfrissen en rozen en hyacinten van goddelijke oorsprong voortbrengen... Zolang wij ontvankelijkheid missen kunnen de schoonheid en milddadigheden van God niet doordringen....

(The Promulgation of Universal Peace, p. 148-149)

Merk op, hoe tijdens het gebed en terwijl gij de woorden zegt: “Uw Naam is Mijn genezing”, uw hart wordt verblijd, uw ziel verrukt door de geest van de liefde Gods en uw verstand tot het Koninkrijk Gods wordt aangetrokken! Door dit laatste nemen de mogelijkheden en bekwaamheden van de mens toe. Wanneer het vat vergroot wordt, kan het meer water bevatten en wanneer de dorst toeneemt, smaakt de genade uit de wolken zoet. Dit is voor de mens het mysterie van zijn smeekbede en de wijsheid van het kenbaar maken van zijn verlangens....

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in J.E. Esslemont: “Bahá’u’lláh en het Nieuwe Tijdperk”: (Den Haag, Stichting Bahá’í Literatuur, 2e herz.dr., 1978), p. 99)

DANKBAARHEID

...de beste manier om God te danken is elkaar lief te hebben.

(The Promulgation of Universal Peace, p. 469)

...dankbetuiging met louter woorden heeft geen resultaat. Maar echte dankbaarheid is welgemeende, oprechte dankbetuiging. Wanneer de mens als antwoord op de gunsten van God een ontvankelijk zedelijk bewustzijn toont, is het hart gelukkig en de geest opgewekt. Deze geestelijke ontvankelijkheid is volmaakte dankbetuiging.

Om zijn dankbaarheid voor de gunsten van God uit te drukken moet de mens prijzenswaardige daden laten zien. Als antwoord op deze giften moet hij goede daden verrichten, zichzelf opofferen, Gods dienaren liefhebben, zelfs zijn leven voor hen geven en vriendelijkheid jegens alle schepselen betonen. Hij moet los zijn van de wereld, aangetrokken tot het Koninkrijk van Abhá, het gelaat stralend, de tong welsprekend, het oor oplettend, er dag en nacht naar strevend Gods welbehagen te verkrijgen. Al wat hij wenst te doen moet in harmonie zijn met Gods welbehagen. Hij moet zien en begrijpen wat Gods wil is en dienovereenkomstig handelen. Er kan geen twijfel over bestaan dat zulke lofwaardige daden dankbaarheid betekenen voor Gods gunsten.

(The Promulgation of Universal Peace, p. 236)
DOOD

De dood reikt aan ieder overtuigde gelovige de kelk die het ware leven is. Hij schenkt blijdschap en is de vreugdebode. Hij verleent de gave van het eeuwige leven.

(Bloemlezing, CLXIV, p. 202)
O MENSENZOON!

Gij zijt Mijn rijk en Mijn rijk vergaat niet, waarom vreest gij uw ondergang? Gij zijt Mijn licht en Mijn licht zal nimmer worden gedoofd, waarom vreest gij uw uitdoving? Gij zijt Mijn glorie en Mijn glorie verbleekt niet. Gij zijt Mijn kleed en Mijn kleed zal nimmer verslijten. Volhard in uw liefde voor Mij, dat gij Mij kunt vinden in het rijk van heerlijkheid.

(Verborgen Woorden, uit het Arabisch, no. 14, p. 20)

EENHEID

Weest gij als de vingers van één hand en de ledematen van één lichaam....

(Bloemlezing, LXXII, p. 87)

Zo krachtig is het licht van eenheid dat het de gehele aarde kan verlichten....

(Bloemlezing, CXXXII, p. 171)

Het tabernakel van eenheid is opgericht; beschouwt elkander niet als vreemden. Gij zijt de vruchten van één boom en de bladeren van één tak....

(Bloemlezing, CXII, p. 131)

In deze Dag is het de plicht van ieder mens zich te houden aan al hetgeen het belang van alle naties en rechtvaardige regeringen bevordert en hun staat verhoogt....

(Bloemlezing, XLIII, p. 61)

Het fundamentele doel dat het Geloof van God en Zijn Religie bezielt, is de belangen van de mensheid te beveiligen, de eenheid der mensheid te bevorderen en de geest van liefde en kameraadschp onder de mensen aan te kweken....

(Bloemlezing, CX, p. 129)

Het betaamt u, u te wijden aan de Wil van God. Al hetgeen in Zijn Tafelen is geopenbaard, is slechts een afspiegeling van Zijn Wil. Uw toewijding moet zo volledig zijn dat ieder spoor van wereldse begeerte uit uw hart is gewist. Dit is de betekenis van ware eenheid.

(Bloemlezing, CLX, P. 198)

Wij wensen slechts het welzijn der wereld en het geluk der volkeren... Dat alle volkeren één worden in geloof en alle mensen als broeders, dat de banden van liefde en eenheid onder de mensen verstevigd worden, dat verscheidenheid van godsdienst ophoudt te bestaan, alle onenigheid tussen de rassen teniet wordt gedaan ...

(Bahá’u’lláh, aangehaald in: “Bahá’u’lláh en het Nieuwe Tijdperk”, p. 49-50)

GEBED

Hij, waarlijk, bemint degene die zich tot Hem keert....

(Bloemlezing, CXXXIV, p. 172)

Bid innig tot Zijn Geest en behoor tot de dankbaren....

(Bloemlezing, CXXIX, p. 166)
O ZOON VAN HET BESTAAN!

Geef u iedere dag rekenschap van uw doen en laten, eer gij ter verantwoording wordt geroepen....

(Verborgen Woorden, uit het Arabisch, no. 31, p. 24)

Zing, o Mijn dienaar, de verzen Gods welke gij hebt ontvangen, gelijk door hen aangeheven die Hem nabij zijn, opdat de zoetheid van uw melodie uw eigen ziel mag doen ontbranden en het hart aller mensen aantrekken. De rondwarende engelen van de Almachtige zullen alom de geur verspreiden van de woorden, geuit door al wie zo in de stilte van zijn kamer de door God geopenbaarde verzen zegt, en zullen het hart van ieder rechtvaardig mens doen kloppen. Ofschoon deze uitwerking hem eerst onbewust mag blijven, zal de kracht van de hem geschonken genade vroeg of laat haar invloed op zijn ziel doen gelden....

(Bloemlezing, CXXXVI, p. 175)

Terwijl de mens bidt ziet hij zichzelf in de tegenwoordigheid van God....

(Abdu’l-Bahá, aangehaald in “Star of the West”, dl. 20, no. 10 (januari 1930), p. 316)

Spant u daarom in, dat uw daden dag aan dag mooie gebeden zullen zijn....

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 90)

Het zeggen van smeekbeden is het polijstmiddel dat alle wereldse verlangens uitwist. De verrukking van het smeken en bidden tot God maakt het hart van de mens los van de wereld....

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in “Star of the West”, dl. 8, no. 4 (17 mei 1917), p. 43)

...smeek tot Hem en bid midden in de nacht en vroeg in de morgen, zoals een behoeftige en gevangene bidt....

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 3, p. 694-95)

De mens is eeuwig in een toestand van gemeenschap en gebed met de bron van al het goede. De hoogste en meest verheffende toestand is de toestand van gebed. Gebed is gemeenschap met God.... De aanbidder moet bidden met een onthechte geest, onvoorwaardelijke overgave van de wil, geconcentreerde aandacht en een magnetische geestelijke hartstocht. Zijn innerlijkste wezen moet geroerd zijn door de hemelse ademtocht van heiligheid....

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in “Star of the West”, dl. 8, no. 4 (17 mei 1917), p. 45)

Het grootste geluk voor een geliefde is met zijn geliefde te spreken, en het grootste geschenk voor een zoeker is vertrouwd te raken met het doel van zijn verlangen....

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 3, pp. 683-84)
GELUK

De Zaak van God is gekomen als een bewijs van Zijn genade. Gelukkig zijn zij die handelen; gelukkig zijn zij die begrijpen; gelukkig de mens die de waarheid heeft omklemd, onthecht van al wat in de hemelen en al wat op aarde is.

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 139)

De mens is in werkelijkheid een geestelijk wezen en alléén, wanneer hij vanuit de geest leeft, is hij werkelijk gelukkig....

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 80)
GELIJKWAARDIGHEID

Voor God zijn alle mensen gelijk. In het rijk van Zijn gerechtigheid en billijkheid is er geen onderscheid of voorkeur voor enige ziel.

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 37)

God heeft deze verdeeldheid niet gemaakt, deze verdeeldheid vond haar oorsprong in de mens zelf. Daar ze tegen het plan en doel van God is, is ze derhalve onecht en denkbeeldig.

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 37)

Deze verscheidenheid van vormen en kleuren, die zichtbaar is in alle koninkrijken is in overeenstemming met de scheppende Wijsheid en heeft een goddelijk doel.

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 38)

De verscheidenheid in de menselijke familie moet de oorzaak van liefde en harmonie zijn, zoals in de muziek, waar vele verschillende noten samen een volmaakt akkoord vormen.

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 38)

GOD NABIJ ZIJN

Hoe zuiverder en geheiligder het hart van de mens wordt, des te dichter komt het bij God; het licht van de Zon van Werkelijkheid wordt erin onthuld. Dit licht zet het hart in vlam met het vuur van de liefde Gods, opent erin de deuren van kennis en verbreekt het zegel van de goddelijke mysteriën zodat geestelijke ontdekkingen mogelijk gemaakt worden. Alle Profeten zijn door afzondering nader tot God gekomen. Wij moeten trachten deze heilige Zielen te evenaren en onze eigen wensen en verlangens opgeven. Wij moeten ons zuiveren van het slijk en het vuil van werelds contact totdat ons hart als een heldere spiegel wordt en het licht van de grootste leiding zich erin onthult.

(The Promulgation of Universal Peace, p. 148)
HEILIGHEID
O ZOON VAN HEERLIJKHEID!

Ga snel vooruit op de weg van heiligheid en treed de hemel van verbondenheid met Mij binnen. Zuiver uw hart door het polijsten van uw geest en spoed u naar de hof van de Allerhoogste.

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 8, p. 37)

INZICHT
O ZOON VAN DE AARDE!

Als gij Mij begeert, zoek geen ander dan Mij; en wilt gij Mijn schoonheid aanschouwen, sluit uw ogen voor de wereld en al hetgeen erin is; want Mijn wil en de wil van een ander kunnen evenmin als water en vuur in één hart wonen.

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 31, p. 45)

KENNIS

Wij hebben verordend, o volk, dat het hoogste en uiteindelijke doel van alle geleerdheid moet zijn de erkenning van Hem Die het Einddoel is van alle kennis....

(Bloemlezing, XCVIII, p. 119)

Zo groot zal het doorzicht zijn van deze zoeker, dat hij waarheid van leugen zal onderscheiden evenals hij de zon onderscheidt van de schaduw....

(Bloemlezing, CXXV, p. 159)

Kennis is liefde. Studeer, luister naar aansporingen, denk na, probeer de wijsheid en grootheid van God te begrijpen. De grond moet vruchtbaar gemaakt worden voordat het zaad gezaaid kan worden.

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in “Star of the West”, dl. 20, no. 10 (januari 1930), p. 314)

Kunsten, ambachten en wetenschappen verheffen de bestaanswereld en zorgen voor de verheerlijking ervan. Kennis is gelijk vleugels voor het leven van de mens en een ladder waarlangs hij omhoog stijgt. Het vergaren ervan is ieders plicht....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 26)

Respecteert de geestelijken en de geleerden onder u, zij wier gedrag overeenstemt met hun beroep, die de grenzen die God heeft vastgelegd niet overschrijden, wier oordeel overeenkomt met Zijn opdrachten, gelijk geopenbaard in Zijn Boek. Weet dat zij de lampen van leiding zijn voor hen die in de hemelen en op aarde zijn. Zij die de geestelijken en geleerden welke onder hen wonen, geringschatten en negeren - deze mensen hebben waarlijk de gunst waarmee God hen heeft begunstigd, veranderd.

(Bloemlezing, LXVI, p. 80)

In deze tijd is het uw plicht op te staan met hemelse macht en met behulp van kennis de twijfels van de volkeren der aarde te verdrijven opdat alle mensen mogen worden geheiligd en hun schreden richten naar de Grootste Oceaan en trouw blijven aan hetgeen God tot doel heeft.

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 111)

Dag en nacht moet u zich inspannen opdat u begrip moogt krijgen van de betekenissen van het hemelse Koninkrijk, de tekenen van goddelijkheid moogt ontwaren, zekere kennis moogt verwerven, en u moogt realiseren dat deze wereld een Schepper, een Bezieler, een Voorziener, een Architect heeft - men moet dit weten door duidelijke bewijzen en niet door indrukken - ja zelfs door beslissende argumenten en werkelijk inzicht; dat wil zeggen, men moet het zich net zo helder voorstellen als het uitwendige oog de zon aanschouwt. Op deze manier kunt u de aanwezigheid van God aanschouwen en de kennis van de heilige, goddelijke manifestaties verwerven.

(The Promulgation of Universal Peace, p. 227)
LEIDING

Omgordt de lendenen van uw streven, opdat gij wellicht uw naaste kunt leiden naar de wet van God, de Algenadige. Waarlijk, zulk een daad overtreft in de ogen van God, de Albezittende, de Allerhoogste, alle andere daden....

(Bloemlezing, CLXI, p. 199)

Laat uw daden een richtsnoer zijn voor de gehele mensheid, want de betuigingen van de meesten, hoog of laag, verschillen van hun gedrag. Door uw daden kunt gij u onderscheiden van anderen. Door uw daden kan de helderheid van uw licht over de gehele aarde worden uitgegoten....

(Bloemlezing, CXXXIX, p. 180)
LEVEN

Al wie in deze Zaak één ziel tot leven wekt is als iemand die alle dienaren tot leven wekt....

(Bahá’í World Faith: Selected Writings of Bahá’u’lláh and ‘Abdu’l-Bahá (Wilmette: Bahá’í Publishing Trust, 1976) p. 206)

O MIJN VRIEND!

Gij zijt de morgenster aan de hemel van Mijn heiligheid, laat de bezoedeling der wereld uw glans niet verduisteren. Scheur de sluier van achteloosheid vaneen, dat gij van achter de wolken luisterrijk te voorschijn kunt komen en alles kunt tooien met het kleed des levens.

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 73, p. 58)

O Vrienden! Verwaarloost niet de deugden waarmede gij zijt begiftigd en veronachtzaamt evenmin uw hoge bestemming.... Gij zijt de sterren aan de hemel van begrip, de bries die waait bij het aanbreken van de dag, het zacht voortkabbelende water waarvan het hele leven der mensen afhankelijk is, de letters die op Zijn heilige rol zijn gegrift....

(Bloemlezing, XCVI, p. 118)

Het leven in een mens moet zijn als een vlam die allen waarmee hij in aanraking komt, verwarmt....

(‘Abdu’l-Bahá in London, p. 92)
LIEFDE GODS

Voor een ieder van u is het de hoogste plicht voor zichzelf datgene te kiezen waarop geen ander inbreuk kan maken en wat niemand zich wederrechtelijk kan toeëigenen. Dit is nu - en hiervoor is de Almachtige Mijn getuige - de liefde Gods, mocht gij het slechts gewaarworden.

(Bloemlezing, CXXIII, p. 156)

In de wereld van het bestaan is er geen krachtiger magneet dan de magneet van de liefde....

(‘Abdu’l-Bahá in London, p. 79)

...als het hart van de mensen verstoken raakt van de goddelijke Genade - de Liefde Gods - dwaalt het in de woestijn van onwetendheid, daalt het af in de diepten van verval en valt het in de afgrond van wanhoop waar geen redding is! Zij zijn als insekten die op het laagste niveau leven.

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl.3, p. 526)
LOF

Gij kunt Hem het beste loven door Zijn geliefden te beminnen, en Zijn dienaren te beveiligen en te beschermen tegen het kwaad van de verraders, opdat geen mens hen nog langer kan onderdrukken....

(Bloemlezing, CXIV, p. 139)

Werpt u met het gelaat ter aarde voor God en zingt Zijn lof bij dag en bij nacht.

(Bloemlezing, XV, p. 26-27)
MEDITATIE

Door het vermogen van meditatie verkrijgt de mens het eeuwige leven, door dit vermogen ontvangt hij de ademtocht van de Heilige Geest - de gave van de Geest wordt in bespiegeling en meditatie geschonken.

Het meditatieve vermogen is verwant aan de spiegel. Als men deze voor materiële voorwerpen plaatst, zal hij ze weerspiegelen. Als daarom de menselijke geest wereldse onderwerpen overdenkt, zal hij hierover worden ingelicht.

Maar keert u de spiegel van uw geest hemelwaarts, dan zullen het hemelse gesternte en de stralen van de Zon van Werkelijkheid in uw hart worden weerspiegeld en zullen de deugden van het Koninkrijk worden verworven.

(Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 197 en 198)

ONDERSCHEIDING

O Leger van God! Gesteund door de bescherming en hulp, verleend door de Gezegende Schoonheid - moge mijn leven een offer zijn voor Zijn geliefden - moet gij u op zo’n wijze gedragen dat gij u stralend als de zon zult onderscheiden van alle andere mensen. Zou iemand van u een stad binnengaan, dan moet hij het middelpunt van aantrekkingskracht worden vanwege zijn oprechtheid, zijn trouw en liefde, zijn openhartigheid en toewijding, zijn waarheidsliefde en goedertierenheid jegens alle volkeren der wereld, zodat de inwoners van die stad woorden als deze zullen uitroepen: “deze man is ontegenzeglijk een Bahá’í, want zijn manieren, zijn gedrag, zijn zeden, zijn geaardheid en gezindheid weerspiegelen de eigenschappen van de Bahá’ís”. Niet voordat gij deze staat hebt bereikt, kan van u gezegd worden dat gij trouw zijt aan het Verbond en Testament van God.

(‘Abdu’l-Bahá, aangehaald in “The Advent of Divine Justice”, p. 25-26)

Ik wens dat u achting geniet. De Bahá’ís moeten zich van alle andere mensen onderscheiden. Maar dit onderscheid moet niet afhankelijk zijn van rijkdom - dat zij tot groter welstand zouden geraken dan andere mensen. Ik wens geen financiële onderscheiding voor u. Ik wens voor u niet de gebruikelijke onderscheiding, niet de wetenschappelijke, de commerciële of industriële onderscheiding. Voor u wens ik onderscheiding op geestelijk gebied - dat wil zeggen u moet zich in zedelijk opzicht onderscheiden en uitblinken. In de liefde tot God moet u zich onderscheiden van al het andere. U moet u onderscheiden door uw liefde tot de mensheid, door eenheid en harmonie, door liefde en rechtvaardigheid. Kortom, u moet u onderscheiden in alle deugden van de mensenwereld - door betrouwbaarheid en oprechtheid, door rechtvaardigheid en trouw, door vastberadenheid en standvastigheid, door menslievende daden en dienstbaarheid aan de mensheid, door liefde jegens ieder menselijk wezen, door eenheid en harmonie met alle mensen, door het wegnemen van vooroordelen en het bevorderen van wereldvrede. Tenslotte moet u zich onderscheiden door hemelse verlichting en door de gaven van God te verkrijgen. Ik wens voor u deze onderscheiding. Onder u moet dit het zijn waardoor u zich onderscheidt.

(The Promulgation of Universal Peace, p. 190)
RECHTSCHAPENHEID

Tooi u met het wezen van rechtschapenheid en laat uw hart voor niemand anders bevreesd zijn dan voor God....

(Bloemlezing, CLIII, p. 190)

Houdt u aan rechtvaardigheid, o volk van Bahá. Dit waarlijk is het gebod dat deze Verguisde u geeft, en het eerste dat Zijn onbeperkte Wil voor een ieder van u uitkoos.

(Bloemlezing, XLIII, p. 60)

Eén rechtvaardige daad is met een kracht begiftigd die het stof zo hoog kan verheffen dat het boven de hemel der hemelen uitstijgt. Zo’n daad kan elke keten verbreken en heeft het vermogen om de verbruikte en verdwenen kracht te herstellen....

(Bloemlezing, CXXXI, p. 170)
SPIRITUALITEIT

Daarom is een geestelijke instelling het grootste geschenk van God en “eeuwig leven” betekent: “zich keren tot God”....

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 126)

...wordt beheerst door de aantrekkingskracht van Gods Schoonheid, opdat de gedachtenis aan Hem als de levenskracht door uw aderen en ledematen moge stromen en u aldus vervullen met de gedachten aan de liefde Gods.

(Tablets of Abdu’l-Baha Abbas, dl. 2, p. 314)
STANDVASTIGHEID

Hoogstverheven zal uw rang zijn, indien gij standvastig blijft in de Zaak van uw Heer. Op Hem zijn uw bedrijvigheden gericht, en in Hem is de laatste rustplaats.

(Bloemlezing, CXV, p. 146)

Op niets anders berust uw ware en blijvende glorie dan op uw hechte trouw aan de voorschriften Gods, in uw oprecht nakomen van Zijn wetten, in uw vastbesloten toezien op de bekrachtiging ervan en in het standvastig volgen van de juiste koers.

(Bloemlezing, CXVIII, p. 150)

Het wezenlijke is vastberadenheid en standvastigheid....

(Tablets of Abdu'l-Bahá Abbas, dl. 3, p. 696)
TEGENSLAG

Als tegenspoed u mocht treffen om Mijnentwil, roep u dan Mijn rampspoeden en moeilijkheden in het geheugen, en herinner u Mijn verbanning en gevangenschap....

(Bloemlezing, CXLIII, p. 184)

Hoe zouden Uw ware geliefden anders worden herkend dan door de beproevingen die zij te verduren krijgen op Uw pad; en hoe kan de rang van hen die naar U verlangen onthuld worden als bezoekingen niet werden verdragen uit liefde tot U?....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 95)
O ZOON VAN MIJN DIENARES!

Wees niet bezorgd in armoede noch zelfverzekerd in rijkdom, want armoede wordt door rijkdom gevolgd en rijkdom door armoede. Doch arm te zijn aan alles buiten God is een wonderbare gave, kleineer haar waarde niet, want ten laatste zal ze u rijk maken in God....

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 51, p. 51)

UITSTRALING

Weest vol gloed, gelijk het vuur, opdat gij de sluiers van achteloosheid moogt wegbranden, en zet het verkilde en verdoolde hart in vuur en vlam met de bezielende geestkracht van de liefde Gods....

(Bloemlezing, CLII, p. 190)

De Al-liefderijke God heeft de mens geschapen, opdat deze het goddelijke Licht zou uitstralen en de wereld met zijn woorden, zijn daden en zijn leven zou verlichten.

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 128)

Gelovigen ... moeten hun geloof in hun dagelijks leven tonen, zodat de wereld het licht dat in hun gezicht straalt kan zien. Een opgewekt en gelukkig gezicht maakt de mensen die men tegenkomt blij. Als u bedroefd bent en voorbij een lachend kind loopt, zal het kind dat uw gezicht ziet ophouden met lachen zonder te weten waarom....

(‘Abdu’l-Bahá in London, p. 124)

Met een hart dat in vlam gezet is door het vuur van de liefde van God en een geest die verkwikt is door het voedsel van de hemelse geest moet u op weg gaan als de discipelen negentienhonderd jaar geleden. U moet het hart der mensen verkwikken door de roep van de blijde tijding, met goddelijk verlicht gelaat en afgesneden van alles buiten God. Richt uw leven derhalve in in overeenstemming met het eerste principe van de goddelijke leringen, en dat is liefde. Dienst aan de mensheid is dienst aan God. Laat de liefde en het licht van het Koninkrijk door u heen stralen totdat allen die naar u opkijken verlicht worden door de weerkaatsing ervan. Weest als sterren, schitterend en fonkelend, in de verhevenheid van hun hemelse rang. Herkent u wel de Dag waarin u leeft?

Dit is de eeuw van de Gezegende Volmaaktheid!

Dit is de cyclus van het licht van Zijn schoonheid!

Dit is de volmaakte dag van alle Profeten!
(The Promulgation of Universal Peace, p. 8)
VREUGDE

Al wie de geboden van God nakomt, zal eeuwige gelukzaligheid bereiken.

(Bloemlezing, CXXXIII, p. 171)
O MENSENZOON!

Treur niet, tenzij gij verre van Ons zijt. Verheug u niet, tenzij gij Ons nadert en tot Ons wederkeert.

(Verborgen Woorden, uit het Arabisch, no. 35, p. 25)

O Mijn dienaren! Treurt niet, wanneer in deze dagen op aarde door God dingen zijn beschikt en geopenbaard die niet met uw wensen stroken, want dagen van gelukzalige vreugde en hemelse verrukking staan u voorzeker te wachten....

(Bloemlezing, CLIII, p. 193)

Verheugt u, want de hemelse tafel is voor u gedekt.

Verheugt u, want de engelen des hemels zijn uw bedienden en helpers. Verheugt u, want de blik van de Gezegende Schoonheid, Bahá’u’lláh, is op u gericht.

Verheugt u, want Bahá’u’lláh is uw Beschermer.

Verheugt u, want de eeuwigdurende heerlijkheid is voor u bestemd. Verheugt u, want u wacht het eeuwig leven.

(The Promulgation of Universal Peace, p. 214)

...alle kommer en smart die er bestaan komen voort uit de stoffelijke wereld. De geestelijke wereld daarentegen schenkt louter vreugde!

(De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs, p. 123)

VREZE GODS

...datgene wat de mens zowel uiterlijk als innerlijk beschermt en in bedwang houdt was en is nog steeds de vreze Gods....

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 93)

De vreze Gods is immer de voornaamste factor in de opvoeding van Zijn schepselen geweest. Wel gaat het hen die dat hebben bereikt!

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 27)

Spoor de mensen aan God te vrezen. Bij God! Deze vrees is de opperbevelhebber van het leger van Uw Heer. Haar legerscharen zijn een prijzenswaardig karakter en voortreffelijke daden. Door haar zijn de steden van ‘s mensen hart door de eeuwen heen geopend en zijn de vaandels van overwicht en triomf boven alle andere vaandels geheven.

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 136)

Degene die in deze Dag een helper van God tracht te zijn, laat hem zijn ogen sluiten voor al wat hij bezit en ze openen voor de dingen van God.... Hij moet zijn hart zuiveren van alle boze hartstochten en verdorven begeerten, want de vreze Gods is het wapen dat hem kan doen zegevieren, het voornaamste werktuig waardoor hij zijn doel kan bereiken. De vreze Gods is het schild dat Zijn Zaak beschermt, het schild dat Zijn volk in staat stelt de overwinning te behalen. Het is een maatstaf die door geen mens kan worden verlaagd, een kracht die zijn weerga niet heeft. Met behulp hiervan, en met het welnemen van Hem die de Heer der Heerscharen is, zijn zij die God zijn genaderd in staat geweest de vesting van ‘s mensen hart te bedwingen en te veroveren.

(Bloemlezing, CXXVI, p. 162)
WERK
O MIJN DIENAAR!

De beste mensen zijn zij die door te werken het dagelijks brood voor zichzelf en hun verwanten verdienen uit liefde voor God, de Heer aller werelden.

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 82, p. 62)

O MIJN DIENAREN!

Gij zijt de bomen van Mijn tuin; gij moet gave en heerlijke vruchten voortbrengen ten bate van uzelf en anderen. Daarom is een ieder verplicht een handwerk of beroep uit te oefenen; want daarin ligt het geheim van welstand, o gij die verstaat!...

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 80, p. 61)

Op een ieder van u rust de plicht een of ander beroep uit te oefenen, zoals ambachten, handel en dergelijke. Wij hebben uw bezigheid in zulk werk verheven tot de rang van aanbidding tot God, de Ware.... Verspilt uw tijd niet in luiheid en ledigheid. Houdt u bezig met datgene wat uzelf en anderen tot voordeel strekt.... In de ogen van God zijn zij de verachtelijkste mensen die niets doen en bedelen....

(Tablets of Bahá’u’lláh Revealed after the Kitáb-i-Aqdas, p. 26)

De gehele mensheid moet haar dagelijks brood verdienen in het zweet des aanschijns en door lichamelijke inspanning; tegelijkertijd moet men trachten de last van anderen te verlichten, zich inspannen de bron van troost voor anderen te zijn en de middelen van bestaan te vergemakkelijken. Dit is op zichzelf toewijding aan God. Bahá’u’lláh heeft daarbij daden aangemoedigd en aangespoord tot dienstbaarheid. Maar de energie van het hart moet hier niet aan gehecht zijn; de ziel moet er niet volledig mee bezig zijn. Hoewel het verstand druk bezig is moet het hart aangetrokken worden tot het Koninkrijk van God opdat de deugden van de mensheid uit elke richting en bron verworven kunnen worden.

(The Promulgation of Universal Peace, p. 187)
WIJSHEID

Zeg: Het zwaard van wijsheid is heter dan zomerse hitte en scherper dan bladen van staal, begreep gij dit slechts....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 55)

O gij geliefden Gods! Drinkt volop uit de bron van wijsheid ... en neemt uw vlucht in de sfeer van wijsheid en spreekt met wijsheid en welsprekendheid....

(Epistle to the Son of the Wolf, p. 99)

In deze Dag kunnen Wij het gedrag van de vreesachtige die tracht zijn geloof te verbergen niet goedkeuren, en evenmin de houding rechtvaardigen van de verklaarde gelovige die luidruchtig verklaart dit Geloof aan te hangen. Beiden moeten de regels der wijsheid in acht nemen, en zich naarstig beijveren de voornaamste belangen van het Geloof te dienen.

(Bloemlezing, CLXIII, p. 201)
O ZOON VAN STOF!

De wijzen zijn zij die niet spreken, tenzij zij gehoor vinden, gelijk de schenker zijn beker niet aanbiedt aleer hij een dorstende vindt, en de minnaar niet uit het diepst van zijn hart roept tot hij de schoonheid van zijn geliefde aanschouwt. Zaai daarom het zaad van wijsheid en kennis in de zuivere grond van het hart en houd het verborgen, tot de hyacinten van goddelijke wijsheid opbloeien uit het hart en niet uit modder en leem.

(Verborgen Woorden, uit het Perzisch, no. 36, p. 47)

DEEL 2

Aanhalingen uit brieven en geschriften van Shoghi Effendi

Hoe vaak had men de geliefde Meester niet horen zeggen: Als ieder van de vrienden op zich zou nemen om slechts één lering van het Geloof, volledig en met alles wat daaruit voortvloeit, vol overgave, onthechting, standvastigheid en volharding in praktijk te brengen en als een ieder deze in al zijn daden en bezigheden tot uiting zou brengen, dan zou de wereld een andere wereld worden en zou de aarde de glans van het Abhá paradijs weerspiegelen. Ga eens na welke wonderbare veranderingen er tot stand zouden komen als de geliefden van de Barmhartige zich met zowel hun afzonderlijke als hun gezamenlijke gaven zouden gedragen overeenkomstig de raadgevingen en waarschuwingen die uit de Pen van Heerlijkheid zijn gevloeid.

(Shoghi Effendi, in een brief van 12 januari 1923 aan de Bahá’ís van Perzië, vertaald uit het Perzisch)

Ga eens na hoe zeer de vrienden van God in het Testament en in de heilige Tafelen en Geschriften zijn aangespoord en vermaand om rechtschapenheid, goede wil, verdraagzaamheid en heiligheid te tonen, alsmede onthecht te zijn van alles buiten God, te breken met alles wat tot deze wereld behoort en een voorbeeld te zijn van hemelse hoedanigheden en eigenschappen. Allereerst moet men zijn toevlucht nemen tot iedere denkbare mogelijkheid om zijn hart en beweegredenen te zuiveren, anders zou het zinloos zijn om wat dan ook te ondernemen. Het is ook onontbeerlijk zich te onthouden van schijnheiligheid en blinde navolging, aangezien ieder weldenkend en verstandig mens spoedig de kwalijke reuk ervan zou opmerken. Daarenboven moeten de vrienden de tijden in acht nemen die zijn voorgeschreven voor het gedenken van God, voor meditatie en het zeggen van gebeden, daar het hoogstonwaarschijnlijk, ja zelfs onmogelijk is dat een onderneming kan slagen en zich ontwikkelen zonder goddelijke begunstiging en bekrachtiging. Men kan zich nauwelijks indenken welke enorme invloed ware liefde, oprechtheid en zuivere beweegredenen op ‘s mensen ziel kunnen hebben. Deze eigenschappen kunnen evenwel niet verworven worden tenzij iedere gelovige zich daar dagelijks voor inspant....

De vrienden van God moeten de wereld in de eerste plaats door de invloed van nobel optreden en karakter, en dan door de kracht van het uiteenzetten en met bewijzen, tonen dat wat door God is beloofd ook werkelijk zal geschieden, dat het reeds geschiedt en dat Gods blijde boodschap zeer duidelijk en volledig is. Als niet enkele voortreffelijke zielen zich in de arena van dienstbaarheid begeven en op uitzonderlijke wijze uitblinken in de mensenmaatschappij, zal het een werkelijk formidabele taak zijn om de waarheid van deze Zaak voor het oog van de verlichte mensen op aarde te bewijzen. Als de vrienden echter de belichaming worden van rechtschapenheid en deugdzaamheid, zullen woorden en argumenten onnodig zijn. Juist hun daden zouden dan als sprekend getuigenis dienen en hun edel gedrag zou een waarborg zijn voor het behoud, de integriteit en de glorie van de Zaak van God.

(Shoghi Effendi, in een brief van 22 juli 1946 1 aan de Bahá’ís van het Oosten, vertaald uit het Perzisch)

De uitverkorenen van God... moeten niet kijken naar de ontaarde toestand van de maatschappij waarin zij leven, en evenmin naar de tekenen van zedenverwildering en lichtzinnig gedrag dat de mensen om hen heen vertonen. Zij moeten zich niet slechts tevreden stellen met relevant onderscheid en voortreffelijkheid. Veeleer zouden zij hun blik moeten richten naar meer verheven hoogten door zich de raadgevingen en waarschuwingen van de Pen van Heerlijkheid als hoogste doel te stellen. Dan zal men zonder aarzelen inzien hoe talrijk de stadia zijn die men nog moet doorlopen en hoe veraf het gewenste doel ligt - een doel dat niets anders is dan het voorbeeld te zijn van hemelse zeden en deugden.

(Shoghi Effendi, in een brief van 30 oktober 1924 aan de Plaatselijke Geestelijk Raad van Teheran, vertaald uit het Perzisch)

Het is onze plicht en ons voorrecht de liefde en toewijding die wij voor onze geliefde Zaak koesteren, om te zetten in daden en handelingen die bevorderlijk zijn voor het hoogste welzijn der mensheid.

(Shoghi Effendi, in een brief van 20 november 1924 aan een gelovige)

Indien u de uitspraken van Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá onzelfzuchtig en zorgvuldig leest en u erop concentreert dan zult u waarheden ontdekken die u tevoren onbekend waren, en inzicht verkrijgen in de problemen die de grote denkers van de wereld in verwarring brachten.

(Shoghi Effendi, in een brief van 30 januari 1925 aan een gelovige)

Het belangrijkste is “het leven te leiden” - ons leven zo doortrokken te laten zijn van de goddelijke leringen en de Bahá’í geest, dat het de mensen wel moet opvallen welk een vreugde, kracht, liefde en zuiverheid, en welk een uitstraling en doeltreffendheid wij in ons karakter en in ons werk aan de dag leggen, waardoor wij ons onderscheiden van wereldsgezinde mensen en zij zich zullen afvragen wat het geheim is van dit nieuwe leven in ons. Wij moeten volkomen onzelfzuchtig en aan God toegewijd worden, zodat wij iedere dag en ieder ogenblik alleen dat willen doen wat God van ons verlangt en op de manier zoals Hij dat wenst. Als wij dat oprecht doen, zal er volmaakte eenheid en harmonie onder ons heersen. Waar geen harmonie bestaat, daar ontbreekt de ware Bahá’í geest. Als wij deze transformatie in ons leven, deze nieuwe kracht en deze onderlinge liefde en harmonie niet kunnen uitdragen, dan zijn de Bahá’í leringen alleen maar een naam voor ons.

(Uit een brief van 14 februari 1925, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Als wij Bahá’ís onder elkaar niet tot een oprechte eenheid kunnen komen, dan lukt het ons niet te beseffen wat het hoofddoel was waarvoor de Báb, Bahá’u’lláh en de geliefde Meester geleefd en geleden hebben.

Teneinde deze oprechte eenheid te bereiken hebben Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá er in de eerste plaats op aangedrongen dat wij ons te weer stellen tegen de natuurlijke neiging ons liever bezig te houden met de fouten en tekortkomingen van anderen dan met die van onszelf. Ieder van ons is slechts verantwoordelijk voor één leven, en dat is ons eigen leven. Ieder van ons is onmetelijk ver verwijderd van “volmaakt te zijn gelijk onze Vader in de hemelen volmaakt is”, en de taak ons eigen leven en karakter te vervolmaken vergt al onze aandacht, wilskracht en energie. Als wij onze aandacht en energie in beslag laten nemen door pogingen anderen op het rechte pad te houden en hun fouten te verhelpen, verdoen wij kostbare tijd. We zijn te vergelijken met een ploeger die ervoor moet zorgen dat hij zijn span in toom houdt en dat zijn ploeg rechte voren maakt, en om dat te bereiken moet hij zijn oog gericht houden op zijn doel en zich op zijn eigen werk concentreren. Als hij alle kanten opkijkt om te zien hoe Jan, Piet en Klaas het doen en aanmerkingen maakt op hun manier van ploegen, zal zijn vore beslist scheef lopen.

De Bahá’í leringen leggen op geen ander punt zo zeer de nadruk als op de noodzaak zich te onthouden van vitterij en roddelen, terwijl ze er steeds op gericht zijn dat wij onze eigen fouten ontdekken en uitroeien en de eigen tekortkomingen overwinnen.

Als wij trouw betuigen aan Bahá’u’lláh, onze geliefde Meester en onze dierbare Behoeder, dan moeten wij onze liefde tonen door te gehoorzamen aan deze uitdrukkelijke leringen. Er worden daden gevraagd, geen woorden; en hoe wij ons ook uitputten in het uitspreken van onze loyaliteit en met pluimstrijkerij, dit kan nooit opwegen tegen het in gebreke blijven om in de geest van de leringen te leven.

(Uit een brief van 12 mei 1925, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Wat betreft de vraag of het juist is om een onwaarheid te vertellen teneinde een ander te sparen, is hij van mening dat wij dat onder geen beding mogen doen, maar tezelfdertijd moeten trachten die persoon op een rechtmatiger manier te helpen. Het is natuurlijk niet nodig al te ronduit een mening te geven als de vraag ons niet rechtstreeks gesteld wordt.

(Uit een brief van 21 december 1927, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Wij moeten echter niet vergeten dat ontberingen en beproevingen wezenlijke kenmerken van deze wereld zijn en dat wij ons moreel en geestelijk ontwikkelen door ze te overwinnen. Zoals de Meester zei: smart is te vergelijken met een vore: hoe dieper deze is, des te overvloediger zal de oogst zijn die wij binnenhalen.

(Uit een brief van 5 november 1931, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

In de Bayán stelt de Báb dat iedere religie uit het verleden een wereldreligie had kunnen worden. De enige reden dat dat niet is gebeurd, was de onbekwaamheid van de volgelingen. Hij geeft dan verder de ondubbelzinnige belofte dat dit niet het lot zal zijn van de openbaring van “Hem Dien God zal openbaren”, dat die openbaring universeel zal worden en alle mensen ter wereld zal omvatten. Dit geeft aan dat wij uiteindelijk zullen slagen. Maar zouden wij de verwezenlijking van dat ideaal niet kunnen vertragen door onze tekortkomingen, ons gebrek aan offervaardigheid en de tegenzin om onze inspanningen te concentreren op het verspreiden van de Zaak? En wat zou dat betekenen? Het betekent dat God ons ervoor aansprakelijk zal stellen dat de mensheid nog langer in haar weerspannige toestand zal blijven, dat oorlogen niet zo snel voorkomen worden en dat het menselijk lijden langer zal duren.

(Uit een brief van 20 februari 1932, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Nationale Geestelijke Raad van de Verenigde Staten en Canada)

Iedere tijd heeft bepaalde noden. In die eerste dagen had de Zaak martelaren nodig en mensen die bereid waren allerlei kwellingen en vervolgingen te ondergaan bij het belijden van hun geloof en het verspreiden van de door God gezonden boodschap. Die dagen liggen echter achter ons. De Zaak heeft nu geen martelaren nodig die voor hun geloof zouden willen sterven, maar dienaren die willen onderrichten en de Zaak over de gehele wereld willen vestigen. Leven om te onderrichten is in deze tijd als het sterven van de marteldood in die eerste dagen. Het gaat om de geest van waaruit wij handelen, niet om de daden waardoor die geest tot uitdrukking komt; en die geest houdt in dat wij met hart en ziel de Zaak van God dienen.

(Uit een brief van 3 augustus 1932, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige, aangehaald in “Bahá’í News”, no.68, november 1932, p.3.)

Hij hoopt van harte dat dat gebouw door deze opofferingen voltooid zal worden en in dat land een brandpunt van de geest en de leringen van de Zaak zal worden; dat van daar uit het licht van leiding zich zal verspreiden en hoop en vreugde in het hart van deze terneer gedrukte mensheid zal brengen.

Als u de geschiedenis van Nabíl bestudeert, zult u ontdekken dat het Geloof gevoed werd door de voortdurende opoffering van de vrienden. De Boodschap van Bahá’u’lláh werd onder ontberingen, vervolgingen en niet aflatende kwellingen over de gehele wereld gevestigd.

(Uit een brief van 30 november 1932 namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige, aangehaald in “Bahá’í News”, no 77, september 1933, p.1)

De raad die Shoghi Effendi u gaf ten aanzien van de tijdverdeling tussen het dienen van de Zaak en uw andere verplichtingen, werd ook door zowel Bahá’u’lláh als de Meester aan vele vrienden gegeven. Het betekent een compromis tussen twee verzen van de Aqdas: in het ene staat dat iedere Bahá’í de plicht heeft het Geloof te helpen bevorderen en in het andere staat dat iedereen zich met iets moet bezighouden dat de samenleving ten goede komt. In één van Zijn Tafelen zegt Bahá’u’lláh dat het uitoefenen van een beroep en het in eigen onderhoud voorzien in deze tijd de hoogste vorm van onthechting is. Een goed Bahá’í moet derhalve zijn leven zo inrichten dat hij zijn tijd zowel besteedt aan het voorzien in zijn materiële behoeften als aan het dienen van de Zaak.

(Uit een brief van 21 februari 1933, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Ik behoef u niet te zeggen hoe diep hij het betreurt dat er zulke negatieve krachten de overhand hebben in Bahá’í bijeenkomsten, speciaal in zo’n belangrijke bijeenkomst als de Conventie. Men moet zich nu meer dan ooit zorgvuldig en met aandacht bezinnen op de vaak herhaalde woorden van de Meester over eenheid en eendrachtige samenwerking onder de vrienden. Niets is meer in strijd met de geest van de Zaak dan tweedracht en twist, die het onvermijdelijke gevolg zijn van egoïsme en hebzucht. Zuivere onthechting en onbaatzuchtige dienstbaarheid zouden de enige beweegredenen van iedere ware gelovige moeten zijn. En als niet werkelijk alle vrienden erin slagen die eigenschappen in praktijk te brengen, kunnen wij de hoop op verdere vooruitgang wel laten varen. Juist nu hebben wij die eenheid van denken en handelen het hardste nodig. Juist nu, nu de Zaak een nieuwe fase van ontwikkeling ingaat, nu het Bestuursstelsel geleidelijk geconsolideerd wordt temidden van de verwarring en chaos van een ineenstortende beschaving, moeten de vrienden een aaneengesloten front vormen tegenover de krachten van interne verdeeldheid die ons werk onvermijdelijk te niet zullen doen als ze niet volledig worden uitgeroeid.

(Uit een brief van 24 september 1933, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Hij betreurt het inderdaad ten zeerste dat de vertegenwoordigers van de hoogste bestuursinstelling in uw land het zover hebben laten komen dat dergelijke meningsverschillen en misverstanden zulke proporties hebben kunnen aannemen, speciaal daar hij al sinds het heengaan van de Meester de beginselen en wetten van het Bestuursstelsel allemaal in zo vele berichten duidelijk en nadrukkelijk uiteengezet heeft. Zulke moeilijkheden kunnen het lichaam van de Zaak onberekenbare schade toebrengen als ze niet onmiddellijk en met krachtige hand beteugeld worden en ze kunnen niet alleen het stromen, maar ook de werking van zijn geest over de wereld vertragen. Bij een diepgaand en onpartijdig onderzoek zal blijken dat de bron van al deze moeilijkheden en geschillen onveranderlijk te vinden is in egoïsme en zelfzucht. En als deze verderfelijke gevoelens niet volledig overwonnen worden, kan er geen hoop zijn op een doeltreffende werking en vooruitgang van het bestuursapparaat van de Zaak.

(Uit een brief van 9 mei 1934, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Nationale Geestelijke Raad van India en Birma)

Hoewel hij er bij u op wil aandringen de vele belemmeringen die u in de weg staan moedig onder ogen te zien en te overwinnen, wil hij u tevens aanraden om, ingeval u mocht falen en bij wat u ook gebeuren mag, een stralende tevredenheid te behouden met en geheel onderworpen te blijven aan Gods wil. Onze bezoekingen en beproevingen zijn soms verhulde zegeningen, daar ze ons leren meer geloof en vertrouwen in God te hebben en ze ons nader tot Hem brengen.

(Uit een brief van 28 april 1936, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Heeft Bahá’u’lláh ons niet verzekerd dat leed en ontberingen verhulde zegeningen zijn, en dat onze innerlijke, geestelijke krachten daardoor worden gestimuleerd, gezuiverd en geadeld? Blijf er daarom op vertrouwen dat uw materiële ontberingen uw activiteiten voor de Zaak geenszins in de weg staan, doch u veeleer een krachtige impuls zullen geven de belangen van de Zaak beter te dienen en te behartigen.

(Uit een brief van 22 november 1936, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Persoonlijke inzet is inderdaad een essentiële vereiste voor de erkenning en aanvaarding van de Zaak van God. Hoe sterk de mate van goddelijke genade ook is, deze kan niet volledig werkzaam en van enig werkelijk en blijvend nut zijn als ze niet wordt aangevuld met persoonlijke, onafgebroken en weloverwogen inspanning.

(Uit een brief van 27 februari 1938, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Hoe ernstig en onoverkomelijk zulke belemmeringen (b.v. ziekte en andere moeilijkheden) aanvankelijk ook lijken, ze kunnen en moeten afdoende overwonnen worden door de gecombineerde en aanhoudende kracht van gebed en overtuigde, voortdurende inspanning. Want hebben Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá ons niet beiden herhaaldelijk verzekerd, dat de goddelijke en ongeziene scharen van overwinning altijd weer hen die dapper en overtuigd in hun naam werken, zullen bekrachtigen en sterken? Deze verzekering zou u inderdaad in staat moeten stellen ieder gevoel van onwaardigheid of onbekwaamheid om te dienen te overwinnen, alsmede iedere innerlijke of uiterlijke remming die uw arbeid voor de Zaak dreigt te hinderen. U moet daarom opstaan en met een hart vol vreugde en vertrouwen proberen elk aandeel te leveren dat binnen uw macht ligt om tot een grotere verbreiding en consolidatie van ons geliefd Geloof te komen.

Welk terrein u ook voor uw diensten kiest, hetzij onderricht hetzij binnen het Bestuursstelsel, het belangrijkste is dat u doorzet en uw enthousiasme niet laat bekoelen door enig bewustzijn van uw beperkingen, en dat u zich daardoor zeker niet laat weerhouden vol vreugde en actief te dienen.

(Uit een brief van 6 februari 1939, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Hoe groter uw beproevingen en leed zijn, des te sterker zou uw aanhankelijkheid en toewijding aan de Zaak moeten worden. Want alleen door telkens terugkerende bezoekingen en beproevingen stelt God Zijn dienaren op de proef en daarom zouden zij ze als verhulde zegeningen moeten beschouwen, en als een gelegenheid om zich beter bewust te worden van de goddelijke Wil en Bedoeling.

(Uit een brief van 23 februari 1939, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

De Behoeder vindt de cursus over karaktervorming, die door ... zal worden gegeven bijzonder belangrijk, hij moet de nodige aandacht krijgen en zorgvuldig en grondig bestudeerd worden, met name door de jonge gelovigen die de school bezoeken. Die maatstaven van Bahá’í gedrag, die hij zelf in zijn laatste algemene schrijven “The Advent of Divine Justice” heeft uiteengezet en die iedere oprechte en plichtsgetrouwe gelovige als zijn hoogste plicht zou moeten proberen te handhaven en te bevorderen, verdienen diepgaande studie en overdenking, en zouden dit jaar het hoofdthema moeten vormen op het programma van alle drie Bahá’í Zomerscholen in de Verenigde Staten.

(Uit een brief van 20 mei 1939, namens Shoghi Effendi geschreven aan het Louhelen Zomerschool Comité)

U hebt geklaagd over de weinig bevredigende omstandigheden in de Bahá’í gemeenschap van ...; de Behoeder is zich zeer bewust van de toestand van de Zaak daar, maar hij vertrouwt erop dat wat ook de aard der belemmeringen is waarvoor het Geloof zich gesteld ziet, ze uiteindelijk overwonnen zullen worden. U moet zich onder geen beding ontmoedigd voelen en hoewel zulke moeilijkheden kunnen zijn ontstaan door het wangedrag, of door het gebrek aan bekwaamheid en inzicht van bepaalde leden van de Gemeenschap, mogen ze u nooit doen wankelen in uw geloof en in uw trouw aan de Zaak. Ook al bezitten de gelovigen nog zulke goede kwaliteiten, als onderrichters of bestuurders, en ook al zijn hun verstandelijke of geestelijke verdiensten nog zo groot, toch moet men hen zeker nimmer als een maatstaf beschouwen waarnaar de goddelijke autoriteit en de opdracht van het Geloof beoordeeld en gemeten wordt. De gelovigen moeten voor hun leiding en inspiratie de blik gericht houden op de Leringen zelf en op het leven van de Stichters van de Zaak en alleen door zich stipt aan zo’n juist gedrag te houden, mogen ze de verwachting koesteren hun trouw aan Bahá’u’lláh te grondvesten op een duurzame en onwrikbare basis. Laat dus de moed niet zakken en tracht met onverminderde waakzaamheid en niet aflatende inspanning u volledig in te zetten voor de geleidelijke ontplooiing van deze goddelijke Wereldorde.

(Uit een brief van 23 augustus 1939, naemens Shoghi Effendi gescheven aan een gelovige)

Dit is inderdaad de tijd dat er van de zijde van de gelovigen heldenmoed vereist wordt. Zij moeten kenmerken als zelfopoffering, moed, onverwoestbare hoop en vertrouwen tonen, want juist deze eigenschappen moeten wel de aandacht van het publiek trekken en men zal zich afvragen wat deze mensen, in een wereld die zo hopeloos chaotisch en verward is, bezielt om zó overtuigd en zo vol vertrouwen en toewijding te zijn. Met het verstrijken van de tijd zullen het de kenmerken van de Bahá’ís zijn waardoor in toenemende mate hun medeburgers gefascineerd zullen raken. Zij moeten laten blijken dat zij zich afzijdig houden van de haat en de wederzijdse beschuldigingen waardoor het hart der mensheid verscheurd wordt, en door woord en daad tonen hoe diep hun geloof is in de toekomstige, vreedzame eenwording van het gehele mensenras.

(Uit een brief van 26 oktober 1941, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Wij moeten steeds vooruitzien en in de toekomst proberen te bereiken wat wij mogelijk in het verleden hebben verzuimd. Als wij van mislukkingen, bezoekingen en beproevingen een juist gebruik maken, kunnen deze het middel worden om onze geest te zuiveren, ons karakter te sterken en ons in staat te stellen tot grotere hoogten van dienstbaarheid te geraken.

(Uit een brief van 14 december 1941, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Met betrekking tot de punten die u in uw brief aanhaalt: het volkomen en volledig uitsluiten van het ego zou volmaaktheid betekenen - hetgeen geen mens ooit geheel kan bereiken - maar het ego kan en moet in steeds toenemende mate ondergeschikt gemaakt worden aan de verlichte ziel van de mens. Dit is wat geestelijke vooruitgang inhoudt.

(Uit een brief van 19 december 1941, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Wat betreft het verzoek van ...: de Behoeder denkt dat het in dit geval het beste is om beide gelovigen te vragen de gehele kwestie te vergeven en te vergeten. Hij wil niet dat de vrienden er een gewoonte van gaan maken elkaar een soort Bahá’í proces aan te doen. Nu de Zaak ervoor vecht zich te verspreiden en voor haar onafhankelijkheid op te komen zijn hun verplichtingen aan de mensheid te heilig en te dringend om hun kostbare tijd en zijn kostbare tijd op deze manier te spenderen. Vraag hun daarom samen te werken, het verleden te vergeten en dienstbaarheid te betrachten als nooit te voren.

(Uit een brief van 26 december 1941, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Nationale Geestelijke Raad van Australië en Nieuw Zeeland)

De gelovigen hebben in feite nog niet ten volle geleerd om in tijden van nood, kracht en troost te putten uit de liefde voor elkaar. De Zaak van God is geladen met ontzagwekkende krachten en de reden waarom de gelovigen daar niet meer profijt van trekken is omdat ze niet geleerd hebben volledig gebruik te maken van deze machtige elementen van liefde, kracht en eendracht die door het Geloof worden opgewekt.

Hij raadt u aan uw vriendin ... voorlopig met rust te laten en voor haar te bidden. Daar zij uw hulp momenteel niet wenst, kunt u haar alleen innerlijk helpen.

U hebt de Zaak vele waardevolle diensten bewezen en doet dat nog steeds en dit moet uw grootste troost zijn.

(Uit een brief van 8 mei 1942, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

De vrienden moeten geduld met elkaar hebben en zich realiseren dat de Zaak nog steeds in de kinderschoenen staat en haar instellingen nog niet perfect functioneren. Hoe meer geduld, liefdevol begrip en verdraagzaamheid de gelovigen voor elkaar en elkaars tekortkomingen hebben, des te groter zal de vooruitgang van de gehele Bahá’í wereldgemeenschap zijn.

(Uit een brief van 27 februari 1943, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Wij moeten ons bewust zijn van onze onvolmaaktheden en ons niet te zeer opwinden over de ongelukkige dingen die zich soms op Conventies of bijvoorbeeld in raden of in comité’s voordoen. Deze dingen zijn in wezen onbelangrijk en wij zullen ze op den duur te boven komen.

(Uit een brief van 17 maart 1943, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Wij zijn niet in staat ons allemaal op dezelfde manier dienstbaar te maken, maar dè manier waarop iedere Bahá’í het Geloof kan verspreiden is door zelf het goede voorbeeld te geven. Dat raakt de mensen veel dieper dan woorden ooit kunnen doen.

De liefde die wij anderen tonen, de gastvrijheid, het begrip en de bereidheid hen te helpen zijn de beste publiciteit voor het Geloof. Men zal er meer over willen horen wanneer men deze dingen in ons dagelijks leven opmerkt.

(Uit een brief van 14 oktober 1943, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Het deed hem veel genoegen te vernemen dat de Conventie zo goed werd bezocht en dat de gelovigen enthousiast en eensgezind waren. Eén van de grootste behoeften van de Zaak in ... is dat de vrienden eensgezind zijn en er zich werkelijk intens van bewust worden dat zij één geestelijke familie zijn die bijeengehouden wordt door banden die heiliger en blijvender zijn dan de bloedverwantschap waardoor mensen tot dezelfde familie behoren. Als de vrienden alle persoonlijke geschillen willen vergeten en zich omwille van Bahá’u’lláh openstellen voor een grote liefde voor elkaar, dan zullen zij merken dat hun krachten enorm toegenomen zijn: zij zullen het hart van de mensen aantrekken en in ... getuige zijn van een snelle groei van het heilige Geloof. De Nationale Geestelijke Raad moet alles doen wat in zijn vermogen ligt om eenheid onder de gelovigen aan te moedigen en hen op te voeden in het Bestuursstelsel, daar dit het kanaal is waardoor hun gemeenschapsleven moet vloeien, en wanneer het juist wordt begrepen en toegepast zal daardoor het werk van de Zaak met sprongen vooruit kunnen gaan.

(Uit een brief van 26 oktober 1943, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Nationale Geestelijke Raad van India en Birma)

Uiteindelijk ligt de hele levensstrijd binnen het individu. Geen organisatie, hoe groot ook, kan de innerlijke problemen oplossen of kan, op een kritiek moment en al naar gelang het geval een overwinning bewerkstelligen of een mislukking voorkómen. Speciaal in tijden als deze zijn enkelingen onderhevig aan grote, vrijgekomen krachten, en wij zien enkele zwakke mensen plotseling wonderbaarlijk sterk worden en sterke mensen falen; wij kunnen slechts proberen, zoals uw comité heeft gedaan, om met liefdevolle raad de gelovige datgene te laten doen wat het beste is voor de Zaak. Want het is duidelijk dat wat slecht is voor de Zaak, niet het beste kan zijn voor de individuele Bahá’í.

(Uit een brief van 17 december 1943, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Wat de wereld thans nodig heeft is de Bahá’í geest. De mensen snakken naar liefde, naar een hoge norm waarnaar ze kunnen opzien, alsook naar oplossingen voor hun vele ernstige problemen. De Bahá’ís moeten degenen die ze ontmoeten overstelpen met de warme en levende geest van de Zaak, en in combinatie met onderricht zal dit zonder twijfel de oprechte waarheidszoeker tot het Geloof aantrekken.

(Uit een brief van 18 december 1943, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Met betrekking tot uw vraag over de noodzaak van grotere eenheid onder de vrienden, daarover bestaat geen enkele twijfel, en de Behoeder vindt één van de belangrijkste middelen om dit te bevorderen de Bahá’ís zelf in cursussen en door middel van voorschriften te leren dat de liefde tot God, en dus ook tot de mensen, de ware grondslag is van iedere religie, ook van de onze. Een grotere mate van liefde zal een grotere eenheid teweeg brengen, omdat ze mensen in staat stelt elkaar te verdragen, geduldig en vergevensgezind te zijn.

(Uit een brief van 7 juli 1944, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige, aangehaald in “Bahá’í News” no.173, februari 1945)

Hij hoopt dat u zowel in karakter als in geloof zult uitgroeien tot Bahá’ís. De bedoeling van Bahá’u’lláh is dat wij een nieuw soort mensen worden, mensen die rechtschapen, vriendelijk, intelligent, waarheidslievend en eerlijk zijn en die leven overeenkomstig Zijn grootse wetten die voor dit nieuwe tijdperk in de ontwikkeling van de mens voorgeschreven zijn. Het is niet genoeg onszelf Bahá’í te noemen, ons innerlijk moet worden geadeld en verlicht door het Bahá’í leven te leiden.

(Uit een brief van 25 augustus 1944, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Jeugdafdeling van de Louhelen School in de Verenigde Staten)

Er rijzen zoveel misverstanden door de hartstochtelijke verknochtheid van de vrienden aan het Geloof en tevens door hun onvolwassenheid. Wij moeten daarom veel geduld met elkaar hebben en liefdevol met elkaar omgaan en proberen eenheid in de Bahá’í familie te stichten. De onenigheden ... die u in uw brief beschrijft zijn naar zijn mening te wijten aan bovengenoemde oorzaken en niet aan vijandige gevoelens voor het Geloof of aan onoprechtheid.

Hij dringt er bij u op aan uw uiterste best te doen meer liefde en eendracht in de gemeenschap te scheppen en te volharden in het onderrichten van het heilige Geloof.

(Uit een brief van 17 oktober 1944, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Hij was zeer verheugd van u te vernemen dat Green Acre dit jaar doortrokken was van een liefde en eendracht die ertoe bijgedragen hebben dat vele nieuwe zielen tot het Geloof toetraden. Deze liefde onder de gelovigen is de magneet die, meer dan wat ook, het hart aantrekt en nieuwe zielen tot de Zaak brengt. Want het ligt voor de hand dat de leringen - hoe prachtig ze ook zijn - de wereld niet kunnen veranderen als niet de geest van Bahá’u’lláh’s liefde zich in de Bahá’í gemeenschappen weerspiegelt.

(Uit een brief van 27 oktober 1944, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Als de vrienden er inderdaad naar zouden streven en zich zouden inspannen om 100% Bahá’í te worden, dan zouden ze zien hoe enorm hun invloed op anderen zou toenemen en hoe snel de Zaak zich zou verspreiden. De wereld zoekt niet naar een compromis, maar naar de belichaming van een hoog en schitterend ideaal. Hoe meer de vrienden zich in alle aspecten van hun leven in overeenstemming met onze leringen gedragen, hetzij thuis, hetzij in het werk of in hun sociale betrekkingen, des te groter zal de aantrekkingskracht zijn die ze op het hart van anderen uitoefenen.

Het verheugt hem te vernemen dat u zich op een natuurlijke wijze, overtuigend en welwillend onder de kleurlingen hebt begeven en hen hebt onderricht. Wanneer de Bahá’ís hun leringen naleven, zoals van hen wordt verwacht, zal dit bij sommigen weerstanden kunnen oproepen, maar bij weldenkende mensen des te meer bewondering wekken.

(Uit een brief van 23 januari 1945, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Wanneer wij de groeiende duisternis in de hedendaagse wereld zien, kunnen wij ons zeer goed indenken dat, tenzij de Boodschap van Bahá’u’lláh de mensen tot in het hart raakt en hen transformeert, er in de toekomst geen vrede en geen geestelijke vooruitgang kan zijn.

Hij hoopt voortdurend dat de gelovigen, individueel en in hun Bahá’í gemeenschapsleven, zich zo zullen gedragen dat zij de aandacht van anderen op de Zaak vestigen. De wereld hunkert niet alleen naar hoogstaande beginselen en idealen, zij hunkert bovenal naar een lichtend voorbeeld dat de Bahá’ís haar kunnen en ook moeten geven.

(Uit een brief van 22 februari 1945, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Overal ter wereld, zowel binnen als buiten het Geloof, bestaat de grote behoefte dat de ware geestelijke bewustwording zal doordringen en het leven van de mensen inhoud zal geven. Geen enkele bestuurlijke werkwijze of het naleven van regels kan de plaats innemen van dit zielekenmerk, deze geestelijke levenshouding die de essentie is van de mens. Het verheugt hem zeer dat u hierop de nadruk legt en de vrienden helpt hun ogen te openen voor het enorme belang ervan.

(Uit een brief van 25 april 1945, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Met betrekking tot de kwestie van ... en de onenigheid die tussen bepaalde vrienden schijnt te bestaan ...: wanneer Bahá’ís toelaten dat de duistere machten der wereld tot hun eigen relaties binnen het Geloof doordringen, dan brengen zij de groei ervan ernstig in gevaar; op de gelovigen, de plaatselijke raden en speciaal op de Nationale Geestelijke Raad rust de zeer belangrijke plicht om eendracht, begrip en liefde onder de vrienden aan te moedigen. Iedereen zou bereid moeten zijn alle persoonlijke grieven - gerechtvaardigd of ongerechtvaardigd - opzij te zetten omwille van de Zaak, omdat de mensen zich daarbij nooit zullen aansluiten zolang zij in haar gemeenschapsleven niet weerspiegeld zien wat in de wereld zo opvallend ontbreekt, nl. liefde en eenheid.

(Uit een brief van 13 mei 1945, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Het belangrijkste van alles is dat er liefde en eenheid in de Bahá’í gemeenschap heerst, daar de mensen in de huidige sombere wereld daar het meest naar verlangen. Woorden zonder een levend voorbeeld zullen nooit voldoende kunnen zijn om nieuwe hoop te wekken in het hart van een ontgoochelde en vaak cynische generatie.

(Uit een brief van 20 oktober 1945, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Daar u hem om raad hebt gevraagd, zal hij u zeer openhartig zijn mening geven.

Hij vindt dat de huidige disharmonie die er onder u bestaat ... zeer schadelijk is voor de vooruitgang van de Zaak en dat dit alleen maar kan leiden tot verdeeldheid en verkoeling van de belangstelling van nieuwe gelovigen. U ... moet uw persoonlijke grieven vergeten en een eenheid vormen ter bescherming van het Geloof, waaraan u allen, naar hij zeker weet, zeer toegewijd bent en bereid er offers voor te brengen.

Misschien is voor de Bahá’ís wel de grootste beproeving datgene wat ze elkaar aandoen; maar ter wille van de Meester moeten zij steeds bereid zijn elkaars fouten door de vingers te zien, zich te verontschuldigen voor de harde woorden die gevallen zijn, te vergeten en te vergeven. Hij raadt u deze handelwijze sterk aan.

Ook vindt hij dat u en ... niet van de bijeenkomsten en feesten in ... moeten wegblijven; u hebt nu in ... een enthousiaste groep jonge Bahá’ís en u moet hun een krachtig voorbeeld geven van Bahá’í discipline en van de eenheid die kan en moet heersen in de gemeenschap van de Grootste Naam.

(Uit een brief van 18 december 1945, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

U vraagt over “geestelijke indigestie”: Bahá’ís moeten zowel verstandelijk als geestelijk proberen veelzijdig, normaal en evenwichtig te zijn. Wij moeten niet de indruk wekken fanatiek te zijn, maar wij moeten tegelijkertijd onze beginselen naleven.

(Uit een brief van 12 maart 1946, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

U kunt er van overtuigd zijn dat hij voor de eenheid van de gelovigen in ... zal bidden, daar dit van het grootste belang is en omdat daarvan de groei van de Zaak in die plaats en het succes van elke poging tot onderricht afhangt. Wat de vrienden - overal - nodig hebben is een grotere liefde voor elkaar en dit kunnen ze verwerven door een grotere liefde voor Bahá’u’lláh; want als onze liefde voor Hem maar groot genoeg is, zullen wij nooit toelaten dat persoonlijke gevoelens en meningen Zijn Zaak in de weg staan; wij zullen dan bereid zijn ons voor elkaar op te offeren ter wille van het Geloof en, zoals de Meester zei, als één ziel in vele lichamen zijn.

(Uit een brief van 5 september 1946, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Hij is het geheel met u eens, dat wij niet kunnen verwachten dat het Geloof zal groeien als wij de leringen niet in praktijk brengen, omdat het hoofddoel van alle religies, en ook van de onze, is om de mens nader tot God te brengen en zijn karakter te veranderen, hetgeen van het grootste belang is. Er wordt dikwijls teveel nadruk gelegd op de sociale en economische aspecten van de Leringen; maar op het morele aspect kan niet genoeg de nadruk worden gelegd.

(Uit een brief van 6 september 1946, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Het feit dat u een cursus gevolgd hebt over het “Bahá’í karakter” verheugde hem zeer, daar hij het als een van de grootste verplichtingen van uw generatie gelovigen beschouwt om het Bahá’í leven te leiden; u moet door uw hoge zedelijke normen, uw hoffelijkheid, onkreukbaarheid en edelmoedigheid tonen dat ons Geloof niet een geloof is van alleen woorden, maar het innerlijk en het gedrag van zijn aanhangers werkelijk verandert.

(Uit een brief van 19 september 1946, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Jeugdafdeling van de Louhelen School, Verenigde Staten)

Hij vindt dat met name de jeugd er voortdurend vastberaden naar moet streven als voorbeeld te dienen van het Bahá’í leven. In de wereld om ons heen zien we moreel verval, vrij sexueel verkeer, onwelvoeglijkheid, vulgariteit en slechte manieren - de Bahá’í jongeren moeten daarvan juist het tegengestelde zijn en door hun kuisheid, rechtschapenheid, welvoeglijkheid, bedachtzaamheid en goede manieren anderen, jong en oud, aantrekken tot het Geloof. De wereld heeft genoeg van woorden, zij wenst een voorbeeld, en het is aan de Bahá’í jeugd dat te geven.

(Uit een brief van 19 september 1946, namens Shoghi Effendi geschreven aan de jeugd op de Zomerschool in Green Acre)

De vrienden moeten steeds voor ogen houden dat zij in zeker opzicht te vergelijken zijn met soldaten in de vuurlinie. De wereld bevindt zich momenteel in een in geestelijk opzicht uitzonderlijk sombere toestand; haat en vooroordeel in iedere denkbare vorm scheuren de wereld letterlijk aan stukken. Wij zijn echter de bewaarders van de tegengestelde krachten, de krachten van liefde, eenheid, vrede en integratie en wij moeten als individu, als raad of als gemeenschap voortdurend op onze hoede zijn dat deze destructieve, negatieve krachten niet via ons in ons midden komen. Met andere woorden, wij moeten er goed op letten dat de duisternis van de samenleving, misschien heel onbewust, niet in onze daden en onze gedragingen tot uitdrukking komt. Liefde tot elkaar, de diepe overtuiging dat wij een nieuw organisme zijn, de baanbrekers van een nieuwe wereldorde, moet voortdurend ons Bahá’í leven bezielen, en wij moeten bidden dat wij beschermd worden tegen de aantasting door een samenleving die zo verziekt is door vooroordeel.

(Uit een brief van 5 februari 1947, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Plaatselijke Geestelijke Raad van Atlanta (Georgia), aangehaald in “Bahá’í News” no. 210, augustus 1948)

De Zaak in ... groeit zeer snel, en hoe groter de verspreiding, hoe meer de aandacht van het publiek erop gevestigd zal worden. Dit legt een grote verantwoordelijkheid op de gelovigen, want zij moeten een dusdanige geest van onderlinge liefde en eenheid uitstralen dat anderen erdoor aangetrokken worden en daardoor aangemoedigd in groten getale het Geloof te aanvaarden. Wij moeten steeds voor ogen houden dat de Leringen volmaakt zijn en dat de enige reden waarom tot nu toe niet meer van onze medemensen deze Leringen hebben aanvaard hierin ligt dat wij Bahá’ís, over de gehele wereld, zèlf nog niet die onzelfzuchtige, stralende spiegels van Bahá’u’lláh’s waarheid zijn die we zouden moeten en kunnen zijn. Wij moeten er voortdurend naar streven een beter voorbeeld van Zijn Leringen te zijn.

(Uit een brief van 17 februari 1947, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Wij Bahá’ís moeten, ieder afzonderlijk, ons erop concentreren ons karakter te vervolmaken en deze embryonale, deze vooralsnog onvolledig begrepen Wereldorde tot volle ontwikkeling te brengen; de Boodschap te verspreiden overeenkomstig de richtlijnen van het Goddelijke Plan, en samen een hechte, wereldomvattende Bahá’í gemeenschap op te bouwen. Wij zijn betrekkelijk gering in aantal en hebben zo’n waardevolle, unieke en verantwoordelijke taak te vervullen. Daaraan moeten wij al onze krachten geven.

Rest van deel VI is in de uitgave weggevallen!!!!

(Uit een brief van 9 mei 1947, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Nationale Geestelijke Raad van de Verenigde Staten en Canada)

Omdat iedere gelovige een fundamentele eenheid in de structuur van het thuisfront vormt, is dat thuisfront voor het verkrijgen van nieuwe kracht, voor uitbreiding en verrijking uiteindelijk van hem afhankelijk. Hoe energieker de dagelijkse, gerichte inspanningen van de enkeling aan het thuisfront zijn, om tot grotere hoogten van toewijding en zelfverloochening te geraken, om door pionieren in eigen land bij te dragen aan het vergroten van het aantal afgelegen Bahá’í centra, van groepen en raden, en door ijverige, nauwgezette en voortdurende pogingen de ontvankelijke zielen tot het Geloof dat hij aanhangt te brengen en het aantal actieve en oprechte aanhangers te vergroten, des te spoediger zullen de vele omvangrijke ondernemingen die buiten de landsgrenzen zijn gelanceerd en die nu zo dringend om een grotere toevoer van mensen en middelen vragen, worden voorzien van de noodzakelijke steun, welke de ongestoorde ontwikkeling ervan zal verzekeren en de uiteindelijke vervulling zal bespoedigen...

(Shoghi Effendi, in een brief van 21 september 1947 aan de Nationale Geestelijke Raad van de Verenigde Staten en Canada)

Wat betreft de vragen die u stelde: het “ik” heeft eigenlijk twee betekenissen, of wordt in de Bahá’í geschriften in tweeërlei zin gebruikt; het ene “ik” is de identiteit van het door God geschapen individu. Dat is het “ik” dat wordt genoemd in passages als “Hij die zichzelf kent, kent God”, enz. - Het andere “ik” is het ego, het duistere, dierlijke erfgoed dat ieder van ons heeft, de lagere natuur die zich kan ontwikkelen tot een monster van zelfzucht, wreedheid, wellust, enzovoort. Tegen dat “ik”, of deze kant van onze natuur, moeten wij vechten teneinde de geest in ons te sterken en te bevrijden en te helpen volmaaktheid te verwerven.

Zelfopoffering betekent dat wij deze lagere natuur en haar begeerten ondergeschikt maken aan de meer godvruchtige en edele kanten van ons “ik”. Tenslotte betekent zelfopoffering in de ruimste zin van het woord dat wij onze wil en ons alles aan God schenken zodat Hij ermee kan doen wat Hem goeddunkt. Dan zuivert en verheft Hij ons ware “ik” tot het een stralende, prachtige werkelijkheid wordt.

(Uit een brief van 10 december 1947, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Meer nog dan middelen, bekwaamheid of financiële steun worden in de dienstbaarheid aan dit Geloof toewijding en zelfopoffering beloond.

(Uit een brief van 11 mei 1948, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Nationale Geestelijke Raad van Australië en Nieuw Zeeland)

Wij moeten nooit te lang stilstaan bij de houding en de gevoelens die onze mede-gelovigen ten opzichte van ons hebben. Het belangrijkste is dat wij liefde en eendracht aankweken en niet ingaan op een eventuele onheuse bejegening; op die manier worden de zwakheden der menselijke natuur en de eigenaardigheden of houding van een bepaalde persoon niet opgeblazen, maar in vergelijking met onze gezamenlijke dienstbaarheid aan het Geloof dat ons allen lief is, tot iets onbelangrijks teruggebracht.

(Uit een brief van 19 september 1948, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Wij vinden het vaak moeilijk om dingen te doen omdat die zo totaal anders zijn dan we gewend zijn, en niet omdat ze op zichzelf zo moeilijk zijn. U zult, evenals wellicht de meeste Bahá’ís die nu als volwassenen dit heerlijke Geloof aanvaarden, het in het begin ongetwijfeld moeilijk vinden bepaalde verordeningen, zoals het vasten en de verplichte gebeden, te begrijpen en u daaraan te houden. Maar wij moeten steeds bedenken dat zij aan alle mensen gegeven zijn voor nog minstens duizend jaar. Bahá’í kinderen die deze dingen thuis in de praktijk gebracht zien, zullen dat allemaal net zo gewoon en nodig vinden als de godvruchtiger generaties Christenen het de gewoonste zaak van de wereld vonden om ‘s zondags naar de kerk te gaan. Bahá’u’lláh zou ons dit niet gegeven hebben als het ons niet bijzonder ten goede zou komen; en net als kinderen die verstandig genoeg zijn om te beseffen dat hun vader een wijs mens is en datgene doet wat goed voor hen is, moeten wij leren deze verordeningen te gehoorzamen, ook al zien wij er aanvankelijk de noodzaak niet van in. Als wij die verordeningen nakomen, zullen wij geleidelijk aan de weldaden gaan zien die ze ons verschaffen.

(Uit een brief van 16 maart 1949, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

... wanneer wij zulke tegenslagen ondervinden, moeten wij voor ogen houden dat ook de Profeten van God niet immuum waren voor het menselijk lijden. Ook Zij kenden smart, ziekte en leed. Zij stonden hier boven door Hun geestkracht, en dat moeten wij ook proberen te doen wanneer leed ons treft. De zorgen van deze wereld zijn van voorbijgaande aard en wat er overblijft is hetgeen wij van onze ziel hebben gemaakt; dáár moeten wij ons op richten - we moeten geestelijker worden en nader tot God komen, ongeacht wat onze menselijke geest en ons lichaam moeten verduren.

(Uit een brief van 5 augustus 1949, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige, aangehaald in “Bahá’í News” no. 231, mei 1950, p.1)

Het deed hem verdriet enkele zaken die u beschrijft te lezen. Het toont aan dat bij enkele Bahá’ís een grote geestelijke onvolwassenheid bestaat en een verbijsterend gebrek aan kennis en studie van de leringen. Het is veel moeilijker om in overeenstemming te leven met de morele leringen van ons Geloof dan met die prachtige principes die de Morele Herbewapening zo benadrukt, hoe hoogstaand en veelomvattend die ook zijn. Vrijwel ieder woord van Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá behelst een aansporing tot zedelijk en ethisch gedrag; al het andere is de vorm, de kelk waarin de zuivere geest moet worden gegoten; zonder de geest en de daad die daarvan de uitdrukking is, is het een levenloze vorm.

Uit wat u schrijft maakt hij op dat de vrienden, of althans velen van hen, in het begin niet op de juiste wijze zijn onderricht.

Uiteraard is er geen enkel bezwaar tegen om aandacht te schenken aan de “vier normen” van de Morele Herbewapening - ofschoon iedere lering van ons dierbare Geloof veel dieper op deze onderwerpen ingaat en er veel meer aan toevoegt.

Wanneer wij tot ons laten doordringen dat Bahá’u’lláh zegt dat overspel de voortgang van de ziel in het leven hierna vertraagt - zo ernstig is dat - en dat het gebruik van sterke drank het denkvermogen verwoest en dat we daar absoluut moeten afblijven, dan zien wij hoe duidelijk onze leringen ten aanzien van deze onderwerpen zijn.

U moet niet de grote fout maken ons Geloof te beoordelen naar één gemeenschap, die het kennelijk hard nodig heeft de Bahá’í leringen te bestuderen en te gehoorzamen. Menselijke zwakheden en eigenaardigheden kunnen een grote beproeving zijn. Maar de enige manier, of misschien moet ik zeggen de allerbeste manier om zulke situaties te verbeteren is om zelf datgene te doen wat juist is. Eén ziel kan de geestelijke verlichting van een heel continent veroorzaken. Nu u zelf een grote fout in uw leven hebt ingezien en hersteld en u duidelijker dan ooit ziet waar het in uw eigen gemeenschap aan schort, hoeft niets u ervan te weerhouden naar voren te treden en een dusdanig voorbeeld te zijn en zo’n liefde en geest van dienstbaarheid te tonen, dat het hart van uw mede-Bahá’ís daardoor zal ontbranden.

Hij dringt er bij u op aan de leringen grondig te bestuderen, anderen te onderrichten, samen met de Bahá’ís die dat graag willen de diepzinniger leringen van ons Geloof te bestuderen en door uw voorbeeld, inspanning en gebed een verandering teweeg te brengen.

(Uit een brief van 30 september 1949, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Zonder de geest van ware liefde voor Bahá’u’lláh, voor Zijn Geloof en de instellingen daarvan en van de gelovigen voor elkaar, kan de Zaak nimmer grote aantallen mensen aantrekken. Want de wereld wil geen gepreek en regels, maar liefde en actie.

(Uit een brief van 25 oktober 1949, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Hij heeft echter sterk de indruk dat als ... in de toestand verkeert waarop u in uw brief duidt, het zijn aangelegenheden daar bepaald op de verkeerde manier behartigt. Hiermee wordt niet de raad bedoeld, maar iedereen. Want waar is de Bahá’í liefde? Hoe kan men staande houden dat eenheid en eendracht op de eerste plaats komen? Waar is de bereidheid om de eigen gevoelens en de eigen mening opzij te zetten teneinde liefde en eensgezindheid te verkrijgen? Waarom denken de Bahá’ís dat de bestuurlijke wetten enige uitwerking zullen hebben als zij de geestelijke wetten prijsgeven?

Hij dringt er bij u op aan dat u uw uiterste best doet de Bahá’ís van ... ertoe te bewegen dat zij zulke aanstootgevende termen als “radicaal”, “conservatief”, “progressief”, “vijanden van de Zaak”, “het de grond inboren van de leringen”, enz. niet meer bezigen. Als zij er eens even bij stil wilden staan waarvoor de Báb en de martelaren hun leven gaven en Bahá’u’lláh en de Meester zoveel leed aanvaardden, zouden zij, wanneer zij over elkaar spreken, nooit dergelijke uitspraken en beschuldigingen over hun lippen laten komen. Zolang de vrienden onderling ruzie maken zal op hun werk geen zegen rusten, want zij zijn ongehoorzaam aan God.

(Uit een brief van 24 februari 1950, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Men zou kunnen zeggen dat er twee soorten Bahá’ís zijn: degenen wier religie Bahá’í is en degenen die leven voor het Geloof. Onnodig te zeggen dat als iemand tot de laatste categorie kan behoren, als iemand in de voorhoede van helden, martelaren en heiligen kan staan, dit in de ogen van God lofwaardiger is.

(Uit een brief van 16 april 1950, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige en aangehaald in “Bahá’í News” no. 241, maart 1951, p.2)

... wij moeten een geestelijk niveau bereiken waar God de eerste plaats inneemt en waar grote menselijke hartstochten ons niet van Hem afkeren. Steeds weer zien wij mensen die door de kracht van haat of door de hartstochtelijke gehechtheid aan een ander mens, geloofsbeginselen prijsgeven of voor zichzelf de Weg naar God versperren ....

Wij moeten God liefhebben, en in deze toestand wordt het mogelijk alle mensen lief te hebben. Wij kunnen niet ieder menselijk wezen liefhebben om hemzelf, maar onze gevoelens ten opzichte van de mensheid zouden gedreven moeten worden door onze liefde voor de Vader die alle mensen heeft geschapen.

(Uit een brief van 4 oktober 1950, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Hij verzoekt u dringend alles te doen om de eenheid en liefde onder de leden van de gemeenschap daar te bevorderen, aangezien dit hun grootste behoefte lijkt te zijn.

In hun verlangen de Zaak te besturen, verliezen jonge gemeenschappen heel vaak uit het oog dat deze geestelijke verhoudingen veel belangrijker en fundamenteler zijn dan de regels en reglementen die de uitvoering van gemeenschapszaken moeten bepalen.

(Uit een brief van 4 oktober 1950, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Het lijkt erop dat er overal binnen de Zaak de grootste behoefte bestaat om de vrienden te doordringen van de noodzaak tot onderlinge liefde. Men is geneigd de taken van het Bestuursstelsel te verwarren en men tracht die toe te passen op individuele relaties, hetgeen vruchteloos is omdat een Raad een Huis van Gerechtigheid in wording is, en wordt verondersteld, overeenkomstig de leringen, de zaken van de gemeenschap te besturen. Maar de relatie van individuen tot elkaar wordt bepaald door liefde, eenheid, vergevensgezindheid en door de ogen te sluiten voor elkaars tekortkomingen. Zodra de vrienden dit begrijpen, zullen zij het veel beter met elkaar kunnen vinden; zij blijven echter tegen elkaar “geestelijke raad” spelen en verwachten dat de Raad zich als een enkeling gedraagt ....

(Uit een brief van 5 oktober 1950, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Wanneer er in een Bahá’í gemeenschap kritiek en harde woorden

vallen, is er geen andere remedie dan het verleden te laten rusten en allen die erbij betrokken zijn ertoe te bewegen met een schone lei te beginnen en omwille van God en Zijn Geloof niet meer over die onderwerpen te praten die tot wanbegrip en disharmonie hebben geleid. Hoe meer de vrienden blijven redetwisten en ieder op het standpunt blijft dat hij gelijk had, des te slechter wordt de situatie.

Als wij de huidige toestand van de wereld bezien, moeten wij heus deze uitermate onbelangrijke, interne verstoringen vergeten en in eendracht de mensheid te hulp snellen. U moet uw mede-Bahá’ís dringend verzoeken dit standpunt in te nemen en u te steunen door een krachtige poging iedere kritische gedachte en ieder hard woord te onderdrukken, teneinde de geest van Bahá’u’lláh in de gehele gemeenschap te laten doordringen en haar in Zijn liefde en in Zijn dienst te verenigen.

(Uit een brief van 16 februari 1951, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

De Behoeder is ervan overtuigd dat de bijdrage van uw vriendin, die korte tijd niet actief is geweest voor de Zaak, het middel zal zijn dat haar tot hernieuwde dienstbaarheid zal stimuleren. Dienstbaarheid brengt als niets anders succes in het Geloof. Dienstbaarheid is de magneet die de goddelijke bekrachtiging aantrekt. Zo wordt iemand die actief is begenadigd door de Heilige Geest. Wanneer iemand niet actief is, kan de Heilige Geest geen ontvangende plaats in zijn wezen vinden en zo is hij dan verstoken van de helende en levengevende stralen.

(Uit een brief van 12 juli 1952, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

De Behoeder bewondert in hoge mate uw houding ten opzichte van de corrupte praktijken om provisies aan te nemen van mede-artsen en apothekers. Hoe rechtschapener en hoogstaander de Bahá’ís in hun gedrag zijn, des te meer indruk zullen zij op het publiek maken met de geestelijke vitaliteit van het Geloof dat zij aanhangen.

(Uit een brief van 20 oktober 1953, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Degene die ongetwijfeld in de eerste plaats met deze zware en dringende, maar toch zo glorieuze uitdaging wordt geconfronteerd is de individuele gelovige van wie in laatste instantie het lot van de gehele gemeenschap afhangt. Hij is degeen die de schering en de inslag vormt, waarvan de kwaliteit en het patroon van het gehele weefsel afhangt. Hij is degeen die fungeert als één van de talloze schakels in de machtige keten die nu de aarde omspant. Hij is degeen die dient als een van de vele, vele stenen die de structuur schragen en de stabiliteit verzekeren van het bestuurlijke bouwwerk dat nu in ieder deel van de wereld wordt opgericht. Zonder zijn steun, die tegelijkertijd onverdeeld, voortdurend en overvloedig is, zal iedere genomen maatregel en ieder geformuleerd plan van het lichaam dat optreedt als de nationale vertegenwoordiger van de gemeenschap waartoe hij behoort, tot mislukking gedoemd zijn. Zelfs het Wereldcentrum van het Geloof wordt lamgelegd als het een dergelijke steun vanuit de gelederen van de gemeenschap wordt onthouden. Zelfs de Auteur van het Goddelijk Plan wordt belemmerd in zijn opzet als de juiste werktuigen voor de uitvoering van zijn ontwerp ontbreken. De schragende kracht van Bahá’u’lláh Zelf, de Stichter van het Geloof, zal aan een ieder die niet op den duur verrijst om zijn aandeel in te brengen, worden onthouden.

(Shoghi Effendi in een brief van 28 juli 1954 aan de Nationale Geestelijke Raad van de Verenigde Staten, aangehaald in “Citadel of Faith”, p. 130-131)

Wat er in feite gebeurt als iemand bahá’í wordt is dat het geestelijke zaad in de menselijke ziel begint te groeien. Dit zaad moet besproeid worden door de uitstortingen van de Heilige Geest. Deze gaven van de geest ontvangt men door gebed, meditatie, studie van de heilige uitspraken en dienstbaarheid aan de Zaak van God. De werkelijkheid is dat dienstbaarheid aan de Zaak te vergelijken is met de ploeg die de aarde omploegt wanneer er wordt gezaaid. De aarde moet worden omgeploegd zodat zij vruchtbaar kan worden gemaakt en op die manier een sterkere groei van het zaad teweegbrengt. Op precies dezelfde manier vindt door het omploegen van de aarde van het hart de ontwikkeling van de geest plaats, zodat deze een voortdurende weerspiegeling is van de Heilige Geest. Op die manier groeit en ontwikkelt de menselijke geest zich met grote sprongen.

Vanzelfsprekend zullen er tijden van leed en moeilijkheden komen en zelfs van zware beproevingen; maar als die persoon zich vol overtuiging tot de goddelijke Manifestatie wendt, Zijn geestelijke leringen zorgvuldig bestudeert en de zegeningen van de Heilige Geest ontvangt, zal hij ontdekken dat deze beproevingen en moeilijkheden in werkelijkheid geschenken van God zijn geweest om hem in staat te stellen te groeien en zich te ontwikkelen.

Zo zou u dus uw eigen moeilijkheden op het pad van dienstbaarheid kunnen beschouwen. Ze zijn het middel waardoor uw geest groeit en zich ontwikkelt. U zult plotseling ontdekken dat u vele problemen die u verontrust hebben heeft overwonnen en dan zult u zich gaan afvragen waarom u zich daar ooit zorgen over heeft gemaakt. De mens moet zijn hele hart en geest concentreren op dienstbaarheid aan de Zaak, in overeenstemming met de hoge normen die Bahá’u’lláh heeft gesteld. Wanneer dit gedaan wordt, zullen de allerhoogste Heirscharen de enkeling te hulp komen en zal iedere moeilijkheid en beproeving geleidelijk overwonnen worden.

(Uit een brief van 6 oktober 1954, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

De weg is moeilijk begaanbaar en er zijn vele beproevingen; maar als de vrienden, zoals u zegt, willen leren leven overeenkomstig de leringen van Bahá’u’lláh, zullen zij ontdekken dat zij inderdaad op mysterieuze en krachtige wijze werken en dat er altijd hulp bij de hand is, dat hindernissen worden overwonnen en tenslotte succes verzekerd is.

(Uit een brief van 23 april 1956, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

De enkeling moet voor zichzelf de aard ervan (van zijn taak) bepalen, bij zijn geweten te rade gaan, godvruchtig alle aspecten ervan overwegen, manhaftig strijden tegen de natuurlijke traagheid die hem belemmert in zijn poging op te staan, zich heldhaftig en onherroepelijk ontdoen van onbeduidende en overbodige relaties die hem tegenhouden, zich vrijmaken van iedere gedachte die zijn weg zou kunnen versperren, in gehoorzaamheid aan de raadgevingen van de Auteur van zijn Geloof en in navolging van degene die het ware Voorbeeld is, omgaan met mannen en vrouwen van alle rangen en standen en proberen door het onderscheid waardoor zijn gedachten, woorden en daden gekenmerkt wordt hun innerlijk te raken, en hen met tact, liefde, godsvrucht en volharding te winnen voor het Geloof dat hijzelf heeft omhelsd.

(Shoghi Effendi in een brief van 19 juli 1956 aan de Nationale Geestelijke Raad van de Verenigde Staten, aangehaald in “Citadel of Faith”, p. 148)

Het speet hem zeer te vernemen over de disharmonie onder de vrienden daar; en hij meent dat de enige juiste handelwijze is dat alle gelovigen zich gaan wijden aan het onderrichten van het Geloof en gaan samenwerken met hun nationale bestuur.

Vaak lijken deze bezoekingen en beproevingen die alle Bahá’í gemeenschappen onvermijdelijk doormaken, op het moment vreselijk, maar als we terugkijken begrijpen wij dat ze te wijten waren aan de zwakheid van de menselijke natuur, aan misverstanden en aan de kinderziekten die iedere Bahá’í gemeenschap moet doormaken.

(Uit een brief van 25 november 1956, namens Shoghi Effendi geschreven aan een gelovige)

Het doet hem veel genoegen dat u een van de bemoedigendste grondregels van ‘Abdu’l-Bahá in praktijk hebt gebracht, nl. die waarin hij zei dat we moeten proberen van ieder struikelblok een springplank naar vooruitgang te maken. In uw vroegere leven bent u allen vele malen gestruikeld; maar die ervaring heeft u niet verbitterd of terneergeslagen, verre van dat, u bent vastbesloten die ervaring te gebruiken om uw innerlijk te zuiveren en uw karakter te verbeteren, waardoor u in staat zult zijn in de toekomst betere burgers te worden. Dit is waarlijk naar Gods behagen.

(Uit een brief van 26 maart 1957, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Bahá’ís in H.M. Gevangenis Boerderij, Kitalya, Oeganda)

Gezien de huidige toestand in de wereld moeten de Bahá’ís vastberaden en moedig naar voren treden als volgelingen van Bahá’u’lláh, aan Zijn wetten gehoorzamen en proberen Zijn Wereldorde op te bouwen. Met het sluiten van compromissen zullen wij nooit in staat zijn ons Geloof te vestigen of anderen ervoor te winnen. Dit houdt vaak in dat wij grote persoonlijke offers moeten brengen, maar wij weten dat wanneer wij juist handelen, God ons de kracht zal geven dat te doen en dat wij Zijn zegen aantrekken. Op die momenten begrijpen wij dat onze rampspoed in werkelijkheid een zegen is.

(Uit een brief van 7 mei 1957, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Nationale Geestelijke Raad van Australië, aangehaald in Bahá’í News no. 335, januari 1959, p. 2)

De vrienden moeten niet als excuus aanvoeren dat hun beste onderrichters en hun voorbeeldigste gelovigen zijn opgestaan en gehoor gaven aan de oproep te pionieren. Een “beste onderrichter” en een “voorbeeldigste gelovige” zijn uiteindelijk niets meer of minder dan gewone Bahá’ís die zich aan het werk voor het Geloof hebben gewijd, hun kennis en begrip van de leringen hebben verdiept, hun vertrouwen in Bahá’u’lláh hebben gesteld en zijn opgestaan om Hem naar beste kunnen te dienen. Ons is verzekerd dat deze deur zal worden geopend voor iedere volgeling van het Geloof die hard genoeg klopt, bij wijze van spreken. Wanneer de wil en het verlangen sterk genoeg zijn, zullen de middelen gevonden en zal de weg gebaand worden om meer werk te verrichten in de eigen plaats, naar een nieuwe doelstad binnen de Verenigde Staten te gaan of om buiten de landsgrenzen te pionieren.

Niet alleen uw Bestuur moet voor aanmoediging en de benodigde leiding zorgen en de vrienden stimuleren om op te staan en hun aandeel te leveren, maar ook de Plaatselijke Raden moeten op hun beurt alles in het werk stellen de vrienden te helpen voort te gaan en hun doel te bereiken. Iedere Bahá’í moet zelf ook voelen dat het in deze tijd zijn persoonlijke plicht aan de Zaak en zijn grootste voorrecht is, en hij moet zich afvragen wat hij van nu af tijdens de komende zes jaar kan doen om het bereiken van de doelen van de Wereldkruistocht te bespoedigen. De Bahá’ís zijn de zuurdesem van God, die het deeg van hun natie moet doordringen.

(Uit een brief van 21 september 1957, namens Shoghi Effendi geschreven aan de Nationale Geestelijke Raad van de Verenigde Staten)

Brief aan alle Nationale Geestelijke Raden van het Universele Huis van Gerechtigheid d.d. 6 februari 1973.

(Het onderstaande is een gedeelte van een brief die hetUniversele Huis van Gerechtigheid heeft geschreven in antwoord op vragen van een gelovige)

Zoals er wetten zijn die ons fysieke leven beheersen en die, als we lichamelijke ongeschiktheid willen vermijden, vereisen dat we ons lichaam voorzien van bepaald voedsel, het binnen bepaalde temperatuurgrenzen houden, enzovoorts, zo zijn er ook wetten die ons geestelijke leven beheersen. Deze wetten worden in ieder tijdperk door de Manifestatie van God aan de mensheid geopenbaard, en gehoorzaamheid daaraan is van het grootste belang als elk menselijk wezen, en de mensheid in het algemeen zich goed en harmonieus wil ontwikkelen. Meer nog, deze beide aspecten zijn onderling van elkaar afhankelijk. Wanneer iemand de geestelijke wetten voor zijn eigen ontwikkeling geweld aandoet, zal hij niet alleen aan zichzelf, maar ook aan de gemeenschap waarin hij leeft, schade toebrengen. Evenzo heeft de toestand van de samenleving een directe uitwerking op de mensen die erin moeten leven.

Zoals u duidelijk maakt, is het bijzonder moeilijk de wetten van Bahá’u’lláh na te leven in onze hedendaagse maatschappij, waarvan de gangbare gewoonten zo geheel verschillen van de maatstaven van het Geloof. Doch er zijn bepaalde wetten die zo fundamenteel zijn voor het gezond functioneren van de menselijke samenleving, dat ze onder alle omstandigheden moeten worden gehandhaafd. Daar Bahá’u’lláh besef had van de menselijke zwakheden, heeft Hij bepaald dat andere wetten slechts geleidelijk moeten worden toegepast, maar ook deze moeten worden nageleefd als ze eenmaal toegepast worden, want anders zal de maatschappij niet hervormd worden, maar zal zij verzinken in een steeds slechter wordende toestand. Het is de uitdagende taak van de Bahá’ís zich in hun eigen leven aan de wetten van God te houden, en geleidelijk de rest van de mensheid ook tot aanvaarding ervan te brengen.

Wanneer we in beschouwing nemen welke uitwerking gehoorzaamheid aan de wetten op ons persoonlijke leven heeft, moeten we eraan denken dat het doel van dìt leven is om onze ziel voor te bereiden op het leven hierna. Hier moeten we leren onze dierlijke drijfveren te beheersen en er richting aan te geven; we moeten er geen slaaf van worden. Het leven in deze wereld vormt een reeks van beproevingen en verworvenheden, van tekortkomingen en het maken van nieuwe geestelijke vooruitgang. Soms lijkt deze weg erg moeilijk, maar men kan er keer op keer weer getuige van zijn dat de ziel die, hoe moeilijk het ook mag schijnen, standvastig gehoorzaamt aan de wet van Bahá’u’lláh, geestelijk groeit, terwijl degene die een compromis met de wet sluit omwille van zijn eigen schijnbare geluk, een hersenschim blijkt na te jagen: hij bereikt niet het geluk dat hij zocht, hij vertraagt zijn geestelijke vooruitgang en belast zichzelf vaak met nieuwe problemen.

Een heel duidelijk voorbeeld is de Bahá’í wet die de toestemming van de ouders voor een huwelijk vereist. Maar al te vaak wordt tegenwoordig deze toestemming door niet-Bahá’í ouders onthouden wegens onverdraagzaamheid of rassenvooroordeel; niettemin hebben we keer op keer het enorme effekt gezien, dat de standvastigheid van de kinderen in de Bahá’í wet op diezelfde ouders heeft, zelfs zo dat tenslotte in veel gevallen niet alleen de toestemming wordt gegeven, maar dat ook het karakter van de ouders beïnvloed en de band met hun kind zeer versterkt kan worden.

Op deze manier, door ondanks alle moeilijkheden de Bahá’í wet hoog te houden, versterken we niet alleen ons eigen karakter, maar beïnvloeden we ook onze omgeving.

De Bahá’í lering aangaande geslachtsgemeenschap is heel duidelijk. Het is alleen toegestaan tussen een man en de vrouw met wie hij gehuwd is. In verband hiermee geven we u aanhalingen uit vier brieven die namens de Behoeder zijn geschreven en die licht werpen op verschillende aspecten van deze zaak. Eén ervan bevat het gedeelte dat u in uw brief aanhaalt.

“Met betrekking tot de vraag die u hebt gesteld ten aanzien van de Bahá’í houding ten opzichte van de problematiek van de seksualiteit en haar verband met het huwelijk:

De Bahá’í leringen aangaande deze zaak, die van zo vitaal belang is en waarover zoveel verschillende meningen bestaan, zijn heel duidelijk en nadrukkelijk. Kort samengevat is de Bahá’í opvatting over seksualtiteit gebaseerd op de overtuiging dat beide seksen kuisheid strikt in acht moeten nemen, niet alleen omdat het op zichzelf uit ethisch oogpunt bijzonder prijzenswaardig is, maar ook omdat het de enige weg is naar een gelukkig en succesvol huwelijksleven. Seksuele verhoudingen buiten het huwelijk, in welke vorm dan ook, zijn daarom niet toegestaan en degene die deze regel overtreedt, zal niet alleen verantwoording verschuldigd zijn tegenover God, maar zal zich ook blootstellen aan de noodzakelijke straf vanuit de samenleving.

Het Bahá’í Geloof erkent de waarde van de seksuele impuls maar veroordeelt de onwettige en misplaatste uitdrukking ervan, zoals vrije liefde, ongehuwd samenleven en dergelijke; dit alles wordt beschouwd als uitgesproken schadelijk voor de mens en voor de samenleving waarvan hij deel uitmaakt. Het juiste gebruik van de seksuele driften is het natuurlijke recht van iedereen en het is juist met dit doel dat het instituut van het huwelijk is gevestigd. De Bahá’ís geloven niet in het onderdrukken van de seksuele impuls, maar in de regeling en de beheersing ervan.”

(Uit een brief aan een gelovige, gedateerd 5 september 1938)

“De vraag die u stelt over de plaats die een hechte liefdesband met iemand anders dan de eigen echtgenoot of echtgenote kan innemen, kan, gezien de leringen, gemakkelijk worden bepaald. Kuisheid betekent zowel voor als na het huwelijk een onbevlekt, zuiver seksueel leven. Voor het huwelijk absolute kuisheid, na het huwelijk absolute trouw aan de gekozen metgezel. Trouw in alle seksuele handelingen, trouw in woord en daad.

De hedendaagse wereld is, onder meer, verzonken in een toestand waarin het belang van lichamelijke liefde zeer overdreven wordt en er een gebrek aan geestelijke waarden is. Voor zover mogelijk zouden de gelovigen moeten proberen zich dit te realiseren en uit te stijgen boven het peil van hun medemensen die veel te sterk de nadruk leggen op het puur lichamelijke paren, hetgeen typerend is voor alle perioden van verval in de geschiedenis. Buiten hun normale, wettige huwelijksleven zouden zij ernaar moeten streven banden van kameraadschap en liefde aan te knopen, die eeuwig zijn en gebaseerd op het geestelijke leven van de mens en niet op het lichamelijke. Dit is één van de vele terreinen waarop de Bahá’ís verplicht zijn het voorbeeld te geven en de weg te wijzen naar een werkelijk menselijke levenshouding, waarin de ziel van de mens verheven is en zijn lichaam slechts het werktuig voor zijn verlichte geest. Onnodig te zeggen dat dit het leiden van een volkomen normaal seksueel leven binnen het wettige kader van het huwelijk niet uitsluit.”

(Uit een brief aan een gelovige, gedateerd 28 september 1941)

“Wat betreft uw vraag of er enige wettige uitingsvorm van seksuele driften buiten het huwelijk mogelijk is; volgens de Bahá’í leringen kan geen enkele seksuele daad als wettig worden beschouwd als die niet wordt gedaan door wettig gehuwde personen. Buiten het huwelijk kan er geen wettig of gezond gebruik van de seksuele impuls worden gemaakt. De Bahá’í jongeren zou aan de ene kant zelfbeheersing geleerd moeten worden, hetgeen, als men zich daarin oefent, ongetwijfeld een weldadig effekt heeft op de ontwikkeling van het karakter en op de persoonlijkheid in het algemeen; aan de andere kant zouden ze geadviseerd, ja zelfs aangemoedigd moeten worden een huwelijk aan te gaan wanneer ze nog jong en in het volle bezit van hun lichaamskrachten zijn. Economische faktoren zijn ongetwijfeld vaak een serieuze belemmering voor een huwelijk op jonge leeftijd, maar in de meeste gevallen wordt het als een uitvlucht gebruikt en moet als zodanig dus niet te veel beklemtoond worden.”

(Uit een brief aan een gelovige, gedateerd 13 december 1940)

“Wat betreft uw vraag of het raadzaam en nuttig voor u zou zijn opnieuw te trouwen; hij voelt zich niet in staat u op dit punt een afdoend antwoord te geven, omdat dit in wezen een persoonlijke zaak is waarbij u en uw naaste vrienden of uw Plaatselijke Raad in een veel betere positie verkeren hierover te oordelen. Natuurlijk zou iedereen het onder normale omstandigheden als zijn morele plicht moeten beschouwen om te trouwen. En dit heeft Bahá’u’lláh de gelovigen aangeraden te doen. Maar trouwen is geenszins een verplichting. In laatste instantie is het aan de persoon in kwestie om te besluiten of hij een gezinsleven of een celibatair leven wil leiden.”

(Uit een brief aan een gelovige, gedateerd 3 mei 1936)

U zegt verbaasd te zijn over de verwijzing van de Behoeder naar “de noodzakelijke straf vanuit de samenleving”. In de Kitáb-i-Aqdas verbiedt Bahá’u’lláh immoreel seksueel gedrag en in de bijlage van dat Boek verklaart Hij, dat de verschillende graden van seksuele overtredingen en de straffen daarvoor door het Universele Huis van Gerechtigheid zullen worden bepaald. In dit verband moet men bedenken, dat er in het Geloof onderscheid is gemaakt tussen de houding die de enkeling behoort aan te nemen in zijn verhouding tot andere mensen, namelijke liefdevolle vergevensgezindheid, verdraagzaamheid en bezorgdheid over de eigen fouten en niet over die van anderen, èn de houding die aangenomen moet worden door Geestelijke Raden, wier plicht het is de wet van God met gerechtigheid toe te passen.

Een aantal seksuele problemen, zoals homoseksualiteit en transseksualiteit kunnen heel goed een medisch aspect hebben, en in dergelijke gevallen moet men zeker zijn toevlucht nemen tot de beste medische hulp. Maar het blijkt duidelijk uit de leringen van Bahá’u’lláh dat homoseksualiteit niet een toestand is waarmee iemand zich moet verzoenen, maar dat het een vervorming is van zijn of haar natuur, die beheerst en overwonnen moet worden. Dat kan een harde strijd vergen, maar hetzelfde kan ook het geval zijn met een heteroseksueel persoon die zijn of haar verlangens beheersen wil. Het oefenen van zelfbeheersing in dit aspekt, evenals in zovele andere aspekten van het leven, heeft een weldadige uitwerking op de vooruitgang van de ziel. Verder moeten we eraan denken dat, hoewel het zeer wenselijk is te huwen en Bahá’u’lláh dat sterk heeft aangeraden, het niet het belangrijkste levensdoel is. Wanneer iemand geruime tijd moet wachten voordat hij een levensgezel heeft gevonden, of wanneer hij of zij uiteindelijk alleen zal moeten blijven, betekent dit niet dat hij of zij daardoor niet in staat is zijn of haar levensdoel te vervullen.

In al deze gevallen hebben we gesproken over de houding die Bahá’ís moeten aannemen ten opzichte van de wet van Bahá’u’lláh. U echter, die als arts voornamelijk werkt als raadsman bij gezins- en seksuele problemen, zult u vooral bezighouden met het adviseren van niet-Bahá’ís die de wetten van Bahá’u’lláh niet aanvaarden en geen aanleiding zien ze in acht te nemen. U bent op uw terrein reeds een bevoegd geneesheer en u geeft zonder twijfel raad op basis van wat u hebt geleerd door studie en uit ondervinding - een heel begrippenstelsel over de menselijke geest, de groei, de ontwikkeling en het juiste functioneren ervan, hetgeen u hebt geleerd en uitgewerkt zonder de leringen van Bahá’u’lláh hierbij te betrekken. Nu weet u als Bahá’í dat wat Bahá’u’lláh leert over het doel van het leven, de aard van het menselijke wezen en het juiste gedrag in een mensenleven, goddelijk geopenbaard en daarom waar is. Het zal echter onvermijdelijk tijd kosten niet alleen de Bahá’í leringen te bestuderen zodat u ze goed begrijpt, maar ook om te zien hoe zij uw professionele opvattingen wijzigen. Dit is natuurlijk geen ongebruikelijke situatie voor een wetenschapsman. Hoe vaak wordt niet tijdens een onderzoek een faktor ontdekt, die op een groot gebied van menselijk streven een ommezwaai in het denken noodzakelijk maakt. U moet in ieder afzonderlijk geval worden geleid door uw eigen beroepskennis en oordeel, welke verlicht worden door uw groeiende kennis van de Bahá’í leringen; ongetwijfeld zult u bemerken dat uw begrip van de menselijke problemen, waar u in uw werk mee te maken hebt, zal veranderen en zal ontwikkelen, en dat u nieuwe en betere wegen zult vinden om de mensen die zich tot u wenden te helpen. De psychologie is nog een zeer jonge en onnauwkeurige wetenschap en in de loop der jaren zullen Bahá’í psychologen die uit de leringen van Bahá’u’lláh het juiste patroon van het menselijke leven kennen, in staat zijn met grote schreden vorderingen te maken in de ontwikkeling van deze wetenschap, en zullen zij in hoge mate bijdragen tot de verzachting van het menselijk lijden.

1 De datum van deze brief is in de Engelse editie van 1984 gecorrigeerd, waardoor deze brief niet in chronologische volgorde staat.

??
??
??
??
1/91

Table of Contents: Albanian :Arabic :Belarusian :Bulgarian :Chinese_Simplified :Chinese_Traditional :Danish :Dutch :English :French :German :Hungarian :Italian :Japanese :Korean :Latvian :Norwegian :Persian :Polish :Portuguese :Romanian :Russian :Spanish :Swedish :Turkish :Ukrainian :