Announcing: BahaiPrayers.net


More Books by 4 Shoghi Effendi

God Schrijdt Voorbij
Oproep aan de volkeren der wereld
Free Interfaith Software

Web - Windows - iPhone








4 Shoghi Effendi : God Schrijdt Voorbij
God Schrijdt Voorbij
Shoghi Effendi
INLEIDING

U maakt hier kennis met een eigentijdse geschiedenis, gegrond op een ongewoon thema - een geschiedenis die vol is van liefde, blijdschap, inzicht en kracht, en die vertelt over behaalde successen, en nog te verwachten grotere successen; en welke tragedie ze ook in zich bergt, ze laat de mensheid aan het einde ervan niet in het ongewisse met in het vooruitzicht een grimmige en onbestemde toekomst, maar laat haar vanuit de duisternis de weg betreden naar haar onafwendbare bestemming; de geopende poorten van de beloofde stad van eeuwige Vrede.

De afgelopen honderd jaar zoals wij die hebben leren kennen, zijn gekenmerkt door zowel menselijke prestaties en wonderen die ongeëvenaarde zijn in de annalen der geschiedenis, als door even ongeëvenaarde teleurstellingen en verlies. Maar deze geschiedenis verhaalt van grotere, machtigere en heilzamere wonderen die in diezelfde periode tot stand kwamen; en in plaats van tranen en verdriet brengt deze de tijding van sinds lang vergeten vreugden en verloren gegane kracht, die nu opnieuw uit de hemel zijn neergedaald in de bestaanswereld en in het leven van sterfelijke mensen. Deze geschiedenis verhaalt van goddelijke dingen: van de geboorte van een nieuwe wereldomvattend Geloof - een Geloof dat het vervolg is op alle voorgaande wereldreligies, dat ze alle erkent, ze alle in vervulling brengt en het gemeenschappelijke doel van alle naar een hoogtepunt voert; en dat tot de Christenen, "het volk van het Evangelie", de speciale oproep richt zich op te maken om de verbreiding ervan over de gehele wereld te helpen bevorderen.

Het verhaal heeft als middelpunt een koninklijke, eenzame Figuur, en het bezielende motief dat eraan ten grondslag ligt, is de oneindige, alles te boven gaande liefde die Hij voor de gehele mensheid koestert en de wederkerige liefde die Hij in het hart van de gelovigen oproept.

De menselijke kant wordt beheerst door het thema van liefde, strijd en dood. Dat verhaal gaat over mannen en vrouwen zoals wijzelf, die alles wat zij hadden wat zij waren in de waagschaal stelden uit zuivere liefde, met als inzet vernietigde huizen, onzegbaar leed, verlies van levens, verbanning en lijden, en met een ontembare doelgerichtheid.

Lange tijd heeft het erop geleken dat de wereld te diep was gezonken, teveel in beslag was genomen met het najagen van onbeduidendheden, om een zo geestelijke en universele Openbaring in de praktijk te kunnen aanvaarden. Steeds weer leek het erop dat het Geloof onder de druk van tirannie een gewelddadig einde zou vinden. Er waren vele hooggeplaatste mensen in diverse landen, die over het Geloof hadden gehoord en die op de hoogte waren van het wrede onrecht dat de aanhangers werd aangedaan en die ook hun protesten en hun beroep op gerechtigheid hadden gehoord. Maar er was niemand die er acht op sloeg of te hulp kwam.

Het is vreemd en bedroevend dat men in een tijdperk, waarin zoveel waarheden werden onderzocht en ook ontdekt, het geestelijke gebied zo heeft laten braakliggend en aan de meest in het oog springende waarheid is voorbijgegaan.

Nooit is er een Profeet met overtuigender bewijzen van Zijn identiteit op aarde gekomen dan Bahá'u'lláh, noch heeft enig voorgaande Geloof in de eerste eeuw van zijn bestaan zoveel bereikt of zich zo ver over de aardbol verspreid als dit.

Het machtigste bewijs voor profeetschap heeft altijd in de Profeet zelf gelegen, alsmede in de doeltreffendheid van Zijn woorden. Bahá'u'lláh deed het vuur van geloof en van blijdschap weer in het hart der mensen ontbranden. Zijn kennis was aangeboren, kwam uit Hemzelf en werd Hem niet op een school bijgebracht. Niemand kon Zijn wijsheid ontkennen of weerleggen, en zelfs Zijn grootste vijanden gaven Zijn grootheid toe. Alle menselijke volmaaktheden waren in Hem belichaamd; Zijn kracht was oneindig. Beproevingen en leed vergrootten Zijn vastberadenheid en macht. Als een goddelijke arts stelde Hij de diagnose van de ziekte van dit tijdperk vast en schreef het geneesmiddel voor. Zijn leringen waren universeel en schonken verlichting aan de gehele mensheid. Zijn gezag werd nog merkbaarder na Zijn dood. In Zijn vooruitziendheid stond Hij geheel alleen en de gebeurtenissen hebben de juistheid ervan bewezen en doen dat nog steeds.

Een tweede bewijs dat iedere Profeet steeds weer heeft geleverd is de bewijsgrond uit het verleden: het vervullen van aloude profetieën.

De vervulling van de profetieën in deze Dag, die vervat zijn in de Qur'án en de moslem tradities, heeft de Islam er niet van weerhouden het Bahá'í Geloof te vervolgen, maar het is schrikbarend geweest, en is genoegzaam bekend.

De vervulling van de profetieën van Christus en die uit de Bijbel, is in het westen ruim honderd jaar algemeen bekend geweest. Maar de volledige omvang van die vervulling kan men alleen in Bahá'u'lláh aantreffen. De verkondiging van Zijn Geloof kwam in 1844, het jaar waarin door het Edict van Verdraagzaamheid een einde kwam aan de absolute buitensluiting van de Joden uit hun eigen land, die hun over een tijdvak van ongeveer twaalf eeuwen door de Islamieten was opgelegd, waardoor de "tijden der Heidenen" werden "vervuld".1 Men heeft land op Zijn komst moeten wachten en ze kwam tenslotte in een tijd van verdrukking en verval, van religieuze onwaarachtigheid en ongeloof, toen liefde voor God en de mens bij velen was verkild2 en men was ondergedompeld in materiële vreugden en gewin.3

De Profeet kwam "als een dief in de nacht"4 en leefde al onder ons toen men nog in diep geestelijke sluimer verkeerde. Hij stelde de mensen op de proef, scheidde de geestelijk ingestelde mensen van de materialisten, de ware van de huichelachtige gelovigen, de schapen van de bokken,5 en de mensen die onverhoeds werden gegrepen, voelden zich als in een strik gevangen,6 en begrepen niet het gevaar waarin zij zich bevonden, totdat de vergeldende gerechtigheid van God zich om hen had samengetrokken. Toch leek deze opkomst van het Geloof en de snelheid en doelmatigheid waarmee het werd verbreid, op de bliksem die uit het oosten komt en licht tot het westen.7

Het Christendom heeft zich, in tegenstelling tot de Openbaring van Muhammad, van oost naar west verspreid en is daardoor een overwegend westers Geloof geworden. Ook het Bahá'í Geloof heeft zich westwaarts bewogen, maar met een nog grotere snelheid en vaart dan het Christendom.

Vanaf het begin van dit tijdperk, vanaf de komst van de Heraut van het Geloof, de Báb, tonen de kronieken een bewuste sympathie van de Christenen voor de nieuwe lering, hetgeen een opmerkelijk verschil genoemd mag worden met de houding van de moslem buren. Het eerste voorbeeld hiervan is wellicht de zo oprechte lof van Dr. Cormick, een engelse arts, woonachtig in Tihrán, aan het adres van de Báb. Die hij behandelde voor de gevolgen van folteringen in de gevangenis, alsook zijn verslag over de heersende mening dat de leringen van de Báb veel overeenkomst vertoonden met die van het Christendom. De eerste westerse historicus die over de Beweging sprak, Graaf Gobitieau, een franse diplomaat, schreef in 1865 geestdriftig over de vroomheid van de Báb, over Zijn verheven idealen, Zijn beminnelijkheid, Zijn welsprekendheid en over de verbazingwekkende invloed die Zijn woorden hadden op vriend en vijand; evenals Ernest Renan in "Les Apôtres" (1866), Lord Curzon in "Perzië", en Prof. Browne uit Cambridge in diverse werken, hebben vele christelijke geleerden in later jaren in termen van gelijke strekking geschreven. Maar onder de vele gevallen van deze instinctieve sympathie is de meest in het oog springende toch wel die van de terechtstelling van de Báb op het marktplein in Tabríz op 9 juli 1850. De dienstdoende officier van het vuurpeloton was een Christen. Hij wendde zich tot de Báb en smeekte Hem te mogen worden gevrijwaard van deze afschuwelijke misdaad, daar hij Hem als mens en als Christen absoluut geen kwaad hart toedroeg. De Báb antwoordde dat, als hij dit oprecht meende, zijn bede zou worden verhoord. Het onvoorstelbare wonder dat deze bede inderdaad werd verhoord, waardoor de terechtstelling van de Báb werd voltrokken door een ander peloton dat onder aanvoering stond van een moslem officier, is intussen reeds geschiedenis.

Hoewel het christelijke westen zich ver van het toneel van het beleid van deze Profeet bevond, reageerde het al tientallen jaren vóór het oosten in praktische zin op de goddelijke wereldimpuls. Dichters van groot en minder groot formaat, Shelley, Wordsworth, en vele anderen bezongen de nieuwe Dageraad. Een nieuwe inzet op zendingsgebied verspreidde het christelijke Evangelie over de wereld; geestelijk ingestelde mensen probeerden de kern van de religie nieuw leven in te blazen; er stonden hervormers op om te lang ingewortelde misvattingen te herstellen; romanschrijvers wendden hun kunst aan om de sociale strekking te belichten. Dit alles verschilde wel zeer veel van het optreden van het corrupte en fanatieke oosten dat zelfs vervolgingen instelde!

De Báb stelde Zijn leringen naar geestelijke inhoud en doelstelling gelijk met die van Christus en Hij citeerde verscheidene opdrachten van Christus aan Zijn discipelen in een deel van Zijn eigen Beschikkingsopdracht aan de "Letters van de Levende".

Bahá'u'lláh schijnt van het begin af aan de speciale potentie van het progressieve en ondernemende westen te hebben onderkend. Hij stelde alle krachten in het werk om de "waarheid van de eeuw" ter kennis van het westen en zijn leiders te brengen. Daar Hem de mogelijkheid werd ontzegd Zijn Boodschap persoonlijk aan Europa over te brengen, schreef Hij vanuit een Turkse gevangenis een algemene Tafel aan de Christenen, en een andere aan de vorsten en leidinggevende personen in de wereld, maar speciaal aan de leiders van het Christendom; tevens zond Hij vijf persoonlijke Tafelen waarvan één aan de Tsaar, één aan de Paus, één aan koningin Victoria en twee aan Napoleon III. Hierin verklaarde Hij in klinkende tonen van macht en majesteit, zoals het de Koning der Koningen betaamt aan Zijn onderdanen geboden op te leggen, dat deze eeuw de grootste Dag van God was, en Hijzelf de Heer der Heren, de Vader die in Zijn grootste heerlijkheid is gekomen. Alles wat in het Evangelie was genoemd, was vervuld. Jezus had dit licht aangekondigd, en Zijn tekenen waren in het westen verspreid, opdat Zijn volgelingen hun blik in deze Dag zouden mogen richten op Bahá'u'lláh.

Deze brieven zijn met recht de uitspraken van een ver vooruitziende Voorzienigheid; en de catastrofe van het westen die heeft plaats gehad sinds ze werden geschreven, geeft hun nu een tragische en verschrikkelijke belangwekkendheid. Ze zijn vrij lang, maar hun strekking kan in een paar alinea's worden aangegeven.

In Zijn Tafel aan koningin Victoria prijst Hij Hare Majesteit dat zij een einde heeft gemaakt aan de slavenhandel en dat zij "de teugels van het beleid heeft toevertrouwd aan de vertegenwoordigers van het volk". Maar degenen die in het Parlement zitting hebben, moeten dat doen in een geest van godvruchtigheid en betrouwbaarheid om de belangen van de gehele mensheid te behartigen. Het menselijke ras is een geheel en zou beschouwd moeten worden als het menselijk lichaam, dat door steeds slechter functioneren is aangetast, hoewel het volmaakt is geschapen. Het is ten prooi aan de leiders die zo dronken zijn van eigenwaan, dat zij niet eens kunnen zien wat voor henzelf het beste is, laat staan dat zij deze machtige Openbaring kunnen erkennen. De enige waarlijke remedie voor de kwalen van deze wereld is de vereniging van alle volken in één universele zaak, één gemeenschappelijk Geloof. Dat kan slechts worden bewerkstelligd door de goddelijke Arts. Hij deed een beroep op de Koningin om de vrede te waarborgen, rechtvaardig en mededogend te zijn voor haar onderdanen, buitensporige belastingen tegen te gaan, een internationale bond voor het beperken van de bewapening in het leven te roepen, alsmede het gezamenlijke verzet van alle volkeren tegen elke aanvallende macht te bewerkstelligen.

Zijn Tafel aan de Paus bevat een vurige, liefdevolle oproep aan de Christenen om deze beloofde Dag van God te aanvaarden, in dat licht naar buiten te durven treden en hun God aan te roepen om Zijn Koninkrijk in Zijn naam te mogen binnengaan. Zij werden geschapen voor het licht, en Hij ziet hen liever niet in duisternis. Christus reinigde de wereld met liefde en met de geest, opdat Hij in deze Dag in staat zou zijn om leven uit handen van de Barmhartige te ontvangen. Dit is de komst van de Vader waarover Jesaja sprak: de lering die Hij nu openbaart is die welke Christus ons onthield toen Hij zij; "Ik heb u nog meer dingen te zeggen, maar gij kunt ze nu nog niet verdragen". Bahá'u'lláh verzoekt de Paus de levensbeker op te nemen en daaruit te drinken, en "hem daarna aan te bieden aan diegenen onder de mensen van alle geloven die erom vragen".

De Tafel aan Alexander II behelst het antwoord op een bede die door de Tsaar aan zijn Heer werd gericht, en als erkentelijkheid voor een vriendelijke geste die Bahá'u'lláh door een ambassadeur van de Tsaar was bewezen toen Hij geboeid in de gevangenis zat. Hij houdt de Tsaar de opperste grootheid van de Manifestatie voor, vertelt hem hoe de Profeet zichzelf heeft onderworpen aan duizenden rampspoeden om de wereld te redden, en hoe Hij door die wereld met de dood wordt bedreigd, nadat Hij haar tot het leven heeft geroepen. Hij gebiedt hem deze onrechtvaardigheid wereldkundig te maken, en zich als boetedoener op Gods weg te begeven uit liefde voor Hem en Zijn Koninkrijk; er zal hem geen kwaad geschieden, doch een beloning in deze wereld en in de volgende zal zijn deel zijn. Groot, zeer groot zal de zegening zijn voor de koning die zijn hart aan zijn Heer verpandt.

In Zijn twee Tafelen aan Napoleon III legt Bahá'u'lláh tegenover de Keizer de nadruk op de eenheid der mensheid, daar de vele ziekten waaraan ze lijdt niet zullen genezen als de volkeren geen overeenstemming bereiken en zich niet verenigd voelen in gezamenlijke gehoorzaamheid aan het plan van God en niet ophouden hun eigen belangen na te jagen. Het mensdom zou één lichaam en één ziel moeten zijn. Er wordt in dit tijdperk door God van iedereen een veel grotere mate van geloof gevraagd dan ooit tevoren. Aan iedereen wordt opgedragen de waarheid te onderrichten en voor Gods Zaak te arbeiden; niemand zal echter enig resultaat in deze dienst boeken, als hij niet eerst zijn eigen karakter zuivert en adelt.

Bahá'u'lláh gebiedt de geestelijkheid hun afzondering op te geven, deel te nemen aan het leven en te trouwen. God roept in deze eeuw de mensen op; en iedere theologie die zijn zelfgemaakte stellingen als een waardemeter van waarachtigheid beschouwt en zich van Hem afwendt, boet in aan waarde en uitwerking.

Hij is gekomen om de gehele mensheid wakker te schudden en in daad en waarheid te verenigen, en Hij zal hen om die ene tafel van Zijn overvloed scharen. Laat de Keizer Zijn naam aanroepen en Zijn waarheid aan het volk bekend maken.

Al deze Tafelen bevatten ernstige waarschuwingen en openlijke of bedekte vermaningen aan de koningen, en speciaal aan Napoleon III, als zij de Manifestatie niet erkennen en Zijn bevelen niet gehoorzamen. De collectieve Tafel die aan alle koningen is gericht, is echter nog strenger en dreigender dan de rest.

Bahá'u'lláh waarschuwt de heersers dat als zij de armen in hun land niet als een pand van God behandelen; als zij niet de meest strikte rechtvaardigheid betrachten; als zij hun geschillen niet bijleggen, de kloven niet overbruggen die hen van elkaar vervreemden en hun bewapening niet inkrimpen, en de hun nu door de Profeet gegeven raadgevingen niet opvolgen," dan zal de goddelijke kastijding u van alle kanten treffen en de veroordeling van Zijn gerechtigheid over u worden uitgesproken. Op die dag zult u niet de kracht hebben Hem te weerstreven en zal men zijn eigen onmacht moeten erkennen. Heb mededogen met uzelf en met hen die onder u staan".

Vele eeuwen geleden had Christus geweend over de stad welker kinderen Zijn komst hadden genegeerd en Zijn bescherming hadden geweigerd. Nu herhaalde zich hetzelfde feit bij Zijn tweede komst. Maar degenen die nu de wrake Gods op zich laadden, waren niet slechts de bewoners van één land, maar van de gehele wereld.

Voor Zijn verscheiden verkondigde Bahá'u'lláh, "Het uur nadert waarop de grootste beroering zal hebben plaatsgevonden". En ook, "de tijd van de vernietiging van de wereld en de mensen die erop wonen, is gekomen".

Meer dan veertig jaar na het verzenden van deze Tafelen maakte 'Abdu'l-Bahá, de zoon van de Profeet en het door Hem aangewezen Voorbeeld van Zijn Geloof, na zijn bevrijding uit de gevangenis door de Jong-Turken Beweging, een reis van drie jaar door Europa en Amerika. Bedroefd door alles wat hij op zijn weg zag, en overtuigd van het noodlot dat de volkeren zich door hun achteloosheid op de hals haalden, was hij spaarzaam met woorden die een aanklacht, een verwijt of kritiek inhielden; in plaats daarvan riep hij zijn toehoorders met woorden waaruit opgewektheid en onverdeelde liefde spraken, op tot grote heldendaden. Hij sprak veel over het geestelijke en sociale doel dat God voor onze verlichte eeuw had gesteld, "de Grootste Vrede". In zijn vreugde, zijn oprechtheid, zijn liefde voor alle mensen, in zijn wijsheid, zijn kracht en vastberadenheid en uiterste onderworpenheid aan God, leek hij zelf de incarnatie van de geest van de vrede. Zijn aanwezigheid alleen al bracht ontvankelijke zielen in aanraking met een gemoedstoestand waarover zij misschien wel een hadden gehoord, maar die geen van hen ooit had ervaren. Tijdens vele maanden van ambassadeurswerk legde hij de morele en geestelijke instelling uit waarmee de Grootste Vrede mogelijk kon worden gemaakt en gaf in vele lezingen de praktische richtlijnen waarlangs men tot dit doel kon geraken. In Wilmette, dat in de Verenigde Staten aan de oever van het Michiganmeer ligt, legde hij de eerste steen voor de eerste Bahá'í tempel in het westen, waaromheen volgens de plannen allerlei gebouwen zullen worden gegroepeerd, die bestemd zijn voor sociale, menslievende, opvoedkundige en wetenschappelijke doeleinden, waarbij de opzet in zijn totaliteit zal dienen tot de heerlijkheid van God en de dienstbaarheid van de mensen. Hij heeft in Amerika tevens het eerste begin zien ontstaan van de opbouw van het Bestuursstelstel van Bahá'u'lláh.

Maar de algemene weerklank van het publiek was niet voldoende om het tij dat tot oorlog leidde te keren. Voor hij de Verenigde Staten verliet, voorzegde 'Abdu'l-Bahá dat er binnen twee jaar vijandelijkheden zouden uitbreken.

Toen tenslotte de vrede weer was getekend, verklaarde hij dat de Volkenbond, zoals die toen was ingesteld, geen oorlog kon voorkomen; en voor hij in 1921 heenging, deelde hij zijn volgelingen mee, dat er een nieuwe oorlog zou uitbreken, die heviger zou zijn dan de vorige.

Nu wij aan het begin staan van de tweede Bahá'í eeuw, lijkt het velen toe alsof de mensheid op een stuurloos schip op een stormachtige, nog niet in kaart gebrachte oceaan ronddobbert. Maar aan de Bahá'ís is een andere kijk op de dingen geopenbaard. De barrières waarmee de mens zijn weg naar vooruitgang heeft geblokkeerd, worden omvergehaald. De menselijke trots krijgt het zwaar te verduren, de menselijke wijsheid wordt onvoldoende geacht. De anarchie van het nationalisme en de ontoereikendheid van het wereldlijke gezag worden volledig aan de kaak gesteld.

Langzaam aan wordt de sluier van de toekomst opgelicht. Naar welke kant weldenkende mensen ook kijken, zij niet een of andere richtinggevende waarheid voor zich, een te volgen beginsel dat Bahá'u'lláh reeds lang geleden heeft gegeven en dat het mensdom heeft verworpen. De hele kern van alle goede verwachtingen van de vaardigste geesten is thans samengevat in de zo eenvoudige uiteenzetting van 'Abdu'l-Bahá'í "twaalf punten". 1) Onbelemmerd zoeken naar de waarheid. 2) De eenheid der mensheid. 3) Religie de oorzaak van liefde en eendracht. 4) Religie hand in hand met wetenschap. 5) Universele vrede. 6) Een internationale hulptaal. 7) Opvoeding voor iedereen. 8) Gelijke kansen voor beide geslachten 9) Gerechtigheid voor allen. 10) Werk voor allen. 11) Het tenietdoen van uitersten van armoede en rijkdom. 12) De Heilige Geest als de stuwende kracht in het leven.

De enorm ingewikkelde, verbijsterende taak om alle volkeren te verenigen, wordt in volledige en uiterste eenvoud door 'Abdu'l-Bahá in zeven indringende zinnen neergelegd. 1) Eenheid in het politieke vlak. 2) Eenheid van inzicht in wereldomvattende ondernemingen. 3) Eenheid in vrijheid. 4) Eenheid van religie. 5) Eenheid van de volkeren. 6) Eenheid van de rassen. 7) Eenheid in taal.

De Bahá'ís zijn reeds begonnen om feitelijk en daadwerkelijk het instrument te maken dat is ontworpen om als voorbeeld en als kern van de Grootste Vrede te dienen. Het Bestuursstelstel is even simpel als weldoordacht, en het kan alleen ten uitvoer worden gebracht door hen wier leven van liefde en ontzag voor God is doordrongen. Het is een Stelsel waarin de tegenstellingen zoals eenheid en universaliteit, het praktische en het geestelijke, de rechten van het individu en die van de gemeenschap, geheel in evenwicht zijn; en niet door het verzinnen van een compromis, maar door de openbaring van een innerlijke harmonie. Diegenen die de ervaring hebben opgedaan om met dit Stelsel te werken, verklaren dat het hun voorkomt als een menselijke lichaam dat is gemaakt om er de ziel in tot uitdrukking te laten komen.

Aan de oever van het meer bij Wilmette staat de voltooide Tempel van Eer, een teken van de Grootste Vrede en van de Heerlijkheid Gods die is neergedaald om onder de mensen te wonen. De muren van de tempel zijn doorschijnend, gemaakt in een open kantwerk als van gebeeldhouwde steen en afgezet met glas. Alle voorstelbare symbolen van licht zijn in een patroon samengeweven, het licht van de zon en de maan en de sterrenbeelden, het licht van de geestelijke hemel zoals die werd ontvouwd door de grote Openbaarders van nu en vroeger, het kruis in verschillende vormen, de halve maan en de negenpuntige ster (zinnebeeld van het Bahá'í Geloof). Er komt in de tempel nooit duisternis voor; overdag is het er verlicht door de zon die van alle kanten door het fijne kantwerk van de muren naar binnen schijnt; 's nachts is er kunstmatige verlichting en de versierde vorm steekt duidelijk lichtend af tegen de donkerte. Van welke kant de bezoeker ook nadert, de omhoogrijzende vorm van de tempel staat daar als de geest van aanbidding; en vanuit de lucht gezien ligt hij daar als een negenpuntige ster die uit de hemel is neergekomen om op aarde een rustplaats te vinden.

Maar om de volkeren naar het Beloofde Land te leiden, om de mensheid geestelijk rijp te maken, om de Grootste Vrede te krijgen, wacht de wereld op hen die zullen opstaan om die taak aan te vangen waarop de Koning der Koningen doelde - de Christenen en de kerken van het westen.

"Waarlijk, Christus zeide, 'Kom tot Mij, opdat Ik u tot vissers van de mensheid make' en nu zeggen Wij: 'Komt, opdat Wij u tot de levengevers van de wereld maken'... Ziet, dit is de Dag van de Genade! Komt gij allen, dat Ik u tot de koningen in het rijk van Mijn Koninkrijk make. Indien gij Mij gehoorzaamt, zult gij ervaren wat Wij u hebben beloofd en Ik zal u tot vrienden van Mijn ziel verheffen in het rijk van Mijn Grootheid en de metgezellen van Mijn Schoonheid in de hemel van Mijn Macht tot in eeuwigheid".

G. Townshend
WOORD VOORAF

Op de 23e mei van dit veelbelovende jaar1 zal de Bahá'í wereld het honderdjarig bestaan vieren van de stichting van het Geloof van Bahá'u'lláh. Men zal tegelijk het honderdste jaarfeest gedenken van de geboorte van de Bábi Beschikking, van het inluiden van het Bahá'í tijdperk, van de aanvang van de Bahá'í cyclus en van de geboorte van 'Abdu'l-Bahá. De schat aan mogelijkheden waarmee dit Geloof, dat zijns gelijke in de geestelijke geschiedenis niet heeft en dat de afronding aangeeft van een universele, profetische kringloop, is begiftigd, gaat onze verbeeldingskracht te boven. De glans van de duizendjarige glorie die het in de volheid der tijden moet verspreiden, verblindt onze ogen. De omvang van de lichtschijn die zijn Auteur steeds weer over de Profeten die na Hem zullen verschijnen, zal werpen, kan geen mens ooit bevatten.

De kracht van de mysterieuze ontwikkelingsgang die van deze scheppende geest is uitgegaan, heeft reeds binnen een eeuw tijds een opschudding in de menselijke samenleving teweeggebracht die geen mens zich dan voorstellen. Nadat het Geloof in zijn beginstadium een periode nodig had om tot wording te komen, heeft het door het langzaam aan de dag treden van dit stelsel een gisting veroorzaakt in het geregelde leven van de mensen, die bedoeld was de hele fundering van een ontwrichte maatschappij te doen wankelen, het hartenbloed te zuiveren, de instellingen opnieuw te ordenen en in andere banen te leiden en er een uiteindelijke bestemming aan te geven.

Waaraan kan de oplettende en onbevooroordeelde geest die bekend is met de tekenen en wonderen welke voorafgingen aan de geboorte van het Geloof van Bahá'u'lláh en haar ontstaan begeleidden, deze vreselijke en algehele omwenteling met de daarmee gepaard gaande vernietiging, ellende en angst, anders toeschrijven dan aan de opkomst van Zijn embryonale Wereldorde die, zoals Hij het Zelf in duidelijke termen uitdrukte, "het evenwicht in de wereld heeft verstoord en in het geregelde leven van de mensen een ommekeer heeft teweeggebracht"? Aan welke macht kan de oorsprong van deze ontzaglijke crisis die het mensdom niet kan bevatten en die nimmer tevoren in de annalen van 's mensen geschiedenis is voorgekomen, anders worden toegeschreven dan aan de onweerstaanbare verspreiding van die wereldschokkende, wereldbezielende, wereldverlossende geest die, zoals de Báb bevestigde, "de trilling van de binnenste werkelijkheden van al het geschapene" is? In de stuiptrekkingen van de huidige samenleving, de waanzinnige, wereldwijde uitbarsting van menselijke gedachten, de hevige vijandschap die de rassen, sekten en klassen ophitst, de schipbreuk van de volkeren, de val van koningen, de verbrokkeling van wereldrijken, de ondergang van dynastieën, de ineenstorting van kerkelijke hiërarchieën, de ontaarding van traditionele instellingen, het losmaken van banden zowel op wereldlijk als op geestelijk gebied - dit alles dat zo lange tijd alle delen van het mensdom had bijeengehouden (en dat een steeds toenemend gewicht in de schaal legde sedert het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, waarop zo onmiddellijk de beginjaren van het vormende tijdperk van het Geloof van Bahá'u'lláh volgden) - in al deze dingen kunnen wij maar al te goed de tekenen zien van de barensnood van een tijdperk dat de schok van Zijn Openbaring heeft ondergaan. Zijn oproep heeft genegeerd en dat nu doende is zich van deze last te bevrijden als een direct uitvloeisel van de impuls die daaraan is gegeven door de vruchtbare, reinigende en vernieuwende invloed van Zijn geest.

Het is mijn bedoeling om ter gelegenheid van deze zo immens belangrijke gedenkdag te trachten in de volgende bladzijden een overzicht te geven van de uitzonderlijke gebeurtenissen van de eeuw waarin deze geest over de aarde is uitgestort, alsook van de beginperiode van de daaruit voortspruitende belichaming in een Stelsel dat zich zal ontplooien in een Orde die de gehele mensheid zal moeten omvatten en die de hoge bestemming welke de mens op aarde wacht, zal vervullen. Ik zal pogen de gebeurtenissen de revue te laten passeren die deze omwenteling in de loop van honderd jaar voor onze ogen heeft ontrold, en die uniek zijn zowel qua luister als qua rampspoed, en ze in hun juiste perspectief te plaatsen ondanks de betrekkelijk korte tijd die ons ervan scheidt. Ik zal, hoe vluchtig ook, de belangwekkende gebeurtenissen trachten uit te beelden en van twee kanten te belichten, gebeurtenissen namelijk die, onmerkbaar, meedogenloos en onder het oog van successieve verdorven, onverschillige en vijandige generaties, een afwijkende en ogenschijnlijk te verwaarlozen loot van de Shaykhí school van de Ithná-'Asharíyyih sekte van de Shí'ah Islam tot een wereldreligie hebben omgevormd. Haar ontelbare volgelingen zijn op organische en onverbrekelijke wijze verenigd, terwijl het licht zich over de aarde heeft verspreid van IJsland in het noorden tot aan de Straat van Magallanes in het zuiden; er zijn vertakkingen te vinden in niet minder dan zestig landen; en de literatuur is vertaald en verbreid in niet minder dan veertig talen; de bezittingen in de vijf continenten der aarde, zij het op plaatselijk, nationaal of internationaal niveau, lopen reeds in de vele miljoenen guldens; de als rechtspersoon erkende gekozen bestuurslichamen hebben reeds de officiële erkenning verworven van een aantal regeringen in oost en west; de aanhangers ervan zijn geworven uit de verschillende rassen en grote godsdiensten der mensheid; men kan haar vertegenwoordigers vinden in honderden steden zowel in Perzië als in de Verenigde Staten van Amerika; van de waarheid ervan heeft een koningin herhaaldelijk in het openbaar getuigd; zelfs de vijanden uit de gelederen van de aanhangers van het oorspronkelijke geloof, en de bestuurders van zowel de Arabische als de moslem wereld hebben van haar onafhankelijke status gewag gemaakt; en haar aanspraken zijn feitelijk erkend, waardoor het als de vierde religie wordt aangemerkt in een land waar het geestelijke wereldcentrum is gevestigd en dat tevens het hart is van het Christendom, de heiligste plaats van het joodse volk en, op Mekka na, de meest gewijde plek van de Islam.

Het is niet mijn bedoeling - en het zou hier ook niet op zijn plaats zijn - om een gedetailleerde geschiedenis van de afgelopen honderd jaar van het Bahá'í Geloof te schrijven; evenmin beoog ik de bronnen van een zo enorme Beweging na te gaan, of de omstandigheden te schilderen waaronder het is ontstaan, of de aard van de religie waaruit het is voortgekomen na te vorsen, of een oordeel uit te spreken over de gevolgen die deze impuls op het lot der mensheid heeft gehad. Ik zal mij liever bezighouden met een overzicht te geven van de sterk uitkomende kanten van het ontstaan en de opkomst, alsmede van de beginstadia in de vestiging van de bestuursinstellingen - instellingen die beschouwd moeten worden als de kern en de voorloper van de Wereldorde die de ziel moet belichamen, de wetten moet uitvoeren en de doelstellingen van het Geloof van God in deze Dag moet vervullen.

Evenmin is het - als ik het panorama overzie dat zich gedurende die omwenteling van honderd jaar voor ons oog ontrolt - mijn bedoeling de snelle afwisseling van schijnbare nederlagen en evidente overwinningen te negeren, waaruit de hand van de ondoorgrondelijke Voorzienigheid het patroon van het Geloof vanaf de allereerste dagen heeft weten te vormen, of de onheilen te bagatelliseren die zo vaak het voorspel bleken te zijn van nieuwe triomfen, die op hun beurt weer de groei hebben gestimuleerd en de vroegere prestaties hebben geconsolideerd. De geschiedenis van de eerste honderd jaar van zijn ontwikkeling komt met recht neer op een serie interne en externe crises, in wisselende mate met een vernietigend directe uitwerking, maar ieder op zich ook op mysterieuze wijze een evenredige mate van goddelijke kracht vrijmakend, die daarbij een impuls tot ontplooiing gaf, waarvan de verdere ontwikkeling op haar beurt weer een grotere rampspoed teweegbracht, gevolgd door een nog rijkelijker uitstorting van hemelse genade die de aanhangers steeds beter in staat stelde hun opmars te bespoedigen en door dienstbaarheid steeds dwingender overwinningen te behalen.

In grote trekken kan men van de eerste eeuw van het Bahá'í tijdperk zeggen, dat ze het heroïsche, het primitieve en het apostolische tijdvak omvat van het Geloof van Bahá'u'lláh, alsook de eerste stappen naar het vormende, het overgangs- en het ijzeren tijdvak, dat de kristallisatie en vorming van de scheppende krachten te zien zal geven die door Zijn Openbaring zijn vrijgekomen. Globaal genomen hebben de eerste tachtig jaar van die eeuw de gehele periode van het eerste tijdvak ingenomen, en de twee laatste decennia kunnen worden beschouwd tot het tweede tijdvak te behoren. Het eerste vangt aan bij de Verkondiging van de Báb, omvat de zending van Bahá'u'lláh en eindigt met het heengaan van 'Abdu'l-Bahá. Het laatste wordt ingeluid met diens Testament dat daarvan het karakter bepaalt en er de grondslag van vormt.

De eeuw die wij thans bezien kan worden beschouwd als uiteenvallend in vier duidelijk aangegeven perioden, ongelijk van duur, ieder op zich van bijzonder belang en van een geweldige en werkelijk onschatbare betekenis. Deze vier perioden staan met elkaar in nauw onderling verband en vormen opeenvolgende akten in een ondeelbaar, verbazingwekkend en subliem drama, waarvan geen zinnig mens het mysterie kan peilen, waarvan geen mensenoog de climax ook maar vagelijk kan doorzien en waarvan geen verstand het eindresultaat ook maar enigszins kan voorspellen. Elk van deze akten draait om haar eigen thema, boogt op haar eigen helden, registreert haar eigen tragedies, stelt haar eigen overwinningen te boek en verleent haar eigen aandeel aan de uitvoering van een gemeenschappelijk, onveranderlijk doel. Het zou gelijkstaan met verminking van de structuur waarop het steunt, en met een onvergeeflijke verdraaiing van de waarheid van deze geschiedenis als men één van deze akten zou scheiden van de andere, en als men de latere verkondigingen van een universele, alomvattende Openbaring zou losmaken van het oorspronkelijke doel dat het in de eerste dagen bezielde.

De eerste periode (van 1844-1853) heeft als middelpunt de innemende, jeugdige en onweerstaanbare persoonlijkheid van de Báb met Zijn weergaloze zachtmoedigheid, onverstoorbare kalmte, grote aantrekkingskracht van Zijn woorden en de ongeëvenaard dramatische episoden van Zijn kortstondige en met tragiek geladen beleidsperiode. Ze begint bij de verkondiging van Zijn zending, bereikt haar hoogtepunt in Zijn marteldood en eindigt met een ware orgie van afzichtelijke, religieuze afslachting. Ze wordt gekenmerkt door negen jaren van hevige, meedogenloze twisten waartoe Perzië - in welk land meer dan tienduizend helden hun graf vonden - als schouwtoneel dient en waaraan twee heersers van de Qájár dynastie met hun verdorven ministers meededen, gesteund door de gehele hiërarchie van de Shí'ah geestelijkheid, de militaire krijgsmacht van de staat en de onverzoenlijke haat van de massa. De tweede periode (van 1853-1892) ontleent haar inspiratie aan de verheven figuur van Bahá'u'lláh, uitblinkend in heiligheid, ontzag inboezemend door Zijn sterke, machtige majesteit en onvergelijkelijk door de bovenzinnelijke glans van Zijn heerlijkheid. Ze begint bij de eerste roerselen in de ziel van Bahá'u'lláh tijdens Zijn verblijf in de Síyáh-Chál in Tihrán aangaande de Openbaring die de Báb had aangekondigd; bereikt haar volledige ontplooiing in de verkondiging vàn die Openbaring aan de koningen en geestelijke leiders der aarde, en eindigt met de hemelvaart van haar Auteur in de nabijheid van de gevangenisstad 'Akká. Ze strekt zich uit over ruim negenendertig jaar van een nimmer onderbroken, overweldigende Openbaring zonder precedent, wordt bekend door de verbreiding van het Geloof in de buurlanden Turkije, Rusland, Irak, Syrië, Egypte en India en valt op door een even grote oplaaiing van vijandigheid die tot uiting komt zowel door de gecombineerde aanvallen van de sjah van Perzië en de sultan van Turkije - die bekend staan als de twee machtigste potentaten van het oosten- als door de tegenstand van de twee geestelijke orden, de Shí'ah en de Sunní Islam. De derde periode (van 1892-1921) speelt zich af rondom de levendige persoonlijkheid van 'Abdu'l-Bahá, met zijn zo mysterieuze wezen, zijn unieke rang en zijn verwonderlijke kracht die hij ontleende aan zijn innemendheid en zijn sterke karakter. Ze begint met de bekendmaking van het Verbond van Bahá'u'lláh, een document dat zijn weerga niet heeft in de geschiedenis van welkt voorgaande Beschikking dan ook; bereikt haar hoogtepunt in de nadrukkelijke bevestiging door het Middelpunt van dat Verbond, in de Stad van het Verbond,2 van de unieke aard en de verreikende gevolgen van dat document; en sluit met zijn heengaan en begrafenis op de berg Karmel. Ze zal in de geschiedenis staan opgetekend als een periode van bijna dertig jaar waarin tragedies en overwinningen zo nauw waren verweven dat ze het ene ogenblik de lichtkring van het Verbond verduisterden en het andere moment haar licht over het continent van Europa en zelfs van Austraal-Azië, het Verre Oosten en Noord-Amerika lieten schijnen. De vierde periode (van 1921-1944) wordt in beweging gezet door de krachten die vrijkwamen uit het Testament van 'Abdu'l-Bahá, het handvest van Bahá'u'lláh's nieuwe Wereldorde, de loot die voortkwam uit de mystieke onderlinge verhouding tussen Degene Die de bron is van de wet van God en de geest van degene die de drager en de uitlegger is van die wet. De aanvang van deze vierde en laatste periode van de eerste Bahá'í eeuw valt samen met de geboorte van het vormende tijdperk van de Bahá'í era, de grondlegging van het Bestuursstelsel van het Geloof van Bahá'u'lláh - een stelsel dat tegelijk de voorloper, de kern en het patroon van Zijn Wereldorde is. Deze periode die de eerste drieëntwintig jaar van dit vormende tijdperk omvat, heeft zich reeds gekenmerkt door een uitbarsting van verdere vijandigheid, weliswaar van andere aard, maar die aan de ene kant de verbreiding van het Geloof over een nog veel groter gebied in elk van de vijf werelddelen bevorderde en aan de andere kant de vrijmaking en de erkenning van de onafhankelijke positie van verscheidene gemeenschappen binnen zijn gebied tot resultaat had.

Deze vier perioden moeten niet alleen worden bekeken als de samenstellende en onscheidbare delen van een overweldigend geheel, maar tevens als de progressieve stadia in een enkel omvangrijk, gestadig en onweerlegbaar ontwikkelingsproces. Wanneer wij de gehele reeks van zaken beschouwen die de ontwikkelingsgang van een honderd jaar oud Geloof voor ons ontvouwt, kunnen wij niet aan de indruk ontkomen dat, van welke kant wij dit enorme toneel ook overzien, de gebeurtenissen die met deze perioden samenhangen, ons het onmiskenbare bewijs leveren van een langzaam rijpend proces, van een ordelijk verlopende ontwikkeling, van interne consolidatie, van uitbreiding naar buiten toe, van een stap voor stap bevrijden uit de kluisters van religieuze orthodoxie en van een evenredige vermindering van belemmeringen en beperkingen in de samenleving.

Wanneer wij deze perioden van de Bahá'í geschiedenis bekijken als de samenstellende delen van een geheel, dan bemerken wij in de loop van de gebeurtenissen het met succes verkondigen van de komst van een Voorloper, de zending van Degene Wiens komst de Voorloper had beloofd, de vestiging van een Verbond dat door de rechtstreekse autoriteit van de Beloofde zelf was ingesteld en ten laatste de geboorte van een Stelsel dat het product is van zowel de Auteur van het Verbond als het aangestelde Middelpunt ervan. Wij bemerken hoe de Báb, de Voorloper, de komende geboorte van een goddelijk ontvangen Orde aankondigde, hoe Bahá'u'lláh, de Beloofde, de wetten en verordeningen formuleerde, hoe 'Abdu'l-Bahá, het aangestelde Middelpunt, de hoofdlijnen uitwerkte, en hoe de tegenwoordige generatie van volgelingen is begonnen het raamwerk van deze instellingen op te zetten. Door al deze perioden heen nemen wij het aarzelende gloren waar van het Geloof, dat vanuit zijn bakermat zich oostwaarts naar India en het Verre Oosten verbreidt, en westwaarts naar de buurlanden Irak, Turkije, Rusland en Egypte en zelfs tot Noord-Amerika; vervolgens de voornaamste landen van Europa met zijn licht beschijnt, later de Antipoden in zijn uitstraling betrekt, de boorden van de Noordpool verlicht, en tenslotte de horizon van Midden- en Zuid-Amerika in gloed zet. Wij zien een overeenkomstige groei in de verscheidenheid van elementen binnen deze gemeenschap, die in de eerste periode van zijn geschiedenis was beperkt tot een onbekend aantal volgelingen, voornamelijk gerekruteerd uit de gelederen van het Shí'ah Perzië, maar dat zich heeft uitgebreid tot een broederschap die representatief is voor de leidende religieuze stelsels in de wereld, en welhaast alle rassen en standen vertegenwoordigt, van de eenvoudigste arbeider en boer tot personen van koninklijken bloede toe. Wij bemerken een soortgelijke ontwikkeling in de uitbreiding van de literatuur - een literatuur die eerst was beperkt tot haastig overgeschreven, vaak verbasterde en in het geheim circulerende manuscripten, die heimelijk gelezen, herhaaldelijk verdonkeremaand en bij tijd en wijle zelfs werden opgegeten door de geterroriseerde leden van een vogelvrij verklaarde sekte; maar binnen het tijdsbestek van een eeuw groeide die uit tot een ontelbare hoeveelheid uitgaven van tienduizenden gedrukte exemplaren, in allerlei lettertypen en in niet minder dan veertig talen, waarvan sommige nauwgezet werden gereproduceerd, andere overvloedig geïllustreerd, en alle volgens een vaste werkwijze en met élan werden verspreid door bemiddeling van wereldwijde, behoorlijk gevestigde en speciaal georganiseerde comités en Raden. Wij bespeuren een niet minder in het oog lopende evolutie op het gebied van het onderricht, dat eerst opzettelijk strak, ingewikkeld en streng was, maar nadien, bewerkt, en uitgebreid en vrijer van opzet werd onder de volgende Beschikking; nog later werd dat uiteengezet, opnieuw bevestigd en aangevuld door een daartoe aangestelde Uitlegger, en tenslotte gesystematiseerd en alzijdig toegepast op zowel enkelingen als instellingen. Wij bemerken een niet minder uitgesproken gradatie in de aard van de tegenstand die het onderricht op zijn weg tegenkwam - een oppositie die eerst ontbrandde in de boezem van de Shí'ah Islam, en later in kracht toenam met de verbanning van Bahá'u'lláh naar het rijk van de Turkse sultan en de daarmee gepaard gaande haat van de nog machtige Sunní hiërarchie en van zijn kalief (het hoofd van de overgrote meerderheid van Muhammads volgelingen) - een oppositie die nu, door de opkomst van een goddelijk ingestelde Orde in het christelijke westen, en door zijn eerste botsing met de burgerlijke en geestelijke instellingen, een goede kans maakt onder zijn voorstanders gevestigde regeringen en stelsels te kunnen rekenen, die geassocieerd zijn met de oudste, diepgewortelde geestelijke hiërarchieën van het Christendom. Terzelfder tijd kunnen wij door het waas van een steeds meer om zich heen grijpende vijandigheid binnen deze grenzen die pijnlijke en toch hardnekkig volgehouden vorderingen van bepaalde gemeenschappen bespeuren via de stadia van onbekendheid, vogelvrijverklaring, vrijmaking en erkenning, - stadia die in de loop van de komende eeuwen tot een hoogtepunt zullen komen met de wettelijke erkenning van het Geloof en de stichting van het wereldomvattende Bahá'í gemenebest in de volle omvang van zijn kracht en gezag. Tevens kunnen wij een niet minder te waarderen vooruitgang onderscheiden in de opkomst van zijn instellingen, zij het als bestuurlijke centra of huizen van aanbidding - instellingen die in den beginne clandestien en ondergronds waren, later onmerkbaar in het licht der openbaarheid kwamen, door de wet beschermd, verrijkt met liefdevolle schenkingen, eerst geadeld door de oprichting van de Mashriqu'l-Adhkár in 'Ishqábád, het eerste Bahá'í huis van aanbidding, en van recentere datum onsterfelijk gemaakt door de bouw van de moedertempel van het westen in het hart van het Noord-Amerikaanse continent, de voorbode van een goddelijke, langzaam rijpende beschaving. En tenslotte kunnen wij ook nog de opmerkelijke verbetering waarnemen ten aanzien van de omstandigheden tijdens de pelgrimstochten van toegewijde aanhangers naar de heilige graftomben in het wereldcentrum - pelgrimstochten die in het eerste begin zeer zwaar, gevaarlijk en eindeloos lang waren en dikwijls te voet werden afgelegd, soms in grote teleurstelling eindigden en die beperkt bleven tot een handvol dodelijk vermoeide oosterse volgelingen. Maar toen de omstandigheden en de veiligheid en het comfort geleidelijk beter werden, werd het aantal nieuwe gelovigen dat door deze plaatsen werd aangetrokken, steeds groter; zij kwamen dan ook uit alle vier windstreken van de aarde. Het bereikte een hoogtepunt toen het bezoek van een nobele koningin, waarover veel ophef was gemaakt, werd verijdeld op het moment dat zij op de drempel stond van de stad harer dromen en werd gedwongen terug te keren en haar, zoals zij in een door haar zelf opgestelde getuigenis schreef, het voorrecht van een zo waardevolle weldaad werd ontzegd.

EERSTE PERIODE
HET BELEID VAN DE BÁB
1844-1853
HOOFDSTUK I
De geboorte van de Bábí Openbaring

De 23e mei 1844 luidt de woeligste periode in van het heroïsche tijdvak van het Bahá'í tijdperk, een tijdvak dat de aanvang aangeeft van de meest glorieuze episode in de grootste cyclus, die de geestelijke geschiedenis der mensheid ooit te zien heeft gegeven. Niet langer dan de kortste spanne tijds van negen jaren heeft deze meest in het oog lopende, deze meest tragische, deze zo zeer bewogen periode van de eerste Bahá'í eeuw geduurd. Ze werd ingeluid door de geboorte van een Openbaring welker Brenger het nageslacht zal begroeten als het "Punt waaromheen de waarheden van de Profeten en Boodschappers wentelen" en die eindigde met de schuchtere aanduiding van een nog krachtiger Openbaring "waarvan", zoals Bahá'u'lláh Zelf bevestigt, "iedere Profeet de dag heeft aangekondigd", waarnaar "de ziel van iedere goddelijke Boodschapper heeft gedorst", en waardoor "God de oprechtheid van Zijn ganse schare Boodschappers en Profeten op de proef heeft gesteld". Het is niet verwonderlijk, dat de onsterfelijke verslaggever van deze gebeurtenissen die zo nauw samenhangen met het ontstaan en de opkomst van de Bahá'í Openbaring, het onontbeerlijk heeft geacht meer dan de helft van zijn ontroerend verhaal te wijden aan de beschrijving van de lotgevallen die gedurende zo'n korte tijd door hun tragiek en heldenmoed de religieuze annalen van het mensdom zozeer hebben verrijkt. Deze negenjarige periode mag zeer zeker op het gebied van 's mensen godsdienstige ervaringen als uniek worden bestempeld door haar dramatische kracht, door de snelheid waarmee gebeurtenissen van ontzaglijk belang elkaar opvolgden, door de grote slachting die tijdens haar ontstaan plaatsvond, door de wonderbaarlijke omstandigheden, waarmee de marteldood van Degene Die haar had ingeluid was omgeven, door de mogelijkheden, waarvan ze vanaf de aanvang zo volledig was doordrongen, alsook door de krachten, waartoe ze tenslotte aanzette. Wanneer wij de episoden van deze eerste acte van een indrukwekkend drama aan een onderzoek onderwerpen, zien wij de figuur van de Held, de Báb, als een meteoor boven de horizon van Shíráz uitrijzen, de donkere lucht van Perzië van zuid naar noord doorklieven, met tragische vaart ter kimme neigen en vergaan in een gloed van heerlijkheid. Wij zien Zijn satellieten, een schitterende schare van door God in vervoering gebrachte helden, boven dezelfde horizon uitstijgen, hetzelfde licht uitstralen, zichzelf met een zelfde snelheid opbranden en op hun beurt een extra stuwkracht verlenen aan de gestadige groei van Gods ontluikende Geloof.

Degene Die de oorspronkelijke impuls aan deze onschatbare Beweging verleende was niemand minder dan de beloofde Qá'im (Hij die verrijst), de Sáhibu'z-Zamán (de Heer der Tijden), Die voor zich het uitsluitende recht opeiste de gehele Beschikking van de Qur'án teniet te doen, Die Zichzelf bestempelde als "het Eerste Punt, waarvan alle geschapen dingen stammen ... het Aangezicht van God, Wiens luister nimmer kan worden verduisterd, het Licht Gods, welke straling nimmer kan verbleken". De mensen waaronder Hij verscheen, behoorden tot het diepst gezonken volk in de beschaafde wereld; zij waren ongemeen dom, ruw, wreed, verstikt in vooroordeel en kruiperig onderdanig aan een welhaast vergode hiërarchie; in hun verachting deden zij denken aan de Israëlieten van Egypte in de dagen van Mozes; in hun fanatisme aan de Joden ten tijde van Jezus en in hun verdorvenheid aan de afgodendienaars in Arabië in de dagen van Muhammad. De aarsvijand die Zijn aanspraken verwierp, Zijn gezag betwistte, vervolgingen tegen Zijn zaak instelde, er bijna in slaagde Zijn licht te doven, maar tenslotte door de inwerking van Zijn Openbaring uiteenviel was de Shí'ah geestelijkheid. Gedurende duizend jaar hadden de leden van deze kaste, die meedogenloos fanatiek en onnoemelijke corrupt waren, die een onbegrensd overwicht genoten op de massa, angstvallig bezorgd waren voor hun positie en onverzoenlijk tegen elk liberaal denkbeeld, de naam van de Verborgen Imám aangeroepen, en terwijl hun hart vervuld was van de verwachting van Zijn komst, hadden zij van de kansels luide Zijn wereldomvattende heerschappij verkondigd en prevelden hun lippen nog voortdurend vurige gebeden om Zijn komst te verhaasten. De gewillige werktuigen, die hun hoge positie veil hadden om de plannen van de vijand ten uitvoer te brengen, waren niemand minder dan de heersers van de Qájár dynastie en wel in de eerste plaats de dweepzieke, ongezonde, wankelende Muhammad Sháh, die op het laatste moment het op handen zijnde bezoek van de Báb aan de hoofdstad afzegde, en in de tweede plaats de jeugdige en onervaren Násiri'd-Dín Sháh, die zijn gerede toestemming gaf het doodvonnis van zijn Gevangene te voltrekken. De aartsschurken die samenspanden met de voornaamste aanzetters tot deze schandelijke samenzwering, waren de twee grootviziers, de verafgode leraar van Muhammad Sháh genaamd Hájí Mírzá Áqásí, een vulgaire, trouweloze, grillige intrigant, en de eigenmachtige, bloeddorstige en roekeloze Amír-Nizám, genaamd Mírzá Taqí Khán; de eerste verband de Báb naar de onherbergzame bergen van Ádhirbáyján;1 de tweede sprak Zijn doodvonnis uit in Tabríz. Hun medeplichtige in deze en andere afschuwelijke misdaden was een regering, kunstmatig in stand gehouden door een troep nutteloze parasieten van prinsjes en regeerders die, corrupt en onbekwaam, stijf vasthielden aan hun op oneervolle wijze verkregen voorrechten en volstrekt onderdanig waren aan een geestelijke orde, waarvan alom bekend was, dat ze in verval was. De helden wier daden een helder licht werpen op het verloop van deze felle strijd, waarin zowel het volk, de geestelijkheid, de vorst en de regering werden meegesleept, waren de door de Báb gekozen discipelen, de Letters van de Levende en hun metgezellen, de baanbrekers van de Nieuwe Dag; zij stelden tegenover alle gekonkel, domheid, verdorvenheid, wreedheid, bijgeloof en lafheid een verheven, onblusbare en ontzagwekkende geestdrift, een verrassend diepgaande kennis, een meeslepende welsprekendheid, een onovertroffen vroomheid, een onverschrokken leeuwenmoed, een zuivere, heilige zelfverloochening, een granietharde vastberadenheid, een ontzaglijk brede visie, een verering voor de Profeet en Zijn Imáms, een ontwapenende houding ten opzichte van hun tegenstanders, een overredingskracht die de tegenpartij verbijsterde, en een vast geloof en een gedragspatroon, die een uitdaging betekenden voor hun landgenoten en een ommekeer in hun leven teweegbrachten.

De ouverture van de eerste acte van dit grote drama speelde zich af in een kamer op de eerste verdieping van het bescheiden woonhuis van een koopman in Shíráz, in een duistere hoek van de stad. Het was het uur voor zonsondergang van de 22e mei 1844. De hoofdpersonen waren de Báb, een vijfentwintigjarige siyyid van zuivere en heilige afkomst, en de jonge Mullá Husayn, de eerste die in Hem zou geloven. Hun ontmoeting voorafgaand aan hun onderhoud, leek zuiver toevallig te zijn. Het onderhoud zelf zette zich voort tot zonsopgang. De Gastheer had met Zijn gast een geheim onderhoud in die kamer, en de slapende stad had geen flauw idee van het belang van het gesprek dat deze twee met elkaar voerden. Er is niets over deze heel bijzondere nacht voor het nageslacht bewaard gebleven dan alleen het fragmentarische, maar in hoge mate verhelderende verslag uit de mond van Mullá Husayn.

"Ik zat daar als betoverd door Zijn woorden, de tijd vergetend en ook hen die op mij wachtten", heeft hij getuigd, nadat hij de aard van de vragen had beschreven, die hij zijn Gastheer had gesteld, en de overtuigende antwoorden die hij van Hem had gekregen; antwoorden die, zonder enige twijfel, de geldigheid hadden bewezen van Zijn aanspraak de Beloofde Qá'im te zijn. "Plotseling wekte de roep van de mu'adhdhin,2 die de gelovigen tot hun ochtendgebed opriep, mij uit een toestand van extase, waarin ik blijkbaar was geraakt. Alle verrukkingen, alle onuitsprekelijke heerlijkheden, waarvan de Almachtige in Zijn Boek heeft verhaald als de onschatbare bezittingen van het volk van het paradijs, leek ik die nacht te ervaren. Het kwam mij voor alsof ik op een plaats was, waarvan met recht gezegd kan worden: 'Daar zal geen slavenarbeid ons deel zijn en daar zal geen vermoeidheid ons belagen'; 'geen ijdel gepraat zullen zij daar horen, noch enige onwaarheid, doch slechts de roep "Vrede! Vrede!"'; 'hun roep zal daar zijn "Verheerlijkt zijt gij, O God!" en hun begroeting "Vrede!" en het einde van hun roep zal zijn, "Ere zij God, de Heer van alle schepselen!" '. Slaap had ik die nacht in het geheel niet. Ik was geboeid door de muziek van die stem die bij het zingen van de gebeden rees en daalde, nu een aanzwellend terwijl Hij de verzen uit de Qayyúmu'l-Asmá' onthulde, dan weer overgaand in etherische, subtiele harmonieën terwijl Hij de gebeden opzegde die Hij openbaarde. Aan het eind van iedere aanroep herhaalde Hij dit vers, 'Verre van de heerlijkheid van Uw Heer de Alglorierijke, zij dat wat Zijn schepselen van Hem bevestigen. En vrede zij met Zijn Boodschappers! Ere zij God, de Heer van alle wezens!'

En verder heeft Mullá Husayn getuigd, "Deze Openbaring, die zo plotseling en onstuimig op mij afkwam, kwam als een donderslag die mij voor enige tijd leek te hebben verlamd. Ik was verblind door deze schitterende pracht en overstelpt door de verpletterende kracht. Opwinding, vreugde, ontzag en verbazing ontroerden mij tot in het diepst van mijn ziel. Wat bij deze emoties de overhand had was een gevoel van blijdschap en kracht, dat als het ware een geheel ander mens van hij maakte. Hoe zwak en onmachtig, hoe neerslachtig en verlegen had ik mij tevoren gevoeld! Toen kon ik schrijven noch lopen, zo beverig waren mijn handen en voeten. Nu echter had de kennis van deze Openbaring mijn wezen tot nieuw leven gewekt. Ik voelde mij dermate doordrongen van moed en kracht dat ik in staat was geweest een aanslag van de gehele wereld en al haar mensen en heersers alleen en onverschrokken te weerstaan, indien zij tegen mij in het geweer waren gekomen. Het heelal leek maar een handvol stof in mijn greep. Het leek of ik de stem van Gabriël vertegenwoordigde en het hele mensdom kon toeroepen, "Ontwaakt, want voorwaar! het morgenlicht is doorgebroken. Staat op, want Zijn Zaak is geopenbaard. De poort tot Zijn genade staat wijd open; treedt binnen, o volkeren van de wereld! Want Hij Die u beloofd werd is gekomen!""

Er wordt echter een duidelijker licht geworpen op deze episode van de Verkondiging van de zending van de Báb door het nauwgezet lezen van dat "eerste, grootste en machtigste" van alle boeken in de Bábí Beschikking en wel het beroemde commentaar op de Súrih van Jozef, waarvan het eerste hoofdstuk in zijn geheel op die avond der avonden uit de pen van de goddelijke Openbaarder vloeide, naar ons werd verzekerd. De beschrijving van deze episode door Mullá Husayn, evenals de eerste pagina's van dat Boek, getuigen van de grootheid en kracht van deze zo belangrijke Verkondiging. De aanspraak niemand minder te zijn dan de spreekbuis van God Zelf, zoals voorzegd door de Profeten van weleer; de verzekering, dat Hij tevens de heraut was van Iemand, onmetelijk veel groter dan Hijzelf; de dringende oproep die Hij uitbazuinde aan de koningen en vorsten der aarde; de verschrikkelijke waarschuwingen die Hij tot de hoofdmagistraat van het Perzische rijk, Muhammad Sháh richtte; de raadgeving die Hij aan Hájí Mírzá Áqásí gaf om God te vrezen, en de gebiedende opdracht om zijn ambt van grootvizier van de Sjah op te geven en zich te onderwerpen aan Hem, Die de "Erfgenaam van de aarde en alles wat daarop woont" is; de uitdaging aan alle heersers van de wereld, waarin Hij de zelfstandigheid van Zijn Zaak naar voren brengt; de vruchteloosheid van hun kortstondige macht aan de kaak stelt en hen oproept "allen als één man hun heerschappij neer te leggen" en Zijn Boodschap aan "landen in oost en west" bekend te maken - dit alles vormt de overheersende grondslag van dat eerste contact, dat het ontstaan aangaf van, en het tijdstip vaststelde voor het heerlijkste tijdperk in het geestelijke leven van de mensheid.

Met deze historische Verkondiging was de dageraad aangebroken van een tijdperk dat de vervulling is van alle voorgaande tijden. De eerste impuls van een gewichtige Openbaring was verschaft aan degene "zonder wie God niet op de zetel van Zijn barmhartigheid zou zijn gevestigd en evenmin de troon van eeuwige heerlijkheid zou hebben bestegen", zoals de getuigenis in de Kitáb-i-Íqán luidt. Pas nadat er veertig dagen waren verstreken, begon de aanmelding van de zeventien overige Letters van de Levende. zij ontdekten allen, de een langzamerhand, de ander spontaan, sommigen in hun slaap en anderen terwijl zij klaar wakker waren, soms tijdens het vasten en het gebed, of in een droom of visioen, de door hen Gezochte, en werden geschaard onder de banier van het nieuwe Geloof. De laatste, maar in rang de eerste, die werd opgetekend op de Welbewaarde Tafel, was de zeer geleerde, tweeëntwintig jaar oude Quddús, een directe afstammeling van de Imám Hasan en de meest gewaardeerde leerling van Siyyid Kázim. Meteen aan hem voorafgaand werd een vrouw, de enige van haar sekse die, in tegenstelling tot haar mannelijke medediscipelen, de Báb nooit heeft ontmoet, met de rang van apostelschap in de nieuwe Beschikking bekleed. Zij was een dichteres, nog geen dertig jaar oud, van hoge afkomst, van een betoverende charme, van een boeiende welsprekendheid, met een ontembare geestkracht, onorthodox in haar inzichten, moedig in haar optreden, door de "Tong van Heerlijkheid" met de naam Táhirih (de Zuivere) onsterfelijk gemaakt, en door Siyyid Kázim, haar leermeester, met de bijnaam Qurratu'l-'Ayn (Troost voor de Ogen) begiftigd, die, nadat de Báb haar in een droom was verschenen, de eerste aanduiding had ontvangen van een Zaak die bestemd was om haar tot de hoogste hoogten van roem te verheffen en waarover zij, door haar stoutmoedig heldendom, zo'n onvergankelijke luister zou uitstorten.

Deze "eerste Letters, voortgesproten uit het Eerste Punt", deze "op de Dag van Zijn komst voor God opgestelde engelenschare", deze "schatkamers van Zijn Mysterie", deze "bronnen die zijn ontsproten aan de wel van Zijn Openbaring", deze eerste metgezellen die, in de woorden van de Perzische Bayán, "God het meest nabij zijn", deze "hemellichten, die van het begin der tijden zich hebben neergebogen en zich zullen blijven neerbuigen voor de hemelse Troon", en tenslotte deze "oudsten", zoals zij in de Openbaring van Johannes3 worden genoemd, als "gezeten voor God op hun tronen", "gekleed in witte klederen", en op hun hoofden "gouden kronen" - deze Letters werden, voor zij uiteengingen, bij de Báb geroepen, Die tot hen Zijn afscheidswoorden richtte, aan ieder een speciale taak opdroeg en aan enkelen van hen hun eigen provincie als hun werkterrein toewees. Hij legde hun de verplichting op om de grootste voorzichtigheid en gematigdheid in hun optreden te betrachten, onthulde hun de verhevenheid van hun rang en legde de nadruk op hun enorme verantwoordelijkheid. Hij bracht hun de woorden in herinnering, die Jezus tot Zijn discipelen had gesproken en legde de nadruk op de onovertroffen grootheid van de nieuwe Dag, Hij waarschuwde hen, dat zij het Koninkrijk Gods zouden verliezen, indien zij op hun schreden zouden terugkeren en Hij verzekerde hun, dat God hen tot Zijn erfgenamen en tot geestelijke leiders onder de mensen zou maken, indien zij Gods wil opvolgden. Hij maakte een toespeling op het geheim en kondigde de komst aan van een nog machtiger Dag en gebood hun zich op de komst daarvan voor te bereiden. Hij herinnerde hen aan de overwinning van Abraham op Nimrod, van Mozes op de Farao, van Jezus op het joodse volk en van Muhammad op de stammen van Arabië, en verzekerde hun de onvermijdelijke en uiteindelijke overheersende invloed van Zijn eigen Openbaring. Hij liet aan de zorg van Mullá Husayn het uitvoeren van een opdracht over, die meer speciaal van aard en van groter belang was. Hij verzekerde hem dat Zijn verbond met hem was bekrachtigd, waarschuwde hem omzichtig te werk te gaan met de godgeleerden die hij zou ontmoeten, gaf hem te kennen, dat hij naar Tihrán moest gaan, en zinspeelde in gloedvolle bewoordingen op het vooralsnog ongeopenbaarde Mysterie dat in die stad verborgen was - een Mysterie dat, zo verzekerde Hij hem, het licht van zowel Hijáz als Shíráz zou overtreffen.

Aangedreven tot actie door de opdracht die hun was gegeven, en zich op weg begevend om hun gevaarlijke en revolutionaire zending te vervullen, verspreidden zich deze mindere lichtdragers die, tezamen met de Báb, de eerste Váhid (= eenheid) vormen van de Beschikking van de Bayán, wijd en zijd over de provincies van hun geboorteland; zij weerstonden met weergaloze heldenmoed de woeste en beraamde stormloop van de krachten die tegen hen werden opgesteld, en maakten het Geloof door hun eigen heldendaden en die van hun medegelovigen voor altijd onsterfelijk, daarbij een opschudding ontketenend, die hun land in rep en roer bracht en waarvan de echo's zelfs in de verafgelegen hoofdsteden van West-Europa weergalmden.

De Báb besloot evenwel Zijn lange en inspannende pelgrimstocht naar de graven van Zijn voorvaderen pas te maken, als Hij de met spanning verwachte brief van Mullá Husayn, Zijn vertrouwde en geliefde schildknaap, had ontvangen waarin hij de vreugdevolle tijding van zijn onderhoud met Bahá'u'lláh zou melden. In de maand Sha'bán, in het jaar 1260 n.H. (= september 1844) begaf Hij Die zowel van Zijn vaders als van Zijn moeders zijde uit het geslacht van de doorluchtige Fátimih stamde, en Die een afstammeling was van de Imám Husayn, (de meest eminente van de rechtmatige opvolgers van de Profeet van de Islam), zich op weg om, volgens de islamitische traditie, de Kaäba te bezoeken. Hij scheepte Zich, tezamen met Quddús die Hij volijverig voorbereidde op het aanvaarden van zijn toekomstige taak, in op een zeilschip dat op de 19e van Ramadán (in oktober 1844) uit Bushihr4 vertrok. Toen hij na een stormachtige overtocht van een maand in Jaddih5 aankwam, hulde Hij Zich in pelgrimskleren, besteeg een kameel en vertrok naar Mekka, waar Hij op de eerste dag van Dhi'l-Hajjih (12 december) aankwam. Quddús die de teugels vasthield, begeleidde zijn Meester te voet naar dat heiligdom. Op de dag van 'Arafih, zo verhaalt de kroniekschrijver, wijdde de Profeet-pelgrim uit Shíráz al Zijn tijd aan gebed. Op de dag van Nahr vervolgde Hij Zijn weg naar Muná,6 waar Hij volgens het gebruik negentien lammeren offerde: negen uit Zijn eigen naam, zeven uit naam van Quddús en drie uit naam van de Ethiopische bediende die Hem verzorgde. Daarna liep Hij tezamen met de andere pelgrims om de Kaäba heen en volbracht de riten, die voor de pelgrims zijn voorgeschreven.

Zijn bezoek aan Hijáz werd door twee bijzonder belangrijke episoden gekenmerkt. De eerste was de verkondiging van Zijn zending en Zijn openlijke uitdaging aan de hooghartige Mírzá Muhít-i-Kirmání, een van de meest markante exponenten uit de Shaykhí schoolt, die nu en dan zo ver ging, dat hij zich onafhankelijk verklaarde van de leiding van die school, die Hájí Muhammad Karím Khán, een geduchte vijand van het Bábí Geloof, na de dood van Siyyid Kázim aan zich had getrokken. De tweede was de uitnodiging, in de vorm van een door Quddús aan de sheriff van Mekka overhandigde brief, waarin op de bewaarder van het Huis van God een beroep werd gedaan om de waarheid van die nieuwe Openbaring te aanvaarden. In beslag genomen door zijn eigen bezigheden bleef de sheriff hierop het antwoord schuldig. Toen zeven jaar later deze sheriff in de loop van een gesprek met een zekere Hájí Níyáz-i-Baghdádí werd ingelicht over de bijzonderheden van de zending en de marteldood van de Profeet van Shíráz, luisterde hij aandachtig naar de beschrijving van deze gebeurtenissen en uitte hij zijn verontwaardiging over het tragische lot dat Hem was overkomen.

Het bezoek van de Báb aan Medina vormde het slot van Zijn pelgrimstocht. Na Jaddih weer bereikt te hebben, keerde Hij naar Búshihr terug, waar een van de eerste dingen die Hij deed was, afscheid te nemen van Zijn reisgenoot en discipel en hem de verzekering te geven, dat hij de Geliefde van hun hart zou ontmoeten. Hij kondigde hem bovendien aan, dat hij zou worden gekroond met een martelaarsdood en dat Hij Zelf daarna een zelfde lot zou ondergaan door toedoen van hun gemeenschappelijke vijand.

De terugkeer van de Báb in Zijn eigen land (Safar 1261) (februari/maart 1845) was het sein voor een beroering, die het gehele land op zijn grondvesten deed beven. Het vuur dat door de verkondiging van Zijn zending was ontstoken, werd door de verspreiding en de activiteiten van de door Hem aangewezen discipelen aangewakkerd. Reeds binnen twee jaar had het de hartstocht van zowel vriend als vijand doen ontbranden. De grote brand brak uit, nog voordat Degene Die hem had ontstoken, naar Zijn geboorteland was teruggekeerd. De verwikkelingen van een Openbaring, die zo dramatisch was uitgestort over een ras dat zo gedegenereerd en zo ontvlambaar van gemoed was, kon ook trouwens geen andere consequentie hebben dan in het hart van de mensen de hevigste gevoelens van angst, haat, woede en afgunst op te wekken. Een Geloof, waarvan de Stichter Zich niet tevredenstelde met de aanspraak de Poort van de Verheven Imám te zijn, Die voor Zich een rang opeiste, die zelfs die van de Sáhibu'z-Zamán te boven ging, Die Zichzelf beschouwde als de Voorloper van Iemand onvergelijkelijk groter dan Hijzelf, Die zonder tegenspraak te dulden niet alleen de onderdanen van de Sjáh, maar de monarch zelf, en ook de koningen en vorsten der aarde beval alles wat zij hadden op te geven en Hem te volgen; Die er aanspraak op maakte de erfgenaam der aarde met alles wat zich daarop bevindt, te zijn; - een Geloof, waarvan de religieuze leerstellingen, ethische normen, sociale grondbeginselen en religieuze wetten de gehele structuur van de gemeenschap waarin het was ontstaan, tartte, deed al heel gauw te verbazingwekkende eensgezindheid het grootste deel van het volk zich opstellen achter hun priesters en achter hun hoogste overheidspersoon met zijn ministers en regering, en smeedde hen aaneen in een gezworen gezamenlijke tegenstand om de beweging die was ontstaan onder de leiding van Iemand Die zij als een onheilige en aanmatigende huichelaar beschouwden, met wortel en tak uit te roeien.

Men kan zeggen, dat de eerste botsing van onverzoenlijke krachten begon met de terugkeer van de Báb in Shíráz. De energieke en onverschrokken Mullá Alíy-i-Bastámí, een van de Letters van de Levende, de "eerste die het Huis van God (Shíráz) had verlaten en de eerste, die voor Zijn Zaak zou lijden", en die, in het bijzijn van de leidende vertegenwoordigers van de Shi'ah Islam de wijd en zijd bekende Shaykh Muhammad Hasan onversaagd had verzekerd, dat uit de pen van zijn zojuist ontdekte Meester binnen achtenveertig uur evenveel verzen waren gevloeid, als waarvoor de Auteur van de Qur'án drieëntwintig jaar nodig had gehad, was reeds in de ban gedaan, in ketenen geklonken, te schande gemaakt, gevangen gezet en naar alle waarschijnlijkheid ter dood gebracht. Mullá Sádiq-i-Khurá-sání, door de Báb er toe gezet om in de Khasá'il-i-Sab'ih de zeer heilige formule van de adhan te veranderen, deed die in de aldus gewijzigde vorm horen aan een geschandaliseerde congregatie in Shíráz en werd onmiddellijk gearresteerd, bespot, van zijn kleren ontdaan en met duizend stokslagen gegeseld. De schurkachtige Husayn Khán, de Nizámu'd-Dawlih, de gouverneur van Fárs, die de uitdaging vervat in de Qayyúmu'l-Asmá' had gelezen, gelastte dat Mullá Sádiq samen met Quddús en een andere gelovige zonder vorm van proces en in het openbaar moesten worden gestraft. Hij bewerkt dat hun baard werd verbrand en hun neus werd doorboord, waardoor een halster werd vastgemaakt; nadat zij in deze beschamende toestand door de straten waren geleid, werden zij uit de stad verdreven.

De bevolking van Shíráz was ondertussen wild van opwinding. Er woedde een hevige twist in de masjids, de madrisihs, de bazaars en andere openbare gelegenheden. De vrede en veiligheid werden ernstig bedreigd. Angstig, afgunstig en tot grote woede gebracht begonnen de mullás de ernst van hun positie in te zien. De hevig verontruste gouverneur beval de Báb te arresteren. Hij werd onder geleide naar Shíráz gebracht en in het bijzijn van Husayn Khán ernstig berispt en zo hard in het gezicht geslagen, dat Zijn tulband op de grond viel. Door tussenkomst van de Imám-Jum'ih werd Hij op erewoord vrijgelaten en onder de hoede gesteld van Zijn oom van moeders zijde, Hájí Mírzá Siyyid 'Alí. Er kwam een korte periode van ontspanning, waarin het de gevangen Jongeling mogelijk was Naw-Rúz van dat en van het volgende jaar in betrekkelijke rust te vieren in gezelschap van Zijn moeder, Zijn vrouw en Zijn oom. Inmiddels was de koortsachtige opwinding die zijn volgelingen had aangegrepen, overgeslagen naar de leden van de geestelijkheid en naar de koopmansklasse, en drong nu door tot de hogere kringen van de samenleving. Er was trouwens een golf van hartstochtelijk navraag doen over het gehele land gegaan en talloze mensenmenigten luisterden vol verbazing naar de welsprekende en onbevreesde getuigenissen die door de rondreizende boodschappers van de Báb werden gehouden.

De onrust had zulke afmetingen aangenomen, dat de Sjah, niet in staat de toestand nog langer te negeren, zijn vertrouweling Siyyid Yahyáh-i-Dárábí, bijgenaamd Vahíd, een van zijn geleerdste, welsprekendste en invloedrijkste onderdanen - een man die niet minder dan dertigduizend tradities uit het hoofd had geleerd - uitstuurde om de ware gang van zaken na te gaan en daarover rapport aan hem uit te brengen. Ruim van opvatting, met een sterke verbeelding, vurig van natuur en nauw verbonden met het hof, gaf hij zich in de loop van drie gesprekken volledig gewonnen voor de redeneringen en de persoonlijkheid van de Báb. In het eerste gesprek hielden zij zich bezig met de metafysische leringen van de Islam, de meest duistere passages uit de Qur'án en de tradities en profetieën van de Imáms. In de loop van het tweede gesprek was Vahíd zeer verwonderd te bemerken, dat de vragen die hij van plan was geweest ter opheldering voor te leggen, uit zijn sterke geheugen waren weggewist, en ontdekte tot zijn onbeschrijfelijke verbazing, dat de Báb bezig was juist die vragen te beantwoorden, die hij was vergeten. Gedurende het derde gesprek overweldigde de manier waarop de Báb een verhelderend commentaar gaf op de Súrih van Kawthar, die niet minder dan tweeduizend verzen bevat, de afgezant van de Sjah dusdanig, dat hij na slechts een kort schriftelijk rapport aan het hoofd van de hofhouding te hebben gezonden, onverwijld besloot zijn gehele leven en al zijn rijkdommen ten dienste te stellen van een Geloof, dat hem met de kroon van martelaarschap zou belonen tijdens het oproer van Nayríz. Hij die vastbesloten was geweest de argumenten van een onbekende siyyid uit Shíráz te ontzenuwen, Hem te bewegen van Zijn ideeën af te stappen en Hem naar Tihrán te geleiden als een bewijs van het overwicht dat hij op Hem had gekregen, werd genoopt zich te voelen, zoals hij later zelf toegaf, "zo nederig als het stof onder Zijn voeten". Zelfs Husayn Khán, die Vahíd's gastheer was geweest tijdens zijn verblijf in Shíráz, zag zich genoopt aan de Sjah te schrijven en als zijn overtuiging uit te spreken, dat Zijne Majesteits vermaarde afgezant een Bábí was geworden.

Een andere beroemde verdediger van de Zaak van de Báb, met nog vuriger geloofsijver dan Vahíd en bijna net zo verheven in rang, was Mullá Muhammad-'Alíy-i-Zánjání, bijgenaamd Hujjat. Het was een Akhbárí, een heftig polemicus met een vrijmoedig en onafhankelijk temperament die geen dwang verdroeg, een man die het had gewaagd de gehele geestelijke hiërarchie vanaf de Abváb-i-Arba'ih tot de nederigste mullá te veroordelen; deze man had meer dan eens met zijn onovertroffen talenten en vurige welsprekendheid zijn orthodoxe Shí'ah tegenstanders in het openbaar in verwarring gebracht. Zo iemand kon niet onverschillig blijven voor een Geloof dat zo'n diepe kloof tussen zijn landgenoten had doen ontstaan. De discipel die hij naar Shíráz zond om deze zaak te onderzoeken kwam ogenblikkelijk onder de bekoring van de Báb. Het doorlezen van slechts een bladzijde van de Qayyúmu'l-Asmá', die deze boodschapper voor Hujjat mee had teruggebracht, was voldoende om zo'n volledige verandering bij hem teweeg te brengen, dat hij ten aanhoren van de bijeengekomen 'ulamás in zijn geboortestad verklaarde, dat al zou de Auteur van dit werk verklaren, dat de dag nacht was en de zon een schaduw, hij deze uitspraak zonder aarzelen zou verdedigen.

Nog een andere rekruut in het steeds aangroeiende leger van het nieuwe Geloof was de bijzonder geleerde Mírzá Ahmad-i-Azghandí, de best onderlegde, de wijste en aanzienlijkste 'ulamá van Khurásán7 die, in afwachting van de komst van de beloofde Qá'im meer dan twaalfduizend leerstellingen en profetieën aangaande de tijd en de aarde van de verwachte Openbaring had verzameld, deze onder zijn medediscipelen had verspreid en hen had aangemoedigd ze uitgebreid bij alle bijeenkomsten en in alle vergaderingen aan te halen.

Terwijl de toestand in de provincies langzaam maar zeker steeds slechter begon te worden, kwam de verbitterde vijandigheid van het volk van Shíráz snel tot een hoogtepunt. Husayn Khán, op wraak belust, meedogenloos, razend door de verslagen van zijn immer wakende agenten, dat de macht en roem van zijn Gevangene met het uur toenamen, besloot tot onmiddellijke actie over te gaan. Er is zelfs gezegd, dat zijn medeplichtige, Hájí Mírzá Áqásí, hem had bevolen de zogenaamde verstoorder van de staat en de vernietiger van de gevestigde religie in het geheim te vermoorden. Op last van de gouverneur klom de politiecommissaris, 'Abdu-'l-Hamíd Khán, in het holst van de nacht over de muur en ging het huis binnen van Hájí Mírzá Siyyid'Alí, waar de Báb werd gevangen gehouden, arresteerde Hem en verklaarde al Zijn boeken en documenten verbeurd. Diezelfde nacht gebeurde er echter iets dat, doordat het zo onverhoeds en dramatisch was, zonder twijfel door de voorzienigheid was bepaald om de plannen van de samenzweerders te verijdelen en het Voorwerp van hun haat in staat te stellen Zijn beleid voort te zetten en Zijn Openbaring te voltooien. Een plotseling uitbrekende, vernietigende cholera-epidemie had sinds middernacht reeds meer dan honderd mensen getroffen. De angst voor deze plaag had van iedereen bezit genomen en de bewoners van de getroffen stad waren onder het uiten van kreten van pijn en smart in verwarring op de vlucht gegaan. Drie bedienden van de gouverneur waren reeds gestorven. Enkele van zijn familieleden lagen doodziek te bed. In zijn wanhoop vluchtte hij zelf naar een tuin in de buitenwijken van de stad, de doden onbegraven achterlatend. Gesteld tegenover deze onverwachte ontwikkeling besloot 'Abdu'l-Hamíd Khán om de Báb naar zijn eigen huis over te brengen. Hij was ontsteld bij zijn thuiskomst te horen, dat zijn zoon stervende was aan de ziekte. In zijn wanhoop wierp hij zich voor de voeten van de Báb, smeekte Hem om vergeving, bezwoer Hem de zonden van de vader niet op de zoon te verhalen en beloofde plechtig zijn ontslag te nemen en nooit meer een dergelijke functie te aanvaarden. Toen hij bemerkte, dat zijn bede was verhoord, richtte hij een dringend verzoek tot de gouverneur zijn Gevangene vrij te laten en daarmee de noodlottige loop van deze afschuwelijke bezoeking om te buigen. Husayn Khán willigde zijn verzoek in en liet de Gevangene vrij op voorwaarde, dat Hij de stad zou verlaten.

Op wonderlijke wijze gespaard door een almachtige en wakende Voorzienigheid ging de Báb (in september 1846) vergezeld van Siyyid Kazim-i-Zanjání naar Isfáhán. Weer deed er zich een adempauze voor, een korte periode van betrekkelijk rust, waarin de goddelijke gang van zaken die in beweging was gezet, nog verder in vaart toenam, een serie gebeurtenissen verhaastend, die leidden tot de gevangenzetting van de Báb in de forten Máh-Kú en Chihríq en eindigden met Zijn marteldood op het kazerneplein in Tabríz. Zich wel rekenschap gevend van de beproevingen die Hem wachtten, had de Báb, voor Hij voor het laatst van Zijn familie afscheid nam, aan Zijn moeder en aan Zijn vrouw al Zijn bezittingen vermaakt, had de laatste in vertrouwen medegedeeld, wat Zijn lot zou zijn en had voor haar een speciaal gebed geopenbaard waarvan, zoals Hij haar verzekerde, het lezen al haar verslagenheid teniet zou doen en haar verdriet zou verlichten. De eerste veertig dagen van Zijn korte verblijf in Isfáhán werden doorgebracht als gast van Mírzá Siyyid Muhammad, de Sultanu'l-'Ulamá, de Imám-Jum'ih, een van de voornaamste geestelijke hoogwaardigheidsbekleders van het rijk, in overeenstemming met de instructies van de gouverneur van de stad, Manuchihr Khán, de Mu 'Tamidu'd-Dawlih, die van de Báb een brief had gekregen, waarin Hij hem had gevraagd de plaats aan te wijzen, waar Hij zou wonen. Hij werd met ceremonieel ontvangen en de bekoring die van Hem uitging was zo groot, dat een onstuimige menigte op een keer toen Hij terugkeerde uit het badhuis, luide riep om het water waarmede Hij zich had gewassen. Zijn beminnelijkheid was zo onweerstaanbaar, dat Zijn gastheer, de waardigheid van zijn rang geheel uit het oog verliezend, Hem persoonlijk placht te bedienen. Op verzoek van deze prelaat openbaarde de Báb hem op een avond na het eten Zijn bekende commentaar op de súrih van Va'l-'Asr. Met onvoorstelbare snelheid schrijvend had Hij een paar uur aan de uiteenzetting van de betekenis van slechts de eerste letter van deze súrih gewijd - een letter waarop Shaykh Ahmad-i-Ahsá'í de nadruk had gelegd en waarnaar Bahá'u'lláh verwijst in de Kitáb-i-Aqdas - verzen, die in aantal gelijk stonden met eendere van de Qur'án; dit voorval ontlokte zo'n uitbarsting van eerbiedige verbazing aan degenen die hiervan getuige waren, dat zij opstonden en de zoom van Zijn kleed kusten.

De onstuimige geestdrift van de bevolking van Isfáhán groeide intussen zichtbaar. Grote mensenmenigten, sommigen gedreven door nieuwsgierigheid, anderen er op uit om de waarheid te weten te komen, weer anderen verlangend om van hun kwalen te worden genezen, zwermden uit alle delen van de stad naar het huis van de Imám-Jum'ih. De wijze en rechtschapen Manúchihr Khán kon de verleiding niet weerstaan om deze vreemde en raadselachtige Persoon te bezoeken. Voor een briljante bijeenkomst van de begaafdste godgeleerden verzocht hij, een Georgiër van afkomst en een Christen van geboorte, de Báb om de waarheid van Muhammad's specifieke zending uiteen te zetten en aan te tonen. Op dit verzoek, dat de aanwezigen geneigd waren af te slaan, ging de Báb bereidwillig in. In minder dan twee uur had Hij in vijftig bladzijden niet alleen een heel precieze, sterke en originele verhandeling over dit edele thema gegeven, maar had het tevens verbonden aan zowel de komst van de Qá'im als aan de terugkeer van de Imám Husayn - een uiteenzetting, die Manúchihr Khán zonder omhaal ertoe bracht voor het front van die vergadering zijn geloof in de Profeet van de Islam te verklaren, alsook zijn erkenning van de bovennatuurlijke gaven, waarmee de Auteur van een zo overtuigende verhandeling was begiftigd.

Deze bewijzen van het groeiende overwicht, dat door een ongeletterde Jongeling werd uitgeoefend op de gouverneur en de bevolking van een stad die terecht gold als een van de bolwerken van de Shí'ah Islam, verontrustten de geestelijke gezagsdragers. Zich onthoudend van elke daad van openlijke vijandigheid die, zoals zij zeer wel begrepen, hun plan zou verijdelen, probeerden zij door het verspreiden van de wildste geruchten de grootvizier van de Sjah ertoe te krijgen een toestand te redden, die met het uur dringender en dreigender werd. De populariteit die de Báb genoot, Zijn persoonlijk gezag en de eer die Hem door Zijn landgenoten werd betoond, hadden nu hun toppunt bereikt. De wolken van de komende ondergang begonnen zich snel boven Hem samen te pakken. De rampspoeden volgden elkaar vanaf dat ogenblik snel op, om te culmineren in Zijn eigen dood en de ogenschijnlijke uitblussing van de invloed van Zijn Geloof.

De aanmatigende en sluwe Hájí Mírzá Áqásí, beducht dat de invloed van de Báb zich tot zijn heer en meester zou uitstrekken en aldus zijn eigen noodlot zou bezegelen, was verontrust als nooit tevoren. Aangespoord door het vermoeden dat de Báb de heimelijke sympathie van de Mu'tamid had, en zich terdege bewust van het vertrouwen dat de Sjah in hem stelde, laakte hij streng de Imám-Jum'ih voor het verzaken van zijn heilige plicht. Tezelfdertijd schonk hij in diverse brieven met kwistige hand zijn gunsten aan de 'ulamás van Isfáhán, die hij tevoren had genegeerd. Vanaf de kansels begonnen opgezweepte geestelijken schimpscheuten en laster rond te strooien over de geestelijke Vader van wat voor hen een gehate en zeer gevreesde ketterij was. De Sjah zelf voelde zich gedrongen de Báb naar de hoofdstad te ontbieden. Manúchihr Khán, aan wie was verzocht Zijn vertrek te regelen, besloot om Zijn verblijfplaats tijdelijk naar zijn eigen huis te verplaatsen. Intussen riepen de mujtahids en de 'ulamás, onthutst door de tekenen van een zo doordringende invloed, een samenkomst bijeen, die een beledigend document opstelde, dat getekend en gezegeld werd door de geestelijke leiders van de stad, waarin de Báb voor ketter werd uitgemaakt en men Hem ter dood veroordeelde. Zelfs de Imám-Jum'ih werd gedwongen een schriftelijke getuigenis bij te voegen, dat de Beschuldigde verstoken was van rede en oordeel. De Mu'tamid, in hoge mate in verlegenheid gebracht, en pogend het groeiende tumult te bezweren, maakte een plan op waarbij een steeds weerspanniger bevolking werd wijsgemaakt, dat de Báb naar Tihrán was vertrokken, terwijl hij in werkelijkheid er in slaagde voor Hem een kort uitstel van vier maanden te garanderen in de beslotenheid van de 'Imárat-i-Khurshíd, het privé woonhuis van de gouverneur van Isfáhán. In die dagen sprak de gastheer de wens uit om al zijn bezittingen die door zijn tijdgenoten op niet minder dan 40 miljoen franken werden geschat, in te zetten voor de bevordering van de belangen van het nieuwe Geloof, vertelde van zijn plan om Muhammad Sháh te bekeren, hem ertoe te brengen zich te ontdoen van een schaamteloze en losbandige minister en om de toestemming van de vorst te verkrijgen voor het huwelijk van een van zijn zusters met de Báb. De plotselinge dood echter van de Mu'tamid, die door de Báb was voorspeld, versnelde het verloop van de naderende crisis. De meedogenloze en hebzuchtige Gurgín Khán, de plaatsvervangende gouverneur, zette de Sjah ertoe aan een tweede oproep uit te vaardigen, waarin werd gelast dat de gevangen Jongeling in vermomming naar Tihrán moest worden gezonden, onder geleide van een bereden escorte. Aan deze schriftelijke opdracht van de vorst gaf de laaghartige Gurgín Khán die kort tevoren het testament van zijn oom, de Mu'tamid, had ontdekt, het had vernietigd en zich meester had gemaakt van zijn bezittingen, zonder aarzelen gehoor. Op een afstand van minder dan 50 kilometer van de hoofdstad gaf een koerier echter in het fort Kinár-Gird aan Muhammad Big, het hoofd van het escorte, een schriftelijk bevel van Hájí Mírzá Áqásí, waarin hem werd opgedragen naar Kulayn koers te zetten en daar verdere instructies af te wachten. Dit werd korte tijd later gevolgd door een brief die de Sjah zelf aan de Báb had gericht, gedateerd Rabí'u'th-thání 1263 (19 maart - 17 april 1847)die, hoewel in hoffelijke bewoordingen gesteld, duidelijk de omvang aanduidde van de verderfelijke invloed van de grootvizier op de vorst. De zo innig gekoesterde plannen van Manúchihr Khán werden nu volledig ongedaan gemaakt. Het fort Máh-Kú, niet ver van het dorp van dezelfde naam, waarvan de inwoners lange tijd het beschermheerschap van de grootvizier hadden genoten, gelegen in de noordwesthoek van Ádhirbáyján, werd de plaats voor de gevangenzetting van de Báb, die door Muhammad Sháh was aangewezen op aanraden van zijn verraderlijke minister. Slechts één metgezel en één bediende uit Zijn groepje volgelingen werd toegestaan hem gezelschap te houden in deze sombere en ongastvrije omgeving. Die oppermachtige en sluwe minister was, onder voorwendsel dat zijn heer en meester noodzakelijk zijn directe aandacht moest concentreren op een recent oproer in Khurásán en een opstaand in Kirmán, er in geslaagd een plan te verijdelen dat, was het doorgegaan, een zeer ernstige terugslag op zijn eigen welzijn zou hebben gehad, alsook op het directe lot van zijn regering, de heerser en het volk.

HOOFDSTUK II
De gevangenschap van de Báb in Ádhirbáyján

De periode van de Báb's verbanning naar de bergen van Ádhirbáyján. die niet minder dan drie jaar duurde, vormt de droevigste, de meest tragische en in zeker opzicht de meest geladen fase van Zijn zesjarig beleid. Ze bevat de negen onafgebroken maanden van opsluiting in het fort Máh-Kú en zijn daarop volgende kerkering in het fort Chihríq, die slechts door een kort, zij het gedenkwaardig bezoek aan Tabríz werd onderbroken. Over die gehele tijd lag de schaduw van de onverzoenlijke en steeds toenemende vijandigheid van de twee machtigste tegenstanders van het Geloof, de grootvizier van Muhammad Sháh, Hájí Mirzá Áqásí, en de Amír-Nizám, de grootvizier van Násiri'd-Dín Sháh. Het komt overeen met de meest kritieke fase in de zending van Bahá'u'lláh tijdens Zijn verbanning naar Adrianopel,1 toen Hij kwam te staan tegenover de despotische Sultán 'Abdu'l-'Azíz en zijn ministers 'Álí Páshá en Fu'ad Páshá, en wordt geëvenaard door de donkerste dagen van 'Abdu'l-Bahá'í beleid in het Heilige Land onder het drukkende bewind van de heerszuchtige Jamál Páshá. Shíráz was het gedenkwaardige toneel geweest van de historische Verkondiging van de Báb; Isfáhán had Hem, hoe kort ook, tot toevluchtsoord van betrekkelijke rust en veiligheid gediend, terwijl Ádhirbáyján het toneel zou worden voor Zijn lijden en martelaarschap. Deze laatste jaren van Zijn aards bestaan zullen de geschiedenis ingaan als de tijd, dat de nieuwe Beschikking tot volle ontplooiing kwam; dat haar wetten werden geformuleerd; het Verbond van haar Auteur stevig werd verankerd; haar onafhankelijkheid werd afgekondigd en de heldenmoed van haar voorvechters in onsterfelijke heerlijkheid schitterde. Want juist in deze intens dramatische, door het lot bezwaarde jaren werd de volle betekenis van de rang van de Báb aan Zijn leerlingen onthuld, en officieel door Hem in de hoofdstad van Ádhirbáyján, in aanwezigheid van de troonopvolger, bekend gemaakt werd de Perzische Bayán, de schatkamer van de door de Báb ingestelde wetten, geopenbaard; werden de tijd en het karakter van de Beschikking van "Degene Dien God zal openbaren" onmiskenbaar vastgesteld; werd tijdens de conferentie van Badasht de afschaffing van de oude orde verkondigd; en werden de grote branden van Mázin-darán, Nayríz en Zanján aangestoken.

En toch was de domme, kortzichtige Hájí Áqásí zo dwaas zich te verbeelden dat hij, door het plan van de Báb te verijdelen om de Sjah in de hoofdstad van aangezicht tot aangezicht te ontmoeten, en door Hem naar de verst verwijderde plek in het rijk te verbannen, daarmee de Beweging in de kiem had gesmoord, en spoedig beslissend over haar Stichter zou triomferen. Weinig kon hij vermoeden, dat juist deze door hem opgelegde afzondering zijn Gevangene in staat zou stellen het Stelsel te ontvouwen, bedoeld om de ziel van het Geloof te belichamen en Hem de gelegenheid zou geven het voor ontbinding en scheuring te vrijwaren en officieel en openlijk Zijn zending te verkondigen. Weinig kon hij vermoeden, dat juist deze opsluiting de verbitterde volgelingen en metgezellen van de Gevangene ertoe zou aansporen de boeien van een verouderde theologie af te werpen en gebeurtenissen te bespoedigen, die in hen een dapperheid, een moed en een zelfverloochening zouden oproepen, die hun weerga in de geschiedenis van het land niet hadden. Weinig kon hij vermoeden, dat hij juist door deze handeling het instrument zou worden voor de vervulling van de authentieke traditie die aan de Profeet van de Islam wordt toegeschreven met betrekking tot wat onvermijdelijk in Ádhirbáyján zou gebeuren. Daar hij niets had geleerd van het voorbeeld van de gouverneur van Shíráz, die bevend van angst bij de eerste voorproef van Gods wrekende gramschap smadelijk was gevlucht en de greep op zijn Gevangene had gevierd, was op zijn beurt de grootvizier van Muhammad Sháh door de verordeningen die hij had uitgevaardigd, bezig voor zich zelf ernstige en onvermijdelijke teleurstellingen te vergaren en de weg te banen voor zijn eigen uiteindelijke val.

Zijn bevelen aan 'Alí Khán, de bewaker van het fort Máh-Kú, waren streng en overduidelijk. Op Zijn tocht naar dat fort bracht de Báb een aantal dagen in Tabríz door, dagen die werden gekenmerkt door zo'n enorm enthousiasme van de zijde van de bevolking, dat niemand van het publiek of van Zijn volgelingen, op een paar na, Hem mochten ontmoeten. Toen Hij door de straten van de stad werd gevoerd, klonk van alle kanten de roep "Alláh-u-Akbar". Het geschreeuw werd inderdaad zo luid, dat de stadsomroeper werd opgedragen de inwoners te waarschuwen, dat wie er ook zou proberen zich in de nabijheid van de Báb te wagen, al zijn bezittingen zou verbeuren en zou worden gevangen gezet. Bij zijn aankomst in Máh-Kú, door Hem Jabal-i-Básit (de Open Berg) genoemd, werd het niemand toegestaan Hem de eerste weken te bezoeken, behalve Zijn amanuensis, Siyyid Husayn en diens broer. Zijn toestand in dat fort was zo smartelijk, dat Hij in de Perzische Bayán heeft beschreven, toen Hij 's avonds geen lamp kon aansteken, dat Zijn eenzame kamer, opgetrokken uit lemen bakstenen, niet eens een deur had, en dat Hij in Zijn Tafel aan Muhammad Sháh erover klaagde, dat de medebewoners van het fort slechts uit twee bewakers en vier honden bestonden.

Afgezonderd op de top van een onbereikbare en gevaarlijk gelegen berg op de grens van het ottomaanse en het Russische rijk; opgesloten binnen de massieve muren van een fort met vier torens; afgesneden van Zijn gezin, Zijn familie en Zijn volgelingen; levend in de buurt van een dweepzieke en onstuimige gemeenschap die door afkomst, tradities, taal en geloof verschilde van het merendeel van de bewoners van Perzië; bewaakt door het volk van een district waarin de grootvizier was geboren en daardoor speciale gunsten van zijn bestuur had gekregen, scheen de Gevangene van Máh-Kú in de ogen van Zijn tegenstanders gedoemd in de bloei van Zijn jeugd daar te verkwijnen en binnen niet al te lange tijd getuige te zijn van de volledige vernietiging van Zijn verwachtingen. Deze zelfde tegenstander zou echter spoedig moeten erkennen hoe verkeerd hij zowel zijn Gevangene als degenen aan wie hij zijn gunsten had verleend, had beoordeeld. Een onhandelbaar, trots en onnadenkend volk kwam gaandeweg in de ban van de innemendheid van de Báb, werd gelouterd door Zijn bescheidenheid, gesticht door Zijn raadgevingen, en onderricht door Zijn wijsheid. Zij werden zo meegesleept door hun liefde voor Hem, dat zij iedere ochtend, ondanks de tegenwerpingen van de dominerende 'Alí Khán en de herhaalde dreigementen van disciplinaire maatregelen uit Tihrán, allereerst een plek zochten vanwaar zij een glimp van Zijn gezicht konden opvangen en van verre Zijn zegen over hun dagelijkse arbeid konden afsmeken. In gevallen van meningsverschil maakten zij er een gewoonte van zich naar de voet van het fort te spoeden en met hun blik gericht op Zijn vertrekken Zijn naam aan te roepen en elkaar te bezweren de waarheid te zeggen. Onder de indruk van een vreemd visioen voelde 'Alí Khán zich zo verootmoedigd, dat hij zich gedrongen (dit moet denk ik gedwongen zijn) voelde de strakke tucht te verminderen als boetedoening voor zijn vroeger gedrag. Zijn toegevendheid werd zo groot, dat hij een groeiende stroom enthousiaste en godvruchtige pelgrims begon toe te laten tot de poorten van het fort. Onder hen was de onvervaarde en onvermoeibare Mullá Husayn, die de hele weg van Mashhad2 in het oosten van Perzië, naar Máh-Kú, de meest westelijk gelegen buitenpost van het rijk, te voet had afgelegd en die toen in de gelegenheid was om na deze bijzonder moeilijke tocht samen met zijn Geliefde in 1848 het Naw-Rúz feest te vieren.

Geheime agenten echter, die belast waren de gangen van 'Alí Khán na te gaan, berichtten Hájí Mirzá Áqásí over de wending die de gebeurtenissen namen, waarop deze onmiddellijk besloot de Báb over te brengen naar het fort Chihríq (ongeveer 10 april 1848), dat door Hem Jabal-i-Shadíd (de Berg van Smart) werd genoemd. Daar werd hij overgeleverd aan het wakend oog van Yahya-Khán, een zwager van Muhammad Sháh. Hoewel deze zich in het begin met straffe hand aan de opdracht hield, was hij toch tenslotte genoodzaakt te zwichten voor de betovering van zijn Gevangene. Evenmin waren de Kurden die in het dorp Chihríq woonden, en wier haat tegen de Shí'ahs zelfs die van de inwoners van Máh-Kú overtrof, in staat de alles doordringende macht van de Gevangene te weerstaan. Ook hen kon men iedere morgen bij de aanvang van hun dagelijks werk het fort zien naderen en zich in verering zien neerwerpen voor de heilige Bewoner ervan. Een Europese ooggetuige schrijft in zijn mémoires over de Báb, "De toeloop van mensen was zo groot dat, aangezien de binnenplaats niet groot genoeg was om al Zijn toehoorders te bergen, de meesten op straat bleven staan en zo in vervoering luisterden naar de verzen van de nieuwe Qur'án".

Inderdaad overtrof de in Chihríq gerezen beroering verre de tonelen die Máh-Kú te zien had gegeven. Verdienstelijke siyyids, uitmuntende 'ulamás en zelfs regeringsfunctionarissen omhelsden moedig en snel de Zaak van de Gevangene. De bekering van de vurige, beroemde Mirzá Asadu'lláh, bijgenaamd Dayyán, een vooraanstaande beambte met een literaire befaamdheid, die later door de Báb werd begiftigd met de "verborgen en geheime kennis" en werd verheven tot de "bewaarplaats van het toevertrouwde pand van de ene ware God", alsmede de aankomst van een derwisj, een vroegere navváb uit India, aan wie de Báb in een visioen was verschenen en waarin Hij hem had opgedragen zijn rijkdom en positie op te geven en zich te voet naar Hem in Ádhirbáyján te spoeden, brachten de toestand tot een kookpunt. Verslagen over deze opzienbarende gebeurtenissen bereikten Tabríz, werden vandaar doorgegeven naar Tihrán en dwongen Hájí Mirzá Áqásí andermaal in te grijpen. Dayyáns vader, een intieme vriend van deze minister, had tegenover hem reeds zij grote bezorgdheid geuit over de manier waarop kundige staatsfunctionarissen werden gewonnen voor het nieuwe Geloof. Om de gemoederen wat tot bedaren te brengen, werd de Báb naar Tabríz ontboden. Beangst voor het enthousiasme van het volk van Ádhirbáyján besloten degenen onder wier bewaking de Báb was gesteld, van hun route af te wijken en de stad Khuy te mijden en in plaats daarvan de weg door Urúmíyyih te gaan. Bij Zijn aankomst in die stad ontving prins Malik Qásim Mirzá Hem met veel ceremonieel en op een vrijdag, toen zijn Gast zich rijdend naar het badhuis begaf, kon men opmerken hoe hij Hem te voet vergezelde terwijl intussen het voetvolk van de prins alles in het werk stelde om het volk in bedwang te houden, dat in zijn overweldigende geestdrift samenstroomde om een glimp van deze wondere Gevangene op te vangen. Tabríz was de volgende stad, waar men in vlagen van opwinding Hem verheugd inhaalde. Zo vurig waren de gevoelens van de bevolking, dat de Báb een verblijfplaats werd toegewezen buiten de poorten van de stad. Dit kon de heersende emoties echter niet tot rust brengen. Voorzorgsmaatregelen, waarschuwingen en verboden droegen er slechts toe bij een situatie te verergeren, die reeds kritiek was geworden. Op dit hachelijke moment vaardigde de grootvizier zijn historische bevel uit tot het onmiddellijk bijeenroepen van de geestelijke hoogwaardigheidsbekleders van Tabríz om de meest doeltreffende maatregelen te bespreken om eens en voor al de vlammen van deze alles vernietigende brand te blussen.

De gebeurtenissen die met de ondervraging van de Báb gepaard gingen als gevolg van deze onbezonnen daad, mogen wel worden gerekend tot de belangrijkste mijlpaal in Zijn dramatische loopbaan. De vooropgezette bedoeling van deze vergadering was, de Gevangene voor de rechtbank aan te klagen en te overleggen, welke stappen moesten worden genomen tot het uitroeien van Zijn beweerde ketterij. In plaats daarvan verschafte het Hem de onschatbare gelegenheid tijdens Zijn zending in het openbaar, formeel en zonder enige terughoudendheid, de aanspraken verbonden aan Zijn Openbaring te verkondigen. In de officiële residentie en in tegenwoordigheid van de gouverneur van Ádhirbáyján, Násiri'd-Dín Mirzá, de troonopvolger; onder voorzitterschap van Hájí Mullá Mahmud, de Nizámu'l-'Ulamá, de persoonlijke onderwijzer van de prins; voor de verzamelde geestelijke hoogwaardigheidsbekleders van Tabríz, de leiders van de Shaykhí gemeenschap; de Shaykhu'l-Islám en de Imám-Jum'ih, gaf de Báb, die was gaan zitten op de erezetel die voor de Valí-'Ahd (de troonopvolger) was neergezet, met luide stem Zijn befaamde antwoord op de vraag, die Hem door de voorzitter van de vergadering werd gesteld. "Ik ben", riep Hij uit, "Ik ben, Ik ben de Beloofde! Ik ben Degeen, Wiens naam u duizend jaar lang hebt aangeroepen, bij het noemen van Wiens naam gij zijt opgestaan, Wiens komst gij zo lang hebt verbeid, en het uur van Wiens Openbaring gij God hebt gebeden te bespoedigen. Waarlijk, Ik zeg u, het is de plicht van de volkeren in zowel het oosten als het westen Mijn woord te gehoorzamen en plechtig te beloven trouw te zijn aan Mijn Persoon".

Als door de bliksem getroffen lieten de aanwezigen voor een ogenblik het hoofd in stille verwarring hangen. Toen verzamelden Mullá Muhammad-i-Mamáqání, de eenogige, witgebaarde afvallige, voldoende moed en schold Hem met zijn karakteristieke onbeschaamdheid uit voor een doortrapte en verachtelijke volgeling van Satan; daarop antwoordde de onverschrokken Jongeling, dat Hij handhaafde wat Hij zojuist had verklaard. Op de vervolgens door de Nizámu-'l-'Ulamá tot Hem gerichte vraag, bevestigde de Báb, dat Zijn woorden het bij uitstek onbetwistbare bewijs van Zijn zending vormden, haalde verzen uit de Qur'án aan om de waarheid van Zijn beweringen aan te tonen en zei in staat te zijn binnen twee dagen en twee nachten net zoveel verzen te openbaren als er in dat hele Boek stonden. In antwoord op een geuite kritiek, waarbij Hij er op attent werd gemaakt inbreuk te hebben gemaakt op de regels der grammatica, citeerde Hij bepaalde passages uit de Qur'án als extra bewijs; en ferm en waardig een lichtzinnige en niet ter zake doende opmerking die een van de aanwezigen Hem toewierp terzijde schuivend, ontbond Hij kortweg de vergadering door op te staan en de zaal te verlaten. De bijeenkomst ging daarop uiteen; de leden waren verward, onderling verdeeld en zeer verbolgen en vernederd, omdat zij hadden gefaald hun doel te bereiken. Verre van de geest van de Gevangene te breken, verre van te bereiken, dat Hij Zijn zending herriep of opgaf, resulteerde deze vergadering slechts in de beslissing, waartoe men na eindeloos geargumenteer en gedebatteer kwam, om Hem aan de bastonnade te onderwerpen, uitgevoerd door, en in het gebedshuis van de harteloze en inhalige Mirzá 'Alí-Asghár, de Shaykhu'l-Islám van die stad. Daar zijn plannen waren verijdeld, was Hájí Mirzá Áqásí gedwongen opdracht te geven de Báb naar Chihríq terug te brengen.

Deze dramatische, deze onvoorwaardelijke en formele verkondiging van de profetische zending van de Báb was niet de enige consequentie van de dwaze handeling, die de Auteur van een zo belangrijke Openbaring veroordeelde tot een opsluiting van drie jaar in de bergen van Ádhirbáyján. Deze periode van gevangenschap in een verafgelegen deel van het rijk, ver weg van de stormachtige centra Shíráz, Isfáhán en Tihrán, verschafte Hem de noodzakelijke vrije tijd om te beginnen met Zijn meest monumentale werk, evenals zich bezig te houden met andere, bijkomstige geschriften, bestemd om de gehele strekking te ontvouwen van, en volle kracht te verlenen aan Zijn kortstondige doch geweldige Beschikking. Of het nu de omvang van de geschriften betreft, die uit Zijn pen vloeiden, of de verscheidenheid van onderwerpen die Hij daarin behandelde, Zijn Openbaring is volkomen ongeëvenaard in de annalen van enige voorgaande religie. Zelf verklaarde Hij tijdens Zijn opsluiting in Máh-Kú, dat tot die tijd Zijn geschriften, handelende over zeer uiteenlopende onderwerpen, meer dan vijfhonderdduizend verzen bevatten.

Bahá'u'lláh's getuigenis in de Kitáb-i-Iqán luidt, "De verzen, die uit de wolken der genade van de Almilddadige neerregenden, zijn zo overvloedig, dat niemand nog in staat is geweest hun aantal te schatten. Twintig boeken zijn nu beschikbaar. Hoevele blijven nog buiten ons bereik! Hoevele zijn er geroofd en in handen van de vijand gevallen; hoevele, waarvan niemand iets weet!" Niet minder boeiend is de verscheidenheid van onderwerpen, die deze lijvige geschriften bieden, zoals gebeden, predikaties, redevoeringen, Tafelen van Ontmoeting, wetenschappelijke verhandelingen, leerstellige dissertaties, vermaningen, commentaren op de Qur'án en op verschillende tradities, brieven aan de hoogste godsdienstige en geestelijke hoogwaardigheidsbekleders in het rijk, en wetten en voorschriften voor de bestendiging van Zijn Geloof, en de verdere aanwijzingen voor de activiteiten daarvan.

Reeds in Shíráz had Hij in het eerste stadium van Zijn beleid een boek geopenbaard, dat Bahá'u'lláh heeft gekenschetst als "het eerste, het grootste en machtigste van alle boeken" in de Bábí beschikking, het beroemde commentaar op de Suríh van Jozef, getiteld Qayyúmu'l-Asmá', waarvan de fundamentele opzet was te voorspellen, wat de ware Jozef (Bahá'u'lláh) in een volgende Beschikking te verduren zou krijgen door toedoen van iemand die Zijn aartsvijand en tevens Zijn eigen broer was. Dit werk, bestaande uit meer dan negenduizenddriehonderd verzen en verdeeld in honderdelf hoofdstukken, waarvan ieder hoofdstuk een commentaar is op een vers van de bovengenoemde súrih, begint met de klaroenstoot en ernstige waarschuwingen van de Báb, gericht tot de "schare van koningen en de zonen van koningen"; voorspelt de ondergang van Muhammad Sháh; draagt zijn grootvizier, Hájí Mirzá Áqásí, op zijn gezaghebbende functie neer te leggen; waarschuwt de gehele moslem geestelijkheid; vermaant nog meer in het bijzonder de leden van de Shí'ah gemeenschap; prijst de deugden en kondigt de komst aan van Bahá'u'lláh, het Relict van God", de "grootste Meester"; en verkondigt in ondubbelzinnige taal de zelfstandigheid en universaliteit van de Bábí Openbaring, ontsluiert haar belang en bevestigt de onvermijdelijke zege van haar Auteur. Het schrijft bovendien "de mensen uit het westen" voor: "trekt weg uit uw steden en bevordert de Zaak Gods"; waarschuwt de volkeren der aarde voor de "verschrikkelijke, de smartelijkste wraak van God"; dreigt de gehele islamitische wereld met "het grootste Vuur" zo zij zich afwenden van de nieuw geopenbaarde Wet; duidt van tevoren het martelaarschap van de Auteur aan; zingt de lof van de hoge staat die is weggelegd voor het volk van Bahá, de "metgezellen van de karmozijnrode Ark"; voorspelt het vervagen en de algehele vernietiging van enkele van de grootste hemellichten aan het firmament van de Bábí Beschikking; en voorzegt zelfs "kwellende foltering" in zowel de "Dag van Onze Terugkeer", als in de "wereld die komen gaat" voor de overweldigers van het imamaat die "oorlog voerden, tegen Husayn (de Imám Husayn) in het land van de Eufraat".

Dit Boek hebben de Bábí's gedurende bijna de gehele periode van het beleid van de Báb beschouwd als de Qur'án van het volk van de Bayán; waarvan het eerste en meest uitdagende hoofdstuk was geopenbaard in bijzijn van Mullá Husayn op de avond van de Verkondiging van zijn Auteur; waarvan enkele bladzijden door genoemde discipel naar Bahá'u'lláh werden gebracht als de eerste vruchten van een Openbaring waaraan Hij ogenblikkelijk Zijn geestdriftige steun gaf; waarvan de gehele tekst in het Perzisch werd vertaald door de briljante en begaafde Táhirih; waarvan diverse passages de haat van Husayn Khán deden ontbranden en de eerste uitbarsting van vervolgingen in Shíráz bespoedigden; waarvan een enkele pagina tot de verbeelding van Hujjat had besproken en zijn ziel in vervoering had gebracht; en waarvan de inhoud de onversaagde verdedigers van het fort Shaykh Tabarsí en de helden van Nayríz en Zanján in vuur en vlam had gezet.

Dit werk, van zo hoge verdienste en van zo verreikende invloed, werd gevolgd door de openbaring van de eerste Tafel van de Báb aan Muhammad Sháh; door Zijn Tafelen aan Sultán 'Abdu'l-Majíd en aan Najíb Páshá, de Válí van Baghdád; door de Sahifiy-i-baynu'l-Haramayn, geopenbaard tussen Mekka en Medina, als antwoord op vragen van Mirzá Muhtít-i-Kirmání; door de brief aan de sheriff van Mekka; door de Kitábu'r-Ruh, die zevenhonderd súrihs bevat; door de Khasá'il-i-Sab'ih, die de verandering in het voorschrift van de adhan gebood; door de Risaliy-i-Furu'-i-Adliyyih, overgezet in het Perzisch door Mullá Muhammad Taqíy-i-Harátí; door het commentaar op de súrih van Kwathar dat zo'n verandering in het gemoed van Vahíd teweegbracht; door het commentaar op de súrih van Va'l-'Asr in het huis van de Imám-Jum'ih van Isfáhán; door de uiteenzetting van de bijzondere zending van Muhammad, geschreven op verzoek van Manúchihr Khán; door de tweede Tafel aan Muhammad Sháh, waarin Hij hem om een audiëntie verzocht opdat Hij de waarheid van de nieuwe Openbaring kon uiteenzetten en zijn twijfel wegnemen; en door de Tafelen vanuit het dorp Síyah-Dihán gezonden aan de 'ulamás van Qasvín3 en aan Hájí Mirzá Áqásí, waarin Hij hem vraagt naar de oorzaak van de plotselinge verandering in zijn besluit.

Het grootste deel van de geschriften, uit het vruchtbare brein van de Báb ontsproten, was echter voorbehouden voor de periode van Zijn opsluiting in Máh-Kú en Chihríq. Uit deze periode stammen waarschijnlijk de talloze brieven die de Báb, zoals werd bevestigd door niemand minder dan Bahá'u'lláh, speciaal richtte aan de godgeleerden van iedere stad In Perzië evenals aan diegenen, die woonden in Najaf en Karbilá,4 waarin Hij tot in de kleinste onderdelen de fouten beschreef, die ieder van hen had begaan. Gedurende Zijn gevangenschap in het fort Máh-Kú openbaarde Hij, volgens de getuigenis van Shaykh Hasan-i-Zunúzí (die tijdens die negen maanden de verzen die de Báb aan Zijn amanuensis dicteerde, overschreef), niet minder dan negen commentaren op de gehele Qur'án, commentaren waarvan het lot helaas onbekend is en waarvan er een, zoals de Auteur althans Zelf bevestigde, in sommige opzichten een zo terecht beroemd boek als de Qayyúmu'l-Asmá' overtrof.

Binnen de muren van genoemd fort werd de Bayán (Uiteenzetting) geopenbaard - die grootste bewaarplaats van de wetten en voorschriften van de nieuwe Beschikking en de schatkamer waarin de meeste van de Báb's verwijzingen en huldebetuigingen aan, zo goed als Zijn waarschuwingen met betrekking tot "Hem Dien God zal openbaren", waren geborgen. Ongeëvenaard onder de leerstellige werken van de Stichter van de Bábí Beschikking, bestaande uit negen Váhids (eenheden) van ieder negentien hoofdstukken, op de laatste Váhid na, die slechts tien hoofdstukken bevat; niet te verwarren met de kleinere en minder belangrijke Arabische Bayán die in dezelfde tijd werd geopenbaard; de mohammedaanse profetie vervullend dat "een Jongeling uit de Bani-Háshim ... een nieuw Boek zal openbaren en een nieuwe wet zal invoeren"; volledig gevrijwaard van de tussenvoegingen en knoeierijen die het lot waren van zo veel minder belangrijke werken van de Báb, moet dit Boek van ongeveer achtduizend verzen dat een centrale plaats inneemt in de Bábí literatuur, veeleer worden beschouwd als een lofzang op de Beloofde dan als een verzameling wetten en voorschriften die moet dienen als een blijvende gids voor komende generaties. Dit Boek schafte tegelijk de wetten en het ceremonieel af die in de Qur'án waren voorgeschreven met betrekking tot gebed, vasten, huwelijk, echtscheiding en erfrecht, en handhaaft volledig het geloof in de profetische zending van Muhammad, net als de Profeet van de Islam vóór Hem de voorschriften uit de Evangeliën nietig had verklaard maar toch de goddelijke oorsprong van het Geloof van Jezus Christus erkende. Het legde bovendien op meesterlijke wijze de betekenis uit van bepaalde termen die men herhaaldelijk in de heilige boeken van voorgaande Beschikkingen tegenkomt, zoals paradijs, hel, dood, opstanding, de wederkomst, de weegschaal, het uur, het laatste oordeel en dergelijke. Opzettelijk streng in de regels en voorschriften die het oplegt, revolutionair in de principes die het inprent, bedoeld om de geestelijkheid en het volk uit hun eeuwenlange verstarring te doen ontwaken en een plotselinge en fatale slag toe te brengen aan verouderde en corrupte instellingen, verkondigt het door middel van deze ingrijpende wetten de komst van de Dag, waarnaar men al zo lang had uitgezien, de Dag waarop de "Oproeper zal oproepen tot een ernstige zaak", wanneer Hij zal teniet doen wat er voor Hem is geweest, zoals de Apostel van God de gewoonten vernietigde van hen die Hem voorafgingen.

Men dient in dit verband te bedenken dat in de derde Váhid van dit Boek een passage voorkomt, die zowel wat betreft haar uitdrukkelijke verwijzing naar de naam van de Beloofde alsook de verwachting van de Orde die in later jaren met Zijn Openbaring vereenzelvigd zou worden, verdient te worden gerangschikt onder de belangwekkendste verklaringen die in de geschriften van de Báb zijn opgetekend. Zijn profetische verkondiging luidt, "Wel gaat het hem die zijn blik gericht houdt op de Orde van Bahá'u'lláh en zijn Heer daarvoor dank brengt. Want Hij zal voorzeker geopenbaard worden. God heeft dat voorwaar onweerlegbaar verordend in de Bayán". Met deze Orde heeft de Stichter van de beloofde Openbaring twintig jaar later - deze zelfde term in Zijn Kitáb-i-Aqdas bezigende - het Stelsel geïdentificeerd dat in dat Boek in het vooruitzicht werd gesteld, aantonende dat "deze grootste Orde" het evenwicht in de wereld had verstoord en in het geregelde leven van de mensen een ommekeer had teweeggebracht. Het zijn de hoofdpunten van juist die Orde, die het Middelpunt van Bahá'u'lláh's Verbond en de aangewezen Vertolker van Zijn leringen, in een later stadium van de ontwikkeling van het Geloof aangaf in zijn Testament. Het is het structurele fundament van die Orde, dat in het vormende tijdvak van het Geloof de beheerders van dat Verbond, de gekozen vertegenwoordigers van de wereldwijde Bahá'í gemeenschap, nu moeizaam en in eendrachtige samenwerking aan het vestigen zijn. Het is de bovenbouw van die Orde, die nu zijn volle gestalte krijgt door het verrijzen van het Bahá'í wereldgemenebest - het Koninkrijk Gods op aarde - die uiteindelijk het gouden tijdperk van deze Beschikking te zien moet geven in de volheid der tijden.

De Báb bevond zich nog steeds in Máh-Kú toen Hij Zijn in details uitgewerkte en verhelderende Tafelen aan Muhammad Sháh schreef. Voorafgegaan door een lovende verwijzing naar de eenheid van God, Zijn Apostelen en de twaalf Imáms; ondubbelzinnig in de bevestiging van de goddelijkheid van de Auteur en van de bovennatuurlijke krachten, waarmede Zijn Openbaring was bekleed; nauwgezet in de verzen en tradities die worden aangehaald ter bekrachtiging van zo'n gedurfde uitspraak; scherp in de veroordeling van enkele ambtenaren en vertegenwoordigers in de regering van de Sjah, en wel in het bijzonder van de "slechte en verfoeilijke" Husayn Khán; ontroerend in de beschrijving van de vernederingen en ontberingen waaraan de schrijver was blootgesteld, gelijkt dit historische document op veel belangrijke punten op de Lawh-i-Sultán: de Tafel die onder gelijksoortige omstandigheden door Bahá'u'lláh uit de gevangenis-vesting "Akká aan Násiri'd-Dín Sháh werd geschreven en die Zijn langste brief vormt aan een enkele soeverein.

De Dalá-íl-i-Sab'ih (Zeven Bewijzen), het belangrijkste polemische werk van de Báb, werd in diezelfde periode geopenbaard. Opmerkelijk helder, bewonderenswaardig nauwkeurig, oorspronkelijk van opzet en van een onweerlegbare bewijsvoering is dit werk, afgezien van de vele en verscheidene bewijzen van Zijn zending die het behelst, opmerkelijk door de blaam die het werpt op de "zeven machtige vorsten die de wereld beheersen" in Zijn tijd, alsmede voor de wijze waarop het de nadruk legt op de verantwoordelijkheden, en het gedrag laakt, van de christelijke godgeleerden uit vroeger dagen die, zoals de Báb betoogt - indien zij de waarheid van Muhammads zending hadden erkend - door het merendeel van hun geloofsgenoten zouden zijn gevold.

Gedurende de opsluiting van de Báb in het fort Chihríq, waar Hij bijna de gehele twee resterende jaren van Zijn leven doorbracht, werd de Lawh-i-Huru'fát (Tafel van de Letters) ter ere van Dayyán geopenbaard - een Tafel waarvan, hoe verkeerd ook in het begin uitgelegd als een uiteenzetting over de wetenschap van het waarzeggen, later werd erkend dat ze aan de ene kant het mysterie van de Mustaghháth had ontsluierd en aan de andere kant in bedekte termen had gezinspeeld op de negentien jaren die noodzakelijkerwijs moesten verstrijken tussen de Verkondiging van de Báb en die van Bahá'u'lláh. Gedurende deze jaren - jaren die volledig waren verduisterd door de strenge maatregelen tijdens de gevangenschap van de Báb, door de smaad en hoon Hem aangedaan en door de berichten over de rampspoeden die de helden van Mázindarán en Nayríz overkwamen - openbaarde Hij spoedig na Zijn terugkeer uit Tabríz Zijn veroordelende Tafel aan Hájí Mirzá Áqásí. Deze brief, gesteld in boude en bewogen taal, en niets ontziend in zijn veroordeling, werd aan de onverschrokken Hujjat gezonden, die hem - zoals door Bahá'u'lláh is bevestigd - aan die verdorven minister ter hand stelde.

Tot deze periode van opsluiting in de forten Máh-Kú en Chihríq - een periode van onovertroffen vruchtbaarheid maar ook van bitterheid door de vernederingen en steeds groter wordende ellende - behoren bijna alle schriftelijke toespelingen in de vorm van waarschuwingen, smeekbeden of vermaningen waarvan de Báb voelde dat ze, in afwachting van het naderende uur van Zijn zwaarste beproeving, gemaakt moesten worden op de Brenger van een Openbaring die spoedig de Zijne zou vervangen. Daar Hij zich van het begin af aan bewust was van Zijn tweevoudige zending, als de Brenger van een geheel zelfstandige Openbaring en als de Heraut van een andere Openbaring die nog groter was dan de Zijne, kon hij niet volstaan met het enorme aantal commentaren, gebeden, wetten en verordeningen, verhandelingen en brieven, leerreden en redevoeringen die zonder ophouden uit Zijn pen vloeiden. Het grote Verbond, zoals Zijn geschriften bevestigden, dat God sinds onheuglijke tijden door middel van de Profeten van weleer met de gehele mensheid had aangegaan, was reeds vervuld met betrekking tot de nieuwe Openbaring. Het moest nu worden aangevuld met een Klein Verbond dat Hij zich verplicht voelde met al Zijn volgelingen te sluiten aangaande Degene Wiens komst Hij aanduidde als de vrucht en het uiteindelijke doel van Zijn Beschikking. Zo'n Verbond was onveranderlijk het kenmerk van iedere voorgaande religie. Het had in verschillende vormen bestaan, in verschillende schakeringen van nadrukkelijkheid, was altijd verhuld geweest in bedekte termen, en er was op gezinspeeld in de verborgen profetieën, in diepzinnige allegorieën, in niet geauthentiseerde tradities en in de fragmentarische, duistere passages van de heilige geschriften. In de Bábí Beschikking was het echter de bedoeling in duidelijke en ondubbelzinnige taal te worden uitgedrukt, hoewel niet zoals Bahá'u'lláh wiens duidelijk omschreven Verbond was opgenomen in een special geschreven Testament en door Hem aangeduid als: "Het Boek van Mijn Verbond", verkoos de Báb Zijn Boek van Wetten, de Perzische Bayán, rijkelijk met talloze passages te doormengen, waarvan enkele met opzet duister, de meeste echter onmiskenbaar duidelijk waren gehouden, waarin Hij de tijd vaststelt van de beloofde Openbaring, haar deugden roemt, haar uitzonderlijke karakter bevestigt, er onbegrensde kracht en onschendbaarheid aan toekent en ieder obstakel uit de weg ruimt, dat de erkenning ervan zou kunnen belemmeren. Bahá'u'lláh verklaart, als Hij en Zijn Kitáb-i-Badí naar de Báb verwijst, "Hij waarlijk, is niet te kort geschoten in Zijn plicht het volk van de Bayán aan te sporen en het Zijn Boodschap te brengen. In geen vroegere tijd of Beschikking heeft ooit een Manifestatie tot in zo kleine bijzonderheden en in zo duidelijke taal melding gemaakt van de Manifestatie, die bestemd is Hem op te volgen".

De Báb heeft enkele van Zijn discipelen er voortdurend op voorbereid naar de op handen zijnde Openbaring uit te zien. Anderen heeft Hij mondeling verzekerd dat zij tijdens hun leven die dag zouden aanschouwen. Aan Mullá Báqir, een van de Letters van de Levende, heeft Hij zelfs in een Tafel die Hij aan hem richtte, voorzegd dat hij oog in oog met de Beloofde zou komen te staan. Aan Sayyáh, een andere volgeling, gaf Hij mondeling een zelfde verzekering. Mullá Husayn stuurde Hij naar Tihrán met de verzekering dat in die stad een Mysterie was verborgen, welks licht Hijáz noch Shíráz kon evenaren. Op de avond voor zij voorgoed uiteen zouden gaan beloofde Hij aan Quddús, dat hij in de aanwezigheid zou komen te verkeren van Degene Die het enige Voorwerp van hun aanbidding en liefde was. Aan Shaykh Hasán-i-Zunúzí verklaarde Hij al in Máh-Kú, dat hij in Karbilá het gelaat zou aanschouwen van de beloofde Husayn. Aan Dayyán gaf Hij de titel van "de derde Letter die zal geloven in Degene Dien God zal openbaren", terwijl Hij aan 'Azím in de Kitáb-i-Panj-Sha'n de naam onthulde en de naderende komst aankondigde van Hem Die Zijn eigen Openbaring zou vervullen.

Een opvolger of plaatsvervanger heeft de Báb nooit benoemd, van het aanwijzen van en vertolker van Zijn leringen heeft Hij zich onthouden. Zijn verwijzingen naar de Beloofde waren zo overduidelijk, de duur van Zijn eigen Beschikking zou maar zo kort zijn, dat het een noch het ander noodzakelijk werd geacht. Het enige wat Hij deed was, volgens de getuigenis van 'Abdu'l-Bahá in "A Traveller's Narrative", op advies van Bahá'u'lláh en van nog en volgeling, om Mirzá Yahyá te benoemen die slechts zou optreden als een soort stroman, in afwachting van de manifestatie van de Beloofde, om op die manier Bahá'u'lláh in staat te stellen in betrekkelijke veiligheid de Zaak die Hem zo na aan het hart lag te bevorderen.

De Báb bevestigt in Zijn Boek, als Hij doelt op de Beloofde, "De Bayán is van begin tot eind de drager van al Zijn attributen en de schatkamer van zowel Zijn vuur als Zijn licht". In een ander verband verklaart Hij, "Wanneer gij Zijn Openbaring erkent en Hem gehoorzaamt, zo zult gij de vrucht van de Bayán hebben ontbolsterd; zo niet, dan zijt gij onwaardig voor God te worden genoemd". In datzelfde Boek waarschuwt Hij al Zijn volgelingen, "O, volk van de Bayán! handel niet zoals het volk van de Qur'án heeft gehandeld, want zo gij dat doet zullen de vruchten van uw duisternis teniet gaan". Zijn uitdrukkelijke opdracht luidt, "Laat niet de Bayán en alles wat daarin is geopenbaard, u afhouden van de essentie van het zijn, en van de Heer van het zichtbare en het onzichtbare". Zijn betekenisvolle waarschuwing gericht tot Vahíd luidt, "hoedt u, hoedt u, dat de Váhid van de Bayán (achttien Letters van de Levende en de Báb) in de dagen van Zijn Openbaring u niet als een sluier van Hem scheidt, daar deze Váhid slechts een schepsel in Zijn ogen is.". En verder, "O, broederschap van de Bayán en allen die daartoe behoren! Onderken de grenzen die u zijn gesteld, want Niemand minder dan het Punt van de Bayán zelf heeft geloofd in Hem Dien God zal openbaren voordat alle dingen waren geschapen. Hierop, waarlijk, beroem Ik Mij voor allen die in het koninkrijk van hemel en aarde zijn".

Verwijzende naar het tijdstip van de komst van de beloofde Openbaring heeft Hij uitdrukkelijk geschreven, "In het jaar negen zult gij de tegenwoordigheid van God bereiken". En verder, "na Hín (68) zal u een Zaak worden gegeven die gij zult leren kennen". Nog meer in het bijzonder heeft Hij gesteld, "Pas nadat negen zal zijn verstreken vanaf het begin van deze Zaak zullen de werkelijke dingen van de schepping worden onthuld. Alles wat gij tot nog toe hebt gezien is nog slechts in het stadium van de vochtige kiem totdat Wij het met vlees hebben bekleed. Hebt geduld, totdat gij een nieuwe schepping aanschouwt. Zeg: 'Gezegend daarom zij God, de voorstreffelijkste aller Makers!'" Zijn verklaring aan 'Azím luidt, "Wacht gij totdat negen zal zijn verstreken vanaf de tijd van de Bayán. Roep dat uit: 'Gezegend daarom zij God, de voortreffelijkste aller Makers!' " In een opmerkelijke passage zinspelend op het jaar negentien heeft Hij gewaarschuwd, "Wees oplettend vanaf de geboorte van de Openbaring tot het getal Váhid (19)". Zelfs nog nadrukkelijker heeft Hij gesteld. "De Heer van de Dag der Vergelding zal worden gemanifesteerd aan het einde van Váhid (19) en het begin van tachtig (1280 n.H.)" In Zijn enthousiasme om te waarborgen dat de spoedige komst van de beloofde Openbaring de mensen niet zal afhouden van de Beloofde verklaart Hij, "Als Hij nu, op dit moment, zou verschijnen, zal Ik de eerste zijn om Hem te aanbidden en de eerste om voor Hem neer te buigen".

Op de volgende wijze prijst Hij de Brenger van de verwachte Openbaring, "Ik heb, toen Ik gewag van Hem maakte, deze kostelijke woorden geschreven: 'geen zinspeling van Mij kan op Hem slaan, noch iets van wat er in de Bayán wordt gezegd.'" "Ik zelf ben slechts de eerste dienaar die in Hem en in Zijn tekenen gelooft..." Met nadruk zegt Hij, "De een jaar oude kiem, die in zichzelf de mogelijkheden bergt van de aanstaande Openbaring, is begiftigd met een macht die de gezamenlijke krachten van de gehele Bayán te boven gaat". En verder, "De gehele Bayán is slechts een blad tussen de bladeren van Zijn paradijs". Hij verzekert eveneens, "Het ware beter voor u om slechts een van de verzen te zeggen van Hem Dien God zal openbaren, dan om de gehele Bayán op te schrijven, want op die ene Dag kan dat ene vers u redden, terwijl de gehele Bayán u niet kan redden". "Thans is de Bayán in het stadium van het zaad; aan het begin van de manifestatie van Hem Dien God zal openbaren, zal de uiteindelijke volmaaktheid daarvan aan het licht treden". "De Bayán ontleent al zijn glorie aan Hem Dien God zal openbaren". "Alles wat in de Bayán is geopenbaard, is slechts een ring aan Mijn hand en ik zelf ben, waarlijk, slechts een ring aan de hand van Hem Dien God zal openbaren... Hij draait hem rond naar het Hem behaagt, waarvoor het Hem behaagt en waardoor het Hem behaagt. Hij, waarlijk, is de Helper in nood, de Hoogste". Zo heeft Hij in antwoord aan Vahíd en aan een van de Letters van de Levende die over de Beloofde navraag hadden gedaan verklaard, "Zekerheid zelf schaamt zich om Zijn waarheid juist te bevinden... en getuigenis zelf schaamt zich over Hem getuigenis af te leggen". Zich andermaal tot deze Vahíd wendende, heeft Hij tevens verklaard, "Zo Ik zou weten dat gij Hem ten tijde van zijn verschijning zou verloochenen, zou Ik u zonder aarzelen verstoten... Als Mij daarentegen werd gezegd, dat een Christen die geen aanhanger is van Mijn geloof, in Hem gelooft, dan zal Ik hem beschouwen als Mijn oogappel".

En tenslotte komt deze ontroerende bede tot God, "wees Gij getuige dat Ik door dit Boek een verbond heb gesloten met alle geschapen dingen aangaande de zending van Hem Dien Gij zult openbaren, voordat het verbond dat Mijn eigen zending betreft, was gesloten. Gij zijt voldoende getuige en ook zij die in Uw tekenen hebben geloofd". Een andere getuigenis uit Zijn pen luidt, "Ik heb waarlijk Mijn plicht niet verzaakt om dit volk te waarschuwen"... "Indien allen die op aarde zijn op de dag van Zijn Openbaring Hem trouw beloven, zal Mijn diepste wezen zeer verheugd zijn, aangezien allen dan het hoogtepunt van hun bestaan bereikt zullen hebben... Mocht dit niet zo zijn, dan zal Mijn ziel bedroefd zijn. Ik heb waarlijk alle dingen voor dit doel gekoesterd. Hoe kan dan iemand als door een sluier van Hem gescheiden blijven?"

De laatste drie jaren van het beleid van de Báb, die tevens de meest bewogene waren, zoals wij op de voorgaande bladzijden hebben kunnen zien, gaven niet alleen de officiële en openbare verkondiging van Zijn zending te dien, maar ook een nog niet eerder voorgekomen stroom van Zijn bezielde geschriften, die niet alleen de openbaring van de fundamentele wetten van Zijn Beschikking inhielden, maar ook de instelling van het Kleine Verbond dat de eenheid van Zijn volgelingen moest waarborgen en de weg effenen voor de komst van een onvergelijkelijk grotere Openbaring. In deze periode, namelijk in de eerste tijd van Zijn kerkering in het fort Chihríq, werd de onafhankelijkheid van het nieuwe Geloof openlijk door Zijn discipelen erkend en verdedigd. De wetten die aan de nieuwe Beschikking ten grondslag lagen, waren geopenbaard door hun Auteur in een strafgevangenis in de bergen van Ádhirbáyján, terwijl de Beschikking zelf nu plechtig werd ingewijd op een vlakte aan de grens van Mázin-darán op een conferentie van Zijn bijeengekomen volgelingen.

Bahá'u'lláh, die door geregelde briefwisseling voortdurend in nauw contact stond met de Báb en die Zelf de stuwende kracht was achter de vele activiteiten van Zijn met moeilijkheden kampende medediscipelen, bekleedde onopvallend maar met gezag het voorzitterschap van die conferentie en leidde en controleerde de werkzaamheden. Quddús, beschouwd als de vertegenwoordiger van het conservatieve element, en volgens een vooropgezet plan werkend dat bedoeld was om de ongerustheid en consternatie te matigen die zo'n conferentie zeker wou opwekken, deed het voorkomen alsof hij opkwam tegen de schijnbaar extreme opvattingen die de onstuimige Táhirih bepleitte. Het voornaamste doel van deze bijeenkomst was de openbaring van de Bayán te effectueren door een plotselinge, een algehele en dramatische breuk met het verleden - met zijn orde, zijn macht van de geestelijkheid, zijn tradities en ceremonieel. Het bijkomstige doel van de conferentie was om middelen te bespreken teneinde de Báb uit Zijn wrede opsluiting in Chihríq te bevrijden. Het eerste werd bij uitstek een succes; het tweede was bij voorbaat gedoemd te mislukken.

Het toneel van deze uitdagende en verreikende verkondiging was het gehucht Badasht, waar Bahá'u'lláh in een aangename omgeving drie tuinen had gehuurd, waarvan Hij er één voor Zichzelf reserveerde. De eenentachtig discipelen die daar uit diverse provinciën waren samengekomen, waren Zijn gasten vanaf de dag van hun aankomst tot aan de dag dat zij uiteengingen. op elk van de tweeëntwintig dagen van Zijn verblijf in dat gehucht openbaarde Hij een Tafel, die gezongen werd in de aanwezigheid van de verzamelde gelovigen. Aan iedere gelovige verleende hij een nieuwe naam, zonder echter de identiteit te onthullen van degene die hem had geschonken. Hij zelf werd van toen af aangeduid met de naam Bahá. Aan de laatste Letter van de Levende werd de naam Quddús verleend, terwijl aan Qurratu'l-'Ayn de titel Táhirih werd gegeven. Met deze namen werden zij nadien allen door de Báb aangesproken in de Tafelen die Hij voor ieder van hen openbaarde.

Bahá'u'lláh was het Die met vast hand, feilloos en toch onvermoed richting gaf aan die gedenkwaardige episode, en het was ook Bahá'u'lláh Die tenslotte de bijeenkomst tot een dramatisch hoogtepunt bracht. Toen men op een dag bijeen was in Zijn tent, waar Hij met een lichte ziekte het bed moest houden, verscheen daar opeen Táhirih die als het zuivere en vlekkeloze toonbeeld van ingetogenheid werd beschouwd en als de belichaming van de heilige Fátimih, fraai gekleed maar ongesluierd voor de verzamelde vrienden; zij ging aan de rechterkant van de verschrikte en woedende Quddús zitten en, doordat zij met haar vurige woorden de sluiers die de heiligheid van de verordeningen van de Islam behoedden, vaneen reet, liet zij het klaroengeschal weerklinken en kondigde de plechtige inwerkingtreding van de nieuwe Beschikking af. Dit had het effect van een elektrische schok en werkte onmiddellijk. Deze vrouw, van zo onbevlekte zuiverheid en zo hoog geacht dat alleen al het kijken naar haar schaduw als onbetamelijk werd beschouwd, leek een ogenblik in de ogen van haar geschokte toeschouwers zichzelf te hebben onteerd, het Geloof dat zij had aangenomen, te hebben beschaamd en het onsterfelijke Aangezicht dat zij symboliseerde, te hebben bezoedeld. Angst, woede en verbijstering schokte hun diepste wezen en verlamde hem. 'Abdu'l-Kháliq-i-Isfáhání, ontzet en ontredderd bij deze aanblik, sneed zich eigenhandig de keel door. Bespat met bloed en buiten zichzelf van opwinding ontvluchtte hij haar gezelschap. Enkelen lieten hun kameraden in de steek en verloochenden hun Geloof. Anderen stonden verstomd en als aan de grond genageld voor haar. Weer anderen moeten zich met bonzend hart de islamitische traditie voor de geest hebben behaald die de verschijning van de ongesluierde Fátimih voorspelt wanneer zij de brug (Sirát) oversteekt op de beloofde Dag des Oordeels. Het leek alsof Quddús, sprakeloos van woede, slechts wachtte op het moment dat hij haar kon neerslaan met het zwaard dat hij net in zijn handen had.

Maar Táhirih stond op, niet uit het veld geslagen, maar bedaard en toch opgetogen en, zonder de minste voorbereiding en in een taal die verrassend veel gelijkenis vertoonde met die van de Qur'án, deed zij een vurig en welsprekend beroep op de overgebleven aanwezigen van de vergadering en eindigde met deze boude bewering, "Ik ben het woord dat de Qá'im moet spreken, het woord dat de leiders en edelen op aarde de vlucht zal doen nemen"! Daarna nodigde zij allen uit, elkaar te omhelzen en een zo grote gebeurtenis te vieren.

Op die gedenkwaardige dag was het "hoornsignaal", zoals vermeld in de Qur'án, geblazen, het "oorverdovende trompetgeschal" luide geklonken en geschiedde de "catastrofe". De dagen die onmiddellijk volgden op dit verbijsterende afstappen van de aloude tradities van de Islam, gaven een ware revolutie te zien in de opvattingen, gewoonten, ceremoniën en wijze van aanbidding van deze tot nog toe fanatieke en godvruchtige verdedigers van de mohammedaanse wet. Hoewel de conferentie van begin tot eind een zeer bewogen karakter had gehad, en hoewel men de afscheiding van de enkelen die hadden geweigerd het teniet doen van de fundamentele verordeningen van de Islam te aanvaarden betreurde, was haar doel volledig en eervol bereikt. Pas vier jaar tevoren had de Brenger van de Bábí Openbaring Zijn zending in de beslotenheid van Zijn huis in Shíráz aan Mullá Husayn verkondigd. Drie jaar na die Verkondiging dicteerde Hij binnen de muren van het gevangenis-fort Máh-Kú aan Zijn amanuensis de fundamentele en onderscheidene grondregels van Zijn Beschikking. Een jaar daarna waren Zijn volgelingen onder de feitelijke leiding van Bahá'u'lláh, hun medediscipel, in het gehucht Badasht zelf bezig de wetten van de Qur'án af te schaffen, waarbij zij zowel de door God voorgeschreven en de door mensen gemaakte leringen van het mohammedaanse Geloof verwierpen, alsook de kluisters van dat verouderde systeem afschudden. Bijna meteen daarop verdedigde de Báb, nog steeds een Gevangene, zelf het optreden van Zijn discipelen door formeel en zonder voorbehoud Zijn aanspraak te bevestigen: dat Hij de beloofde Qá'im was, en zulks in de aanwezigheid van de troonopvolger, de leidende vertegenwoordigers van de Shaykhí gemeenschap en van de meest vermaarde geestelijke hoogwaardigheidsbekleders, die in de hoofdstad van Ádhirbáyján waren bijeengekomen.

Er waren iets meer dan vier jaar verstreken tussen de geboorte van de Openbaring van de Báb en het moment dat het trompetgeschal klink, dat de officiële ondergang van de oude en de intrede van de nieuwe Beschikking inluidde. Dat grote keerpunt in de religieuze wereldgeschiedenis kenmerkte zich niet door pracht en praal. Evenmin was de bescheiden omlijsting in overeenstemming met deze plotselinge, ontstellende en volledige bevrijding van de duistere en slagvaardige krachten van fanatisme, priesterpolitiek en godsdienstige orthodoxie en bijgeloof. Het verzamelde leger bestond uit niet meer dan één vrouw en een handjevol mannen, die merendeels juist uit die geledingen kwamen die zij nu aanvielen en, een enkele uitzondering daargelaten, verstoken waren van enige rijkdom, gezag of macht. De Kapitein van dat leger was zelf afwezig, een gevangene in de greep van Zijn vijanden. Het slagveld was een nietig gehucht in de vlakte van Badasht op de grens met Mázindarán. De trompetter was een alleenstaande vrouw, de edelste van haar geslacht in deze Beschikking, die zelfs door enkele van haar medegelovigen tot ketter werd verklaard. Het signaal dat zij blies, betekende de doodsklok voor de twaalfhonderd jaar oude wet van de Islam.

Twintig jaar later, versneld door een volgende trompetstoot die de formulering van de wetten van nog een andere Beschikking aangekondigde, kreeg dit proces van ontbinding, dat samenhangt met het verval van een weliswaar goddelijk geopenbaarde wet, die zichzelf echter had overleefd, nog meer vaart en verhaastte in een later stadium de afschaffing van de Sharí'ah canonieke wet in Turkije, leidde tot het feitelijk prijsgeven van die wet in het Shí'ah Perzië; is nog onlangs verantwoordelijk geweest voor de afscheiding van het Stelsel, die in de Kitáb-i-Aqdas reeds werd voorzien, van de geestelijke Sunní wet in Egypte; heeft de weg geëffend voor de erkenning van dat Stelsel in het Heilige Land zelf, en is bedoeld om te culmineren in de verwereldlijking van de moslem staten en in de universele erkenning van de Wet van Bahá'u'lláh door alle naties en van zijn tentroonverheffing in de harten van alle volkeren van de moslem wereld.

HOOFDSTUK III
Beroering in Mázindarán, Nayríz en Zanján

De gevangenschap van de Báb in een afgelegen deel van Adhirbáyján, onvergetelijk geworden door de gebeurtenissen op de conferentie van Badasht en bekend geworden door opmerkelijke ontwikkelingen zoals de openbare verkondiging van Zijn Beschikking en de vestiging van Zijn Verbond, zou nog meer betekenis krijgen door de verschrikkelijke beroeringen, die uit de daden van zowel Zijn tegenstanders als van Zijn leerlingen voortsproten. Tegen het einde van de jarenlange gevangenschap riep de ontstane opschudding, die het hoogtepunt bereikte in Zijn eigen marteldood, een mate van heldenmoed op aan de zijde van Zijn volgelingen en een hevige vijandigheid aan de zijde van Zijn tegenstanders, die in de eerste drie jaren van Zijn beleid nog niet was voorgekomen. Inderdaad kan deze korte maar bijzonder roerige periode met recht worden beschouwd als de bloedigste en meest dramatische uit het heroïsche tijdvak van het Bahá'í tijdperk.

De hoogst belangrijke gebeurtenissen in verband met de opsluiting van de Báb in Máh-Kú en Chihríq, die het hoge peil van Zijn Openbaring uitmaakten, konden geen ander gevolg hebben dan het aanwakkeren van het vuur bij Zijn voorstanders aan de ene kant en van de woede van Zijn vijanden aan de andere kant. Spoedig zou er een vervolging worden ingezet die grimmiger, verfoeilijker en listiger was dan die waartoe Husayn Khán, of zelfs Hájí Mírzá Áqásí had aangezet, en die vergezeld zou gaan van een evenredige manifestatie van heldenmoed, ongeëvenaard door enige eerder voorgekomen uitbarsting van enthousiasme, die de geboorte van het Geloof in Shíráz of Isfáhán had begroet. Deze periode van onafgebroken en ongehoorde beroering zou in snelle opeenvolging dit Geloof beroven van zijn voornaamste voorvechters, zou haar climax bereiken in de vernietiging van het leven van zijn Auteur en zou worden gevolgd door een toenemende, en deze keer een bijna volledige, uitroeiing van zijn eminente aanhangers, echter met uitzondering van Een, aan Wie in dit donkerste uur door de beschikking van de Voorzienigheid de dubbele taak was toevertrouwd een zwaar geteisterd Geloof te redden van algehele vernietiging, en de Beschikking in te luiden, die bedoeld was het te vervangen.

De formele aanvaarding voor de Báb van het gezag van de beloofde Qá'im, dat Hij onder zulke dramatische omstandigheden en op zo'n uitdagende toon ten aanhoren van een uitgelezen gezelschap van machtige, afgunstige, ontstelde en vijandiggezinde Shí'ah godgeleerden op zich nam, was de explosieve kracht die een ware lawine van rampspoeden ontketende, die zich over het Geloof en over de mensen waaronder het was geboren, heenstortte. Het deed het vuur van geloof hoog oplaaien in de zielen van de wijd en zijd verspreide discipelen van de Báb, die reeds woedend waren over de wrede gevangenzetting van hun Leider, en bij wie die gloed nu nog verder was aangewakkerd door alles wat uit Zijn pen vloeide en hen onophoudelijk vanuit Zijn gevangenis bereikte. Het lokte verhitte en langdurige geschillen uit in het gehele land, op bazaars, in masjids, madrisihs en andere openbare gelegenheden, waardoor de kloof die het volk reeds had verdeeld, nog dieper werd. Muhammad Sháh ging inmiddels in deze hachelijke dagen fysiek snel achteruit. De oppervlakkige Hájí Mírzá Áqásí die nu de spel was waaromheen alle staatszaken draaiden, spreidde een wankelmoedigheid en onvermogen ten toon, die erger schenen te worden naarmate zijn verantwoordelijkheden toenamen. Nu eens was hij geneigd de beslissing van de 'ulamás te steunen; dan weer keurde hij hun agressiviteit af en wantrouwde hun verklaringen; weer een andere keer verviel hij in mystieke dromerijen en verloor daarbij volledig de ernst van de noodtoestand waarmee hij werd geconfronteerd, uit het oog.

Dit grove wanbeheer van de nationale zaken gaf de geestelijkheid, waarvan de leden thans met kwaadaardige ijver banvloeken van hun katheders afriepen en op brallende toon bijgelovige gemeenten ophitsten, de moed de wapens op te nemen tegen de aanhangers van een zo gehaat geloof, hun vrouwen te onteren, hun eigendommen te roven en hun kinderen te kwellen en te pijnigen. Op talrijke bijeenkomsten donderden zij, "Hoe staat het met de tekenen en wonderen die de komst van de Qá'im moeten aankondigen? Hoe staat het met de grote en kleine Occultaties? Hoe staat het met steden Jábulqá en Jábulsá? Hoe moeten wij de uitspraken van Husayn-ibn-Rúh verklaren en welke uitleg moet er worden gegeven aan de aan Ibn-i-Mihríyár toegeschreven tradities? Waar zijn de mannen van het Ongeziene, die binnen een week het gehele oppervlak van de aarde doorkruisen? Hoe staat het met de verovering van oost en west, die de Qá'im moet bewerkstelligen bij zijn verschijning? Waar is de eenogige Antichrist, en de ezel die hij zal bestijgen? Hoe staat het met Sufyán en zijn rijk?" En zij voerden luidruchtig aan, "Moeten wij de ontwijfelbare, de ontelbare tradities van onze heilige Imáms als een dode letter beschouwen, of moeten wij te vuur en te zwaard deze onbeschaamde ketterij uitroeien, die in ons land de kop heeft durven opsteken?"

Tegenover deze laster, aantijgingen en protesten stelden de geleerde en vastberaden verdedigers van een verkeerd voorgesteld Geloof zonder aarzelen en in navolging van hun Leider hun verhandelingen, commentaren en weerleggingen, die met een onverdroten ijver en een overtuigende argumentatie waren geschreven en die verhelderende, sprekende en overtuigende bewijzen leverden van hun geloof in het profeetschap van Muhammad, van de wettigheid van de Imáms en de geestelijke oppermacht van de Sáhibu'z-Zamán (de Heer der Tijden). Zij legden op meesterlijke wijze de duistere, de opzettelijk allegorische en diepzinnige tradities, verzen en profetieën uit van de islamitische heilige geschriften en haalden ter staving van hun beweringen de zachtmoedigheid en schijnbare hulpeloosheid van de Imám Husayn aan die, trots zijn nederlaag, ondergang en onterend martelaarschap, door hun tegenstanders was begroet als de ware belichaming en het onnavolgbare symbool van Gods aloverwinnend gezag en macht.

De hevige, in het gehele land heersende geschillen, hadden verontrustende proporties aangenomen, toen Muhammad Sháh tenslotte aan zijn ziekte bezweek, met zijn dood de val van zijn gunsteling, de oppermachtige minister Hájí Mírzá Áqásí verhaastend, die spoedig nadat hem zijn opgehoopte schatten waren ontnomen, in ongenade viel, uit de hoofdstad werd verdreven en in Karbilá zijn toevlucht zocht. De zeventienjarige Násiri'd-Dín Mírzá besteeg de troon, die de regeringszaken overliet aan de verbeten, hardvochtige Amír-Nizám, Mírzá Taqí Khán die, zonder bij zijn medebestuurders te rade te gaan, decreteerde om onmiddellijk de ongelukkige Bábí's hun verdiende straf te laten ondergaan. Gouverneurs, magistraten en burgerlijke ambtenaren uit alle provincies, opgestookt door de monsterachtige lastercampagne van de geestelijkheid, en gedreven door hun zicht naar een beloning in geld, wedijverden met elkaar om in hun respectieve gebieden de aanhangers van een vogelvrij verklaard Geloof op te jagen en hen met smaad en hoon te overladen. Voor het eerst in de geschiedenis van het Geloof werd er een systematische campagne van de gezamenlijke burgerlijke en geestelijke machten tegen hen ingesteld, een campagne die haar hoogtepunt zou vinden in de verschrikkingen die Bahá'u'lláh in de Síyáh-Chál in Tihrán en Zijn daarop volgende verbanning naar Irak zou ondervinden. Regering, geestelijkheid en volk stonden als één man op om hun gemeenschappelijke vijand aan te vallen en te vernietigen. In verafgelegen en geïsoleerde centra werden de verstrooide discipelen van een achtervolgde gemeenschap genadeloos neergehouwen door het zwaard van hun vijand, terwijl er op plaatsen waar grote groepen waren, maatregelen werden genomen tot zelfverdediging die, verkeerd uitgelegd door een listige en bedrieglijke tegenstander, op hun beurt er toe bijdroegen de vijandigheid van de autoriteiten nog meer aan te wakkeren en de door de onderdrukker gepleegde gewelddaden nog talrijker te maken. In het oosten bij Shaykh Tabarsí, in het zuiden in Nayríz, in het westen in Zanján en in de hoofdstad zelf toonden bloedbaden, oproer, demonstraties, gevechten, belegeringen en verraad in snelle opeenvolging de hevigheid aan van de storm die was losgebroken, legde het bankroet aan de dag en voegde zwarte bladzijden toe aan de annalen van een fier maar gedegenereerd volk.

De vermetelheid van Mullá Husayn, die in opdracht van de Báb zijn hoofd had getooid met de groene tulband die zijn Meester had gedragen en die Hij hem had toegezonden, en de Zwarte Standaard had gehesen waarvan volgens de profeet Muhammad de ontvouwing de komst van de plaatsbekleder van God op aarde zou inluiden; en die te paard aan het hoofd van tweehonderdtwee medediscipelen opmarcheerde om Quddús te ontmoeten en hem op Jazíriy-i-Khadrá (Groene Eiland) hulp te verlenen - deze vermetelheid was het sein voor een botsing, waarvan de nagalm door het gehele land zou klinken. De strijd duurde niet minder dan elf maanden. Het toneel was voor het grootste deel het woud van Mázindarán. De helden waren de bloem van de discipelen van de Báb. De martelaren omvatten niet minder dan de helft van de Letters van de Levende, waaronder ook Quddús en Mullá Husayn, respectievelijk de laatste en de eerste van deze Letters. De stuwende kracht die hen, hoe onopvallend ook, schraagde, was geen andere dan die welke uit de geest van Bahá stroomde. De aanleiding tot de strijd was de vastberadenheid van de baanbrekers om de komst van een nieuw tijdperk onbevreesd en op gepaste wijze aan te kondigen en een niet minder onverzettelijke vastbeslotenheid - mocht overreding een mislukking blijken - om weerstand te bieden aan de aanslagen van kwaaddenkende en onredelijke aanvallers. De strijd toonde onder enige twijfel aan, wat de ontembare geestkracht van driehonderddertien ongeoefende, ongewapende maar door God bezielde studenten, waarvan de meesten gewend waren aan de afzondering van school of klooster, vermochten te bereiken toen zij het in zelfverdediging opnamen tegen een getraind en goed gewapend leger dat door het merendeel van het volk werd gesteund, de zegen had van de geestelijkheid, door een prins van koninklijken bloede werd aangevoerd, door de schatkist werd geruggensteund, optrad met de geestdriftige goedkeuring van zijn vorst en aangemoedigd door de nimmer aflatende raadgevingen van een vastberaden oppermachtige minister. Het resultaat was een afschuwelijk verraad dat eindigde in een ware afslachting, die de aanstichters bezoedelde met een nimmer uit te wissen schande, de slachtoffers een stralenkrans van onsterfelijke glorie verleende, die juist het zaad zou doen ontkiemen dat in later jaren in wereldomvattende bestuursinstellingen tot bloei zou komen en dat in de volheid der tijden zijn goeden vruchten zou dragen in de vorm van een wereldverlossende, wereldomvattende Orde.

Het zal onnodig zijn zelfs maar een verkorte weergave van deze tragische episode te geven, hoe hoogst belangrijk ze ook is en hoe verkeerd ze ook werd voorgesteld door vijandiggezinden kroniek- en geschiedschrijvers. Een vluchtige blik over haar meest treffende kenmerken zal voldoende zijn voor het doel dat deze bladzijden beogen. Wanneer wij ons de gebeurtenissen in deze grote tragedie voor de geest halen, bemerken wij de zielskracht, de onversaagdheid, de discipline en de vindingrijkheid van deze helden, die in scherpe tegenstelling staan tot de verdorvenheid, de lafheid, de ongedisciplineerdheid en wankelmoedigheid van hun tegenstander. Ons valt het sublieme geduld op, de nobele zelfbeheersing die een van de voornaamste spelers, Mullá Husayn met de leeuwenmoed, betrachtte toen hij hardnekkig weigerde zijn zwaard te trekken totdat een gewapende, woedende menigte onder het uiten van de gemeenste scheldwoorden op een afstand van een farsang van Bárfurúsh was genaderd om hem de pas af te snijden en zeven van zijn onschuldige, onwrikbare gezellen dodelijk had verwond. Wij zijn van bewondering vervuld voor het standvastige geloof van diezelfde Mullá Husayn, gedemonstreerd door zijn besluit voort te gaan de adhán te luiden tijdens de belegering van de karavanserai van Sabsih-Maydán, ofschoon drie van zijn metgezellen die, onmiddellijk nadat zij na elkaar het dak van de herberg hadden beklommen met het speciale doel die heilige rite te vervullen, door de kogels van de vijand dodelijk werden getroffen. Wij bewonderen de geest van zelfverloochening, die deze zwaar beproefde mannen ingaf de door de vluchtende vijand achtergelaten bezittingen vol minachting te negeren; die hen ertoe bracht zich van hun eigen hebben en houden te ontdoen en zich tevreden te stellen met hun paarden en zwaarden; die de vader van Badí', een van de dapperen uit dat gezelschap, zonder aarzelen een zakvol turkooizen die hij uit de mijn van zijn vader in Nishápúr had meegebracht, aan de kant van de weg deed werpen; die Mírzá Muhammad-Taqíy-i-Juvayní afstand liet doen van een even groot bedrag in zilver en goed; en die de metgezellen de kostbare uitrustingen en koffers met goud en zilver deed versmaden of zelfs maar aanraken, die de gedemoraliseerde en met schande overladen prins Mihdí-Qulí Mírzá, de commandant van het leger in Mázindarán en een broer van Muhammad Sháh, had achtergelaten bij zijn overhaaste vlucht uit zijn kamp. Wij kunnen slechts achting koesteren voor de hartstochtelijke oprechtheid waarmee Mullá Husayn met de prins onderhandelde en de officiële verzekering die hij hem in onbedekte termen gaf, dat hij en zijn medediscipelen hoegenaamd geen plannen hadden het gezag van de Sjah over te nemen of zijn regering omver te werpen. Wij kunnen slechts met verachting het gedrag van die aartsschurk, de hysterische, hardvochtige en hooghartige Sa'ídu'l-'Ulamá bezien die, in de war gebracht door de nadering van die eerder genoemde kameraden, ten aanschouwen van een enorme menigte mannen en vrouwen in een vlaag van opwinding zijn tulband op de grond smeet, de kraag van zijn hemd openrukte en al klagende over de toestand waarin de Islam was vervallen, zijn gemeente opriep de wapenen op te nemen en de naderende groep neer te slaan. Wij staan versteld wanneer wij denken aan de bovenmenselijke moed van Mullá Husayn die hem, ondanks zijn tengere gestalte en bevende handen, in staat stelde een verraderlijke vijand die achter een boom dekking had gezocht, te doden door met één enkele slag van zijn zwaard boom, man en geweer in tweeën te slaan. Wij zijn ook ontroerd door het beeld van de aankomst van Bahá'u'lláh in het Fort en de onvoorstelbare vreugde die Mullá Husayn daaraan beleefde; de eerbiedige ontvangst die Hem door Zijn medediscipelen werd bereid, Zijn inspectie van de versterkingen die zij inderhaast ter bescherming hadden opgetrokken en het advies dat Hij hun gaf, dat de wonderbaarlijke bevrijding van Quddús tot gevolg had en de daarop volgende nauwe samenwerking met de verdedigers van het Fort en Zijn doeltreffende aandeel in verband met de belegering en de uiteindelijke vernietiging. Zij zijn verbaasd over de kalmte en schranderheid van Quddús, het vertrouwen dat hij al bij zijn aankomst inboezemde, de vindingrijkheid die hij aan de dag legde, het vuur en de blijheid waarmee de belegerden in de ochtend- en avondstond luisterden naar zijn stem wanneer hij de verzen van zijn beroemde commentaar op de Sád van Samad reciteerde, waaraan hij reeds tijdens zijn verblijf in Sárí een verhandeling driemaal zo groot als de Qur'án had gewijd en die hij nu, ondanks de onstuimige aanvallen van de vijand en de ontberingen die hij en zijn kameraden ondergingen, verder toelichtte door aan die interpretatie net zoveel verzen toe te voegen als hij reeds daarvoor had geschreven. Wij herinneren ons met kloppend hart dat gedenkwaardige treffen, toen Mullá Husayn onder het uitroepen van "Bestijgt uw paarden, o helden van God"!, vergezeld van tweehonderdtwee van de belegerde en in het nauw gedreven metgezellen, en voorafgegaan door Quddús, zich voor het aanbreken van de dag uit het Fort naar buiten spoedde en onder de kreet "Yá Sáhibu'z-Zamán"! in volle vaart op het bolwerk van de prins afstormde en tot zijn privé vertrekken doordrong om te ontdekken dat deze zich in zijn consternatie uit een raam aan de achterkant in de gracht had laten vallen en barrevoets was gevlucht, zijn leger in totale verwarring en verslagenheid achterlatend. Vol smart zien wij weer voor ons geestesoog de laatste dag van Mullá Husayns aardse bestaan herleven, toen hij kort na middernacht, nadat hij zijn wassingen had verricht, zich in nieuwe kleren had gestoken en zijn hoofd met de tulband van de Báb had getooid, zijn paard besteeg, bevel gaf de poort van het Fort te openen, aan het hoofd van driehonderddertien metgezellen uitreed onder de luide roep "Yá Sahibu'z-Zamán"! en de een na de ander de zeven door de vijand opgerichte barricaden bestormde, ze ondanks een regen van kogels allemaal veroverde, snel hun verdedigers uiteen joeg en hun manschappen verstrooide, toen zijn paard in het ontstane tumult plotseling verstrikt raakte in het touw van een tent en hij, voor hij zich kon bevrijden, in de borst werd getroffen door een kogel, die de laffe 'Abbás-Quli Khán-i-Láríjání had afgevuurd vanuit een hinderlaag in de takken van een nabije boom. Wij onderstrepen de geweldige moed waarmee in een volgend treffen negentien dappere metgezellen zich hals over kop in het kamp van de vijand stortten, waar niet minder dan twee regimenten infanterie en cavalerie gelegerd waren en zo'n consternatie veroorzaakten dat een van hun aanvoerders, de reeds genoemde 'Abbás-Qulí Khán, van zijn paard viel en in zijn benardheid een van zijn laarzen in de stijgbeugel achterlatend, op één schoen en geheel van streek naar de prins rende en de onterende nederlaag die hij had geleden, opbiechtte. Ook kunnen wij niet nalaten de verheven geestkracht te noemen, waarmee deze heldhaftige zielen de last van hun zware beproevingen droegen: toen hun voedsel eerst werd gereduceerd tot het vlees van de paarden die zij uit het verlaten kamp van de vijand hadden meegenomen; toen zij zich later tevreden moesten stellen met het gras dat zij vlug van de velden haalden, telkens wanneer de belegeraars hun een moment rust gunden; toen zij in een nog later stadium gedwongen waren de schors van de bomen en het leer van hun zadels, riemen, zwaardscheden en schoenen te eten; toen zij gedurende achttien dagen niets anders hadden dan water waarvan zij iedere morgen een slok dronken; toen het kanonvuur van de vijand hen dwong ondergrondse gangen te graven in het Fort, waar zij temidden van modder en water, met kleren die wegrotten van het vocht, in leven moesten blijven op gemalen botten, en toen zij tenslotte, zoals door kroniekschrijvers uit die tijd werd bevestigd, door een knagende honger gedreven, het ros van hun diepvereerde leider Mullá Husayn opgroeven, het in stukken sneden, de beenderen tot pulver vermaalden, het met het verrotte vlees vermengden, het kookten en gretig verslonden.

Ook kan men niet onvermeld laten het laffe verraad, waartoe de onmachtige en in diskrediet gebrachte prins tenslotte zijn toevlucht nam, het breken van de zogenaamde onherroepelijke eed die hij zelf in de kantlijn van de eerste súrih in de Qur'án had geschreven en van zijn zegel voorzien, waarmee hij, zwerend op dit heilige Boek, durfde beweren alle verdedigers van het Fort vrij te laten, op erewoord beloofde, dat niemand van zijn leger of uit de omgeving hen een haar zou krenken en dat hij zelf op eigen kosten hun veilige terugkeer naar huis zou regelen. En tenslotte halen wij de slotscène van die deprimerende tragedie voor de geest toen de schending van de eed van de prins tot gevolg had, dat een aantal van de verraden metgezellen van Quddús in het vijandelijke kamp werd verzameld, van hun bezittingen werd beroofd en als slaven verkocht, terwijl de rest door de speren en zwaarden van de officieren werd gedood en met kogels doorzeefd, of uit de loop van een kanon geschoten en aan de vlammen prijsgegeven, of in andere gevallen van de ingewanden werden ontdaan, waarna hun hoofden aan speren en lansen werden gespietst. Quddús, hun geliefde leider, werd door een volgende schandelijke daad van de geïntimideerde prins in handen gespeeld van de duivelse Sa'ídu'l-'Ulamá die, vervuld van een grenzeloze haat en geholpen door het gepeupel, welks hartstochten hij zeer had helpen oplaaien, zijn slachtoffer de kleren van het lijf scheurde, hem met ketenen belaadde, hem zo door de straten van Bárfurúsh voerde en het uitschot van de vrouwelijke inwoners van die stad aanzette hem te beschimpen en te bespuwen, hem met messen en bijlen aan te vallen, zijn lichaam te verminken en de aan stukken gescheurde overblijfselen in het vuur te werpen.

Deze bewogen episode, zo roemrijk voor het Geloof, zo smadelijk voor de reputatie van zijn vijanden - een episode ook die moet worden beschouwd als een zeldzaam verschijnsel in de geschiedenis van deze tijd - werd spoedig gevolgd door een zelfde soort oproer, dat in grote lijnen een verrassende gelijkenis ermee vertoonde.

Het toneel van jammerlijke rampspoeden werd nu naar het zuiden verplaatst, naar de provincie Fárs niet ver van de stad waar het eerste gloren van het Geloof was doorgebroken. Nayríz en omgeving moesten nu de schok van een nieuwe beproeving in volle hevigheid verwerken. Het Fort Khájih, in de buurt van de wijk Chinár-Súkhtih van dat hevig opgeruide dorp werd het stormachtige middelpunt van de nieuwe brand. De held die boven zijn kameraden uittorende, manmoedig streed en ten prooi viel aan de verslindende vlammen, was die "unieke en weergalozen figuur van zijn tijd", de wijd en zijd beroemde Siyyid Yahyáy-i-Dárábí, beter bekend als Vahíd. Zijn voornaamste verraderlijke tegenstander die het vuur van de brand opstookte en voedde, was de lage en fanatieke gouverneur van Nayríz, Zaynu'l-'Ábidín Khán, die werd bijgestaan door 'Abdu'lláh Khán, de Shujá'u'l-Mulk, en versterkt door prins Fírúz Mírzá, de gouverneur van Shíráz. Hoewel het allemaal veel korter duurde dan het oproer van Mázindarán, dat niet minder dan elf maanden in beslag had genomen, waren de gevolgen van de verschrikkingen aan het einde van dit gebeuren niet minder vernietigend. Weer werd een handvol onschuldige, naar de wet levende, vredelievende doch in hoge mate fiere en onverschrokken mannen, die deze keer gedeeltelijk bestonden uit ongetrainde jongelingen en mannen van vergevorderde leeftijd, verrast, uitgedaagd, ingesloten en aangevallen door een overmachtige, wrede en geslepen vijand bestaande uit een ontelbaar groot aantal gezonde mannen die toch, hoewel goed geoefend, in voldoende mate uitgerust en voortdurend versterkt, onmachtig was de geest van zijn tegenstanders te breken of hen tot overgave te dwingen.

Dit nieuwe tumult had zijn oorsprong in de onbevreesde en vurige geloofsverklaringen, alsmede in demonstraties van religieuze geestdrift, bijna even hevig en dramatisch als die welke het oproer van Mázindarán hadden ingeluid. Het werd aangezet door een niet minder aanhoudende en heftige uitbarsting van onverzoenlijke vijandigheid van de zijde van de geestelijkheid en ging vergezeld van overeenkomstige manifestaties van blind religieus fanatisme. Het werd uitgelokt door gelijksoortige daden van onverbloemde agressie van zowel de geestelijkheid als van het volk. Het gaf opnieuw hetzelfde doel te zien, was van begin tot einde steeds bezield door dezelfde geest en steeg tot bijna dezelfde hoogte van bovenmenselijke heldhaftigheid, vastberadenheid, moed en zelfverloochening. Het onthulde een niet minder sluw berekende samenwerking van plannen maken en handelen tussen de burgerlijke en geestelijke autoriteiten, met de opzet een gemeenschappelijke vijand uit te dagen en te vernietigen. Het werd van de zijde van de Bábí's voorafgegaan door een even categorische afwijzing van enig plan zich te willen mengen in de civiele jurisdictie van de staat, of de wettelijke autoriteit van de vorst te willen ondermijnen. Het zorgde voor een niet minder overtuigend bewijs van de zelfbeheersing en het geduld van de slachtoffers tegenover de meedogenloze en niet door hen uitgelokte agressie van de verdrukker. Het stelde op weg naar zijn climax en op een nauwelijks minder treffende manier de lafheid, het gebrek aan discipline en de ontaarding van een geestelijk bankroete vijand aan de kaak. Het werd in de slotfase gekenmerkt door een even schandelijk als schaamteloos verraad. Het eindigde in een bloedbad dat nog stuitender werd door het afgrijzen dat het opriep, en de ellende die het teweegbracht. Het bezegelde het lot van Vahíd, die met zijn groene tulband, het teken van zijn nobele afkomst, aan een paard werd vastgebonden en op schandelijke wijze door de straten werd gesleurd, waarna zijn hoofd werd afgehakt, opgevuld met stro en als trofee naar de feestvierende prins in Shíráz werd gestuurd, terwijl zijn lijk werd overgeleverd aan de genade van de woedende vrouwen in Nayríz die, in een barbaarse roes gebracht door de uitbundige kreten van de triomfantelijke vijand, begeleid door trommels en cimbalen, er omheen dansten. En tenslotte had dit alles nog, met behulp van niet minder dan vijfduizend man die speciaal voor dit doel waren opgeroepen, een algemene en woeste aanval tot gevolg op de weerloze Bábí's, wier bezittingen in beslag werden genomen, wier huizen werden vernield, wier verschansingen tot de grond toe werden afgebrand, wier vrouwen en kinderen werden gevangen genomen en waarvan sommigen bijna geheel ontkleed op ezels, muilezels en kamelen werden gehesen, en langs de rijen hoofden werden gevoerd, die waren afgehouwen van de levenloze lichamen van hun vaders, broers, zoons en echtgenoten, die men tevoren had gebrandmerkt, de nagels had uitgetrokken, had gegeseld tot de dood erop volgde, of door wier handen en voeten spijkers waren gedreven, of de neus was doorboord om er touwen doorheen te halen, waaraan zij door de straten waren gevoerd voor de aanblik van een uitzinnige en honende menigte.

Deze zo verwoestende, rampzalige onrust was nauwelijks wat weggeëbd of een volgende brand, nog vernietigender dan de twee vorige oproeren, werd in Zanján en onmiddellijke omgeving aangestoken. Ongeëvenaard wat betreft de duur en het aantal mensen dat door het geweld werd meegesleept, onderstreepte deze hevige storm die in het westen van Perzië losbrak en waarbij Mullá Muhammad "Alíy-i-Zanjání, bijgenaamd Hujjat, een van de kundigste en geduchtste voorvechters van het Geloof samen met niet minder dan achttienhonderd medediscipelen de beker van het martelaarschap ledigde, scherper dan ooit de onoverbrugbare kloof, die de toortsdragers van het pas geboren Geloof scheidde van de civiele en geestelijke vertegenwoordigers van een zwaargeschokte Orde. De hoofdfiguren die voornamelijk verantwoordelijk waren voor, en onmiddellijk betrokken waren bij deze ijzingwekkende tragedie, waren de afgunstige en huichelachtige Amír Arslán Khán, de Majdu'd-Dawlih, een oom van moeders zijde van Násiri'd-Dín Sháh, en zijn medestanders de Sadru'd-Dawliy-i-Isfáhání en Muhammad Khán, de Amír-Túmán, die aan de ene kant werden bijgestaan door aanzienlijke, op bevel van de Amír-Nizám verleende militaire versterkingen en aan de andere kant geholpen door de enthousiaste, morele steun van de gehele geestelijkheid van Zanján. De plek die het toneel werd van heldhaftige strijd, het tafereel van vreselijk lijden en het doelwit van woedende en herhaalde aanslagen was het Fort van 'Alí-Mardán Khán, dat op een moment niet minder dan drieduizend Bábí's herbergde, mannen, vrouwen en kinderen inbegrepen; het verslag van hun folteringen is ongeëvenaard in de annalen van een hele eeuw.

Een korte verwijzing naar enige in het oog lopende feiten van deze droevige episode die het Geloof in zijn beginstadium onmetelijke mogelijkheden verschafte, moet voldoende zijn om haar uitgesproken karakter te onthullen. De deerniswekkende scènes die volgden op de verdeling in twee afzonderlijke kampen van de inwoners van Zanján, op bevel van de gouverneur - een besluit, dat op dramatische wijze door een omroeper bekend werd gemaakt en dat wereldlijke banden van persoonlijke aard en genegenheid slaakte ten gunste van machtiger banden van trouw; de herhaalde vermaningen van Hujjat aan het adres van de belegerden om zich te onthouden van agressie en gewelddaden; zijn plechtige verklaring, toen hij de tragedie in Mázindarán in herinnering bracht, dat hun overwinning slechts hierin bestond om alles wat zij hadden te offeren op het altaar van de Zaak van de Sáhibu'z-Zamán, en zijn verzekering van het onwrikbare voornemen van zijn metgezellen om hun vorst trouw te dienen en het beste voor te hebben met zijn volk; de verbazingwekkende onversaagdheid, waarmee deze metgezellen de hevige aanslag afsloegen van de Sadru'd-Dawlih, die zich tenslotte genoodzaakt zag zijn rampzalige mislukking te bekennen en door de Sjah scherp werd berispt en uit zijn functie werd ontheven; de verachting, waarmee de bewoners van het Fort de oproepen van de omroeper beantwoordden, die uit naam van een verbitterde vijand probeerde hen te verlokken hun zaak af te zweren en hen te paaien met de edelmoedige aanbiedingen en beloften van de vorst; de vindingrijkheid en ongelooflijke moed van Zaynab, een dorpsmeisje dat, ontvlamd in een niet te onderdrukken verlangen het lot van de verdedigers van het Fort te delen, zich in mannenkleren stak, haar lokken afknipte, een zwaard om haar middel gordde en onder de roep "Yá Sáhibu'z-Zamán"! hals over kop naar buiten stormde in achtervolging van de aanvallers en die, gedurende vijf maanden voedsel en slaap versmadend, in het heetst van de strijd voortging haar medestrijders aan te vuren en hun indien nodig te hulp te schieten; het enorme lawaai dat de wachters op de barricaden maakten, toen zij de vijf aanroepingen die de Báb had voorgeschreven, aanhieven op de avond waarop zij Zijn instructies hadden ontvangen - een lawaai, waardoor een paar mensen in het vijandelijke kamp een acute dood stierven, de losbandige officieren hun wijnglazen ogenblikkelijk op de grond lieten vallen, de speeltafels omverwierpen en barrevoets wegholden, en anderen ertoe bracht half gekleed de wildernis in te vluchten en door paniek bevangen naar de huizen van de 'ulamás te vluchten - deze gebeurtenissen springen naar voren als de hoogtepunten van deze bloedige strijd. Wij halen ons eveneens voor de geest het contrast tussen de wanorde, het gevloek, het liederlijke gelach, de uitspattingen en de schaamteloosheid, die in het vijandelijke kamp gemeen goed waren, en de sfeer van godsvrucht en toewijding die het Fort vervulde, waaruit lofliederen en vreugdehymnen voortdurend opstegen. Ook kunnen wij de oproep van Hujjat en zijn voornaamste helpers aan de Sjah niet onopgemerkt laten, waarin zij de kwaadaardige beweringen van hun vijanden verwierpen, hem van hun loyaliteit aan hem en zijn regering overtuigden en zich bereid toonden in zijn tegenwoordigheid de waarachtigheid van hun Geloof te bewijzen; het onderscheppen van deze boodschappen door de gouverneur, die vervalste brieven vol schimpscheuten in de plaats daarvan naar Tihrán stuurde; de enthousiaste steun die de vrouwelijke bewoners van het Fort verleenden, de juichkreten die zij slaakten, de animo, waarmee enkelen van hen, in mannenkleren gestoken, uitzwermden om de verdediging te versterken en hun gevallen broeders te vervangen, terwijl anderen de zieken verzorgden en op hun schouders leren zakken met water aandroegen voor de gewonden, en weer anderen, zoals de carthaagse vrouwen dat destijds deden, hun lange haar afknipten en de dikke strengen ter versteviging om de geweren bonden; het lage verraad van de belegeraars die, op de dag dat zij een oproep tot vrede hadden opgesteld en opgeschreven, waarbij een verzegeld exemplaar van de Qur'án was ingesloten als bewijs van hun gelofte en dit aan Hujjat hadden toegezonden, er niet van terugschrikten de leden van de delegatie, kinderen inbegrepen, die hij had gestuurd om met hen te onderhandelen, in een kerker te gooien, de baard van de vereerde leider van die delegatie uit te trekken, en een van zijn medediscipelen zwaar te verminken. Wij denken ook aan de grote moed van Hujjat die, hoewel hij was getroffen door de plotselinge dood van zijn vrouw en kind, met onverstoorbare kalmte doorging zijn metgezellen aan te sporen geduld te oefenen en zich over te geven aan de wil van God, totdat hij zelf bezweek aan een verwonding die de vijand hem had toegebracht; de barbaarse wraak die een in aantal en uitrusting weergaloos superieure tegenstander op zijn slachtoffers botvierde door hen over te leveren aan een slachting en plundering, die in omvang en grimmigheid zijn weerga niet had en waaraan en roofzuchtig leger, een hebzuchtige bevolking en een onverzoenlijke geestelijkheid zich naar hartelust overgaven. Niet minder dan vijftien dagen en nachten werden de uitgehongerde en slecht geklede gevangenen van beiderlei kunne aan de bittere kou van een uitzonderlijk strenge winter blootgesteld, terwijl een menigte vrouwen om hen heen dansten, hen in het gezicht spuwde en hen met de laagste scheldwoorden beledigde; anderen werden in woeste wreedheid veroordeeld uit een kanonloop te worden geschoten, in ijskoud water te worden ondergedompeld en te worden gegeseld, met hun hoofd in kokende olie te worden gestopt, met stroop te worden ingesmeerd en in de sneeuw te worden achtergelaten om te sterven. En tenslotte de onverzadelijke haat, die de sluwe gouverneur ertoe bracht om door geveinsde innemendheid de zevenjarige zoon van Hujjat te bewegen de begraafplaats van zijn vader aan te wijzen en het graf te schenden, het lijk op te graven, bevel te geven het onder tromgeroffel en trompetgeschal door de straten van Zanján te slepen en gedurende drie dagen en drie nachten aan onbeschrijflijke krenkingen bloot te stellen. Deze en gelijksoortige incidenten, die samenhangen met de heldhaftige geschiedenis van de door Lord Curzon als een "vreselijke belegering en slachtpartij" beschreven beroering in Zanján, werken mee om ze te omkleden met een sombere glorie die door geen enkele soortgelijke episode in de verslagen van het heroïsche tijdperk van het Geloof van Bahá'u'lláh wordt overtroffen.

Voor de vloed van rampspoeden die gedurende de laatste jaren van het beleid van de Báb met zo'n onheilspellend geweld de provincies van Perzië overspoelde, ongeacht hun ligging in het oosten, zuiden of westen, kon het hart en het middelpunt van het rijk zelf niet ontoegankelijk blijven. Vier maanden voor de marteldood van de Báb zou Tihrán op haar beurt, in mindere mate en onder minder dramatische omstandigheden, deel hebben aan een bloedbad dat het aanschijn van het land bezoedelde. Er speelde zich in die stad een treurspel af, dat slechts een voorspel zou blijken te zijn van een orgie van bloedbaden, die na de executie van de Báb haar inwoners schokte en ontsteltenis zaaide tot in de verst gelegen provincies. Het kwam tot stand op last, en werd uitgevoerd onder de ogen van de vertoornde en moordzuchtige Amír-Nizám, gesteund door Mahmúd Khán-i-Kalantar en bijgestaan door een zekere Husayn, een van de 'ulamás van Kashán. De helden van dit treurspel waren de Zeven Martelaren van Tihrán, die tot de hogere klasse van hun land behoorden en die bewust weigerden hun leven te kopen door alleen maar de "schijn-loochening"1 toe te passen die, taqíyyih geheten, eeuwenlang door de Shi'áh Islam als een volledig te rechtvaardigen en ook te prijzen uitvlucht in het uur van gevaar werd erkend. Noch de herhaalde en kloeke bemiddelingspogingen van hooggeplaatste leden van de stand waartoe de martelaren behoorden, noch de grote sommen gelds die, zoals in het geval van een van hen, - de edele en doorluchtige Hájí Mírzá Siyyid'Alí, de oom van de Báb van moeders zijde - rijke kooplieden uit Shíráz en Tihrán graag als losprijs wilden betalen; noch de hartstochtelijke, dringende verzoeken van staatsambtenaren ten behoeve van een andere - de vrome en zeer geachte derwisj Mírzá Qurbán 'Alí -, en zelfs niet de persoonlijke tussenkomst van de Amír-Nizám die trachtte deze beide dappere mannen over te halen hun dwaalleer af te zweren, vermochten ook maar een van de zeven er toe te bewegen afstand te doen van de begeerde lauweren van het martelaarschap. De uitdagende antwoorden die zij hun vervolgers toevoegden; de extatische vreugde die hen beving toen zij het toneel van hun dood naderden; de jubelkreten die zij uitten toen zij hun beul aanschouwden; de aangrijpende verzen die enkele van hen in hun laatste ogenblikken citeerden; de oproepen en uitdagingen die zij richtten tot de vele toeschouwers die hen in stomme verwondering aanstaarden; het ongeduld waarmee ieder van de drie laatste slachtoffers probeerde de ander voor te zijn om zijn trouw met zijn bloed te bezegelen; en tenslotte de gruwelen waartoe een bloeddorstige vijand zich verlaagde om de lijken drie dagen en drie nachten onbegraven in de Sabzih-Maydán te laten liggen, gedurende welke tijd duizenden zogenaamd vrome Shí'ahs tegen hun lijken schopten, op hun gezicht spuwden, ze sloegen, vervloekten en bespotten en met vuil overdekten - dit waren de voornaamste kenmerken van de tragedie van de Zeven Martelaren van Tihrán, een tragedie die te boek staat als een van de grimmigste tonelen die men in de loop van deze eerste ontplooiing van het Geloof van Bahá'u'lláh te zien heeft gekregen. Het behoeft geen betoog dat de Báb, terneergedrukt door de groeiende ellende in het Fort Chihríq, hen op de bladzijden van een lang loflied dat hun trouw aan Zijn Zaak onsterfelijk maakte, wel moest uitroepen en verheerlijken als de "zeven bokken" die, volgens de islamitische traditie, op de Dag des Oordeels "voor" de beloofde Qá'im "uit zullen lopen" en wier dood aan het aanstaande martelaarschap van hun ware Herder moest voorafgaan.

HOOFDSTUK IV
De terechtstelling van de Báb

De golven van verschrikkelijke rampen die het Geloof beukten en tenslotte in snelle opeenvolging de kundigste, dierbaarste en vertrouwdste discipelen van de Báb verzwolgen, dompelden Hem, zoals reeds werd vermeld, in onzegbaar leed. Zijn kroniekschrijver meldt, dat de Gevangene van Chihríq meer dan zes maanden niet in staat was om te schrijven of te dicteren. Gebroken van verdriet door de slechte berichten over de eindeloze beproevingen die Zijn kundigste schilddragers overkwamen, door de vreselijke folteringen die de belegerden ondergingen en het schaamteloze verraad aan de overledenen, de schandelijke kwellingen die de gevangenen hadden te verduren en de afzichtelijke afslachting van mannen, vrouwen en kinderen, alsook de verfoeilijke, onwaardige wijze waarop men de lijken behandelde, weigerde Hij negen dagen lang iemand van Zijn vrienden te ontmoeten en nam Hij met tegenzin het voedsel en de drank tot Zich die men Hem voorzette, zo verhaalt Zijn amanuensis. De tranen stroomden Hem voortdurend over de wangen en uitspraken van onuitputtelijk leed vloeiden uit Zijn gekweld gemoed, terwijl Hij vijf maanden lang alleen en ontroostbaar in Zijn gevangenis kwijnde.

De steunpilaren van Zijn jonge Geloof waren voor het grootste deel omvergeworpen bij de eerste stoot van de orkaan die er op werd losgelaten. Quddús, door de Báb met eeuwige room bekleed als Ismu'lláhi'l-Ákhir (de laatste naam van God); aan wie Bahá'u'lláh in de Tafel van Kullu't-Ta'ám later de verheven benaming verleende van Nuqtiy-i-Ukhrá (het laatste punt); die Hij in een andere Tafel verhief tot een rang die voor niemand onderdeed dan voor de Heraut van Zijn Openbaring; die Hij in een andere Tafel gelijkstelde met een van de in de Qur'án genoemde "boodschappers beschuldigd van bedrog"; die in de Perzische Bayán wordt verheerlijkt als die medepelgrim waaromheen spiegels wentelen ten getale van acht Váhids; op wiens "onthechtheid en oprechte toewijding aan Gods wil God zelf trots is temidden van de heerscharen in den hoge"; dien 'Abdu'l-Bahá betitelde als de "maan van leiding"; en op wiens verschijning in de Openbaring van Johannes1 wordt geduid als een van de twee "getuigen", in wie "voor de tweede wee voorbij is" de "levensgeest uit God" moet ingaan - deze man was in de volle bloei van zijn leven in de Sabzih-Maydán van Bárfurúsh een dood gestorven die, zoals door Bahá'u'lláh is gestaafd, zelfs Jezus Christus in het uur van Zijn ergste lijden niet kreeg te doorstaan. Mullá Husayn, de eerste van de Letters van de Levende, bijgenaamd Bábu'l-Báb (de Poort van de Poort); aangeduid als de "eerste spiegel"; aan wie de lofredenen, gebeden en Tafelen van Ontmoeting, in aantal driemaal zoveel als de inhoud van de Qur'án, door de Pen van de Báb waren opgedragen; die in genoemde lofredenen werd betiteld als de "geliefde van Mijn hart"; van wiens graf het stof zo krachtig was, naar dezelfde Pen verklaarde, dat het de bedroefden troostte en de zieken genas; op wie "de schepselen die opstonden in het begin en aan het einde" van de Bábí Beschikking afgunstig waren en op wie zij afgunstig zullen blijven tot aan de "Dag des Oordeels"; van wie in de Kitáb-i-Íqán wordt gezegd dat hij degene is zonder wie "God niet op de zetel van Zijn barmhartigheid gevestigd zou zijn, en evenmin de troon van eeuwige heerlijkheid zou hebben bestegen"; aan wie Siyyid Kázim zoveel lof had toegezwaaid dat zijn discipelen vermoedden, dat de ontvanger van zoveel eerbetoon misschien wel de Beloofde Zelf kon zijn - deze man was in Tabarsí, evenzo in de bloei van zijn leven, de marteldood gestorven. Vahíd, in de Kitáb-i-Íqán aangemerkt als de "enige en onovertroffen figuur van zijn tijd", een man van geweldige eruditie en de meest vooraanstaande figuur die zich onder het banier van het nieuwe Geloof had geschaard, van wiens "talenten en heiligheid" de Báb in Zijn Dalá-il-i-Sab'ih (Zeven Bewijzen) had getuigd en die tevens "het hoogste op het gebied van wetenschappen en filosofie" had bereikt, was reeds onder gelijksoortige omstandigheden in de maalstroom van een andere beroering meegevoerd en zou spoedig op zijn beurt de beker die door de heldhaftige martelaren van Mázindarán was geledigd, drinken. Hujjat, een andere voorvechter die opviel door zijn grote moed, zijn onverzettelijke wil, zijn opmerkelijke originaliteit en overtuigde geloofsijver, werd snel en onontkoombaar in de gloeiende oven getrokken waarvan de vlammen reeds Zanján en omgeving hadden omsloten. De oom van moeders zijde van de Báb, de enige vader die Hij vanaf Zijn kindsheid had gekend, Zijn schild en troost en de vertrouwde behoeder van zowel Zijn moeder als Zijn vrouw, was Hem eveneens door beulshanden in Tihrán ontnomen. Niet minder dan de helft van Zijn uitverkoren discipelen, de Letter van de Levende, waren Hem reeds op het veld van martelaarschap voorgegaan. Táhirih was, hoewel nog in leven, moedig een weg ingeslagen die haar onvermijdelijk naar haar ondergang moest voeren.

Een snel wegebbend leven, zo overvol van opeengehoopte zorgen, teleurstellingen, verraad en ellende van een tragische beleidsperiode, bereikte nu vlug zijn climax. De meest bewogen episode van het heroïsche tijdperk van de nieuwe Beschikking kwam nu op haar hoogtepunt. De beker van bittere beproeving die de Heraut van die Beschikking had geproefd, was nu op het punt over te lopen. In werkelijkheid had Hij Zelf reeds Zijn naderende dood voorspeld. In de Kitáb-i-Panj-Sha'n, een van Zijn laatste werken, had Hij reeds gezinspeeld op het feit dat de zesde Naw-Rúz na de verkondiging van Zijn zending de laatste zou zijn die Hem was gegeven op deze aarde te vieren. In Zijn uitleg van de letter Há had Hij reeds uiting gegeven aan Zijn verlangen naar het martelaarschap, terwijl Hij in de Qayyúmu'l-Asmá' in feite reeds de onvermijdelijkheid had geprofeteerd van een dergelijke voleinding van Zijn roemrijke levensloop. Veertig dagen voor Zijn definitieve vertrek uit Chihríq had Hij zelfs alle in Zijn bezit zijnde documenten verzameld en ze tezamen met Zijn pennendoos, Zijn zegels en Zijn ringen in handen gegeven aan Mullá Báqir, een Letter van de Levende, die Hij opdracht gaf ze aan Mullá 'Abdu'l-Kárim-i-Qazvíní, bijgenaamd Mírzá Ahmad, toe te vertrouwen, die ze weer aan Bahá'u'lláh in Tihrán moest afgeven.

Terwijl de botsingen in Mázindarán en Nayríz hun bloedig verloop hadden, overwoog de grootvizier van Násiri'd-Dín Sháh, - daarbij angstig de betekenis van deze afschuwelijke gebeurtenissen afwegend en bevreesd voor hun terugslag op zijn landgenoten, zijn regering en zijn vorst - die noodlottige beslissing, die niet alleen een onuitwisbaar stempel zou drukken op het lot van zijn land, maar die tevens geladen zou zijn met zeer onberekenbare consequenties voor het lot van de gehele mensheid. Hij was er nu ten volle van overtuigd dat de maatregelen van beperking en onderdrukking die tegen de volgelingen van de Báb waren genomen er slechts toe hadden bijgedragen het vuur van hun geloofsijver aan te wakkeren, hun vastberadenheid te versterken en hun aanhankelijkheid aan hun vervolgd Geloof te verstevigen. Het isolement en de gevangenschap van de Báb hadden het tegengestelde effect opgeleverd van wat de Amír-Nizám vol vertrouwen had verwacht. Zeer verontrust, veroordeelde hij scherp de rampzalige lankmoedigheid van zijn voorganger Hájí Mirzá Áqásí die de zaken zo uit de hand had laten lopen. Een drastischer en nog meer tot voorbeeld strekkende bestraffing, vond hij, moest nu worden toegepast voor wat hij beschouwde als een gruwel van ketterij die de geestelijke en civiele instellingen van het rijk bezoedelde. Niets anders, geloofde hij, dan de vernietiging van het leven van Hem Die de krachtbon was van zo'n verfoeilijke leerstelling en de motor achter zo'n dynamische beweging, kon het tij keren dat een dergelijke verwoesting in het gehele land had veroorzaakt.

De belegering van Zanján was nog in volle gang toen hij, zonder uitdrukkelijke opdracht van zijn vorst en zonder zijn raadgevers en medeministers er in te kennen, zijn opdracht aan prins Hamzih Mírzá, de Hishmatu'd-Dawlih, de gouverneur van Ádhirbáyján, toezond, waarin hij hem gelaste de Báb ter dood te brengen. Bang dat het opleggen van zo'n verdiende straf in de hoofdstad van het rijk krachten in beweging zou zetten die hij niet bij machte was in de hand te houden, beval hij dat zijn Gevangene naar Tabríz overgebracht en daar ter dood gebracht moest worden. Gesteld tegenover een botte weigering van de verontwaardigde prins om te volvoeren wat hij beschouwde als een schandelijke misdaad, droeg de Amír Nizám zijn eigen broeder Mírzá Hasan Khán op zijn bevelen uit te voeren. De gebruikelijke formaliteiten die noodzakelijk waren om zich van de goedkeuring van de leidende mujtahids van Tabríz te verzekeren, werden haastig en gemakkelijk vervuld. Noch Mullá Muahammad-i-Mamáqání die het bevel tot voltrekking van het doodvonnis van de Báb al op de dag van Zijn verhoor in Tabríz had uitgeschreven, noch Hájí Mírzá Báqir, noch Mullá Murtadá-Qulí naar wier huizen hun Slachtoffer op zo smadelijke wijze door de farrásh-báshí op bevel van de grootvizier was gevoerd, verwaardigden zich hun gevreesde Tegenstander oog in oog te ontmoeten.

Onmiddellijk voor en vlak na deze vernederende behandeling, de Báb aangedaan, gebeurden er twee hoogst belangrijke voorvallen, die een verhelderend licht werpen op de mysterieuze omstandigheden tijdens de eerste fase van Zijn martelaarschap. De farrásh-báshí had plotseling het laatste vertrouwelijke gesprek onderbroken, dat de Báb onder vier ogen in een van de vertrekken van de kazerne had met Zijn amanuensis Siyyid Husayn, en terwijl hij de laatste opzij trok en hem een strenge schrobbering gaf, werd hij op de volgende wijze door de Gevangene toegesproken. "Slechts als Ik al die dingen tegen hem heb gezegd die ik wens te zeggen, kan enige aardse macht Mij het zwijgen opleggen. Al zou de gehele wereld de wapenen tegen Mij opnemen, dan zal ze toch niet bij machte zijn Mij ervan te weerhouden tot aan het laatste woord Mijn plan te volvoeren". Aan de Christen Sám Khán - de kolonel van het Armeense regiment dat opdracht had de executie uit te voeren - die, vol angst dat hij zich met deze handeling de wrake Gods op de hals zou halen, had gesmeekt hem van zijn taak te ontheffen, gaf de Báb de volgende verzekering, "Volg uw instructies op, en als uw bedoelingen oprecht zijn, kan voorzeker de Almachtige uw dilemma oplossen."

Sám Khán ging zich overeenkomstig deze raad van zijn plicht kwijten. Er werd een lange spijker in de pilaar geslagen die twee vertrekken in de kazerne met uitzicht op het plein scheidde. Er werden twee touwen aan vastgemaakt waaraan de Báb en een van Zijn discipelen, de jonge en toegewijde Mírzá Muhammad-'Alí-i-Zunúzí, bijgenaamd Anís die zich eerder al aan de voeten van zijn Meester had geworpen en Hem had gesmeekt onder geen beding van Zijn zijde te worden weggezonden, ieder apart werden opgehangen. Het vuurpeloton stelde zich in drie rijen op, ieder bestaand uit tweehonderdvijftig man. Iedere rij opende om beurten het vuur, totdat het gehele detachement zijn kogels had afgeschoten. De rook uit de lopen van de zevenhonderdvijftig geweren was zo dicht, dat de hemel werd verduisterd. Zodra de rook was opgetrokken, aanschouwde de verstomde menigte van ongeveer tienduizend mensen, die zich op het dak van de kazerne hadden opgesteld alsook boven op de aangrenzende huizen, een toneel dat hun ogen nauwelijks konden geloven.

De Báb was uit het gezicht verdwenen. Alleen Zijn metgezel was er nog, levend en ongeschonden, staande naast de muur waaraan zij waren opgehangen. Alleen de touwen waaraan zij hadden gehangen, waren stuk geschoten. "De Siyyid-i-Báb is uit onze ogen verdwenen"! gilden de verbijsterde toeschouwers. Onmiddellijk begon men naarstig te zoeken. Men vond Hem ongedeerd en onverstoord in hetzelfde vertrek waarin Hij de nacht tevoren had vertoefd, terwijl Hij het onderbroken gesprek met Zijn amanuensis afmaakte. De woorden waarmee de door de voorzienigheid behouden Gevangene de farrásh-báshí bij zijn binnenkomst begroette waren, "Ik heb Mijn gesprek met Siyyid Husayn beëindigd; nu kunt gij uw plan verder uitvoeren". De farrásh-báshí herinnerde zich de boude uitspraak, die de Gevangene eerder die dag had gedaan, en was zo geschokt door deze adembenemende onthulling, dat hij ogenblikkelijk het toneel verliet en zijn functie neerlegde.

Sám Khán herinnerde zich eveneens met gevoelens van ontzag en verbazing de geruststellende woorden die de Báb tot hem had gesproken, gaf zijn mannen bevel de kazerne ogenblikkelijk te verlaten en zwoer toen hij het plein afliep dat hij zoiets nooit meer zou doen, ook al zou het hem zijn leven kosten. Áqá Ján-i-Khamsih, een kolonel van de lijfwacht gas zich vrijwillig op om zijn plaats in te nemen. Aan dezelfde muur en op dezelfde wijze werden de Báb en Zijn metgezel weer opgehangen, terwijl het nieuwe regiment aantrad en het vuur op hen opende. Deze keer echter werden hun lichamen met kogels doorzeefd en volledig stukgeschoten, maar niet hun gezichten die slechts heel licht werden beschadigd. Toen het regiment zich gereed maakte voor het vuren waren de laatste woorden van de Báb en de toekijkende menigte, "O eigenzinnig geslacht, als gij Mij had geloofd zou ieder van u het voorbeeld van deze jongeman die in rang boven de meesten van u staat, hebben gevolgd en zich bereidwillig hebben opgeofferd op Mijn pad. De dag zal komen dat gij Mij zult erkennen; op die dag zal Ik niet meer bij u zijn".

Dit was nog niet alles. Op het moment dat de schoten werden gelost, stak een uitzonderlijk hevige storm op en joeg over de stad. Van het middaguur tot aan de avond verduisterde een wervelwind van stof het licht van de zon en verblindde de ogen van de mensen. In Shíráz vond in 1268 n.H. een "aardbeving" plaats zoals in een belangrijk boek als de Openbaring van Johannes werd voorspeld, die de gehele stad in rep en roer bracht en enorm huishield onder de mensen, een verwoesting die nog werd verergerd door het uitbreken van cholera, hongersnood en andere rampen. In datzelfde jaar vonden tijdens een aardbeving niet minder dan tweehonderdvijftig man van het vuurpeloton dat het regiment van Sám Khán had vervangen tegelijk met hun officieren de dood, terwijl de vijfhonderd overigen als straf voor een muiterij drie jaar later hetzelfde lot ondergingen als zij de Báb hadden aangedaan. Om er zeker van te zijn dat geen van hen in leven was gebleven, werden zij met een tweede salvo doorzeefd, waarna hun lijken, met lansen en speren doorboord, aan de toekijkende bewoners van Tabríz werden getoond. De voornaamste aanstichter tot de dood van de Báb, de onverzoenlijke Amír-Nizám, kwam samen met zijn broer, zijn hoofdmedeplichtige, binnen twee jaar na die barbaarse daad om het leven.

Nog op de avond van de dag van de terechtstelling van de Báb, die viel op de 9e juli 1850 (28 Sha'bán 1266 n.H.) in het eenendertigste jaar van Zijn leven en het zevende van Zijn beleid, werden de verminkte lijken van de binnenplaats der kazerne overgebracht naar de kant van de gracht buiten de stadspoort. Vier compagnieën, elk bestaande uit tien schildwachten, werd opgedragen ze om beurten te bewaken. De volgende ochtend bezocht de Russische consul in Tabríz de plek en gaf de hem vergezellende kunstenaar opdracht een tekening te maken van de stoffelijke overblijfselen zoals ze daar langs de gracht lagen. Midden in de nacht van de volgende dag slaagde een volgeling van de Báb, Hájí Sulaymán Khán er door de bemiddeling van een zekere Hájí Alláh-Yár in, de lijken naar een zijdefabriek over te brengen, die aan een van de gelovigen in Milán toebehoorde, en legde ze de volgende dag in een speciaal daarvoor gemaakte houten kist die hij later naar een veilige plaats overbracht. Intussen verkondigden de mullás met veel ophef van de kansel dat in tegenstelling tot het heilige lichaam van de Onbevlekte Imám, dat voor roofdieren en kruipend gedierte zou worden gespaard, het lijk van deze man door wilde beesten was verslonden. Zodra het nieuws van de overbrenging van de stoffelijke overblijfselen van de Báb en Zijn medeslachtoffer aan Bahá'u'lláh was doorgegeven, droeg Hij genoemde Sulaymán Khán op ze naar Tihrán te brengen, waar ze werden overgegeven aan de Imám-Zádih-Hasan, vanwaar ze weer naar verschillende andere plaatsen werden gebracht tot aan de tijd, dat ze, overeenkomstig de instructies van 'Abdu'l-Bahá, naar het Heilige Land werden vervoerd, waar ze voor altijd plechtig door hem werden ter ruste gelegd in een speciaal voor dat doel opgericht mausoleum op de helling van de berg Karmel.

Zo eindigde een leven dat het nageslacht zal erkennen als het punt, waar twee universele profetische tijdkringen samenvloeien: de cyclus van Adam die teruggaat tot het eerste gloren van de opgetekende religieuze wereldgeschiedenis, en de bahá'í cyclus die bestemd is zich voort te stuwen over een nog in de schoot der tijd liggende periode van niet minder dan vijfduizend eeuwen. De apotheose waarin dit leven zijn voleinding bereikte geeft, zoals reeds werd opgemerkt, de culminatie aan van de heldhaftigste fase van het heroïsche tijdperk van de Bahá'í Beschikking.

Het kan bovendien in geen ander licht worden gezien dan als het meest dramatische, het meest tragische gebeuren dat binnen de gehele duur van de eerste bahá'í eeuw bekend geworden is. In feite kan het met recht als ongeëvenaard worden uitgeroepen in de levenskronieken van alle Stichters der in de wereld bestaande religieuze stelsels.

Zo'n geweldig gebeuren kan nauwelijks nalaten een wijd verspreide en levendige belangstelling te wekken ook buiten de grenzen van het land waarin het zich afspeelde. De getuigenis die is opgetekend door een christelijke, franse geleerde en regeringsambtenaar, die in Perzië had gewoond en zich vertrouwd had gemaakt met het leven en de leringen van de Báb, luidt, "Het is een van de prachtigste voorbeelden van moed die de wereld ter overdenking is gegeven, en het is ook een wonderbaarlijk bewijs van de liefde die onze held aan zijn landgenoten gaf. Voor de mensheid heeft Hij Zijn lichaam en ziel gegeven; daarvoor heeft Hij ontberingen, beledigingen, beschimpingen en martelingen en tenslotte de marteldood ondergaan. Hij heeft met zijn bloed het verdrag van universele broederschap bezegeld en net zoals Jezus heeft hij de komst van de heerschappij van eendracht, rechtvaardigheid en liefde tot de naaste met zijn leven betaald". Nog een ander getuigenis uit de pen van dezelfde geleerde in een toelichting op de dingen die tijdens de marteldood van de Báb voorvielen is, "Een vreemde gebeurtenis, uniek in de annalen der mensheid". De uitspraak van een bekende franse oriëntalist luidt, "Werkelijk een wonder". Het oordeel van een beroemde Britse reiziger en schrijver luidt, "Een ware Godsmens". Het huldeblijk dat Hem wordt gegeven door een bekende franse publicist is, "Het schoonste voortbrengsel van zijn land". Het oordeel van een engelse godgeleerde van naam luidt, "De Jezus van deze tijd ... een profeet en meer dan een profeet". De mogelijkheid die voor het Geloof dat de Báb had gevestigd wordt voorzien door de wijd en zijd vermaarde Oxford-geleerde, het toenmalige hoofd van Balliol College is, "De belangrijkste religieuze beweging sinds de stichting van het Christendom".

'Abdu'l-Bahá'í schriftelijke verzekering luidt, "Vele mensen uit alle delen van de wereld reisden naar Perzië en begonnen met geheel hun hart de zaak te onderzoeken". De tsaar van Rusland, zo meldt en eigentijdse kroniekschrijver, had zelfs vlak voor de marteldood van de Báb de Russische consul in Tabríz opdracht gegeven een volledig onderzoek te doen naar, en verslag uit te brengen over een dusdanig opzienbarende Beweging, een opdracht die met het oog op de executie van de Báb niet ten uitvoer kon worden gebracht. Ook in de verafgelegen landen, zoals die van West-Europa, was een niet minder diepgaande interesse gewekt, die zich met grote snelheid verspreidde in literaire, artistieke, diplomatieke en intellectuele kringen. De eerder genoemde franse publicist beweert, "Heel Europa was door medelijden en verontwaardiging bewogen ... Onder de literatoren van mijn generatie was in het Parijs van 1890 de marteldood van de Báb nog net zo'n onderwerp van gesprek als het eerste nieuws over Zijn dood was geweest. Wij schreven gedichten over Hem. Sarah Bernhardt verzocht Catulle Mendès een toneelstuk met als onderwerp deze historische tragedie te schrijven". Een Russische dichteres, lid van de filosofische, oosterse en bijbelse genootschappen van St. Petersburg publiceerde in 1903 een drama dat tot titel had "de Báb ", welk stuk een jaar later werd gespeeld in een van de voornaamste schouwburgen van die stad en dat daarna in Londen publiciteit kreeg, in Parijs in het Frans werd vertaald en in het Duits door de dichter Fiedler, en vlak na de Russische revolutie in Leningrad opnieuw in het Volkstheater werd opgevoerd en kans zag de oprechte sympathie en belangstelling op te wekken van de beroemde Tolstoy, wiens loflied op het dichtwerk later in de Russische pers werd gepubliceerd.

Het is werkelijk niet overdreven te zeggen dat wij nergens in de gehele religieuze wereldliteratuur, met uitzondering van de Evangeliën, een verslag vinden betreffende de dood van een godsdienststichter, dat kan werden vergeleken met de marteldood van de Profeet van Shíráz. Zo'n vreemd, zo'n onverklaarbaar wonder dat door ooggetuigen is bevestigd, door mensen van erkend niveau is aangetoond en zowel door de regering als door de onofficiële geschiedschrijvers onder het volk dat een niet aflatende vijandigheid tegen het Bábí Geloof had gezworen is erkend, moet wel worden beschouwd als de wonderbaarlijkste manifestatie van de unieke mogelijkheden waarmee een Beschikking, voorspeld door alle voorgaande Beschikkingen, was begiftigd. Alleen het lijden van Jezus Christus en in feite Zijn gehele openbare beleidstijd biedt een overeenkomst met de zending en de dood van de Báb, een overeenkomst die aan geen enkele student in de wetenschap van de vergelijkende godsdiensten kan ontgaan. In de jeugdigheid en zachtmoedigheid van de Onthuller van de Bábí Beschikking; in de uitzonderlijk korte duur en bewogenheid van Zijn optreden in het openbaar; in de dramatische snelheid waarmee dit zijn climax tegemoet ging; in de apostolische orde die Hij instelde en het primaat dat Hij overdroeg aan een van de leden ervan; in Zijn stoutmoedig wraken van de aloude conventies, riten en wetten die in het patroon van de religie waarin Hij zelf was grootgebracht waren verweven; in de rol die een officieel erkende en stevig verankerde religieuze hiërarchie speelde als voornaamste aanstichter van de smadelijke behandeling die Hij moest ondergaan; in de beledigingen waarmee men Hem overlaadde; in Zijn plotselinge arrestatie; in het verhoor waaraan Hij werd onderworpen; in de bespotting en de geseling die Hij had te verduren; in de beschimpingen die Hij zich door het publiek moest laten welgevallen; en tenslotte Zijn schandelijke ophanging voor de aanblik van een vijandiggezinde menigte - in al deze dingen kan men niet anders dan een opvallende gelijkenis zien met de belangrijke gebeurtenissen in de levensloop van Jezus Christus.

Men moet er echter wel aan denken dat de Báb, afgezien van het wonder dat bij Zijn terechtstelling gebeurde, niet zoals de Stichter van de christelijke religie, alleen moet worden gezien als de zelfstandige Auteur van een goddelijk geopenbaarde Beschikking, maar ook moet worden erkend als de Heraut van een nieuw tijdperk en de Inleider van een universele profetische tijdkring. Ook moet men het belangrijkste feit niet over het hoofd zien dat, waar de voornaamste tegenstanders van Jezus Christus gedurende Zijn leven de joodse rabbi's en hun helpers waren, de krachten die tegen de Báb werden samengespannen de gecombineerde burgerlijke en geestelijke machten van Perzië vertegenwoordigden, die vanaf het moment van Zijn verkondiging tot het uur van Zijn dood niet ophielden met vereende krachten en met alle hun ten dienste staande middelen tegen de verdedigers van Zijn Openbaring samen te zweren en haar leerstellingen te belasteren.

De Báb, door Bahá'u'lláh uitgeroepen als de "Kern der Kernen"' de "Zee der Zeeën"' het "Punt waaromheen de wezenlijkheid van de Profeten en Boodschappers wentelt"' "uit Wie God de kennis van alles wat was en zijn zal deed voortkomen"' Wiens "rang die van alle Profeten overtreft" en Wiens "Openbaring het bevattingsvermogen en begrip van alle uitverkorenen te boven gaat" had Zijn Boodschap gebracht en Zijn zending vervuld. Hij Die volgens de woorden van 'Abdu'l-Bahá het "Ochtendgloren van de Waarheid" was en de "Voorbode van het grootste Licht", Wiens komst terzelfder tijd de beëindiging van de "profetische tijdkring" en de aanvang van de "cyclus van vervulling" aanduidde, had gelijktijdig door Zijn Openbaring de schaduw van de nacht die over Zijn land was gevallen verdreven en de op handen zijnde opkomst van die onvergelijkelijke Hemelbol, Wiens glans de gehele mensheid zou omgeven, aangekondigd. Zoals Hij zelf bevestigde had Hij, "het eerste Punt waaruit alle geschapen dingen voortkomen", "een van de steunpilaren van het eerste Woord van God", de "mystieke Tempel", de "grote Verkondiging", de "vlam van dat bovenaardse Licht dat op Sinaï scheen", het "gedenken Gods", met betrekking tot Wie "een afzonderlijk Verbond is gesloten met iedere Profeet", door Zijn komst tegelijkertijd de beloften uit alle tijden vervuld en de vervulling van alle Openbaringen ingeluid. Hij de "Qá'im" (Hij die verrijst), beloofd aan de Shi'ahs, de "Mihdi" (Hij die wordt geleid), verwacht door de Sunnís, de "wederkeer van Johannes de Doper", verbeid door de Christenen; de "Úshídar-Máh", genoemd in de geschriften van Zoroaster; de "wederkomst van Elia", verwacht door de Joden; Wiens Openbaring "de tekenen en voortekenen van alle Profeten" moest tonen; Die de "volmaaktheid van Mozes, de luister van Jezus en het geduld van Job moest manifesteren" was nu verschenen, had Zijn Zaak verkondigd, was genadeloos vervolgd en was op glorieuze wijze gestorven, was ten lange leste verschenen en de eerste van de twee "Boodschappers" Wier verschijning in de Qur'án was voorzegd, was naar de aarde gezonden. De eerste "bazuinstoot", bestemd om de aarde met vernietiging te treffen, en aangekondigd in het laatst genoemde Boek, had tenslotte weerklonken. "Het onvermijdelijke", de "catastrofe", de "wederopstanding", de "aardbeving van het laatste uur", voorspeld in datzelfde Boek, waren allemaal geschied. De "duidelijke tekenen" waren "neergezonden" en de "geest" had "geademd" en "de sterren" waren "onzichtbaar gemaakt" en de "aarde" had "haar last afgeworpen" en het "paradijs" was "naderbij gebracht" en de "hel" was "in lichter laaie gezet" en het "boek" was "opgetekend" en de "brug" was "geslagen" en de "weegschaal" was "ingesteld" en de "bergen tot stof uiteengevallen". De "reiniging van het Heiligdom", geprofeteerd door Daniël en bevestigd door Jezus Christus in Zijn verwijzing naar de "gruwel die verwoesting brengt" was volbracht. De "dag die duizend jaar zal duren" voorzegd door de Apostel van God in Zijn Boek, was geëindigd. "De tweeënveertig maanden" gedurende welke de "heilige Stad", naar de voorspelling van Johannes, onder de voet zou worden gelopen, waren verstreken. De "tijd van het einde" was ingeluid en de eerste van de "twee getuigen", in Wie "na drie dagen en een halve de levensgeest uit God" zou invaren, was verschenen en was "ten hemel opgestegen op een wolk". De "resterende vijfentwintig letters die nog geopenbaard moesten worden" volgend de islamitische traditie van de "zevenentwintig" waaruit kennis moet bestaan, waren geopenbaard. Het "mannelijke Kind", genoemd in de Openbaring van Johannes, bestemd om "alle volkeren met een ijzeren staf te hoeden" had met Zijn komst de scheppende krachten vrijgemaakt die, versterkt door de uitstortingen van een snel daarop volgende en oneindig machtiger Openbaring, die langzamerhand het gehele menselijke ras met het vermogen moest doordringen de organische eenmaking tot stand te brengen, tot volwassenheid te komen en daardoor de laatste fase in de eeuwenlange evolutie te bereiken. Het tot de "heerscharen van Koningen en zoons van koningen" gerichte klaroengeschal, dat het begin aangaf van een proces dat versneld door Bahá'u'lláh's latere waarschuwingen tot de gehele schare monarchen in oost en west, en zo'n wijdverspreide omwenteling in het lot van het koningschap zou teweeg brengen, was in de Qayyumú'l-Asmá' aangeheven. De "Orde", waarvan de Beloofde in de Kitáb-i-Aqdas de grondslag zou leggen en waarvan het Middelpunt van het Verbond in zijn Testament de hoofdlijnen zou uitstippelen, en waarvan al zijn volgelingen nu de bestuurlijke opbouw aan het optrekken zijn, was met stelligheid in de Perzische Bayán aangekondigd. De wetten die aan de ene kant waren ingesteld om met één slag de voorrechten, ceremonieën, de verordeningen en instellingen van een verouderde Beschikking af te schaffen, en aan de andere kant de kloof te overbruggen tussen een uit de tijd geraakt systeem en de instellingen van een wereldomvattende Orde die bestemd waren dit te vervangen, waren duidelijk geformuleerd en verkondigd. Het Verbond dat, ondanks de opzettelijke aanslagen die er tegen werden gericht, er in slaagde - in tegenstelling tot alle voorgaande Beschikkingen - de zuiverheid van het Geloof van zijn geestelijke Vader te bewaren en de weg te banen voor de komst van hem die er het middelpunt en doel van zou worden, was stevig en onherroepelijk gevestigd. Het licht dat, door achtereenvolgende perioden heen, zich geleidelijk zou verspreiden vanuit zijn bakermat tot Vancouver in het westen en tot de Chinese Zee in het oosten, en haar glans zou uitstralen tot IJsland in het noorden en tot de Tasman Zee in het zuiden, was doorgebroken. De duistere machten, eerst nog beperkt tot de verenigde vijandschap der burgerlijke en geestelijke machten van Shí'ah Perzië, in een later stadium kracht winnend door de erkende en voortdurende oppositie van de kalief van de Islam en de Sunní hiërarchie in Turkije, en bestemd het hoogtepunt te bereiken in de hevige tegenstand van de geestelijke orden van andere en nog machtiger religieuze stelsels, hadden hun eerste aanval ingezet. De kern van de goddelijk beschikte, wereldomvattende gemeenschap - een gemeenschap waarvan de jeugdige kracht reeds de kluisters van de Shí'ah orthodoxie had gestaakt en die met iedere uitbreiding van de kring van haar aanhangers een wijdere en nog betekenisvollere erkenning zocht en verkreeg van haar aanspraak de wereldreligie van de toekomst te zijn - was nu gevormd en ging langzaam een vaste vorm aannemen. En tenslotte had het zaad, door de Hand van Almacht begiftigd met onmetelijke mogelijkheden, hoewel ruw vertrapt en naar het scheen van de aardbodem verdreven, juist door dit proces de kans gekregen te ontkiemen en opnieuw tevoorschijn te komen in de vorm van een nog machtiger Openbaring - een Openbaring die bestemd was in een later tijdperk tot volle bloei te geraken in de voorspoedig groeiende instellingen van een wereldomvattend Bestuursstelsel en in de op komst zijnde Gouden Eeuw te rijpen tot machtige werkgemeenschappen die in overeenstemming met de grondbeginselen van een wereldverenigende, wereldverlossende Orde functioneren.

HOOFDSTUK V

De aanslag op het leven van de Sjah en de gevolgen daarvan

Het Geloof, waardoor een heel volk tot in zijn diepste diepten werd beroerd, terwille waarvan duizenden dierbare en heldhaftige zielen waren opgeofferd en op welks altaar de geestelijke Vader Zijn leven had gegeven, werd nu onderworpen aan de spanningen en de druk van nog een uitzonderlijk hevige crisis met verreikende consequenties. Het was een van die periodieke crises, die in het verloop van een hele eeuw de glans van het Geloof voor een ogenblik vermocht te verduisteren en bijna de opbouw van zijn vitale instellingen zou breken. Telkens weer plotseling, meestal onverwacht, schijnbaar fataal voor zowel de geest als het bestaan van het Geloof, zijn deze onvermijdelijke manifestaties van de geheimzinnige ontwikkeling van een wereldreligie, zo vol intens leven, uitdagend in haar uitspraken, revolutionair in haar leerstellingen en worstelend tegen een overstelpende overmacht, òf van buitenaf bespoedigd door de boosaardigheid van haar erkende tegenstanders òf van binnenuit uitgelokt door het onverstand van haar vrienden, de afvalligheid van haar aanhangers of de trouweloosheid van enkele hooggeplaatste vrienden en familieleden van haar stichters. Hoezeer ook het merendeel van haar loyale aanhangers erdoor in de war werd gebracht, hoe vaak het ook door haar tegenstanders openlijk werd belasterd van symptomen van verval en naderende ontbinding, hebben, wanneer wij er nu op terugzien, deze door hen toegegeven tegenslagen en nederlagen waaronder men steeds weer zo zeer te lijden had, haar opmars niet kunnen stuiten of haar eenheid kunnen aantasten. De tol die ze eiste is werkelijk heel groot geweest, de tragedies die ze verwekten zijn niet in woorden uit te drukken en de consternatie die ze uitlokten waren algemeen verbreid en hebben een tijdlang verlammend gewerkt. Toch kan elk van deze gebeurtenissen, gezien in het juiste perspectief, met recht een vermomde zege worden genoemd, hetgeen een wonderbaarlijk middel verstrekte voor de vrijmaking van een nieuwe uitstorting van hemelse kracht, een wonderlijke ontsnapping aan dreigend en nog vreselijker onheil, een werktuig voor de vervulling van eeuwenoude profetieën en voor het zuiveren van, en nieuw leven geven aan de gemeenschap, een stoot tot verruiming van haar grenzen en tot vergroting van haar invloed, en een overtuigend bewijs van de onverwoestbaarheid van haar samenbindende kracht. Soms heeft op het toppunt van de crisis zelf, vaker nog wanneer de crisis voorbij was, de betekenis van deze beproevingen zich voor het menselijk oog ontvouwd en is de noodzaak van deze ervaringen wijd en zijd en zonder enige twijfel zowel aan vriend als vijand aangetoond. Zelden, of waarschijnlijk nooit, is het mysterie schuilend achter deze veelbetekenende, van God gezonden omwentelingen verborgen gebleven, of de diepere strekking en bedoeling van hun gebeuren aan de menselijke waarneming ontsnapt.

Het Geloof van de Báb stond nu, nog in de eerste fase van zijn jong bestaan, op het punt zo'n zware vuurproef te ondergaan. Belasterd en vervolgd vanaf het moment dat het was geboren, in zijn eerste dagen reeds beroofd van de ondersteunende kracht van de meerderheid van zijn leidende aanhangers, verdoofd door het tragische en plotselinge heengaan van zijn Stichter, wankelend onder de wrede slagen die het achtereenvolgens in Mázindarán, Tihrán, Nayríz en Zanján had ondergaan, stond een zwaar vervolgd Geloof op het punt door een schaamteloze daad van een fanatieke en onverantwoordelijke Bábí te worden blootgesteld aan een vernedering, zoals het nog niet eerder had beleefd. Aan de beproevingen die het reeds had ondergaan, werd nu de drukkende last van een nieuwe ramp toegevoegd, die ongehoord zwaar was en onmiddellijke en desastreuze gevolgen had.

Geobsedeerd door de bittere tragedie van de marteldood van zijn geliefde Meester, gedreven door een razende wanhoop om deze afzichtelijke daad te wreken en in de overtuiging, dat de bewerker en aanstichter van deze misdaad niemand anders kon zijn dan de Sjah zelf, ging een zekere Sádiq-i-Tabrízí, een confiseursbediende in Tihrán op een dag in augustus (15 augustus 1852) samen met zijn medeplichtige, net zo'n onbekende jongeling als hijzelf, genaamd Fathu'lláh-i-Qumí, op weg naar Níyávarán, waar het keizerlijke leger een kamp had opgeslagen en waar ook de vorst verblijf hield, en vuurde daar, staande aan de kant van de weg en zich de schijn gevend een onschuldige toeschouwer te zijn, een lading hagel uit zijn pistool op de Sjah af, nadat deze te paard de paleistuin was uitgereden voor zijn ochtendrit. Het wapen dat de aanvaller gebruikte, bewees zonder de minste twijfel de dwaasheid van deze zwakzinnige jongen en toonde duidelijk aan, dat niemand met gezond verstand ooit een degelijke zinloze daad kon hebben beraamd.

Heel Níyávarán, waar het keizerlijke hof en de troepen zich hadden verzameld, was als gevolg van deze aanslag het toneel van een onvoorstelbaar tumult. De ministers van staat, met Mírzá Áqá Khán-i-Núrí, de I'timádu'd-Dawlih, de opvolger van de Amír-Nizám, aan het hoofd, schoten vol afgrijzen de gewonde vorst te hulp. Het geschal van de treompetten, het roffelen van de trommels en het schrille pijpen van de fluiten riepen de legeronderdelen van Zijne Keizerlijke Majesteit van alle kanten op. De leden van het gevolg van de Sjah, sommigen te paard, anderen te voet, stroomden de paleistuin binnen. Er ontstond een hels lawaai, waarin iedereen bevelen gaf, niemand luisterde, niemand gehoorzaamde en niemand iets verstond. Ardishír Mírzá, de gouverneur van Tihrán, die inmiddels reeds zijn troepen had opgedragen in de verlaten straten van de hoofdstad te patrouilleren, sloot de poorten van de citadel alsook van de stad, bemande zijn batterijen en stuurde in koortsachtige haast een koerier weg om bevestiging te krijgen van de wilde geruchten die onder de bevolking de ronde deden, en om speciale intructies te vragen.

Nauwelijks was deze aanslag gepleegd of de schaduw ervan viel over de gehele Bábí gemeenschap. Een storm van publieke verontwaardiging, afschuw en wrok, nog aangewakkerd door de onverzoenlijke haat van de moeder van de jonge vorst, joeg over het volk, waardoor iedere mogelijkheid tot zelfs het meest elementaire onderzoek naar de redenen voor, en de aanstichters van de aanslag terzijde werd geschoven. Een teken, een gefluister was voldoende om een onschuldige te verdenken en de meest abominabele kwellingen op hem bot te vieren. Een leger van vijanden - geestelijken, regeringsambtenaren en burgers, verenigd in meedogenloze haat en uitziend naar een gelegenheid om een gevreesde tegenstander in diskrediet te brengen en te vernietigen - was ten langen leste het voorwendsel in handen gegeven, waarnaar het verlangend had uitgezien. Nu kon het zijn boosaardige plan volvoeren. Ofschoon het Geloof vanaf het begin iedere bedoeling om zich de rechten en voorrechten van de staat wederrechtelijk toe te eigenen had afgewezen; ofschoon zijn vertegenwoordigers en discipelen angstvallig iedere handeling hadden vermeden, die de geringste argwaan van een verlangen een heilige oorlog te ontketenen zou kunnen opwekken, of een agressieve houding aan de dag te leggen, bleken toch zijn vijanden, opzettelijk de talrijke bewijzen negerend van de onmiskenbare zelfbeheersing betoond door de volgelingen van een vervolgde religie, in staat hun gruwelijkheden toe te brengen die net zo barbaars als die welke altijd verbonden zullen blijven met de bloedige episode van Mázindarán, Nayríz en Zanján. Tot welke afgrond van schande en wreedheid zou die vijand zich niet willen verlagen nu er zo'n verraderlijke, onbezonnen daad was gepleegd? Wat voor beschuldigingen zou hij hun niet voor de voeten durven werpen en welke behandeling zou hij niet toepassen op hen die, hoe ongerechtvaardigd ook, in verband gebracht konden worden met zo'n schandelijke misdaad tegen iemand die in zijn persoon de hoofdmagistratuur van het rijk en het beheerderschap van de Verborgen Imám verenigde?

Het schrikbewind dat nu volgde, ging iedere beschrijving te boven. De wraakzucht die de aanstichters van deze verschrikkingen hadden ontketend, leek onverzadigbaar. De terugslag ervan bereikte zelfs de Europese pers die het optreden van de bloeddorstige deelnemers brandmerkte als een schanddaad. De grootvizier die de kans op bloedige wraakneming wenste te beperken, verdeelde de uitvoering van de executie van de ter dood veroordeelden onder de prinsen en adellijke lieden, zijn voornaamste medeministers, de generaals en officieren van het hof, de vertegenwoordigers uit de priester- en koopmansklassen, de artillerie en de infanterie. Zelfs de Sjah kreef een slachtoffer toegewezen, hoewel hij, om de eer van de kroon te redden, zijn opperhofstalmeester opdroeg het dodelijke schot in zijn plaats af te vuren. Ardish'ír Mírzá zette op zijn beurt posten bij de poorten van de stad en gaf de wachten opdracht alle gezichten van hen die probeerden haar te verlaten, goed in zich op te nemen. Hij ontbood de kalantar, de dárúghih en de khudás bij zich en droeg hen op, iedereen die men ervan verdacht een Bábí te zijn, in hechtenis te nemen. Een jongeling, 'Abbás genaamd, een vroegere bediende van een bekende aanhanger van het Geloof, werd onder bedreiging van onmenselijke kwellingen gedwongen door de straten van Tihrán te lopen en iedereen die hij als een Bábí herkende, aan te wijzen. Hij werd zelfs gedwongen een ieder aan te brengen van wie hij dacht dat hij bereid en in staat zou zijn een groot bedrag aan steekpenningen te betalen om zich van zijn vrijheid te verzekeren.

De eerste die op die rampdag ten offer viel, was de ongelukkige Sádiq, die op het moment van de aanslag ter plaatse werd neergeslagen. Zijn lijk werd aan de staart van een muilezel gebonden en helemaal naar Tihrán gesleept, waar het in twee helften werd gehouwen, die beide voor de ogen van het publiek werden opgehangen en tentoongesteld, terwijl de inwoners van die stad door de autoriteiten werden uitgenodigd op de stadswallen te klimmen om van daar af het verminkte lijk te aanschouwen. Zijn medeplichtige werd gesmolten lood door het keelgat gegoten, nadat hij was gefolterd met het aandraaien van witgloeiende nijptangen en schroeven, die hem de ledematen van het lijf rukten. Een van zijn kameraden, Hájí Qásim, werden de kleren van het lijf gescheurd, werden brandende kaarsen in de gaten gestoken, die men in zijn vlees had geboord en zo moest hij heen en weer lopen voor de schreeuwende menigte die hem vervloekte. Anderen werden de ogen uitgestoken of werden in tweeën gezaagd, gewurgd, uit de loop van een kanon geschoten, in stukken gehakt, uit elkaar gehouwen met bijlen en knotsen, beslagen met hoefijzers, met de bajonet doorstoken en gestenigd. Folteraars staken elkaar de loef af in alle toonaarden van onmenselijkheid, terwijl het gepeupel, aan wie de lijken van de ongelukkige slachtoffers werden uitgeleverd, zich op hun prooi wierpen en de lijken zo verminkten dat van hun oorspronkelijke vorm niets meer overbleef. De beulen die toch wel gewend waren aan hun afzichtelijke taak, verbaasden zich over de duivelse wreedheid van het gepeupel. Men zag vrouwen en kinderen, die door hun beulen door de straten werden geleid, het vlees in flarden, met brandende kaarsen in hun wonden, terwijl zij met heldere stem ten aanhoren van de zwijgende toeschouwers zongen, "Waarlijk, wij komen van God en tot Hem zullen wij wederkeren!" Wanneer er enkele kinderen onderweg stieven, smeten de folteraars hun lijken voor de voeten van hun vaders en zusters, die met opgeheven hoofd over hen heen lopend hen met geen tweede blik verwaardigden. Volgens de getuigenis van een bekende franse schrijver was er een vader die, liever dan zijn geloof af te zweren, eigenhandig en liggend op de grond de keel van zijn twee reeds met bloed overdekte zoons doorsneed, waarbij de oudste van de twee, een knaap van veertien, nadrukkelijk zijn recht van de oudste opeiste en erop stond als eerste zijn leven te mogen geven.

Een oostenrijkse officier, kapitein von Goumoens, in die tijd in dienst van de Sjah, was, zoals uit betrouwbare bron is komen vast te staan, zo met afschuw vervuld door de wreedheden die hij gedwongen was te aanschouwen, dat hij zijn ontslag indiende. De getuigenis van de kapitein in een brief die hij twee weken na de genoemde aanslag schreef en die werd gepubliceerd in "Soldatenfreund" luidt, "Volg mij, mijn vriend, u die er aanspraak op maakt een hart en een Europese ethiek te hebben, volg mij naar de ongelukkigen die, met uitgestoken ogen, ter plaatse van deze wandaad hun eigen afgesneden oren droog moesten opeten; of wier tanden met onmenselijk geweld door de beulen werden uitgetrokken; of wier blote schedels gewoon werden vermorzeld door hamerslagen; of waar de bazaar werd verlicht door de brandende lampepitten, die het volk de ongelukkige slachtoffers links en rechts in diepe gaten in hun borst en schouders aanbracht. Ik zag enkelen van hen die, voorafgegaan door een militaire kapel, in ketenen door de bazaar werden gesleept bij wie de pit zo diep in het vlees was gebrand, dat het vet in de wonden flakkerdezoals bij een net gedoofde lamp. Het gebeurt niet zelden dat de oosterling met zijn onuitputtelijke vindingrijkheid nieuwe kwellingen bedenkt. Zij scheuren de Bá'bí het vel van de voetzolen, drenken de wonden in kokende olie, beslaan de voeten als de hoeven van een paard en dwingen dan het slachtoffer harder te lopen. Er ontsnapt geen geluid aan de borst van het slachtoffer; de foltering wordt in somber stilzwijgen met het verdoofde gevoel van de fananticus verduurd; nu moet hij rennen; het lichaam kan niet verdragen, wat de ziel kan verduren; hij valt. Geef hem de genadeslag! verlos hem van zijn pijnen! Neen! De beul slaat met zijn zweep en - ik ben er zelf getuige van geweest - het ongelukkige slachtoffer van honderdvoudige folteringen rent! Dit is het begin van het einde. En wat het einde zelf betreft, zij hangen de verschroeide en doorboorde lijken aan handen en voeten, met het hoofd naar beneden, aan een boom en nu mag iedere Pers naar hartelust zijn scherpschutterstalent van een bepaalde, maar niet te geringe afstand beproeven op het edele wild, dat tot zijn beschikking staat. Ik zag lijken die door wel honderdvijftig kogels uiteengereten waren". En hij vervolgt,"Wanneer ik overlees wat ik heb geschreven, komt de gedachte bij mij op dat zij, die bij u in ons geliefd Oostenrijk zijn, de volle waarheid van het verhaal in twijfel kunnen trekken en mij van overdrijving kunnen betichten. Ik wou bij God dat ik dit niet had behoeven te zien. Maar door de plichten van mijn beroep was ik ongelukkigerwijs vaak, veel te vaak, getuige van deze gruwelen. Op het ogenblik ga ik mijn huis niet meer uit om niet weer de kans te lopen nieuwe gruweltaferelen te moeten aanschouwen...Daar mijn gehele wezen in opstand komt tegen zulke schanddaden...wil ik mijn betrekkingen met het toneel van dergelijke wantoestanden niet langer voortzetten". Het valt niet te verwonderen dat een zo wereldberoemde man als Renan in zijn boek "Les Apôtres"de afschuwelijke slachtpartij die tijdens dat grote bloedbad in Tihrán in een enkele dag werd bedreven, heeft gekenmerkt als "een dag, die waarschijnlijk zijn weerga in de wereldgeschiedenis niet heeft"!

De hand die was opgeheven om een harde klap uit te delen aan de aanhangers van een zwaarbeproefd Geloof, beperkte zich niet tot de mindere man onder de vervolgde discipelen van de Báb. Ze werd ook met even grote woede en beslistheid opgeheven tegen, en sloeg even hard neer op de paar overgebleven leiders die de windvlagen van tegenspoed hadden overleefd, die reeds zo'n enorm aantal aanhangers van het Geloof hadden geveld. Táhirih, de onstervelijke heldin die reeds onvergankelijke luister had geworpen zowel over haar geslacht als over de Zaak die zij had omhelsd, werd meegesleurd en tenslotte verzwolgen door de razende storm. Siyyid Husayn, de secretaris van de Báb, Zijn metgezel in ballingschap, de vertrouwde bewaarder van Zijn laatste wensen en de getuige van de wonderen gepaard gaande met Zijn marteldood, werd ook het slachtoffer van de woedende storm. Men had zelfs de schaamteloosheid de hand te heffen tegen de hoogverheven figuur van Bahá'u'lláh. Maar ofschoon men hem greep, lukte het niet Hem neer te slaan. Zijn leven werd in gevaar gebracht, er werden onuitwisbare stempels van een genadeloze wreedheid op Zijn lichaam gedrukt, maar men was niet bij machte een levensloop af te snijden, die bestemd was niet alleen het vuur brandende te houden, dat de geest van de Báb had ontstoken, maar een brand te veroorzaken, die tegelijk de heerlijkheid van Zijn Openbaring zou vervullen en in glans overtreffen.

Gedurende deze donkere en smartelijke dagen, toen de Báb niet meer was, toen de hemellichten die aan het firmament van Zijn Geloof hadden geschitterd stuk voor stuk waren uitgedoofd, toen Zijn door Hem tijdelijk aangewezen plaatsvervanger, een "verbijsterde vluchteling, vermomd als derwisj, met kashkúl (bedelnap) in de hand"door de bergen en vlakten in de omgeving van Rasht zwierf, scheen Bahá'u'lláh op grond van wat Hij had verricht in de ogen van een waakzame vijand de meest geduchte tegenstander en de enige hoop van een nog steeds niet uitgeroeide ketterij. Zijn arrestatie en dood werden nu dringend noodzakelijk. Hij was het Die, nauwelijks drie maanden nadat het Geloof was ontstaan, uit handen van de koerier van de Báb, Mullá Husayn, de rol ontving, die Hem de eerste tijdingen bracht van een nieuw verkondigde Openbaring, Die onmiddellijk haar echtheid aanvaardde en zich inzette om voor haar Zaak op te komen. De eerste schreden van deze afgezant richtten zich naar Zijn geboortestad en woonplaats als de stad die "een Mysterie binnen haar poorten" bewaarde "van zo allesovertreffende heiligheid dat Hijáz noch Shíráz die ooit heeft kunnen evenaren". Mullá Husayns verslag over het contact dat op die manier tot stand was gebracht, was door de Báb met zo'n uitbundige vreugde ontvangen en had Hem zo gerustgesteld, dat Hij besloot nu eindelijk Zijn voorgenomen pelgrimstocht naar Mekka en Medina te ondernemen. Alleen Bahá'u''lláh was het onderwerp en het middelpunt van de verborgen toespelingen, de geestdriftige lofprijzingen, de vurige gebeden, de blijde aankondigingen en de vreselijke waarschuwingen die zijn opgetekend zowel in de Qayyúmu'l-Asmá' als in de Bayán, bestemd om respectievelijk de eerste en de laatste schriftelijke getuigenis te zijn van de heerlijkheid, waarmede God Hem spoedig zou bekleden. Door Bahá'u'lláh's briefwisseling met de geestelijke Vader van het nieuw gestichte Geloof en Zijn nauwe betrekkingen met Zijn meest vooraanstaande discipelen zoals Vahíd, Hujjat, Quddús, Mullá Husayn en Táhirih, was Hij in staat de groei ervan te bevorderen, de grondbeginselen toe te lichten, de ethische grondslagen te versterken, in de dringendste behoeften te voorzien, enige zeer dreigende gevaren af te wenden en metterdaad aan de opkomst en consolidatie mee te werken. Op Bahá'u'lláh, "het enige Voorwerp van onze aanbidding en liefde", zinspeelde de Profeet-pelgrim bij Zijn terugkeer naar Búshihr, toen Hij Quddús heenzond en hem de tweeledige vreugde aankondigde: dat hij in de tegenwoordigheid van hun Geliefde zou komen en de beker van martelaarschap zou drinken. Bahá'u'lláh was Degene Die, op het hoogtepunt van Zijn leven, iedere gedachte aan aardse roem, rijkdom en aanzien terzijde schuivend, onbevreesd voor gevaar en de smaad van Zijn kaste riskerend, opstond om zich, eerst in Tihrán en later op Zijn geboortegrond in Mázindarán, te vereenzelvigen met de zaak van een duistere en verboden sekte; voor die zaak een groot aantal ambtenaren en notabelen uit Núr wist te winnen, waaronder Zijn eigen kennissen en familieleden; onbevreesd en overtuigend de waarheid ervan aan de discipelen van de vermaarde Mullá Muhammad uiteenzette; onder zijn banier de aangestelde vertegenwoordigers van de mujtahid schaarde; zich tengevolge van deze daad verzekerde van de onvoorwaardelijke loyaliteit van een aanzienlijk aantal geestelijke hoogwaardigheidsbekleders, regeringambtenaren, boeren en kooplieden; en er in slaagde in de loop van een gedenkwaardige ondervraging de mujtahid zelf uit te dagen. Alleen aan de kracht van de schriftelijke boodschap, die Hij aan Mullá Muhammad Mihdíy-i-Kandí had toevertrouwd en die aan de Báb was overhandigd toen Die zich in de omgeving van Kulayn bevond, was het toe te schrijven, dat de teleurgestelde Gevangene zich in het uur van onzekerheid en spanning kon bevrijden van de folterende smart die hem sinds Zijn arrestatie in Shíráz had bevangen. Alleen terwille van Táhirih en haar gevangen genomen metgezellen onderwierp Bahá'u'lláh zich vrijwillig aan een vernederende opsluiting van enige dagen - de eerste die men Hem liet ondergaan - in het huis van een van de kad-khudás in Tihrán. Aan Zijn beleid, vooruitziende blik en kennis van zaken moet haar succesvolle ontsnapping uit Qasvín worden toegeschreven, evenals haar bevrijding uit de handen van haar tegenstanders, haar veilige aankomst in Zijn huis en haar daaropvolgende vertrek naar een veilige plaats in de buurt van de hoofdstad, vanwaar zij verder reisde naar Khurásán. Bij Bahá'u'lláh werd Mullá Husayn heimelijk binnengeleid bij zijn aankomst in Tihrán die daarop, na het onderhoud, naar Ádhirbáyján reisde voor zijn bezoek aan de Báb Die toen was opgesloten in het fort Máh-Kú. Bahá'u'lláh was Degene Die, onopvallend en feilloos, de gang van zaken op de conferentie van Badasht leidde; Die Quddús, Táhirih en de eenentachtig discipelen die daar voor die gelegenheid waren samengekomen als Zijn gasten ontving; Die iedere dag een Tafel openbaarde en aan ieder van de deelnemers een nieuwe naam verleende; Die zonder bijstand aan de aanval van een menigte van ruim vijfhonderd dorpelingen in Níyálá het hoofd bood; Die erin slaagde een deel van de bezittingen die de vijand had geplunderd, terug te krijgen en Die de bescherming en veiligheid van de voortdurend bedreigde en belasterde Táhirih verzekerde. De gramschap die Muhammad Sháh tegen Hem koesterde, werd aangewakkerd, en deze zag zich als gevolg van de voortdurende protesten van onruststokers tenslotte genoodzaakt Zijn arrestatie te bevelen en Hem naar de hoofdstad te ontbieden - een oproep die niet ten uitvoer kon worden gebracht door de plotselinge dood van de vorst. Aan Bahá'u'lláh's raadgevingen en vermaningen, gericht tot de bezetters van Shaykh Tabarsí, die Hem met zoveel eerbied en liefde hadden verwelkomd tijdens Zijn bezoek aan dat Fort, moet in niet geringe mate de geestkracht worden toegeschreven, die de heldhaftige verdedigers ervan aan de dag legden, terwijl zij aan Zijn uitdrukkelijke instructies de wonderbaarlijke bevrijding van Quddús dankten en zijn daaruit voortvloeiende aansluiting bij hen tijdens de veelbewogen wapenfeiten die het oproer in Mázindarán onvergetelijk hebben gemaakt. Terwille van deze zelfde verdedigers bij wie Hij van plan was zich te voegen, onderging Bahá'u'lláh Zijn tweede gevangenneming, deze keer in de masjid van Ámul, waarheen Hij werd gevoerd onder het geschreeuw van zeker vierduizend toeschouwers; terwille van hen werd Hij in de namáz-khánih van die stad met de bastonnade gestraft tot Zijn voeten bloedden, en later opgesloten in de particuliere residentie van de gouverneur; terwille van hen werd Hij door de leidende mullá scherp veroordeeld en door de volksmenigte beledigd, die Hem, bij een belegering van de residentie van de goeverneur, met stenen bekogelde en Hem de smerigste scheldwoorden naar het hoofd wierp. Op Bahá'u'lláh alleende zinspeelde Quddús toen hij bij zijn aankomst in het Fort Shaykh Tabarsí van zijn paard was gestegen en, tegen de tombe leunend, het profetische vers uitsprak:"De Baqíyyatu'lláh (het Relict van God) zal het beste voor u zijn indien gij behoort tot hen die geloven". Alleen Hij was het Onderwerp van die buitengewone lofspraak, die meesterlijke uitleg van de Sád van Samad, die in dat Fort door genoemde jonge held onder de meest benauwende omstandigheden ten dele op schrift werd gesteld en die in omvang zesmaal de inhoud van de Qur'án omvatte. Op de datum van Zijn op handen zijnde Openbaring nu zinspeelde de Lawh-i-Hurúfat, door de Báb in Chihríq in verborgen termen ter ere van Dayyán geopenbaard, waarin het mysterie van de "Mustagháth" werd opgehelderd. Teneinde tot Bahá'u'lláh toegang te kunnen krijgen werd door niemand minder dan de Báb zelf met nadruk de aandacht van een andere discipel. Mullá Baqir, een van de Letters van de Levende, op Hem gericht. Uitsluitend aan Zijn zorgen werden de documenten van de Báb, Zijn pennendoos, Zijn zegels en agaten ringen, tezamen met een rol, waarop Hij in de vorm van een pentagram niet minder dan driehonderdzestig afleidingen van het woord Bahá had geschreven, toevertrouwd, overeenkomstig de instructies die Hij zelf, voorafgaande aan Zijn vertrek uit Chihríq had gegeven. Slechts aan Bahá'u'lláh's initiatief en in stipte overeenstemming met Zijn instructies was het te danken dat de kostbare stoffelijke resten van de Báb veilig van Tabríz naar de hoofdstad werden overgebracht en daar werden verborgen, en onder de uiterste geheimhouding en zorg werden bewaard gedurende de woelige jaren die op Zijn marteldood volgden. En tenslotte was Hij het, Die in de dagen, voorafgaande aan de aanslag op het leven van de Sjah, als werktuig diende om gedurende Zijn verblijf in Karbilá, met hetzelfde enthousiasme en kennis van zaken, die Zijn vroegere pogingen in Mázindarán hadden gekenmerkt, de leringen van Zijn gestorven Leider te verspreiden, de belangen van Zijn Geloof veilig te stellen, de geloofsijver van de zwaarbeproefde volgelingen te doen herleven en de krachten van de her- en derwaarts verspreide en verwarde aanhangers weer samen te bundelen.

Iemand met zo'n lijst van successen op Zijn naam kon niet, en zou ook niet ontsnappen aan het speurend oog en de woede van een waakzame en op alles voorbereide vijand. Vanaf het allereerste begin vol vuur en met onbedwingbaar enthousiasme voor de Zaak die Hij had omhelsd; opvallend onbevreesd in Zijn verdediging van de rechten van de vertrapten; in de volle bloei van Zijn leven; uitzonderlijk begaafd, ongeëvenaard welsprekend; begiftigd met onuitputtelijke energie en een scherp oordeel; in het bezit van rijkdommen en in hoge mate het aanzien, de macht en het gezag genietend, die behoren bij een benijdenswaardig hoge en adellijke positie en toch alle aardse pracht en praal, beloningen, ijdelheden en bezittingen versmadend; aan de ene kant door Zijn geregelde correspondentie nauw verbonden met de geestelijke Vader van het Geloof, waarvan Hij de verdediging op Zich had genomen, en aan de andere kant van zeer nabij op de hoogte van de hoop en vrees, de plannen en activiteiten van zijn leidende woordvoerders; het ene ogenblik openlijk naar voren tredend en een positie op zich nemend van erkend leiderschap in de voorste linies van de krachten die voor de erkenning van dat Geloof streden, en het andere ogenblik zich bewust met de grootste tact terugtrekkend om op die manier met groter effect een lastige of gevaarlijke situatie te redden; te allen tijde op Zijn hoede, paraat en onvermoeibaar in Zijn pogingen de zuiverheid van het Geloof te bewaren, zijn problemen op te lossen, zijn zaak te verdedigen, zijn volgelingen aan te vuren en de tegenpartij in verwarring te brengen; met al deze eigenschappen en hoedanigheden betrad Bahá'u'lláh tenslotte in dit hoogst kritieke uur van de geschiedenis het toneel waarop Hij voorbestemd was niet minder dan veertig jaar een rol te spelen, die in zijn majesteit, bezieling en glans door geen van de grote Stichters van de historische religies inde wereld wordt geëvenaard.

Deze reeds zo opvallende en torenhoog verheven figuur had door de tegen Hem gerichte aanklachten de gramschap van Muhammad Sháh opgewekt die, nadat hem ter ore was gekomen wat er in Badasht was voorgevallen, in een aantal farmáns gericht tot de kháns van Mázindarán, Zijn arrestatie gelastte en uitdrukking gaf aan zijn besluit Hem ter dood te brengen. Hájí Mírzá Áqásí die vroeger al gekant was tegen de Vazír (Bahá ú'lláh's vader) en woedend was geworden door zijn eigen mislukking zich door fraude een landgoed van Bahá ú'lláh toe te eigenen, had eeuwige vijandschap gezworen aan Hem Die op briljante wijze erin was geslaagd zijn snode plannen te verijdelen. De Amír-Nizám bovendien, die zich zeer wel bewust was van de alom verbreide invloed van deze energieke tegenstander, had Hem ten aanhoren van een select gezelschap ervan beschuldigd als gevolg van Zijn activiteiten de regering een verlies van niet minder dan vijfhonderd kurúrs te hebben bezorgd, en had Hem op een kritiek moment in de geschiedenis van het Geloof uitdrukkelijk verzocht Zijn woonplaats tijdelijk naar Karbilá te verplaatsen. Mírzá Áqá Khán-i-Núrí, die de Amír-Nízám opvolgde, had direct bij het begin van zijn ministerschap een poging in het werk gesteld een verzoening tot stand te brengen tussen zijn regering en Degene Die hij beschouwde als de bekwaamste van de Bábi discipelen. Het valt nauwelijks te verwonderen dat, toen er later een zo ernstige en roekeloze daad werd begaan, er meteen een afschuwelijke maar ongegronde verdenking tegen Bahá'u'lláh zou rijzen bij de Sjah, zijn regering, zijn hofhouding en zijn volk. In de voorste gelederen stond hierbij de moeder van de jeugdige vorst die, in woede ontstoken, Hem in het openbaar voor de eigenlijke moordenaar van haar zoon uitmaakte.

Op het moment, dat de aanslag op het leven van de soeverein werd gepleegd, bevond Bahá'u'lláh Zich als gast van de grootvizier in Lavásán en logeerde in het dorp Afchih, toen het belangrijke nieuws Hem bereikte. De raad van de broer van de grootvizier, Ja'far-Qulí Khán, die als Zijn gastheer optrad, afslaand om Zich enige tijd in de buurt verscholen te houden, en de goede diensten van de koerier die Hem speciaal was toegezonden om Zijn veiligheid te garanderen afwimpelend, reed Hij de volgende ochtend, kalm en onversaagd, naar het hoofdkwartier van het keizerlijke leger, dat toen in Niyávarán in het Shimírán district was gestationeerd. In Zarkandih kwam Zijn zwager Mírzá Majíd, die op dat moment optrad als secretaris van de Russische gezant, prins Dolgorouki, Hem tegemoet en geleidde Hem naar zijn huis, dat aan dat van zijn chef grensde. Op de hoogte gebracht van Bahá'u'lláh's aankomst berichtten de bedienden van de Hájibu'd-Dawlih, Hájí'Alí Khán, dit onmiddellijk aan hun meester, die op zijn beurt de aangelegenheid onder de aandacht van zijn vorst bracht. De Sjah die zeer verbaasd was, stuurde zijn vertrouwde officieren naar de delegatie met de opdracht de Schuldige op staande voet aan hem uit te leveren. Niet van zins de wens van de koninklijke afgezanten in te willigen, verzocht de Russische gezant Bahá'u'lláh naar het huis van de grootvizier te gaan, aan wie hij langs officiële weg zijn wens kenbaar maakte, dat de veiligheid van het Pand, dat het Russische gouvernement thans aan zijn zorgen toevertrouwde, zou worden gewaarborgd. Deze opzet had echter geen succes, doordat de grootvizier bezorgd was zijn positie te verliezen, als hij de Beschuldigde de bescherming bood, die voor Hem werd gevraagd.

Overgeleverd aan Zijn vijanden werd deze zeer gevreesde, zwaar beschuldigde en doorluchtige Vertegenwoordiger van een voortdurend opgejaagd Geloof nu gedwongen van de beker te proeven, die ook de erkende Leider ervan tot de bodem had geledigd. Van Níyávarán werd Hij "te voet en geketend, bloothoofds en barrevoets" en blootgesteld aan de verzengende stralen van de zomerzon, naar de Síyáh-Chál in Tihrán gevoerd. Onderweg werd Hij verscheidene malen van Zijn bovenkleren ontdaan, met bespottingen overstelpt en met stenen begooid. Aangaande de ondergrondse kerker, waarin Hij werd geworpen en die oorspronkelijk had gediend als waterreservoir van een van de openbare badgelegenheden in de hoofdstad, kunnen het beste Zijn eigen woorden, opgetekend in Zijn "Epistel to the Son of the Wolf"getuigen van de beproevingen, die Hij in dat pestilente hol heeft moeten verduren. "Gedurende vier maanden sloot men Ons op in een onvergelijkelijk smerige plaats... Bij Onze aankomst werden Wij eerst door een pikdonkere gang geleid, van waaruit Wij drie steile trappen afdaalden naar de voor Ons bestemde kerker. Deze kerker was in diepe duisternis gehuld en Onze hondervijftig medegevangenen waren dieven, moordenaars en struikrovers. Hoewel overvol was er geen andere opening dan de gang waardoor Wij waren binnengekomen. Geen pen kan deze plaats beschrijven, geen tong haar gruwelijkr stank weergeven. De meesten van hen hadden geen kleren aan noch iets om op te liggen. God alleen weet wat Ons in die afgrijselijk stinkende en sombere plaats overkwam". Bahá'u'lláh's voeten werden in blokken geplaatst en om Zijn nek werden de Qárá-Guhar ketenen gehangen, die zo moordend zwaar waren, dat hun sporen op Zijn lichaam zichtbaar bleven zolang Hij leefde. 'Abdu'l-Bahá getuigde, "Een zware keten werd om Zijn hals gehangen, waarmee Hij werd vastgebonden aan vijf andere Bábís; deze kluisters waren aan elkaar bevestigd met sterke, zeer zware bouten en schroeven. Zijn kleren waren aan flarden gescheurd, evenals Zijn hoofdtooi. In deze vreselijke toestand werd Hij vier maanden lang vastgehouden". Drie dagen en nachten werd Hem iedere vorm van eten of drinken ontzegd. Het was Hem niet mogelijk een oog dicht te doen. De plaats was kil en vochtig, vuil en koortsverwekkend, vergeven van ongedierte en doortrokken van een walgelijke stank. Aangedreven door een meedogenloze haat schroomden Zijn vijanden zelfs niet Zijn voedsel te onderscheppen en het te vergiftigen in de hoop de gunsten van de moeder van de vorst, Zijn meest onverzoenlijke vijandin, te verkrijgen - een poging die, hoewel het Zijn gezondheid voor jaren aantastte, toch niet het gewenste resultaat had. Dr. J.E. Esslemont vermeldt in zijn boek, " 'Abdu'l-Bahá vertelde hoe hij op een dag de binnenplaats van de gevangenis mocht betreden om zijn geliefde Vader te zien toen Hij naar buiten kwam om gelucht te worden. Bahá'u'lláh was schrikbarend veranderd en zo ziek, dat Hij ternauwernood kon lopen; Zijn haar en baard waren verwaarloosd, Zijn hals geschaafd en gezwollen door de druk van een zware stalen band, Zijn lichaam gebogen onder het gewicht van de ketenen".

Terwijl Bahá'u'lláh zo afschuwelijk en wreed was onderworpen aan de beproevingen en kwellingen onverbrekelijk verbonden met deze rumoerige dagen, ging een ander hemellicht van het Geloof, de moedige Táhirih, snel ten onder door hun vernietigende kracht. Haar meteoorachtige loopbaan, begonnen in Karbilá en culminerend in Badasht, zou nu spoedig haar vervulling vinden in een martelaarschap, dat gerekend mag worden tot de ontroerendste episoden in de woeligste tijd vande Bahá'í geschiedenis.

Deze vrouw, een telg uit het in hoog zien staande geslacht van Hájí Mullá Sálih-Baraqání, welks leden een benijdenswaardige positie bekleedden in de Perzische geestelijke hiërarchie; de naamgenoot van de beroemde Fátimih; door haar familie en verwanten Zarrín-Táj (Kroon van Goud) en Zakíyyih (de Deugdzame) genoemd; in het zelfde jaar geboren als Bahá'u'lláh; door haar stadsgenoten al vanaf haar kindsheid beschouwd als een wonderkind, zowel wat betreft haar intelligentie als haar schoonheid; vóór haar bekering reeds in hoge mate geëerd door zelfs de hooghartigste en geleerdste 'ulamás van haar land om de briljante en ongewone inzichten die zij naar voren bracht; door haar bewonderende leraar Siyyid Kázim uitgeroepen als 'Qurrat-i-'Ayní (troost voor mijn ogen); met de titel Táhirih (de zuivere) begiftigd door de "Tong van Macht en Heerlijkheid", en de enige vrouw die door de Báb werd benoemd als een van de Letters van de Levende - deze vrouw had in een droom, zoals reeds eerder op deze bladzijden werd vermeld, haar eerste contact gelegd met een Geloof dat zij tot haar laatste ademtocht, in de uren van het grootste gevaar, met al het vuur van haar ontembare geest bleef verbreiden. Niet uit het veld geslagen door de hevige protesten van haar vader; de banvloek van haar oom negerend; onbewogen door de ernstig gemeende aandrang van haar echtgenoot en broers; niet afgeschrikt door de maatregelen die eerst in Karbilá en vervolgens in Baghdád en nog later in Qasvín door de burgerlijke en geestelijke autoriteiten waren genomen om haar activiteiten te beknotten, zette zij al haar onstuimige energie in voor de Bábí Zaak. Met haar welsprekende pleidooien, haar onbevreesde aanklachten, haar verhandelingen, gedichten en vertalingen, haar commentaren en correspondentie ging zij steeds voort de verbeeldingskracht op te wekken, de trouw van zowel de Arabieren als de Perzen voor de nieuwe Openbaring te winnen, de verdorvenheid van haar generatie te veroordelen en een revolutionaire ommekeer in de gewoonten en opvattingen van haar volk te bepleiten.

Zij was het die tijdens haar verblijf in Karbilá - het voornaamste bolwerk van de Shí'ah Islam - zich gedrongen voelde lange brieven te richten aan alle in die stad wonende 'ulamás, die de vrouwen degradeerden naar een rang weinig hoger dan die van dieren en haar zelfs het bezit van een ziel ontzegden - brieven waarin zij vaardig en kundig haar vooruitstrevende doel rechtvaardigde en hun kwalijke plannen aan de kaak stelde. Zij was het, die openlijk de gewoonten van de fanatieke inwoners van die stad tartte zonder door schromen de gedenkdag van het martelaarschap van de Imám Husayn te veronachtzamen, die steeds in de eerste dagen van Muharram met uitgebreid ceremonieel werd gevierd, en in plaats daarvan de geboortedag van de Báb, die op de eerste dag van die maand viel, te vieren. Het was door haar verrassende welsprekendheid en haar verbazingwekkende betoogtrant, dat zij de vooraanstaande delegatie van Shi'ah, Sunní, christelijke en joodse kopstukken uit Baghdád versteld deed staan, bij hun pogingen haar af te brengen van haar onverhulde plan de tijding van de nieuwe Boodschap te verspreiden. Zij was het, die met de grootste slagvaardigheid haar geloof verdedigde en haar gedrag rechtvaardigde ten huize en in het bijzijn van de uitnemende jurist Shaykh Mahmúd-i-Álúsí, de muftí van Baghdád, en later haar historische vraaggesprekken hield met vorsten, 'ulamás en regeringsambtenaren woonachtig in Kirmánsháh,1 waarbij het commentaar van de Báb op de Súríh van Kawthar in het openbaar werd voorgelezen en vertaald, en dat resulteerde in de bekering van de Amír (de gouverneur) en zijn gezin. Het was deze opmerkelijk begaafde vrouw, die de vertaling op zich nam van het wijdlopige commentaar van de Báb op de Súrih van Jozef ( de Qayyúmu'l-Asmá') ten behoeve van haar Perzische geloofsgenoten en zich tot het uiterste inspande om bekendheid te geven aan dat machtige Boek en de inhoud ervan toe te lichten. Het waren haar onbevreesdheid, haar kundigheid, haar organisatietalent en haar onblusbaar enthousiasme, waaraan haar overwinningen te danken waren, zelfs in het vijandiggezinde centrum Qasvín, dat zich er op beroemde niet minder dan honderd van de hoogste geestelijke leiders van de Islam binnen haar poorten te herbergen.. Zij was het, die plotseling Vahíds geleerde verhandeling over de tekenen van de nieuwe Manifestatie onderbrak, tijdens haar gedenkwaardige samenkomst met hem ten huize van Bahá'u'lláh in Tihrán en, terwijl zij'Abdu'l-Bahá, toen nog een kind, op schoot hield, er heftig bij hem op aandrong de diepte en oprechtheid van zijn geloof door heldendaden en zelfopoffering te bewijzen. Toen zij op het hoogtepunt van haar vermaardheid en populariteit in Tihrán stond, was het naar haar huis dat de bloem der vrouwen in de hoofdstad stroomde om haar briljante verhandelingen over de onvergelijkelijke leerstellingen van haar Geloof aan te horen. Het was de toverkracht van haar woorden, die de gasten weglokte van de feestelijkheden ter ere van het huwelijk van de zoon van Magmúd Khán-i-Kalantar - in wiens huis zij was opgesloten - en zich om haar heen verzamelden en gretig ieder woord van haar indronken. Het was haar eigen hartstochtelijke en onvoorwaardelijke bevestiging van de aanspraak en kenmerkende hoedanigheden van de nieuwe Openbaring, die zij in de loop van zeven bijeenkomsten hield met de afgevaardigden van de grootvizier, die de opdracht hadden haar te ondervragen in hetzelfde huis waar zij werd vastgehouden, wat tenslotte haar doodvonnis bespoedigde. Het was uit haar pen dat in niet mis te verstane taal lofzangen vloeiden, die niet alleen van haar geloof in de Openbaring van de Báb getuigden, maar ook van haar erkenning van de verheven en vooralsnog niet onthulde zending van Bahá'u'lláh. En tenslotte was het aan haar initiatief te danken dat tijdens haar deelneming aan de conferentie van Badasht de meest uitdagende implicaties van een revolutionaire en nog slechts vaag doorgronde Beschikking voor haar medediscipelen werden blootgelegd en de nieuwe Orde voorgoed werd losgemaakt van de wetten en instellingen van de Islam. Deze ongehoorde resultaten zouden nu worden bekroond door, en hun laatste voleinding vinden in haar martelaarschap temidden van de storm, die door de gehele hoofdstad raasde.

Op een avond, dat zij voelde dat het uur van haar dood naderde, kleedde zij zich in bruidstooi, besprenkelde zich met reukwater en deelde aan de vrouw van de kalantar, die zij bij zich had geroepen, het geheim van haar aanstaande marteldood mede en vertrouwde haar haar laatste wensen toe. Daarna sloot zij zich in haar vertrekken op en wachtte biddend en mediterend het uur af van haar hereniging met haar Geliefde. Zij liep in haar kamer op en neer onder het zingen van een litanie die zowel smart als triomf uitdrukte, toen de farráshes van Ázíz Khán-i-Sardár in het holst van de nacht binnenkwamen om haar naar de Ílkhání tuin te brengen, die buiten de stadspoorten lag en die de plaats van haar marteldood zou worden. Toen zij er aankwam zaten de Sardár en zijn luitenants zich net zwaar te bedrinken, en zij bulderden van het lachen; voetstoots gaf hij het bevel,dat zij meteen gewurgd en in een put gegooid moest worden. Met juist die zijden shawl die zij intuïtief voor dat doel had bewaard en in haar laatste ogenblikken had overhandigd aan de zoon van de kalantar die haar vergezelde, werd het doodvonnis van deze onsterfelijke heldin voltrokken. Haar lijk werd in een put neergelaten, die daarna met aarde en stenen werd opgevuld, op de manier zoals zij dat zelf had gewenst.

Zo eindigde het leven van deze grote Bábí heldin, de eerste martelares voor de rechten van de vrouw, die zich vlak voor haar dood tot haar bewakers wendde en bondig verklaarde, "U kunt mij doden zodra gij dat wenst, maar u kunt de emancipatie van de vrouw niet tegenhouden". Haar levensloop was even schitterend als kort, even tragisch als veelbewogen. In tegenstelling tot haar medediscipelen wier heldendaden voor het drootste deel onbekend zijn gebleven en niet werden bezongen door hun tijdgenoten in andere landen, deed de faam van deze onsterfelijke vrouw tot ver over de grenzen de ronde, en drong met opmerkelijke snelheid door tot in de hoofdsteden van West-Europa, waar zij de enthousiaste bewondering opwekte en de vurige eerbetuiging opriep van mannen en vrouwen van verschillende nationaliteit, roeping en beschaving. Het is niet verwonderlijk dat 'Abdu'l-Bahá haar naam heeft verbonden aan die van Sarah, Ásíyih, de maagd Maria en Fátimih, die in de loop van opeenvolgende Beschikkingen vanwege hun wezenlijke verdiensten en unieke positie torenhoog boven de middelmaat van haar sekse uitstaken. 'Abdu'l-Bahá schreef, "Met haar welsprekendheid was zij de ramp van de eeuw, met haar redeneertrant de lastpost van de wereld". Hij heeft haar bovendien beschreven als een fakkel, aangestoken met de liefde van God" en ëen lamp gloeiend door de genade van God".

In feite verbreidde het verwonderlijke verhaal van haar leven zich even snel en even ver als dat van de Báb, de directe Bron van haar bezieling. Het huldeblijk van een franse commentator over het leven van de Báb en Zijn discipelen luidt, "Prodige de science, mais aussi prodige de Beauté".2 Door een bekende toneelschrijver tot wie Sarah Bernhardt speciaal een verzoek had gericht voor haar een gedramatiseerde versie van Táhirihs leven te schrijven, wordt zij aldus aangeduid, "De Perzische Jeanne d'Arc, de aanvoerster van de emencipatie der vrouwen in het oosten . . . die veel gelijkenis vertoonde met zowel de middeleeuwse Heloïse als de neoplatonische Hypatia". Lord Curson of Kedleston getuigt, "De heldenmoed van de lieflijke maar door het noodlot achtervolgde dichteres van Qasvín, Zarrín-Táj (Kroon van Goud) ... kenmerkt een van de roerendste episoden uit de moderne geschiedenis". De welbekende Britse oriëntalist Professor E.G. Browne schreef, "Het optreden van een vrouw als Qurratu'l-Áyn is in ieder land en in iedere tijd een zeldzaam verschijnsel, maar in een land als Perzië is het een wonder - neen, bijna iets bovennatuurlijk . . . Al had de Bábí godsdienst geen andere aanspraak gemaakt op grootheid, dan was het reeds voldoende ... dat het een heldin heeft voortgebracht zoals Qurratu'l-'Ayn". De vermaarde engelse godgeleerde Dr K.T. Cheyne verzekert met stelligheid in een van zijn boeken, "De oogst waarvoor het zaad door Qurratu'l-'Ayn in de islamitische landen was gestrooid begint nu zichtbaar te worden . . . het is de verdienste van deze edele vrouw, dat zij de reeks van sociale hervormingen in Perzië heeft geopend . . . " In Quasvín werd zij zeer terecht voor een wonder gehouden". Ook schrijft hij nog, "Veel mensen die haar kenden en naar haar luisterden in de verschillende perioden van haar leven hebben mij unaniem verteld dat, wanneer zij sprak, men zich tot in het diepst van zijn ziel geroerd voelde, vervuld werd van bewondering en tot tranen toe bewogen". Sir Valentine Chirol schrijft, "Geen herinnering wordt dieper vereerd of wekt groter enthousiasme op, dan die aan haar is gewijd, en de invloed die zij tijdens haar leven uitoefende, komt nog steeds haar seksegenoten ten goede". De grote auteur en dichter van Turkije, Sulaymán Bey, roept in zijn boek over de Bábís uit, "O, Táhirih! Gij zijt wel duizend Násiri'd-Dín Sháhs waard". De lof die haar wordt toegezwaaid door de moeder van een van Oostenrijks presidenten, mevrouw Hainisch, luidt, "Het hoogste ideaal voor de vrouwen is Táhirih . . . ik zal proberen voor de vrouwen in Oostenrijk te doen wat Táhirih deed voor de vrouwen in Perzië en waarvoor zij haar leven gaf".

In de vijf werelddelen verlangen talrijke en verschillend geaarde vurige bewonderaars ernaar meer over haar te weten. Er zijn velen wier levenswandel door haar bezielend voorbeeld in betere banen werd geleid, die haar onvergelijkelijke oden uit het hoofd leerden of haar gedichten op muziek zetten, voor wier ogen het visioen van haar ontembare geest straalt, in wier hart een liefde en bewondering ligt, die de tijd nimmer zal kunnen doen verflauwen en in wier ziel de vastberadenheid brandt om net zo onverschrokken en met dezelfde trouw de weg te betreden, die zij voor zichzelf koos en waarvan zij nimmer afweek vanaf het ogenblik van haar bekering tot aan het uur van haar dood.

De hevige storm van vervolgingen, die Bahá'u'lláh in de ondergrondse kerker had doen belanden en het licht van Táhirih had gedoofd, bezegelde tevens het lot van de voortreffelijke amanuensis van de Báb, Siyyid Husayn-i-Yazdí, bijgenaamd 'Azíz, die Zijn gevangenschap in Máh-Kú alsook in Chihríq had gedeeld. Deze man met rijke ervaring en van grote verdienste, zeer doorkneed in de leringen van zijn Meester en in het genot van Zijn onvoorwaardelijke vertrouwen, die ieder aanbod tot vrijlating van de leidende regeringsambtenaren in Tihrán van de hand wees, verlangde onophoudelijk naar het martelaarschap dat hem was ontzegd op de dag, dat de Báb Zijn leven had gegeven op de binnenplaats van de kazerne in Tabríz. Deze medegevangene van Bahá'u'lláh in de Síyáh-Chál in Tihrán, uit Wien hij inspiratie en troost putte wanneer hij zich die onschatbare dagen voor de geest haalde die hij in het gezelschap van zijn Meester in Ádhirbayján had doorgebracht, werd tenslotte op schandelijke wijze geveld door dezelfde hardvochtige 'Azíz-Khán-i-Sardár die aan Táhirih de doodsteek had toegebracht.

Nog een slachtoffer van de verschrikkelijke kwellingen die door een onverzettelijke vijand werden toegebracht, was de grootmoedige, invloedrijke en dappere Hájí Sulaymán Khán. Zozeer werd hij gewaardeerd, dat de Amír-Nizám, bij een eerdere gelegenheid, aan zijn verbondenheid met het door hem aangenomen Geloof wenste voorbij te zien en zijn leven te sparen. De opschudding die Tihrán tengevolge van de aanslag op het leven van de vorst in de greep hield, verhaastte echter zijn arrestatie en leidde tot zijn matelaarschap. De Sjah, die het niet gelukt was hem er door de bemiddeling van de Hajibu'd-Dwalih toe te brengen zijn dwaling openlijk te erkennen, beval dat hij ter dood zou worden gebracht op een wijze die hij zelf verkoos. Op zijn uitdrukkelijk verzoek werden negen gaten in zijn lichaam gemaakt en in elk daarvan een brandende kaars gezet. Toen de beul ervoor terugdeinsde deze afzichtelijke taak te vervullen, probeerde hij hem het mes uit de handen te rukken, zodat hij het zelf in zijn lichaam kon steken. Uit angst dat hij hem zou aanvallen, weigerde de beul aan dit verzoek te voldoen en verzocht zijn mannen de handen van het slachtoffer op zijn rug te binden, waarop de onversaagde man hem smeekte twee gaten in zijn borst te maken, twee in zijn schouders, een in zijn nek en vier in zijn rug - een wens die zij inwilligden. Rechtoplopend, zijn ogen gloeiend met een stoïcijnse vastberadenheid, onverstoord door de huilende menigte of door de aanblik van zijn eigen bloed dat uit de wonden stroomde, en voorafgegaan door zangers en trommelslagers leidde hij de schare die om hem heen drong, naar de uiteindelijke plaats van zijn martelaarschap. Om de paar stappen onderbrak hij zijn tocht om de verbijsterde omstanders toe te spreken in woorden, waarin hij de Báb loofde en de betekenis van zijn eigen dood verheerlijkte. Steeds wanneer zijn oog viel op de flakkerende kaarsen in hun bloedige houders barstte hij uit in uitroepen van grenzeloze vreugde. Als er een op de grond viel raapte hij die met eigen hand weer op, stak hem weer met de andere aan en plaatste hem weer terug. "Waarom danst u niet?"vroeg de beul spottend, "nu u de dood zo plezierig schijnt te vinden?" "Dansen,?" riep de martelaar, "in de ene hand een beker wijn, in de andere de haarlokken van de Vriend. Zo te dansen midden op het marktplein is mijn verlangen!" Hij bevond zich nog op de markt toen een lichte bries de kaarsvlammen die nu diep in zijn vlees brandden, aanwakkerde en het deed sissen, waarop hij losbarstte in een toespraak tot de vlammen die zich in zijn wonden vraten: "Jullie hebt de angel reeds lang verloren, o vlammen, en bent beroofd van de kracht mij pijn te doen. Maakt voort, want uit jullie vuurtongen kan ik de stem horen, die mij tot mijn Geliefde roept". In een gloed van licht liep hij, zoals een overwinnaar naar het toneel van zijn zege marcheert. Aan de voet van de galg verhief hij nog eenmaal zijn stem in een laatste oproep aan de menigte toeschouwers. Toen wierp hij zich op de grond in de richting van de tombe van de Imám-Zádih Hasan onder het mompelen van een paar Arabische woorden. "Mijn werk is nu voltooid", riep hij tot de beul, "kom en doe het uwe". Hij was nog in leven toen zijn lichaam in tweeën werd gezaagd, met de loftuiting voor zijn Geliefde nog steeds op zijn stervende lippen. Zijn verschroeide en bloedige overblijfselen werden, zoals hij zelf had verzocht, aan beide zijden van de Poort van Naw opgehangen, als stille getuigen van de onblusbare liefde, die de Báb in het hart van Zijn discipelen had ontstoken.

De hevige brand, veroorzaakt door de poging tot moord op de vorst, kon niet tot de hoofdstad beperkt blijven. Hij verspreidde zich over de aangrenzende provincies, teisterde Mázindarán, de provincie waar Bahá'u'lláh was geboren, en liet een spoor na van confiscatie, roof en de vernieling van al Zijn bezittingen. In Tákur, in het district Núr, werd Zijn weelderig ingerichte huis dat Hij van Zijn vader had geërfd, op last van Mírzá Abú-Tálib Khán, een neef van de grootvizier, volkomen leeggeroofd en wat er niet uitgedragen kon worden, werd op bevel vernietigd, terwijl de kamers die statiger waren dan die van de paleizen in Tihrán, onherstelbaar werden geschonden. Zelfs de huizen van de dorpsbewoners werden met de grond gelijk gemaakt, waarna het gehele dorp in brand werd gestoken.

De opschudding, die Tihrán had aangegrepen en aanleiding was geweest tot de campagne van geweldpleging en plundering in Mázindarán, verspreidde zich zelfs tot in Yazd, Nayríz en Shíráz, deed de meest afgelegen gehuchten op hun grondvesten schudden en het vuur van de vervolgingen weer opvlammen. Opnieuw wedijverden inhalige gouverneurs en verraderlijke ondergeschikten met elkaar in het beroven van de schuldelozen, het uitmoorden van de onschuldigen en het onteren van de edelsten van hun volk. Er volgde een bloedbad dat een herhaling was van de reeds in Nayríz en Zanján begane gruweldaden. De geschiedschrijver van de bloedige episoden die verbonden zijn met de geboorte en opkomst van ons Geloof, schrijft,"Mijn pen blijft in afgrijzen steken, als ik probeer te beschrijven wat deze dappere mannen en vrouwen overkwam ... Wat ik heb gepoogd weer te geven over het afgrijselijke beleg van Zanján ... verbleekt bij de ten hemel schreiende gruwelen die een paar jaar later in Nayríz en Shíráz werden bedreven". De hoofden van niet minder dan tweehonderd slachtoffers van deze uitbarsting van hevig fanatisme, werden op bajonetten gespietst en in triomf van Shíráz naar Ábádih gedragen. Veertig vrouwen en kinderen werden tot sintels verkoold door hen in een hol te zetten, waarin een enorme hoeveelheid brandhout was opgestapeld, dat in petroleum was gedrenkt en daarna werd aangestoken. Driehonderd vrouwen werden gedwongen twee aan twee op ongezadelde paarden helemaal naar Shíráz te rijden. Ontdaan van bijna al hun kleren werden zij langs de rijen afgehouwen hoofden van hun echtgenoten, zoons, vaders en broers gevoerd. Zij werden met onnoemelijk veel beledigingen overladen en de ontberingen die zij leden waren zo groot, dat velen van hen omkwamen.

Zo kwam een einde aan een hoofdstuk dat voor altijd de bloedigste, de meest tragische en heldhaftigste periode van de eerste Bahá'í eeuw boekstaaft. De stromen bloed die tijdens deze met rampen overladen jaren vloeiden, mogen worden beschouwd als het vruchtbare zaad van de Wereldorde, die een spoedig daarna komende en nog grotere Openbaring zou verkondigen en vestigen. De hulde die werd gebracht aan het edele leger van helden, heiligen en martelaren van dat allereerste tijdperk, door zowel vriend als vijand, van Bahá'u'lláh Zelf tot aan de meest ongeïnteresseerde waarnemers in verre landen, en vanaf het eerste ogenblik van zijn bestaan tot op de dag van heden, getuigt onweerlegbaar van de glorierijke daden die dat tijdperk onsterfelijke glans verlenen.

Bahá'u'lláh's ongeëvenaarde getuigenis in de Kitáb-i-Íqán luidt, "De gehele wereld verbaasde zich over de wijze van hun opoffering . . . Het verstand raakt verbijsterd door hun daden en de ziel verwondert zich over hun geestkracht en lichamelijk uithoudingsvermogen ...Is men in enig tijdperk getuige geweest van zulke gewichtige voorvallen?" En verder, "Is de wereld sedert de dagen van Adam ooit van zo'n tumult, van zo'n geweldige beroering getuige geweest?". . . Mij dunkt, geduld werd getoond alleen als gevolg van hun zielskracht en trouw aan het geloof kwam alleen voort uit hun daden". In een gebed dat meer speciaal op de martelaren van het Geloof slaat, verzekert Hij met nadruk, Met het bloed dat zij vergoten, werd de aarde doortrokken van de wonderbare openbaringen van Uw macht en de als edelstenen flonkerende tekenen van Uw heerlijke soevereineteit. Eerlang zal ze haar tijding bekendmaken, wanneer de vastgestelde tijd is aangebroken".

Op wie anders konden deze veelbetekenende woorden van Muhammad, de Apostel van God, door Quddús aangehaald toen hij zijn kameraden in het Fort Shaykh Tabarsí toesprak, van toepassing zijn dan op deze helden van God die met hun hartenbloed de beloofde Dag inluidden, "O, hoe verlang Ik ernaar het gelaat van Mijn broederste aanschouwen, mijn broeders, die Mij aan het einde van de wereld zullen verschijnen! Gezegend zijn Wij, gezegend zijn zij; hun zaligheid is groter dan de onze?"Wie anders konden er worden bedoeld in deze traditie, Hadíth-i-Jábir genaamd, opgetekend in de Káfí en door Bahá'u'lláh in de Kitáb-i-Íqán gestaafd, welke in niet mis te verstane taal de tekenen van het verschijnen van de beloofde Qá'im uiteenzet? "Zijn heiligen zullen in Zijn tijd worden vernederd en hun hoofden zullen als geschenken worden uitgewisseld, zoals ook de hoofden van de Turk en de Dalamiet als geschenken worden uitgewisseld; zij zullen worden gedood en verbrand en zullen bevreesd, angstig en ontzet zijn; de aarde zal gekleurd worden door hun bloed en onder hun vrouwen zal er geweeklaag en geween zijn; deze zijn waarlijk Mijn heiligen".

De schriftelijke getuigenis van Lord Curzon of Kedleston luidt, "Verhalen van grootse heldenmoed verlichten de met bloed bedekte bladzijden van de Bábí geschiedenis ... De vuren van Smithfield3 deden geen edeler moed ontbrandden dan die welke aan de nog geraffineerder folteraars van Tihrán het hoofd bood en hen trotseerde. Van niet geringe invloed moeten daarom de leerstellingen zijn van een geloof, dat in zijn volgelingen een dergelijk ongewone en prachtige geest van zelfopoffering kan oproepen. De heldenmoed en de marteldood van Zijn (de Báb) volgelingen zal tot vele andere spreken, die in de huidige kronieken van de Islam geen enkel daarop gelijkend verschijnsel kunnen vinden". Professor J. Darmesteter schreef, "Het Bábisme dat zich in minder dan vijf jaar van het ene einde van Perzië naar het andere verbreidde, dat in 1852 werd gebaad in het bloed van zijn martelaren, is in stilte vooruitgegaan en heeft zich verder verspreid. Als Perzië ooit herboren zal worden, zal het door dit nieuwe Geloof geschieden". Renan schrijft in zijn "Les Apôtres","Des milliers de martyrs sont accourus pour lui (le Báb) avec allégresse au devant de la mort. Un jour sans pareil peut-être dans l'histoire du monde fut celui de la grande boucherie qui se fit des Bábis à Teheran".4 De bekende oriëntalist Professor E.G. Browne verklaart, "Een van deze vreemde uitbarstingen van enthousiasme, geloof, innige toewijding en onbedwingbare heldenmoed ... de geboorte van een geloof waarvan de mogelijkheid niet uitgesloten geacht moet worden, dat het zich een plaats zal veroveren onder de grote wereldreligies". En verder, "De geest die de Bábís vervult, is van dien ard, dat hij zijn krachtige uitwerking op allen die daarvan onder de invloed komen, niet zal missen ... Laat hen die het niet hebben gezien mij maar niet geloven als zij dat niet willen, maar mocht ooit die geest over hen komen dan zullen zij een emotie gewaar worden, die zij zeker niet zullen vergeten". Graaf de Gobineau verzekert in zijn boek, "J'avoue même que, si je voyais en Europe une sekte d'une nature analogue au Babysme se présenter avec des avantages tels que les siens, foi aveugle, enthousiasme extrème, courage et dévouement éprouvés, respect inspiré aux indifférents, terreur profonde inspirée aux adversaires, et de plus, comme je l'ai dit, un prosélytisme qui ne s'arrête pas, et dont les succès sont constants dans toutes les classes de la société; si je voyais, dis-je, tout cela exister en Europe, je n'hésiterais pas à prédire que, dans un temps donné, la puissance et le sceptre appartiendront de toute nécessité aux possesseurs de ces grands avantages".5

Het antwoord dat naar verluidt 'Abbás-Qulí Khán-i-Láríjání, wiens kogel verantwoordelijk was voor de dood van Mullá Husayn, gaf op de vraag hem ten overstaan van verschillende getuigen door prins Ahmad Mírzá werd gesteld, was "De kern van de zaak is, dat iemand die Karbilá niet gezien had maar wel Tabarsí, niet alleen niet begrepen zou hebben wat daar plaats vond, maar er lang bij zou hebben stilgestaan; en als hij Mullá Husayn van Bushrúriy had gezien zou hij er van overtuigd zijn geweest, dat de Eerste der Martelaren (Imám Husayn) op aarde was weergekeerd; en als hij mijn daden had aanschouwd zou hij voorzeker gezegd hebben, 'Dit is Shimr die is weergekeerd met zwaard en speer ...' Waarlijk, ik weet niet, wat men deze mensen heeft laten zien of wat zij hebben gezien, dat zij met zo'n blijmoedigheid en vreugde zich in de strijd begaven ... Het voorstellingsvermogen van de mens kan hun onstuimige moed en dapperheid niet bevatten".

Wat , mogen wij ons wel afvragen, is tenslotte het lot geworden van dat snode gespuis dat, aangespoord tot boosaardigheid, hebzucht of fanatisme, probeerde het licht te doven, dat de Báb en Zijn volgelingen over hun land en volk hadden verspreid? De roede van goddelijke kastijding, die snel en met onbuigzame gestrengheid kwam, spaarde noch de hoofdmagistraat van het rijk, noch zijn ministers en raadgevers, noch de hoogwaardigheidsbekleders, waarmede de regering onverbrekelijk was verbonden, noch de gouverneurs die als haar vertegenwoordigers optraden, noch de commandanten van zijn gewapende macht die, in verschillende mate, opzettelijk of uit angst of verzuim hadden bijgedragen tot de verbijsterende beproevingen, waaraan een jong Geloof zo onverdiend was blootgesteld. De kwezelachtige en besluiteloze Muhammad Sháh, die weigerde het verzoek van de Báb in te willigen Hem in de hoofdstad te ontvangen en Hem in staat te stellen de echtheid van Zijn zaak uit te leggen, gaf toe aan de aandrang van een kwaadwillige minister en viel, nadat de fortuin hem de rug had toegekeerd, op de jeugdige leeftijd van veertig jaar, ten prooi aan gecompliceerde ziekten en werd veroordeeld tot dat "hellevuur', dat hem 'Op de dag van de Wederopstanding' onverbiddelijk zou verslinden, zoals de Auteur van de Qayyyúmu'l-Asmá'had gezworen. Zijn kwade genius, de oppermachtige Hájí Mírzá Áqásí, de macht achter de troon en de voornaamste aanstichter van de grove wandaden tegen de Báb, met inbegrip van Zijn gevangenschap in de bergen van Ádhirbáyján werd, na afloop van ternauwernood een jaar en zes maanden - vanaf de tijd dat hij tussenbeide kwam tussen de Sjah en zijn Gevangene - van al zijn macht ontheven, beroofd van al zijn op oneerlijke wijze verkregen rijkdommen, door zijn vorst in ongenade gestort en gedwongen een schuilplaats voor de toenemende gramschap van zijn landgenoten te zoeken in de graftombe van Sháh'Abdu'l-'Azím en werd later op oneervolle wijze uitgewezen naar Karbilá, waar hij werd gekweld door ziekte, armoede en knagende ellende - een treurige rechtvaardiging van die beschuldigende Tafel, waarin zijn Gevangene zijn val had voorspeld en zijn schande aan de kaak had gesteld. Voor wat betreft de beruchte, uit de heffe des volks voortgekomen Amír-Nizám, Mírzá Taqí Khán, wiens eerste jaar van zijn kortstondige beleid was bedoezeld met de woeste aanval op de verdedigers van het Fort Tabarsí, die de executie van de Zeven Martelaren van Tihrán goedkeurde en aanmoedigde, die de aanslag op Vahíd en zijn metgezellen ontketende, die regelrecht verantwoordelijk was voor het doodvonnis van de Báb en die tot het grote oproer van Zanján had aangezet, hij verbeurde door de meedogenloze jaloezie van zijn vorst en de wraakzuchtige hofintriges alle eer die hij had genoten en werd op verradelijke wijze op koninklijk bevel ter dood gebracht, doordat men hem in het bad van het paleis van Fín bij Káshán de aderen opende. Door Nabíl werd opgetekend, wat Bahá'u'lláh heeft gezegd, "Was de Amír-Nizám zich bewust geweest van Mijn ware positie, dan zou hij Mij zeker hebben gevangen genomen. Hij stelde alles in het werk om de werkelijke situatie te ontdekken, maar hij slaagde er niet in. God wilde dat hij hiervan onwetend zou blijven". Mírzá Áqá Khán, die zo'n actief aandeel had gehad in de onverbreidelde wreedheden die werden bedreven naar aanleiding van de aanslag op de vorst, werd uit zijn ambt ontzet en in Yazd onder zware bewaking gesteld, waar hij zijn laatste dagen in schande en wanhoop sleet.

Husayn Khán, de gouverneur van Shíráz, gebrandmerkt als een "pimpelaar"en een "tiran", de eerste die de Báb oneerbiedig behandelde en Hem in het openbaar berispte en zijn bediende opdroeg Hem hard in het gezicht te slaan, werd niet alleen gedwongen de vreselijke ellende die hem en zijn gezin, zijn stad en zijn provincie zo plotseling trof te verduren, maar moest naderhand beleven hoe al zijn arbeid ongedaan werd gemaakt, en moest de resterende dagen van zijn leven invergetelheid doorbrengen totdat hij naar zijn graf wankelde, door vriend en vijand in de steek gelaten. Hájibu'd-Dawlih, die bloeddorstige duivel, die met zoveel ijver zovele onschuldige en weerloze Bábís had opgejaagd, werd op zijn beurt het slachtoffer van de woede van de opstandige Luren die, na hem van zijn bezittingen te hebben beroofd, hem zijn baard afsneden en hem dwongen die op te eten, hem een zadel en tuig aandeden en voor de blikken van het volk, hem als een paard bereden, waarna zij voor zijn ogen achaamteloze gruwelijkheden verrichtten aan zijn vrouwen en kinderen. De Sa'ídu'l-'Ulamá, de fanatieke, woeste en schaamteloze mujtahid van Bárfurush, wiens onverzadelijke vijandigheid zulke beledigingen had gestapeld op, en zulk leed had berokkend aan de helden van Tabarsí, viel spoedig na de door hem begane gruwelen ten prooi aan een vreemde ziekte, die hem een onlesbare dorst en zulke ijkoude rillingen bezorgde, dat noch de pelzen waarin hij zich wikkelde noch het vuur dat voortdurend in zijn kamer brandde, zijn lijden kon verlichten. De aanblik van zijn eens zo weelderige doch nu geruïneerde huis dat na zijn dood zo in verval was geraakt, dat de mensen uit zijn stad het gebruikten als mestvaalt, maakte op de bewoners van Mázindarán zo'n diepe indruk, dat zij tijdens hun onderlinge scheldpartijen vaak elkaar voor hun huizen net zo'n lot toewensten als wat die vervloekte woning had getroffen. De valse en ambitieuze Mahmud Khán-i-Kalantar, onder wiens bewaking Táhirih destijds was gesteld vóór haar marteldood, haalde zich negen jaar later de gramschap van zijn koninklijke meester op de hals, werd met touwen aan zijn voeten over de markt naar een plein buiten de stadsmuren gesleept en daar aan de galg gehangen. Mírzá Hasan Khán, die de executie van de Báb onder bevel van zijn broer, de Amír-Nízám, uitvoerde, werd binnen twee jaar na de onvergeeflijke daad onderworpen aan een vreselijke straf die met zijn dood eindigde. De Shaykhu'l-Islám van Tabríz, de onbeschaamde, gierige en tirannieke Mírzá 'Alí Asghar, die na de weigering van de lijfwacht van de gouverneur van die stad om de Báb de bastonnade toe te dienen, ertoe overging eigenhandig elf maal met de roede de voeten van zijn Gevangene te slaan, werd in datzelfde jaar door een verlamming getroffen en stierf na een folterend lijden een ellendige dood - een dood die spoedig werd gevolgd door de afschaffing van de functie van Shaykhu'l-Islám in die stad. De hooghartige en verraderlijke Mirzá Abú-Tálib Khán, die, de raadgevingen om wat in te binden van Mírzá Áqá Khán, de grootvizier, in de wind slaand, opdracht gaf Tákur te plunderen en in brand te steken alsook het huis van Bahá'u''lláh te verwoesten, werd een jaar later door de pest getroffen en stierf, zelfs door zijn naaste familie geschuwd, na een folterend lijden een ellendige dood. Mihr-'Alí Khán, de Shujá'u'l-Mulk, die na de aanslag op het leven van de Sjah op zo barbaarse wijze de overgebleven leden van de Bábí gemeenschap in Nayríz vervolgde, werd volgens de getuigenis van zijn eigen kleinzoon, ziek en verloor zijn spraakvermogen, hetgeen tot aan de dag van zijn dood zo bleef. Zijn medeplichtige, Mírzá Na'ím, viel in ongenade, werd tweemaal zwaar beboet, uit zijn ambt ontzet en onderworpen aan verfijnde martelingen. Het regiment dat, geen acht slaand op het wonder dat Sám Khán en zijn mannen waarschuwde af te zien van iedere verdere poging het leven van de Báb te vernietigen, vrijwillig hun plaatsen innam en Zijn lichaam met hun kogels doorzeefde, verloor in datzelfde jaar niet minder dan tweehonderdvijftig officieren en manschappen tijdens een vreselijke aardbeving tussen Ardibíl en Tabríz; twee jaar later werden de overige vijfhonderd wegens muiterij genadeloos in Tabríz neergeschoten en het volk, kijkend naar hun tentoongestelde en verminkte lijken, herinnerde zich hun barbaarse daad en gaf zich over aan dusdanige kreten van veroordeling en verbazing, dat de leidende mujtahids op hen los moesten slaan om hen tot zwijgen te brengen. De commandant van het regiment, Áqá Ján Big, verloor zes jaar na de marteldood van de Báb zijn leven tijdens het bombardement van Muhammarih door de Britse marine.

Het Godsoordeel, zo streng en nietsontziend in zijn afstraffingen van diegenen die een leidende rol of een actief aandeel hadden gehad in de misdaden die tegen de Báb en Zijn volgelingen waren begaan, was niet minder onverbiddelijk in de behandeling van de grote massa van het volk - een volk fanatieker dan de Joden in de dagen van Jezus - een volk berucht om zijn grove onwetendheid, zijn woeste bigotterie, zijn opzettelijke verdorvenheid en barbaarse wreedheid; een omkoopbaar, hebberig egoïstisch en laf volk. Ik kan niet beter doen dan aan te halen, wat de Báb zelf tijdens de laatste dagen van Zijn beleidsperiode heeft geschreven in de Dalá'il-i-Sab'ih (Zeven Bewijzen), "Haalt u zich de eerste dagen van de Openbaring voor de geest. Hoe groot was het aantal dat aan de cholera stierf! Dat was werkelijk een van de wonderen van de Openbaring en toch herkende niemand ze! Vier jaar lang woedde de plaag over de Shi'áh's zonder dat iemand de betekenis ervan kon vatten" ! Nabíl heeft in zijn onsterfelijk verslag vermeld, "Wat betreft de grote massa van het volk (van Perzië) die met botte onverschilligheid keek naar de tragedie die zich voor hun ogen afspeelde, en die geen vinger in protest ophief tegen de verschrikking van deze wreedheden, werd op haar beurt het slachtoffer van een ellende die alle rijkdommen van het land en de energie van zijn staatslieden niet konden verlichten ... Vanaf de dag dat de hand van de aanrander tegen de Báb werd opgeheven ... brak de ene beproeving na de andere de geest van dat ondankbare volk en bracht het aan de rand van een nationaal bankroet. Plagen, waarvan de namen hun vrijwel onbekend waren, behalve in verband met een vluchtige vermelding in de stoffige boeken die maar weinigen de moeite namen om te lezen, overvielen hen met een hevigheid waaraan niemand kon ontkomen. Die gesel bracht overal vernietiging, waar hij kwam. Prins en boer voelden in gelijke mate zijn slagen en gingen gebukt onder zijn juk. Hij hield de hele bevolking in zijn greep en liet die ook niet meer los. Even kwaadaardig als de koorts die de provincie Gílán decimeerde, hielden deze plotselinge rampspoeden niet op het land te verwoesten. Hoe afschuwelijk deze rampen ook waren, de wrekende gramschap van God hield niet op bij het onheil dat een verdorven en ongelovig volk overkwam. Ze werden gevoeld in ieder levend wezen, dat op het oppervlak van dit geteisterde land ademde. Zij tastten het leven van plant en dier in gelijke mate aan en lieten de mensen de enorme omvang van hun ellende voelen. Een hongersnood voegde nog al zijn verschrikkingen toe aan de ondraaglijke druk van de beproevingen, waaronder de mensen zuchtten. Het grimmige spook van de hongersnood waarde tussen hen rond en het vooruitzicht van een langzame en pijnlijke dood achtervolgde hen ... Zowel het volk als de regering smachtte naar de opluchting die zij nergens konden vinden. Zij ledigden de beker van smart tot de bodem, zonder de Hand Die hem aan hun lippen had gezet waar te nemen of de Persoon, terwille van Wie zij moesten lijden".

TWEEDE PERIODE
HET BELEID VAN BAHÁ'U'LLÁH
1853 - 1982
HOOFDSTUK VI
De geboorte van de Bahá'í Openbaring

De reeks van verschrikkelijke gebeurtenissen die elkaar snel opvolgden na de rampzalige aanslag op Násiri'd-Dín Sháh geeft, zoals reeds werd opgemerkt, het einde aan van de Bábí Beschikking en de afsluiting van het allereerste, zwartste en bloedigste hoofdstuk in de geschiedenis van de eerste Bahá'í eeuw. Een fase van mateloze beproevingen was met deze gebeurtenissen ingeleid, in de loop waarvan het welzijn van het door de Báb verkondigde Geloof tot het laagste peil zonk. Vanaf het allereerste begin hadden beproevingen en kwellingen, tegenslagen en teleurstellingen, aanklachten, verraad en bloedbaden in steeds toenemende mate bijgedragen aan de decimering van de rijen van Zijn volgelingen, tot het uiterste de trouw van de moedigste aanhangers op de proef gesteld, en was het bijkans gelukt de grondvesten waarop het steunde, te slechten.

Vanaf de geboorte van het Geloof waren regering, geestelijkheid en volk als één man er tegen in opstand gekomen en hadden eeuwige vijandschap aan zijn doelstellingen gezworen. Muhammad Sháh, zwak van geest en wilskracht, had onder druk de voorstellen die de Báb hem had gedaan, van de hand gewezen, had geweigerd Hem persoonlijk te ontmoeten en had Hem zelfs de toegang tot de hoofdstad ontzegd. De jeugdige Násiri'd-Din Sháh met zijn hardvochtige en heerszuchtige karakter had als kroonprins en als regerend soeverein in toenemende mate een bittere haat aan de dag gelegd die, in een later stadium van zijn regering, in al zijn duistere en woeste meedogenloosheid zou oplaaien. De machtige en scherpzinnige Mu'tamid, de enige figuur die Hem de zo dringend nodige bijstand en bescherming had kunnen geven, werd Hem door een plotselinge dood ontnomen. De sheriff van Mekka, die door de bemiddeling van Quddús van de nieuwe Openbaring kennis had genomen tijdens de pelgrimstocht van de Báb naar Mekka, was doof gebleven voor de goddelijke Boodschap en ontving Zijn koerier met botte onverschilligheid. De van de toren georganiseerde bijeenkomst die in de heilige stad Karbilá had zullen plaatsvinden in de loop van de terugreis van de Báb uit Hijáz, moest tot grote teleurstelling van Zijn volgelingen die verlangend naar Zijn komst hadden uitgezien, geheel worden opgegeven. De achttien Letters van de Levende, de voornaamste bolwerken die het nog jonge Geloof hadden geschraagd, waren voor het grootste deel gevallen. De "spiegels", de "gidsen" en de "getuige" die de Bábí hiërarchie vormen, waren òf over de kling gejaagd, òf van hun geboortegrond verdreven, òf hun was het zwijgen opgelegd. Het programma, waarvan de belangrijkste punten aan de meest vooraanstaanden onder hen waren bekendgemaakt, bleef voor het grootste deel onuitgevoerd tengevolge van hun overmatige doch onverstandige ijver. De pogingen die twee van deze discipelen hadden ondernomen om het Geloof in Turkije en India te vestigen, hadden reeds bij het begin van hun zending jammerlijk gefaald. De stormen die Mázindarán, Nayríz en Zanján hadden geteisterd, hadden, naast het feit dat de veelbelovende carrières van de diep vereerde Quddús, van de manmoedige Mullá Husayn, van de erudiete Vahíd en de onverzettelijke Hujjat in de kiem waren gesmoord, het leven van een alarmerend groot aantal van hun invloedrijkste en heldhaftigste medediscipelen op jeugdige leeftijd afgebroken. De afzichtelijke gewelddaden die te maken hadden met de dood van de Zeven Martelaren van Tihrán, waren verantwoordelijk voor de ondergang van nog een ander levend symbool van het Geloof dat, vanwege zijn familierelatie en innige samenwerking met de Báb, en zeker ook door zijn aangeboren kwaliteiten, zeer beslist zou hebben bijgedragen tot de bescherming en bevordering van een worstelende Zaak, indien zijn leven gespaard was gebleven.1

De storm die later met onvoorstelbare kracht losbarstte over een gemeenschap die reeds op de knieën was gedwongen, beroofde deze bovendien van haar grootste heldin, de onvergelijkelijke Táhirih die toen nog op het hoogtepunt van haar successen was, had het lot bezegeld van Siyyid Husayn, de vertrouwde amanuensis van de Báb en de uitverkoren bewaarder van Zijn laatste wensen; had Mullá 'Abdu'l-Karím-i-Qasvíní geveld, die algemeen werd erkend als een van de heel weinigen, die er aanspraak op konden maken een diepgaande kennis van de oorsprong van het geloof te hebben, en had Bahá'u'lláh, de enige overlevende onder de verheven figuren van de nieuwe Beschikking, in een kerker geworpen. De Báb - de Bron waaruit de levengevende krachten van een nieuwe Openbaring waren gevloeid - was Zelf, voor het losbarsten van die orkaan, onder aangrijpende omstandigheden gevallen onder de kogelregen van het vuurpeleton. Hij liet aan het hoofd van een nagenoeg uiteengevallen gemeenschap iemand achter, die niet veel meer was dan een stroman, een uitermate verlegen, goedaardig mens, maar zeer gevoelig voor iedere denkbare invloed, zonder enige uitgesproken kwaliteiten die nu (ontdaan van de leidende hand van Bahá'u'lláh, de werkelijke Leider), in de vermomming van een derwisj in de bergen van zijn geboortegrond Mázindarán bescherming zocht tegen de dreigende aanvallen van een doodsvijand. De omvangrijke geschriften van de stichter van het Geloof - in manuscript, overal verspreid, niet gerangschikt, slecht ovegeschreven en niet goed bewaard - waren gedeeltelijk tengevolge van de in hoge mate woelige tijden òf moedwillig vernietigd en verbeurd verklaard, òf haastig naar veiliger plaatsen gebracht buiten de grenzen van het land, waarin ze waren geopenbaard. Machtige tegenstanders, boven wie de figuur van de buitensporig ambitieuze en huichelachtige Hájí Mírzá Karim Khán ver uitstak - de man die op speciaal verzoek van de Sjah in een verhandeling het nieuwe Geloof en zijn leerstellingen venijnig had aangevallen - hadden nu de hoofden bij elkaar gestoken en, overmoedig geworden door de nederlagen die het Geloof had geleden, het met beschimpingen en laster overladen. Verder werden onder ondraaglijke druk een paar Bábís ertoe gebracht hun geloof af te zweren, terwijl anderen zelfs afvallig werden en zich in de gelederen van de vijand voegden. En nu kwam bovenop dat afschuwelijke ongeluk een monsterachtige laster, voortkomend uit de door een handjevol onverantwoordelijke dwepers gepleegde gewelddaad, waardoor een heilig en onschuldig Geloof met een blaam werd beladen, die onuitwisbaar scheen en het van zijn fundamenten dreigde te stoten.

En toch werd het vuur dat de hand van Almacht had ontstoken, niet gedoofd, hoewel het werd gesmoord door deze vloed van beproevingen die er over werd losgelaten. De vlam die negen jaar lang met zo'n schitterende, intense gloed had gebrand, was inderdaad tijdelijk gedoofd, maar de sintels, die de grote brand had achtergelaten, gloeiden nog en waren voorbestemd binnenkort weer op te laaien door de nieuw leven gevende bries van een onvergelijkelijk groter Openbaring, en een licht te verspreiden, dat niet alleen de omringende duisternis zou verdrijven, maar zijn straling tot in de uithoeken van het oostelijk en westelijk halfrond zou laten doordringen. Net zoals de gedwongen gevangenschap en afzondering van de Báb Hem aan de ene kant de mogelijkheid had gegeven Zijn leringen te formuleren, de volle betekenis van Zijn Openbaring te ontvouwen, Zijn positie formeel en openlijk te verkondigen en Zijn Verbond te vestigen, en aan de andere kant bevordelijk was geweest voor het afkondigen van de wetten van Zijn Beschikking door de stem van Zijn discipelen die in Badasht bijeen kwamen, zo bleek het ongehoorde belang van de crisis die haar hoogtepunt bereikte in de executie van de Báb en de gevangenneming van Bahá'u'lláh, pas het voorspel te zijn van een hernieuwde opleving die, door de bezielende kracht van een nog veel machtiger Openbaring, de roem van de Profeet van Shíráz onsterfelijk zou maken en Zijn oorspronkelijke Boodschap op een nog duurzamer fundament zou plaatsen, ver over de granzen van Zijn geboorteland.

Op een moment dat de Zaak van de Báb aan een zijden draad leek te hangen, dat de verwachtingen en het streven die haar in leven hielden, volgens menselijke berekening waren te niet gedaan en de enorme opofferingen van haar ontelbare aanhangers vergeefs leken te zijn, stond de in het verborgen liggende goddelijke Belofte op het punt plotseling te worden ingelost en haar uiteindelijke voleinding op mysterieuze wijze te worden gemanifesteerd. De Bábí Beschikking was aan haar einde gekomen (niet voortijdig, maar op haar uiteindelijke tijd) en wierp haar beloofde vruchten af en onthulde haar uiteindelijke doel: de geboorte van de zending van Bahá'u'lláh. In dit donkere en vreselijke uur ging een nieuw Licht in al zijn glorie aan Perzië's verduisterde horizon dagen. Als gevolg van wat in feite een evoluerend rijpingsproces was, zou nu de gewichtigste, zo niet de opzienbarendste fase in het heroïsche tijdperk van het Geloof een aanvang nemen.

Gedurende negen jaren, zoals door de Báb Zelf was voorzegd, had het embryonale Geloof dat door Hem was verwekt, zich snel op geheimzinnige en onweerstaanbare wijze ontwikkeld, totdat de vrucht van de beloofde Zaak van God op het aangegeven uur temidden van de sombere en dreigende ellende van de Síyáh-Chál in Tihrán werd afgeworpen. Bahá'u'lláh verklaart jaren later, als Hij de aanspraken weerlegt van hen die de geldigheid van Zijn zending, die zo dicht op die van de Báb volgde, verwierpen; "Zie hoe onmiddellijk na afloop van het negende jaar van deze wonderbare, deze heiligste en genadigste Beschikking aan het vereiste aantal zuivere, geheel toegewijde en geheiligde zielen in het diepste geheim was voldaan". Bovendien heeft Hij verzekerd, "dat er zo'n korte tijd zou liggen tussen deze zo machtige en wonderbare Openbaring en Mijn eigen vorige Manifestatie is een geheim dat niemand kan ontrafelen, en is een mysterie zoals geen brein kan peilen. De duur ervan was tevoren bepaald".

Johannes heeft met betrekking tot deze twee opeenvolgende Openbaringen duidelijk geprofeteerd, "Het tweede wee is voorbijgegaan: zie het derde wee komt spoedig".2 'Abdu'l-Bahá heeft in een commentaar op dit vers uitgelegd, "Dit derde wee is de dag van de Manifestatie van Bahá'u'lláh, de Dag van God, en die is dicht bij de dag van de verschijning van de Báb". Bovendien heeft hij verzekerd, "Alle volkeren ter wereld verwachten twee Manifestaties, die gelijktijdig moeten komen; allen wachten op de vervulling van deze belofte". En verder, "Het essentiële feit is, dat aan allen twee Manifestaties worden beloofd, die na elkaar zullen komen". Shaykh Ahmad-i-Ahsá'í, de lichtende ster van goddelijke leiding, die vóór het jaar zestig de naderende glorie van Bahá'u'lláh zo duidelijk had zien aankomen en de nadruk had gelegd op de "twee Openbaringen, die elkaar snel zouden opvolgen", had van zijn kant in een brief die in zijn eigen handschrift was gericht aan Siyyid Kazím, de volgende belangrijke bewering met betrekking tot het naderende uur van die verheven Openbaring gedaan, "Het mysterie van deze Zaak moet nodig openbaar worden gemaakt en het geheim van deze Boodschap moet noodzakelijk worden onthuld. Meer kan ik niet zeggen, ik kan geen tijd noemen. Zijn Zaak zal worden bekendgemaakt na Hín (68)".

De omstandigheden waaronder de Drager van de pasgeboren Openbaring, die zo snel op die van de Báb volgde, de eerste aanduidingen van Zijn verheven zending ontving, doen denken aan en overtreffen zelfs in hun aangrijpende uitwerking de schokkende ervaring van Mozes, toen hij in de wildernis van de Sinaï tegenover de Brandende Braamstruik stond; van Zoroaster, toen hij van zijn zending werd doordrongen door zeven opeenvolgende visioenen; van Jesus toen hij, opstijgende uit het water van de Jordaan, de hemelen zag scheuren en de Heilige Geest als een duif op zich zag nederdalen;3 van Muhammad toen in de grot Hira, even buiten de heilige stad Mekka, de stem van Gabriël Hem gelastte, "te roepen in de naam van Uw Heer"; en van de Báb, toen Hij in een droom het bloedende hoofd van de Imám Husayn naderde en, van het bloed drinkende dat uit de afgesneden keel droop, wakker werd en wist, dat Hij de uitverkoren ontvanger was van de zich uitstortende genade van de Almachtige.

Wat, zo mogen wij ons op dit kritieke moment wel afvragen, was de aard en de betekenis van die Openbaring, die zich zo vlak na de Verkondiging van de Báb manifesteerde, en aan de Beschikking, die dat Geloof zo kort geleden had aangekondigd, met één slag een einde maakte en met zoveel hevigheid en kracht het goddelijke gezag van zijn geestelijke Vader handhaafde? Hoe, zo mogen wij gerust overwegen, luidden de aanspraken van Hem die, zelf een discipel van de Báb, in zo'n vroeg stadium zichzelf als gemachtigd beschouwde om de wet, waarmede Zijn geliefde Meester zo nauw was verbonden, af te schaffen? Hoe, zo mogen wij verder nog overwegen, zou de relatie kunnen zijn tussen de religieuze stelsels die vóór Hem waren gevestigd en Zijn eigen Openbaring - een Openbaring die, in dat uitzonderlijk gevaarvolle uur stromende uit Zijn in nood verkerende ziel, de moedeloosheid doorboorde, die zich in dat pestilente hol had genesteld en, door zijn muren heenbrekend en zich over de verste hoeken van de wereld verspreidend, de gehele kern van de mensheid van zijn grenzeloze mogelijkheden doordrong, en die nu onder onze ogen op het verloop van de ontwikkeling van de menselijke maatschappij haar stempel drukt?

Hij Die onder zulke dramatische omstandigheden het overweldigende gewicht van deze heerlijke zending op de schouders kreeg was niemand minder dan Degene Die het nageslacht zal toejuichen, en Die ontelbare volgelingen nu reeds erkennen als de Rechter, de Wetgever en Verlosser van de gehele mensheid, als de Organisator van de gehele planeet, als Degene Die de mensenkinderen verenigt, als de Inleider tot het lang verwachte duizendjarige Godsrijk, als de Stichter van de Grootste Vrede, als de Bron van de Grootste gerechtigheid, als de Schepper van een nieuwe wereldorde en als de Inspirator en Grondlegger van een wereldbeschaving.

Voor Israël betekende Hij niet minder dan de vleeswording van de "eeuwige Vader", en "Heer der Heerscharen", nedergedaald "met tienduizend heiligen"; voor het Christendom de Christus weergekeerd ïn de heerlijkheid van de Vader"; voor de Shí'ah Islám de wederkeer van de Imám Husayn; voor de Sunní Islám de nederdaling van de "Geest van God"; voor de Zoroastriërs de beloofde Sháh-Bahram; voor de Hindoes de reïncarnatie van Krishna; voor de Boeddhisten de vijfde Boeddha.

In de naam die Hij droeg, verenigde Hij die van de Imám Husayn, de beroemdste onder de opvolgers van de Apostel van God - de helderste "ster"die glanst in de "kroon", zoals in de Openbaring van Johannes staat vermeld - en van de Imám 'Alí, de Aanvoerder der gelovigen, de tweede van de twee "getuigen", verheerlijkt in hetzelfde Boek.4 Hij werd formeel aangeduid als Bahá'u'lláh, een benaming die specifiek in de Perzische Bayán is opgetekend, en die tegelijk de heerlijkheid, het licht en de glans van God betekent, en werd genoemd de "Heer der Heren", de "Grootste Naam", de "Aloude Schoonheid", de "Pen van de Hoogste", de "Verborgen Naam", de "Welbewaarde Schat", "Hij Dien God zal openbaren", het "Grootste Licht", de "Allerhoogste Horizon",de "Grootste Oceaan", de "Verheven Hemel", de "Wortel van het Voor-bestaan", de "Bij Zich Bestaande", de "Dagster van het Heelal", de "Grote Aankondiging", de "Spreker op de Sinaï", de "Zifter der Mensen", de "Verguisde van de Wereld", het "Verlangen van de Volkeren", de "Heer van het Verbond", de "Boom die men niet kan passeren". Hij stamde aan de ene kant af van Abraham (de Vader van de gelovigen) door zijn vrouw Ketûra en aan de andere kant van Zoroaster alsmede van Yazdigird, de laatste koning van de Sásaníyán dynastie. Hij was bovendien een nakomeling van Isaï en behoorde via Zijn vader, Mírzá 'Abbás, beter bekend als Mírzá Buzurg - een edelman, die in nauwe relatie stond met de ministriële kringen aan het hof van Fath-'Alí Sháh - tot de oudste en aanzienlijkste families van Mázindarán.

Op Hem had Jesaja, de grootste van de joodse profeten, gezinspeeld als de "Heerlijkheid des Heren",5 de "eeuwige Vader",6 de "Vredevorst",7 de "Wonderbare Raadsman",8 het "Rijsje" (dat) "voortgekomen is uit de stam van Isaï" en de "Tak gegroeid uit zijn wortelen",9 Die "gegrondvest zal zijn op de troon van David",10 Die "met krachtige hand zal komen", Die "zal richten tussen de volkeren",11 Die "de aarde zal slaan met de roede zijns monds en met de adem zijner lippen de goddeloze doden"12 en Die "de verdrevenen uit Israël zal verzamelen en de verstrooiden van Juda zal vergaderen van de vier einden der aarde".13 Over Hem heeft David reeds in zijn Psalmen gezongen, Hem aanroepend als de "Heer der Heerscharen" en de "Koning der Ere".14 Naar Hem verwees Haggai als het "Verlangen van alle Volkeren" en Zacharias als de "Spruit" Die "uit zijn plaats zal uitspruiten en de tempel des Heren bouwen".15 Ezechiël heeft Hem uitgeroepen als de "Here Here" Die "Koning zal zijn over hen allen",16 terwijl naar Zijn dag Joël en Zefanja beiden hebben verwezen als de "Dag des Heren", de laatste het aldus onder woorden brengend als een "dag van verbolgenheid, een dag van benauwdheid en van angst, een dag van vernieling en van vernietiging, een dag van duisternis en van donkerheid, een dag van wolken en van dikke duisternis, een dag van bazuingeschal en van krijgsgeschreeuw tegen de versterkte steden en tegen de hoge hoektorens".17 Zijn dag hadden Ezechiël en Daniël bovendien beiden uitgeroepen als de "Dag des Heren" en Maleachi beschreef hem als "de grote en geduchte dag des Heren",18 wanneer "de Zon der gerechtigheid" zal opgaan en er "genezing zal zijn onder haar vleugelen",19 terwijl Daniël verklaarde, dat Zijn komst het sein zou zijn van het einde van de "gruwel die verwoesting brengt".20

Op Zijn Beschikking hadden de heilige boeken van de volgelingen van Zoroaster gezinspeeld als die, waarin de zon gedurende niet minder dan een gehele maand noodzakelijkerwijs tot stilstand moest worden gebracht. Op Hem moet Zoroaster hebben gedoeld toen hij volgens de overlevering voorspelde, dat er eerst een periode van drieduizend jaar van conflicten en strijd moest verlopen voor de komst van de Wereldverlosser Sháh-Bahrám, die Ahriman zou overwinnen en een tijdperk zou inluiden van zegen en vrede.

Hij alleen wordt bedoeld met de profetie, die aan Gautama Boeddha Zelf wordt toegeschreven, dat een "Boeddha genaamd Maitreya, de Boeddha van universele broederschap" in de volheid der tijden zou opstaan en "Zijn grenzeloze glorie" zou openbaren, Naar Hem heeft de Bhagavad-Gita van de Hindoes verwezen als de "grootste Geest", de "tiende Avatar", de "Vlekkeloze Manifestatie van Krishna".

Naar Hem heeft Jezus Christus verwezen als de "Vorst van deze wereld", als de "Trooster" Die "de wereld zal overtuigen van zonde en van gerechtigeheid en van oordeel",21 als de "Geest der waarheid" Die "u de weg zal wijzen tot de volle waarheid, want Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort zal Hij spreken",22 als de "Heer van de Wijngaard", en als de "Zoon des Mensen" Die "zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders"23 "op de wolken des hemels met grote macht en heerlijkheid"24 met "alle heilige engelen" om Hem heen en "al de volken" voor Zijn troon verzameld.25 Op Hem heeft de schrijver van de Apocalypse gezinspeeld als de "Heerlijkheids Gods" als "de Alpha en de Omega", "het Begin en het Einde"26 "de Eerste en de Laatste".27 Zijn Openbaring gelijkstellend met het "derde wee" heeft hij bovendien Zijn wet verheven als "een nieuwe hemel en een nieuwe aarde", als de "Tent van God", als de "Heilige Stad", als het "nieuwe Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God, getooid als een bruid, die voor haar man getooid is".28 Naar deze Dag heeft Jezus Christus zelf verwezen als de "wedergeboorte wanneer de Zoon des mensen op de troon Zijner heerlijkheid zal zitten".29 Op het uur van Zijn komst had Paulus gezinspeeld als het uur van de "laatste bazuin", de "bazuin van God"30 terwijl Petrus erover had gesproken als de "Dag des Heren, wanneer de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan".31 Zijn Dag had hij verder nog beschreven als de "tijden van verkwikking", "de tijden van het herstel van alle dingen, die God u verkondigd heeft bij monde van al Zijn heilige Profeten sinds het begin van de wereld".

Op Hem zinspeelde Muhammad, de Apostel van God, in Zijn Boek als de "Grote Aankondiging"32 en verklaarde Zijn Dag tot de Dag, waarop "God zal komen in de schaduwen der wolken",33 de Dag, waarop "Uw Heer U zal bijstaan met duizend van de engelen, elkander volgen de"34 en "de Geest" (= Gabriël) zal verrijzen en de engelen in gelederen zullen staan".35 In dat Boek, in een súrih waarvan men zegt dat Muhammad die "het hart van de Qur'án" heeft genoemd, heeft Hij Zijn komst voorspeld als die van de "derde" Boodschapper, die gezonden was om de twee die Hem vooraf waren gegaan "te versterken". Zijn Dag verheerlijkt Hij op de bladzijden van datzelfde Boek in gloedvolle bewoordingen als de "Grote Dag",36 de "Laatste Dag", de "Dag van God", de "Dag des Oordeels", de "Dag van Afrekening",37 de "Dag der Onthulling van gebreken",38 de "Dag van Beslissing",39 de "Dag van diep berouw",40 de "Dag der Verzameling",41 de "Dag wanneer de zaak besloten zal zijn",42 de "Dag wanneer op de bazuin zal worden geblazen",43 de "Dag waarop de mensen voor de Heer der werelden zullen staan",44 en "allen vernederd tot Hem zullen komen",45 de Dag waarop "gij zult zien, dat de bergen, waarvan gij denkt dat zij stevig zijn, zullen heengaan gelijk het heengaan van de wolk",46 de Dag "als de afrekening zal geschieden",47 "de naderende Dag wanneer de harten tot in de kelen zullen opstijgen, inwendig smartende",48 de Dag waarop "degenen die in de hemelen en degenen die op de aarde zijn, verschrikt zullen zijn, behalve degenen die God wil sparen en allen zullen nederig tot Hem komen",49 de Dag waarop "iedere zwangere vrouw haar last zal nederleggen",50 de Dag "waarop de aarde zal stralen met het licht van haar Heer en het Boek zal worden nedergelegd, en de profeten en de getuigen zullen worden voorgebracht; en er met rechtvaardigheid over hen zal worden geoordeeld en zij niet onrechtvaardig zullen worden behandeld".51

Over Hem had Shaykh Ahmad-i-Ahsá'í, de heraut van de Bábí Beschikking, die de "vreemde gebeurtenissen"die "tussen de jaren zestig en zevenenzestig"zouden plaatsvinden en die positief de onvermijdelijke komst van Zijn Openbaring had bevestigd, zoals wij reeds vermeldden, het volgende geschreven, "Het mysterie van deze Zaak moet nodig openbaar worden gemaakt, en het geheim van deze Boodschap moet noodzakelijk worden onthuld. Meer kan ik niet zeggen, ik kan geen tijd noemen. Zijn Zaak zal worden bekend gemaakt na Hín (68)"( dat is: na enige tijd).

Siyyid Kazím-i- Rashtí, de leerling en opvolger van Shaykh Ahmad, had insgelijks geschreven, "De Qá'im moet en zal ter dood worden gebracht. Nadat Hij om het leven is gebracht zal de wereld achttien jaar oud zijn". In zijn Sharh-i-Qasídiy-i-Lámíyyih had hij zelfs gezinspeeld op de naam "Bahá". Verder had hij aan het einde van zijn dagen onomwonden aan zijn leerlingen verklaard; "Waarlijk, ik zeg u, na de Qá'ím zal de Qayyúm worden gemanifesteerd. Want wanneer de ster van de eerste is ondergegaan zal de zon van de schoonheid van Husayn opkomen en de gehele wereld verlichten. Dan zal in alle heerlijkheid het "Mysterie"en het "Geheim" worden onthuld warover door Shaykh Ahmad werd gesproken ... Die dag der Dagen beleefd te hebben, betekent het toppunt van glorie van vorige generaties te hebben bereikt, en één goede daad verricht in die tijd staat gelijk met de vrome aanbidding van ontelbare eeuwen".

De Báb had Hem in niet minder duidelijke termen verheerlijkt als de "Essentie van het Zijn", als het "Relict van God", als de "almachtige Meester", als het "karmozijnen, alomvattende Licht", als "Heer van het zichtbare en onzichtbare", als het "enige Doel van alle voorgaande Openbaringen, met inbegrip van de Openbaring van de Qá'ím Zelf". Hij had Hem formeel aangeduid als "Hij, Dien God zal openbaren", had op Hem gezinspeeld als de "Abhá Horizon", waaronder Hij zelf had geleefd en gewoond, had uitdrukkelijk Zijn titel vermeld en vol lof over Zijn "Orde" gesproken en Zijn bekendste werk, de Perzische Bayán; had Zijn naam bekend gemaakt door middel van Zijn toespeling op de "Zoon van 'Alí, een waar en onmiskenbaar Leider der mensen", had bij herhaling, zowel in gesproken als geschreven woorden en zonder dat er de minste twijfel aan zou kunnen bestaan, de tijd van Zijn Openbaring aangegeven en Zijn volgelingen gewaarschuwd, opdat niet "de Bayán, en alles wat daarin is geopenbaard, hen als door een sluier van Hem zou afsluiten". Hij had bovendien verklaard, dat Hij de "eerste dienaar was, die in Hem geloofde"; dat Hij Hem trouw had gezworen "voordat alle dingen waren geschapen"; dat "geen van Zijn (de Báb) toespelingen betrekking kon hebben op Hem (Bahá'u'lláh); dat "de een jaar oude kiem die in zich de mogelijkheden van de komende Openbaring bergt, met een kracht is begiftigd, die de gezamenlijke machten van de gehele Bayán verre te boven gaat". Hij had ook nog duidelijk te verstaan gegeven, dat Hij "een verbond had gesloten met alle geschapen dingen" aangaande Hem, Dien God zal openbaren nog voor het verbond betreffende Zijn eigen zending was gesloten. Hij had geredelijk toegegeven, dat Hij slechts "een letter" uit dat "machtigste Boek" was, "een dauwdroppel" uit die "eindeloze Oceaan"; dat Zijn Openbaring "slechts een blad tussen de bladeren van Zijn paradijs" was, dat "alles wat in de Bayán was verheerlijkt" slechts "een ring" was aan Zijn eigen hand en Hij Zelf "een ring aan de hand van Hem, Dien God zal openbaren"; Die "de ring van Zijn vinger ronddraait naa r het Hem behaagt, waarvoor het Hem behaagt en waardoor het Hem behaagt". Hij had onomwonden verklaard, dat Hij Zichzelf "geheel had opgeofferd voor Hem; dat Hij Zich om Zijnentwil had laten vervloeken, en vurig te hebben verlangd naar niets anders dan het martelaarschap" op het pad van Zijn geliefde. Tenslotte had Hij op ondubbelzinnige wijze voorspeld, "Thans is de Bayán in het stadium van het zaad; bij het begin van de manifestatie van Hem, Dien God zal openbaren, zal de uiteindelijke volmaaktheid ervan duidelijk worden". "Voordat negen zal zijn verstreken, vanaf de geboorte van deze Zaak, zullen de werkelijkheden van de geschapen dingen niet worden geopenbaard. Alles wat gij tot nog toe hebt gezien,.is nog slechts in het stadium van de vochtige kiem, totdat gij een nieuwe schepping aanschouwt. Zeg: Gezegend daarom zij God, de voortreffelijkste aller Makers"!

"Degene, om Wien het Punt van de Bayán (de Báb) heeft gewenteld, is gekomen,"luidt Bahá'u'lláh's getuigenis, die de onvoorstelbare grootheid en uitzonderlijke aard van Zijn eigen Openbaring bevestigt. Bovendien verzekert Hij, "Als allen, die in de hemel en op aarde zijn in deze dag worden bekleed met de krachten en eigenschappen, die bestemd waren voor de Letters van de Bayán, wier rang tienduizend maal verhevener is dan die van de Letters uit de Beschikking van de Qur'án, en als zij allen tezamen zelfs maar het kortste ogenblik aarzelden om Mijn Openbaring te aanvaarden, zouden zij in de ogen van God worden gerekend tot hen die zijn afgedwaald en worden beschouwd als 'Letters van Ontkenning'". Als Hij op Zichzelf doelt in de Kitáb-i-Íqán verzekert Hij "Machtig is Hij, de Koning van goddelijke macht, om met één letter van Zijn verwonderlijke woorden de levensadem in geheel de Bayán en de mensen die daartoe behoren, uit te blazen en met één letter hen te begiftigen met een nieuw en eeuwigdurend leven en hen te doen opstaan om zich uit de graven van hun ijdele en egoïstische verlangens te spoeden". Verder verklaart Hij, "Dit is de koning der dagen", de "Dag van God Zelf", de "Dag, die nimmer gevolgd zal worden door de nacht", de "lentetijd, die nimmer door herfst zal worden ingehaald", "het oog voor voorafgaande tijdperken en eeuwen", waarnaar "de ziel van iedere Profeet van God, van iedere goddelijke Boodschapper, heeft gedorst", waarnaar "alle onderscheidene geslachten ter aarde hebben gesmacht", waardoor "God de harten van de gehele schare van Zijn Boodschappers en Profeten heeft beproefd, en na hen degenen die de wacht houden bij Zijn heilig en onschendbaar Heiligdom, de ingewijden van het hemelse Paviljoen en bewoners van het Tabernakel van heerlijkheid". Hij stelt bovendien, "In deze machtigste Openbaring hebben alle Beschikkingen uit het verleden hun hoogste, hun uiteindelijke vervulling bereikt".En verder, "Geen van de Manifestaties uit vroeger dagen heeft, behalve tot een voorgeschreven graad, ooit geheel de aard van deze Openbaring begrepen". met betrekking tot Zijn eigen rang verklaart Hij, "Ware het niet om Hem, geen goddelijke Boodschapper zou met het kleed van profeetschap zijn bekleed, noch zou een van de heilige geschriften zijn geopenbaard".

En tenslotte is er ook nog "Abdu'l-Bahá'í eigen niet gering te schatten bijdrage tot het alles te boven gaande karakter van de Openbaring van zijn vader, "Eeuwen, ja zelfs lange tijden moeten voorbijgaan voordat de Zon van Waarheid weer in zijn midzomerpracht of wederom in zijn stralende lentepracht verschijnt". Verder verzekert hij nog, "Alleen al de beschouwing van de Beschikking, ingeleid door de Gezegende Schoonheid, zou voldoende zijn geweest om de heiligen van voorbije tijden te overweldigen - heiligen die ernaar verlangden slechts één ogenblik in die grote heerlijkheid te kunnen delen". Een belangrijke verklaring van hem luidt, "Omtrent de Manifestaties die in de toekomst 'in de schaduwen der wolken' zullen neerdalen; weet waarlijk dat voor wat hun verhouding tot de bron van hun inspiratie betreft, zij zich in de schuduw van de Aloude Schoonheid bevinden. Met betrekking tot het tijdperk waarin zij verschijnen, zal evenwel een ieder van hen 'doen wat Hij wil'". En aan het slot staat deze verhelderende uitleg, waarin hij op overtuigende wijze de betrekking tussen de Openbaring van Bahá'u'lláh en die van de Báb uiteenzet, "De Openbaring van de Báb kan worden vergeleken met de zon, waarvan de positie overeenkomt met het eerste teken van de Dierenriem - het teken Aries - waarin de zon binnenkomt ten tijde van de voorjaarsequinox. De plaats van Bahá'u'lláh's Openbaring wordt anderzijds voorgesteld door het teken Leo, de hoogste positie van de zon in het midden van de zomer. Hiermee wordt bedoeld, dat deze heilige Beschikking wordt verlicht met het licht van de Zon van Waarheid, dat schijnt vanuit zijn meest verheven positie en in de volheid van zijn luister, warmte en heerlijkheid".

Het zou werkelijk een onmogelijke taak zijn te pogen een volledig overzicht te geven van de profetische verwijzingen naar Bahá'u'lláh's Openbaring. Daarvan getuigt de pen van Bahá'u'lláh Zelf, "Alle goddelijke boeken en geschriften hebben aan de mensen de komst van de grootste Openbaring voorspeld en aangekondigd. Niemand kan naar behoren de verzen in de boeken uit vroeger tijden opsommen, die deze allerhoogste Genade, deze machtigste Gave, voorspellen".

Tot besluit van dit thema zou, vind ik, moeten worden gesteld dat de Openbaring van Bahá'u'lláh onvoorwaardelijk alle Beschikkingen die eraan vooraf zijn gegaan, opheft; de eeuwige waarheden die ze in zich bergt onaantastbar handhaaft; rotsvast en absoluut de goddelijke oorsprong van hun Auteurs erkent; de heiligheid van hun authentieke Geschriften ongeschonden bewaart; iedere bedoeling afwijst om de rang van hun Stichters te verlagen of de geestelijke idealen die zij leren, af te schaffen; hun functies uiteenzet en ze onderling met elkaar in verband brengt; andermaal hun gemeenschappelijke, hun onveranderlijke en fundamentele doel bevestigt; hun schijnbaar afwijkende aanspraken en leerstellingen tot overeenstemming brengt en geredelijk en dankbaar hun respectieve bijdragen tot de gestadige ontvouwing van één goddelijke Openbaring erkent; zonder aarzelen verklaart dat ze zelf slechts een schakel is in de keten van steeds elkaar opvolgende Openbaringen; hun leringen aanvult met die wetten en verordeningen die beantwoorden aan de heersende behoeften, zoals de groeiende ontvankelijkheid van een snel evoluerende en voortdurend veranderende maatschappij het verlangt; en haar bereidheid en vermogen verkondigt om de elkaar betwistende sekten en partijen, waarin ze zijn uiteengevallen samen te smelten en te verenigen in een universele broederschap; door te werken binnen het raam en in overeenstemming met de voorschriften van een door God ingegeven, een wereldverenigende, een wereldverlossende Orde.

Een Openbaring, begroet als de belofte en de bekronende glorie van voorbijgegane tijden en eeuwen, als de vervulling van alle Beschikkingen binnen de cyclus van Adam, een tijdperk inluidend van minstens duizend jaar, en een cyclus die niet minder dan vijfduizend eeuwen zal duren, betekende het einde van het profetische tijdperk en het begin van het beleid van haar geestelijke Vader als in de vruchtbaarheid en de glans van Zijn zending. Zulk een Openbaring werd, zoals reeds is opgemerkt, geboren temidden van de duisternis van een ondergrondse kerker in Tihrán, een afschuwelijke schacht die eens had gediend als waterreservoir voor een van de badhuizen van die stad. Gehuld in de stygische duisternis, de verpeste lucht inademend, verkleumd door de vochtige en ijzige admosfeer, met Zijn voeten in het blok, om Zijn nek een ontzaglijk zware keten, omringd door misdadigers en onverlaten van het ergste soort, terneergedrukt door de wetenschap van de vreselijke smet die de goede naam van Zijn geliefd.Geloof had bevlekt, Zich pijnlijk bewust van de vreselijke ellende die zijn voorvechters had getroffen en van de grote gevaren die de rest van de volgelingen onder ogen moest zien. In zo'n kritiek uur en onder zulke ontstllende omstandigheden, daalde de "grootste Geest"op Hem neer, zoals door Hemzelf wordt aangeduid, en zoals Hij wordt gesymboliseerd in de Beschikkingen van Zoroaster, Mozes, Christus en Muhammad door respectievelijk het Heilige Vuur, de Brandende Braamstruik, de Duif en de Engel Gabriël, en openbaarde zich in de gedaante van een "Maagd" aan de gemartelde ziel van Bahá'u'lláh.

Hij heeft Zelf in de laatste dagen van Zijn leven, toen Hij Zich weer de eerste roerselen van Gods Openbaring in Zijn ziel voor de geest haalde, geschreven, "Op een nacht weerklonken in een droom deze veheven woorden van alle zijden,'Voorwaar, wij zullen u doen zegevieren door Uzelf en door Uw Pen. Treur niet om hetgeen U is geschied, en wees niet bevreesd, want Gij zijt in veiligheid. Eerlang zal God de schatten der aarde te voorschijn roepen - mensen die U zullen helpen door Uzelf en door Uw Naam, waarmede God de harten van hen die Hem hebben erkend, heeft opgewekt' ". In een andere passage beschrijft Hij in het kort en aanschouwelijk de schok van de onstuimige kracht van de goddelijke oproep op Zijn gehele wezen - een ervaring die levendig herinnert aan het visioen van God, dat Mozes in zwijm deed vallen, en de stem van Gabriël, die Muhammad zodanig in verwarring bracht, dat Hij naar de veilige beschutting van Zijn huis snelde en Zijn vrouw Khadíjih verzocht Hem in Zijn mantel te hullen. Zijn eigen gedenkwaardige woorden luiden, "In de dagen, dat Ik in de gevangenis van Tihrán lag, voelde Ik, hoewel het knellende gewicht van de ketenen en de van stank vervulde lucht Mij slechts weinig slaap vergunden, toch in die zeldzame momenten van sluimer alsof er iets van de kruin van Mijn hoofd over Mijn borst vloeide, zoals een machtige stroom die zich van de top van een hoge berg op de aarde stort. Alle ledematen van Mijn lichaam werden als gevolg daarvan als het ware in vuur gezet. Op zulke momenten sprak Mijn tong dingen die geen mens kon verdragen te horen".

In zijn Súratu'l-Haykal ( de Surih van de Tempel) beschrijft Hij de adembenemende ogenblikken toen de Maagd die de "grootste Geest" symboliseert Zijn zending aan de gehele schepping verkondigde aldus, "Terwijl Ik werd overspoeld door beproevingen, hoorde Ik een heel wonderbaarlijke, een heel lieflijke stem boven Mijn hoofd. Toen Ik mijn gelaat ophief, aanschouwde Ik een Maagd - de belichaming van het gedenken van de naam van Mijn Heer - die in de lucht voor Mij zweefde. Zo verheugd was zij in het diepst van haar ziel, dat haar gelaat straalde met helder licht van de Algenadige. Tussen aarde en hemel liet zij een roep horen, die hart en ziel van de mensen bekoorde. Zij gaf zowel Mijn innerlijke als Mijn uiterlijke wezen tijdingen die Mijn ziel en de ziel van Gods geëerde dienaren verheugden. Met haar vinger op Mijn hoofd wijzende sprak zij allen die in de hemel en allen die op aarde zijn toe, zeggende, 'Bij God! Dit is de meest Geliefde van de werelden, en toch begrijpt gij het niet. Dit is de Schoonheid van God onder u, mocht gij het slechts verstaan. Dit is het Mysterie van God en Zijn Schat, de Zaak van God en Zijn Heerlijkheid voor allen die zich bevinden in de koninkrijken van Openbaring en schepping, indien gij behoort tot hen die inzicht hebben' ".

In Zijn epistel aan Násiri'd-Din Sháh, Zijn koninklijke tegenstander, dat geopenbaard werd op het hoogtepunt van de verkondiging van Zijn Boodschap, komen deze passages voor, die nog meer licht werpen op de goddelijke oorsprong van Zijn zending, "O Koning, ik was waarlijk een mens gelijk alle anderen, sluimerend op Mijn legerstede en zie! de ruisende winden van de Alglorierijke gingen over Mij en deden Mij al hetgeen geweest was kennen. Deze kennis is niet van Mij, doch van Een die Almachtig en Alwetend is. En Hij gebood Mij Mijn stem tussen aarde en hemel te verheffen en om deze reden geschiedde Mij hetgeen de tranen van allen die weten, deed vloeien ... Dit is slechts een blad, bewogen door de bries van de wil van Uw Heer, de Almachtige, de Algeprezene, Zijn onweerstaanbare oproep bereikte Mij en deed Mij Zijn lof onder de mensen verkondigen. Voorwaar, ik was gelijk een dode, toen Zijn bevel werd geuit. De hand van de wil van Uw Heer, de Meedogende, de Barmhartige, veranderde Mij". In een andere Tafel verzekert Hij, "Bij Mijn leven! Niet uit eigen vrije wil heb Ik Mijzelf geopenbaard, maar God heeft Mij, naar eigen verkiezing, gemanifesteerd". En verder, "Steeds wanneer Ik verkoos het stilzwijgen te bewaren, zie, de stem van de Heilige Geest staande aan Mijn rechterhand, wekte Mij op en de grootste Geest verscheen voor Mijn aangezicht en Gabriël wierp zijn schaduw over Mij, en de Geest droeg Mij op te verrijzen en Mijn stilzwijgen te verbreken".

Zó waren de omstandigheden, waaronder de Zon van Waarheid in Tihrán rees, een stad die door het uitzonderlijke voorrecht dat haar was toegevallen, door de Báb was verheerlijkt als het "Heilige Land", en door Bahá'u'lláh was genoemd "de moeder van de wereld", het "ochtendgloren van licht", de "dageraadsplaats van de tekenen van de Heer", de "bron van vreugde der gehele mensheid". Het eerste gloren van dat licht van weergaloze pracht was, zoals reeds werd geschreven, doorgebroken in Shíráz. De rand van die Lichtbol was nu boven de horizon van de Síyáh-Chál in Tihrán verschenen. Zijn stralen zouden, tien jaren later in Baghdád uitschieten en de wolken doorbreken, die onmiddellijk na zijn opkomst in die sombere omgeving zijn schittering verduisterden. Hij was bestemd tot zijn hoogtepunt te stijgen in het verafgelegen Adrianopel en tenslotte onder te gaan in de onmiddellijke nabijheid van de vestingstad 'Akká.

Het proces, waardoor de glans van zo'n verblindende Openbaring voor het oog der mensen werd uitgespreid, verliep noodgedwongen langzaam en geleidelijk. De eerste aanduiding die haar Drager ontving, viel niet samen met, en werd evenmin dadelijk gevolgd door een onthulling van haar aard en wezen aan zijn eigen metgezellen of verwanten. Er moest een periode van niet minder dan tien jaar verstrijken voor haar verreikende implicaties zelfs direct konden worden doorgegeven aan hen die innig met Hem verbonden waren - een periode van ontzaglijke geestelijke gisting, gedurende welke de Ontvanger van deze zo gewichtige Boodschap rusteloos het uur afwachtte, waarop Hij Zijn zwaar beladen ziel kon ontlasten, die zo vervuld was van de krachten die waren vrijgekomen door Gods naderende Openbaring. Het enige, wat Hij in deze voorbeschikte tussentijd deed, was aan te duiden in verhulde en allegorische taal, in brieven, commentaren, gebeden en verhandelingen die Hij voelde te moeten openbaren, dat de belofte van de Báb reeds was vervuld en dat Hijzelf Degene was Die was uitverkoren haar in te lossen Een paar van Zijn discipelen, die zich door hun wijsheid en persoonlijke aanhankelijkheid en toewijding aan Hem onderscheidden, werden iets gewaar van de straling van de nog niet geopenbaarde glorie die Zijn ziel had doorstroomd, en zouden, zonder Zijn remmende invloed, Zijn geheim zeker bekend hebben gemaakt en het overal hebben verkondigd.

HOOFDSTUK VII
Bahá'u'lláh's verbanning naar Irak

Na de aanslag op het leven van Násiri'd-Dín Sháh werd, zoals in een voorgaand hoofdstuk werd vermeld, gepleegd op de 28e van de maand Shavval, 1268 n.H., die overeenkomt met de 15e augustus 1852. Onmiddellijk daarna werd Bahá'u'lláh in Níyávarán gearresteerd, met smaad overladen naar Tihrán geleid en in de Síyáh-Chál geworpen. Zijn gevangenschap strekte zich uit over een periode van niet minder dan vier maanden, op de helft waarvan het "jaar negen" (1269), dat door de Báb in zulke bezielende termen was aangekondigd en waarop als het jaar "na Hín" door Shaykh Ahmad-i-Ahsá'í was gezinspeeld, werd ingeluid, waardoor de gehele wereld met ongekende mogelijkheden werd begiftigd. Twee maanden na het begin van dat jaar werd Bahá'u'lláh, nu het doel van Zijn gevangenschap was bereikt, uit Zijn opsluiting bevrijd en vertrok Hij een maand later naar Baghdád, de eerste étappe in een gedenkwaardige en levenslange verbanning die Hem in de loop der jaren tot aan Adrianopel in het Europese deel van Turkije zou voeren en die met Zijn vierentwintig jaar durende gevangenschap in 'Akká zou eindigen.

Nu Hij tengevolge van die indrukwekkende droom met de macht en soevereiniteit, verbonden aan Zijn goddelijke zending, was bekleed, werd Zijn bevrijding uit een opsluiting waarvan de bestemming was vervuld en die, ware zij verlengd, Hem volledig zou hebben belemmerd in de uitoefening van de Hem pas geschonken functies, niet alleen onvermijdelijk maar dwingend en urgent. Ook ontbraken de middelen en werktuigen niet, waardoor Zijn bevrijding uit de kluisters die Hem bonden, kon worden bewerkstelligd. De volhardende en vastberaden tussenkomst van de Russische gezant, prins Dolgorouki, die niets onbeproefd liet om de onschuld van Bahá'u'lláh te bewijzen; de openlijke bekentenis van Mullá Shaykh'Alíy-i-Turshízí, bijgenaamd 'Azím, die in de Síyáh-Chál in het bijzijn van de Hájibu'd-Dawlih, alsmede de tolk van de Russische gezant en de vertegenwoordiger van de regering, Hem met nadruk van iedere blaam zuiverde en zijn eigen medeplichtigheid toegaf; de onbetwistbare getuigenis van bevoegde tribunalen; de niet verslappende inspanning die Zijn eigen broers, zusters en verdere familie aan de dag legden - al deze dingen tezamen bewerkten Zijn uiteindelijke bevrijding uit de handen van Zijn roofzuchtige vijanden. Een andere machtige, hoewel minder in het oog lopende invloed die onmiskenbaar een aandeel moet hebben gehad in Zijn vrijlating, was het lot dat zo'n groot aantal van Zijn zelfopofferende medediscipelen onderging, die met Hem in diezelfde gevangenis wegkwijnden. Want, zoals Nabíl terecht opmerkt, "het bloed vergoten in de loop van dat noodlottige jaar in Tihrán door de heldhaftige groep met wie Bahá'u'lláh was gevangen gezet, was de losprijs voor Zijn bevrijding uit de handen van een vijand die probeerde Hem te verhinderen het plan te volbrengen, waarvoor God Hem had bestemd".

Waar met zulke overweldigende getuigenissen het niet-medeplichtig-zijn van Bahá'u'lláh onomstotelijk was bewezen, was de grootvizier, na van zijn soeverein slechts node de toestemming te hebben losgekregen zijn Gevangene vrij te laten, in een positie om zijn vertrouwde vertegenwoordiger, Hájí'Alí, naar de Siyáh-Chál te zenden met de opdracht om aan Bahá'u'lláh het bevel tot Zijn vrijlating te overhandigen. De aanblik die deze afgezant bij zijn aankomst trof, wekte in hem zo'n woede, dat hij zijn meester vervloekte voor de schandelijke behandeling van een man van zo hoge positie en smetteloze reputatie. Hij nam de mantel van zijn eigen schouders en bood hem Bahá'u'lláh aan, Hem dringend verzoekend deze te dragen als Hij bij de minister en zijn raadslieden zou worden binnengelaten, een verzoek dat Bahá'u'lláh echter nadrukkelijk afsloeg, daar Hij er de voorkeur aan gaf voor de leden van de keizerlijke regering te verschijnen in de kledij van een gevangene.

Zodra Hij voor hen was verschenen, sprak de grootvizier Hem toe met de woorden, "Indien U mijn raadgeving had opgevolgd en U zich had losgemaakt van het Geloof van de Siyyid-i-Báb zou U nimmer het leed en de beledigingen hebben behoeven te doorstaan, die thans op U geladen zijn". Bahá'u'lláh weerlegde dit met, "Indien u op uw beurt Mijn raad had opgevolgd, zouden de staatszaken niet zo'n kritiek stadium hebben bereikt". Hierdoor schoot Mírzá Áqá Khán het gesprek te binnen, dat hij met Bahá'u'lláh had gehad naar aanleiding van de marteldood van de Báb, toen hij was gewaarschuwd, dat "de vlam, die is ontstoken, feller dan ooit zal oplaaien". "Wat raadt U mij nu aan te doen?" vroeg hij aan Bahá'u'lláh. "Beveel de gouverneurs van het keizerrijk op te houden het bloed van onschuldigen te vergieten, op te houden hun bezittingen te plunderen, op te houden hun vrouwen te onteren en hun kinderen kwaad te doen", luidde het onmiddellijke antwoord. Diezelfde dag nog handelde de grootvizier volgens het hem gegeven advies, maar zoals de verdere loop der gebeurtenissen maar al te duidelijk liet zien, bleek de uitwerking ervan slechts van korte duur en van te verwaarlozen belang te zijn.

De betrekkelijke vrede en rust die Bahá'u'lláh na Zijn tragische en wrede gevangenschap waren vergund, zouden door de voorschriften van een feilloze Wijsheid van uitzonderlijk korte duur zijn. hij had zich nog maar nauwelijks bij Zijn gezin en familieleden gevoegd, of Hem werd een decreet van Násiri'd-Dín Sháh ter hand gesteld, waarin Hem werd bevolen het grondgebied van Perzië te verlaten, waarbij Hem een tijdslimiet voor vertrek van een maand werd gegeven en Hem het recht werd verleend het land van Zijn verbanning Zelf uit te kiezen.

Zodra de Russische gezant van dit keizerlijke besluit op de hoogte werd gebracht, uitte hij de wens om Bahá'u'lláh onder de bescherming van zijn regering te mogen stellen en bood aan, alle denkbare faciliteiten te verlenen voor Zijn overbrenging naar Rusland. Bahá'u'lláh wees deze zo spontaan gedane uitnodiging van de hand, daar Hij er de voorkeur aan gaf om, afgaande op een feilloze intuïtie, op turks grondgebied, in Baghdád te verblijven. Jaren later heeft Hij Zelf in Zijn brief aan de tsaar van Rusland, Nicolaas Alexander II, getuigd, "Toen Ik geketend en geboeid in de gevangenis lag, heeft een van uw gezanten Mij zijn hulp aangeboden. Derhalve heeft God voor u een rang beschikt, die de kennis van een ieder te boven gaat, behalve Zijn kennis. Hoedt u, dat gij deze verheven rang niet verkwanselt". Nog een andere verhelderende getuigenis uit Zijn pen luidt, "In de dagen toen deze Verguisde zwaar beproefd in de gevangenis lag, deed de gezant van de hooggewaardeerde regering (van Rusland) - moge God, verheerlijkt en verheven zij Hij, hem bijstaan! - zijn uiterste best Mijn vrijlating te verkrijgen. Verscheidene malen werd de toestemming daartoe gegeven. Enkele ulamás uit de stad wisten dit echter te verhinderen. Tenslotte herkreeg Ik Mijn vrijheid door middel van de goede zorgen en inspanningen van Zijne Excellentie de gezant ... Zijne Keizerlijke Majesteit, de hoogste heerser, - moge God, verheven en verheerlijkt zij Hij, hem bijstaan! - een bescherming die de afgunst en vijandigheid van de dwazen der aarde heeft opgewekt".

Het bevelschrift van de Sjah, dat gelijkstond met een bevel tot onmiddellijke verdrijving van Bahá'u'lláh van Perzisch grondgebied, vormt het begin van een nieuw en roemrijk hoofdstuk in de geschiedenis van de eerste bahá'í eeuw. Gezien in het juiste perspectief zal het zelfs worden erkend als de inluiding van een van de bewogenste en belangrijkste tijdperken die ooit in de religieuze wereldgeschiedenis zijn voorgekomen. Het valt samen met de plechtige aanvaarding van een beleid dat zich over een periode van bijna veertig jaar uitstrekt - een beleid dat, dank zij de scheppende kracht, de reinigende werking, de genezende invloed en de onweerstaanbare uitwerking op de leidinggevende, de vormgevende krachten die het in de wereld vrijmaakte, zijn weerga niet heeft in de religieuze annalen van de gehele mensheid. Het geeft de beginfase aan van een serie verbanningen die zich uitstrekt over een periode van vier decennia en die pas eindigt met de dood van Hem Die het Voorwerp was van dat hardvochtige edict. Het proces dat het in beweging bracht en dat geleidelijk voortging zich te ontvouwen, begon met het voor korte tijd vestigen van Zijn Zaak in het hart van het afgunstig bewaakte bolwerk van de Shí'ah Islam en het bracht Bahá'u'lláh in persoonlijk contact met hun hoogste en vermaardste vertegenwoordigers; dan kwam Hij, in een later stadium, op de plaats waar het kalifaat zetelde, te staan tegenover de burgerlijke en geestelijke hoogwaardigheidsbekleders van het rijk en de vertegenwoordigers van de sultan van Turkije, de machtigste potentaat in de islamitische wereld; en het bracht Hem tenslotte zelfs naar de kust van het Heilige Land, waarmede Hij de profetieën, vermeld zowel in het Oude als het Nieuwe Testament, vervulde; de belofte inloste, die besloten ligt in verscheidene tradities die aan de Apostel van God en de Hem opvolgende imáms worden toegeschreven, en de lang verwachte teruggave van Israël aan de aloude bakermat van zijn Geloof inluidde. Hiermede, zo kan men zeggen, begonnen de vier laatste en vruchtbaarste stadia van een leven, waarvan de eerste zevenentwintig jaren werden gekenmerkt door het zorgeloze genieten van alle voordelen die bij een hoge afkomst en rijkdom behoren, en door een onuitputtelijke bezorgdheid voor de belangen van de armen, de zieken en de vertrapten; gevolgd door negen jaren van actief en voorbeeldig leerlingschap in dienst van de Báb; en tenslotte door een gevangenschap van viermaanden, die gedurende die gehele tijd werd verduisterd door gevaar voor het leven en vergald door martelend leed dat, toen daaraan een einde kwam, onsterfelijk werd gemaakt door een plotselinge doorbraak van een overweldigende, zielvernieuwende Openbaring.

Dit gedwongen en haastige vertrek van Bahá'u'lláh uit Zijn geboorteland, slechts vergezeld van enige familieleden, doet in enkele aspecten denken aan de overhaaste vlucht van de Heilige Familie naar Egypte; aan de plotselinge migratie van Muhammad van Mekka naar Medina, vlak na het aanvaarden van Zijn plaats in de rij der profeten; aan de uittocht van Mozes met Zijn broers en volgelingen uit hun geboorteland ingevolge de goddelijke oproep; en bovenal aan de verbanning van Abraham uit Ur der Chaldeeën naar het Beloofde Land - een verbanning die met de onmetelijke weldaden die ze aan verschillende mensen, geloven en volkeren bracht, op historische gronden het dichtst de ontelbare zegeningen benadert, die bestemd zijn in deze dagen en in toekomstige tijden aan de gehele mensheid te worden geschonken als direct gevolg van de verbanning die Hij, Wiens Zaak de bloem en de vrucht is van alle voorafgaande Openbaringen, onderging.

'Abdu'l-Bahá verzekert nadrukkelijk, na in zijn boek "Some Answered Questions" de verreikende gevolgen van Abrahams verbanning te hebben opgesomd, "aangezien de verbanning van Abraham uit Ur naar Aleppo in Syrië dit resultaat had, moeten wij ons afvragen, wat de uitwerking van de verbanning van Bahá'u'lláh zal zijn toen Hij steeds verder moest trekken van Tihrán naar Baghdád, en van daar naar Constantinopel, naar Rumelië1 en naar het Heilige Land".

Op de eerste dag van de maand Rabí'u'th-Thání, in het jaar 1269 n.H. (12 januari 1853), negen maanden na Zijn terugkeer uit Karbilá, begon Bahá'u'lláh samen met enige leden van Zijn gezin en onder geleide van een officier van de keizerlijke lijfgarde en een afgevaardigde van de Russische legatie Zijn tocht van drie maanden naar Baghdád. Onder hen die Zijn ballingschap deelden was Zijn vrouw, de vrome Navváb, door Hem het "Verhevenste Blad" genoemd, die gedurende bijna veertig jaar onafgebroken zo'n geestkracht, vroomheid, toewijding en zieleadel aan de dag legde, dat zij uit de pen van haar Heer het posthume en ongeëvenaarde huldeblijk kreeg, dat Hij haar tot Zijn "eeuwige gemalin in alle werelden van God" had gemaakt, Zijn negenjarige zoon die later de "Grootste Tak" werd genoemd, en die bestemd was het Middelpunt van Zijn Verbond en aangewezen Vertolker van Zijn leringen te worden, samen met zijn zevenjarige zuster die later dezelfde benaming kreeg als haar beroemde moeder en wier diensten evenals haar verheven afkomst haar tot op de hoge leeftijd van zesentachtig jaar het recht gaven op de onderscheiding de onbetwiste heldin van de Bahá'í Beschikking te zijn, behoorden eveneens tot de ballingen die hun geboorteland vaarwel zegden. Van de twee broers die Bahá'u'lláh op die tocht vergezelden, was de eerste Mírzá Músá, gewoonlijk Áqáy-i-Kalím genoemd, Zijn standvastige en gewaardeerde aanhanger, de kundigste en voortreffelijkste van Zijn broers en zusters, en een van de "slechts twee personen" die, volgens Bahá'u'lláh's getuigenis, "voldoende op de hoogte waren van de oorsprong" van Zijn Geloof. De ander was Mírzá Muhammad-Qulí, een halfbroer, die ondanks de afvalligheid van enkele van zijn verwanten, tot het einde toe trouw bleef aan de Zaak die hij had omhelsd.

Op de lange en hachelijke tocht, ondernomen in het hartje van een uitzonderlijk strenge winter, die de kleine groep onvoldoende uitgeruste bannelingen over de met sneeuw bedekte bergen van West-Perzië voerde, gebeurde niets bijzonders dan alleen het warme en enthousiaste onthaal voor de reizigers gedurende hun korte verblijf in Karand door de gouverneur van die plaats, Hayát-Qulí Khán, behorende tot de "Allíyu'lláhí sekte. Hem viel op zijn beurt zoveel vriendelijkheid te beurt van Bahá'u'lláh's zijde, dat de bevolking van het gehele dorp er door werd gegrepen en nog lange tijd daarna zoveel gastvrijheid bleef betonen aan Zijn volgelingen, als zij op weg waren naar Baghdád, dat zij de eer verwierven als Bábí's bekend te staan.

In een gebed dat Hij in die tijd openbaarde, weidt Bahá'u'lláh uit over de ellende en beproevingen waaronder Hij in de Síyáh-Chál had geleden, en getuigt zo van de ontberingen die Hij in de loop van die "vreselijke tocht" had ondergaan, "Mijn God, Mijn Meester, Mijn Verlangen! ... Gij hebt dit atoom van stof geschapen door de volmaakte kracht van Uw macht en koesterde Hem met Uw handen die door niemand kunnen worden geketend ... Gij hebt voor Hem beproevingen en rampspoeden bestemd, die geen tong kan beschrijven en die geen van Uw Tafelen naar behoren kan weergeven. De hals die Gij deed gewennen aan de aanraking van zijde, hebt Gij tenslotte omsloten met sterke ketenen en het lichaam dat Gij verwende met brokaat en fluweel, hebt Gij uiteindelijk onderworpen aan de vernedering van een kerker. Uw gebod heeft Mij in talloze boeien gekluisterd en om Mijn hals ketenen geslagen, die niemand kan slaken. Een aantal jaren is voorbijgegaan, waarin beproevingen als buien van genade op Mij neerregenden ... Hoevele nachten waren er, waarin het gewicht van de ketenen en boeien Mij geen rust gunde en hoevele dagen, waarin vrede en rust Mij werden ontzegd vanwege hetgeen de handen en de tongen van de mensen Mij hebben aangedaan! Zelfs brood en water, dat Gij door Uw alomvattende genade hebt geschonken aan de dieren des velds, heeft men enige tijd aan deze dienaar onthouden en de dingen, die zij weigerden diegenen aan te doen, die zich van Uw zaak hebben afgescheiden, hebben zij Mij laten ondergaan, totdat tenslotte Uw gebod onherroepelijk vaststond en Uw bevel deze dienaar gelastte uit Perzië te vertrekken, vergezeld van een paar lichamelijk zwakke mannen en zeer jonge kinderen, op een tijdstip dat de koude zo intens is, dat men niet eens kan spreken en er zoveel ijs en sneeuw ligt, dat het onmogelijk is zich voort te bewegen".

Tenslotte arriveerde Bahá'u'lláh op de 28e van Jamádíyu'th-Thání 1269 n.H. (8 april 1853) in Baghdád, de hoofdstad van wat toen de Turkse provincie Irak was. Van daar vervolgde Hij een paar dagen later Zijn reis naar Kázimayn, ongeveer twee-en-een-halve kilometer ten noorden van de stad, een plaats, die voornamelijk door Perzen werd bewoond, en waar de twee Kázims, de zevende en de negende Imám, zijn begraven. Spoedig nar Zijn aankomst kreeg Hij bezoek van de vertegenwoordiger van de regering van de Sjah, die in Baghdád was gestationeerd, en opperde dat het voor Hem raadzaam was om, met het oog op de vele bezoekers die in dat pelgrimsoord samendromden, Zijn woonplaats in het oude Baghdád te kiezen, een suggestie waarmede Bahá'u'lláh het dadelijk eens was. Een maand later, tegen het einde van Rajab, huurde Hij in een oude wijk van de stad het huis van Hájí'Alí Madad, waar Hij met Zijn gezin introk.

In die stad die in islamitische tradities wordt beschreven als "Zahru'l-Kúfih", al eeuwenlang wordt aangeduid als de "verblijfplaats van vrede" en door Bahá'u'lláh onsterfelijk is gemaakt als de "stad van God", bleef Hij, met uitzondering van Zijn twee jaar durende afzondering in de bergen van Kurdistán en Zijn nu en dan plaats vindende bezoeken aan Najaf, Karbilá en Kázimayn, wonen tot aan Zijn verbanning naar Constantinopel. Naar die stad had de Qur'án verwezen als de "verblijfplaats van vrede", die God Zelf "bezoekt". In dat Boek wordt er verder op gezinspeeld in het vers, "Voor hen is een woonplaats van vrede met hen Heer ... op de Dag waarop God hen allen zal verzamelen". Uit deze stad stroomde golf na golf een kracht, een glans en een heerlijkheid die ongemerkt een tanend, zwaar beproefd Geloof, dat in teruggetrokkenheid wegzonk en met vergetelheid werd bedreigd, tot nieuw leven wekte. Van daaruit werden dag en nacht en met steeds toenemende kracht de eerste uitstralingen uitgezonden van een Openbaring die in haar strekking, haar overvloed, haar stuwende kracht en in de omvang en verscheidenheid van haar geschriften bestemd was om die van de Báb te overtreffen. Boven de horizon van die stad braken de stralen door van de Zon van Waarheid, waarvan de rijzende heerlijkheid gedurende tien lange jaren verduisterd was geweest door de inktzwarte wolken van een vernietigende haat, een onuitwisbare jaloezie en een meedogenloze kwaadaardigheid. In die stad werd voor het eerst het tabernakel van de beloofde "Heer der Heerscharen" opgericht en de onbetwistbare hechte fundamenten gelegd voor het langverwachte Koninkrijk van de "Vader". Vanuit die stad werden de eerste tijdingen gezonden van de heilsboodschap die, zoals door Daniël was voorspeld, na verloop van "duizendtweehonderdennegentig dagen" (1290 n.H.) het einde zou aanduiden van de "gruwel die verwoesting brengt".2 Binnen haar muren werd onherroepelijk het "grootste Huis van God", de "voetbank zijner voeten" en de "troon van Zijn heerlijkheid", "de leid-ster van een aanbiddende wereld", de "lamp van verlossing tussen aarde en hemel", het "teken van Zijn gedachtenis aan allen die in de hemel en op aarde zijn", in zich bergend het "juweel, waarvan de glorie de gehele schepping heeft doorstraald", de "standaard" van Zijn Koninkrijk, het "heiligdom, waaromheen de schare der gelovigen zal cirkelen", gegrondvest en voor altijd gewijd. Aan die stad werd krachtens haar heiligheid als Bahá'u'lláh's "heiligste woonstee" en "Zetel van Zijn onovertroffen heerlijkheid" de eer verleend na 'Akká de tweede plaats in te nemen als pelgrimsoord, 'Akká, Zijn "Grootste Gevangenis" in welks onmiddellijke nabijheid Zijn heilige Graf, de Qiblih van de Bahá'í wereld, ligt. Rondom de hemelse tafel die midden daarin werd gedekt, kwamen geestelijken en leken, Sunnís en Shí'ahs, Kurden, Arabieren en Perzen, prinsen en edellieden, boeren en derwisjen in steeds groter getale bijeen, terwijl allen naar gelang van hun behoeften en capaciteiten deel hadden aan een mate van die goddelijke gave, die hen in staat zou stellen in de loop der tijden de faam van die milddadige Gever bekend te maken, de rijen van Zijn bewonderaars te doen aangroeien, Zijn geschriften wijd en zijd te verspreiden, de grenzen van Zijn gemeenschap te vergroten en een stevige grondslag te leggen voor de toekomstige oprichting van de instellingen van Zijn Geloof. En tenslotte werd voor de ogen van de gemeenschappen die zeer verschillende opvattingen waren toegedaan, binnen haar muren de eerste fase in de geleidelijke onthulling van een pasgeboren Openbaring ingeluid, werden de eerste uitingen uit de geïnspireerde pen van haar Auteur opgetekend, de eerste grondbeginselen en Zijn langzaam kristalliserende leringen geformuleerd, de eerste bedoelingen van Zijn verheven rang begrepen, de eerste aanvallen die ten doel hadden Zijn Geloof van binnenuit te breken, ontketend, de eerste overwinningen op de interne vijand geregistreerd en de eerste pelgrimstochten naar de deur van Zijn verheven tegenwoordigheid ondernomen.

Deze levenslange verbanning, waartoe de Drager van een zo kostbare Boodschap nu door de Voorzienigheid was veroordeeld, maakte de latente krachten die erin besloten lagen, niet overwacht of snel kenbaar en kon dit ook niet doen. Het proces, waardoor haar onvermoede weldaden aan het oog der mensen moesten worden onthuld, verliep langzaam, pijnlijk langzaam en werd, zoals ook de geschiedenis van het Geloof vanaf het allereerste begin tot op de dag van vandaag aantoont, gekarakteriseerd door een aantal crises die bij tijd en wijle haar ontplooiing dreigde tegen te houden, en alle hoop die haar vooruitgang had gewekt, in rook te doen opgaan.

Eén van deze crisis die Zijn pasgeboren Geloof in gevaar dreigde te brengen en zijn pas gelegde funderingen omver te werpen, verduisterde de beginjaren van Zijn verblijf in Irak, de allereerste étappe in Zijn levenslange verbanning en schonk daaraan een speciale betekenis. In tegenstelling tot de andere crises die eraan vooraf gingen, was deze zuiver intern van aard en was alleen teweeggebracht door de handelingen, ambities en dwaasheden van hen die tot Zijn erkende medediscipelen werden gerekend.

De externe vijanden van het Geloof, zij het de burgerlijke of de geestelijke, die tot nu toe voornamelijk verantwoordelijk waren geweest voor de tegenslagen en vernederingen die het had ondergaan, waren nu betrekkelijk rustig. De wraaklust van het publiek, die onverzadigbaar had geleken, was nu tengevolge van de stromen bloed die hadden gevloeid, tot op zekere hoogte bevredigd. Een gevoel dat aan uitputting en wanhoop grensde, had bovendien vat gekregen op enkele van de verbetenste vijanden, die schrander genoeg waren om te begrijpen dat, ofschoon het Geloof een geduchte knak had gekregen onder de harde slagen die zij hadden uitgedeeld, zijn structuur in wezen ongeschonden was gebleven en zijn geestkracht ongebroken. De orders die door de grootvizier aan de gouverneurs van de provincies waren gegeven, hadden verder een ontnuchterend effect gehad op de plaatselijke autoriteiten, die nu ontraden werd hun woede te koelen op, en toe te geven aan hun sadistische wreedheden tegen een gehate tegenstander.

Er was dientengevolge een korte adempauze ingetreden, die gedoemd was in een later stadium te worden verbroken door weer een golf van beperkende maatregelen, waarbij de sultan van Turkije en zijn ministers alsmede de Sunní priesterorde, aan de Sjah en de Shí'ah geestelijken uit Perzië en Irak de hand reikten in een poging om eens en voor altijd het Geloof en alles wat het voorstond uit te roeien. Terwijl deze korte pauze voortduurde begonnen de eerste verschijnselen van de interne, reeds genoemde crisis zich te ontpoppen, een crisis die, hoewel minder opvallend voor het publiek, toch op weg naar haar hoogtepunt buitengewoon ernstig bleek te zijn, die de numerieke sterkte van de jonge gemeenschap reduceerde, haar eenheid in gevaar bracht, onmetelijke schade berokkende aan haar prestige en voor geruime tijd haar aanzien aantastte.

Deze crisis was al aan het broeien in de dagen die onmiddellijk volgden op de terechtstelling van de Báb, was verscherpt gedurende de maanden toen de leidende hand van Bahá'u'lláh plotseling was teruggetrokken ten gevolge van Zijn opsluiting in de Síyáh-Chál in Tihrán, was verder nog verergerd door Zijn overhaaste verbanning uit Perzië en begon haar verontrustende tekenen te vertonen gedurende de eerste jaren van Zijn verblijf in Baghdád. Haar vernielende kracht werd steeds groter tijdens Zijn tweejarige afzondering in de bergen van Kurdistán, en hoewel er na Zijn terugkeer uit Sulaymáníyyih voor korte tijd een verbetering intrad door de allesoverheersende invloed die Hij uitoefende, voorafgaande aan de verkondiging van Zijn zending, brak ze later met nog grotere hevigheid los en bereikte haar climax in Adrianopel, om tenslotte haar doodsteek te krijgen onder de invloed van de onweerstaanbare krachten, vrijgekomen door de afkondiging van die zending aan de gehele mensheid.

De centrale figuur van de crisis was niemand minder dan degene die door de Báb Zelf als plaatsbekleder was aangewezen, de lichtgelovige en lafhartige Mírzá Yahyá, van wie bepaalde karaktertrekken reeds in voorgaande pagina's zijn beschreven. De snode schurk, die deze ijdele en slappe man met doortrapte handigheid en niet afnemende volharding misleidde en naar zijn hand zette, was een zekere Siyyid Muhammad uit Isfáhán, bekend om zijn mateloze eerzucht en stijfkoppigheid en niet te temmen jaloezie. Naar hem heeft Bahá'u'lláh later in de Kitáb-i-Aqdas verwezen als degene, die Mírzá Yahyá "op het verkeerde pad had gebracht" en bestempelde hem in een van Zijn Tafelen als de "bron van afgunst en de quintessence van onheil", terwijl 'Abdu'l-Bahá de relatie tussen die twee heeft beschreven als "het zogende kind" tot de "hooggewaardeerde borst" van zijn moeder. Nadat hij zich gedwongen zag zijn studie aan de madrisiyi-i-Sadr in Isfáhán op te geven, was deze Siyyid beschaamd en vol wroeging naar Karbilá verhuisd, had zich daar bij de volgelingen van de Báb aangesloten en had na Diens marteldood tekenen van twijfel vertoond, waardoor de oppervlakkigheid van zijn geloof en de fundamentele zwakte van zijn overtuiging aan het licht traden. Bahá'u'lláh's eerste bezoek aan Karbilá en de bewijzen van onverholen eerbied, liefde en bewondering die Hem door enkele vooraanstaande vroegere discipelen en metgezellen van Siyyid Kazím werden betoond, hadden in deze berekenende en gewetenloze intrigant een afgunst opgewekt en in zijn gemoed een haat doen ontstaan, die de verdraagzaamheid en het geduld, hem door Bahá'u'lláh bewezen, slechts hadden aangewakkerd. Zijn misleide helpers, gewillige werktuigen van zijn duivelse plannen, waren een niet onaanzienlijk aantal Bábí's, die nu verbijsterd, gedesillusioneerd en zonder leiding reeds geneigd waren door zijn toedoen een weg in te slaan, die lijnrecht tegenovergesteld was aan de leerstellingen en raadgevingen van een gestorven Leider.

Want, nu de Báb niet meer temidden van Zijn volgelingen verwijlde; de door Hem aangewezen plaatsbekleder nu eens een schuilplaats zocht in de bergen van Mázindarán, dan weer vermomd als derwisj of Arabier van stad naar stad zwierf; nu Bahá'u'lláh gevangen gezet en vervolgens uit Zijn geboorteland was verbannen; nu de bloem van het Geloof was weggemaaid in een schijnbaar niet eindigende reeks bloedbaden, waren de overgebleven leden van de vervolgde gemeenschap in een benarde toestand gezonken, die hen verbijsterde en verlamde, hun geestkracht brak, hun gedachtengang verstoorde en hun trouw tot het uiterste op de proef stelde. Tot de uiterste nood gebracht konden zij zich niet langer verlaten op een stem die voldoende autoriteit bezat om hun bange voorgevoelens het zwijgen op te leggen, hun problemen op te lossen of hun plichten en verplichtingen voor te schrijven.

Nabíl, die in die tijd de provincie Khurasán, het toneel van de onstuimige eerste overwinningen van een opkomend Geloof bereisde, had zijn indrukken van de heersende toestand samengevat. Hij verklaart in zijn verslag, "Het vuur van de Zaak van God was nagenoeg overal gedoofd. Ik kon nergens meer een spoor van warmte ontdekken". In Qasvín had, volgens dezelfde getuigenis, de rest van de gemeenschap zich in vier partijen gesplitst, die elkaar hevig bestreden en een prooi waren geworden van de meest absurde doctrines en waanvoorstellingen. Bahá'u'lláh vond bij Zijn aankomst in Baghdád, een stad die het toneel was geweest van de geestdriftige bewijzen van Táhirihs onuitblusbaar geloofsvuur, onder Zijn landgenoten die daar verbleven slechts één enkele Bábí, terwijl er in Kázimayn, waar voornamelijk Perzen woonden, maar een handjevol van Zijn landgenoten was overgebleven, dat nog angstig en in het geheim hun geloof in de Báb beleed.

Het moreel van de leden van deze slinkende gemeenschap, alsook het aantal ervan, was sterk gedaald. Hun "eigenzinnigheid en dwaasheid", om Bahá'u'lláh's eigen woorden aan te halen, was zodanig, dat Zijn eerste besluit na Zijn vrijlating uit de gevangenis was "om op te staan ... en de taak op zich te nemen met de grootste krachtsinspanning deze mensen tot nieuw leven te brengen".

Naarmate de reputatie van de verklaarde aanhangers van de Báb achteruitging en de blijken van toenemende verwarring veelvuldiger voorkwamen, werden de onruststokers die op de loer lagen, en wier enige doel het was de voortdurend slechter wordende situatie ten eigen bate aan te wenden, steeds vermeteler. Het gedrag van Mírzá Yahyá, die beweerde de opvolger van de Báb te zijn en die prat ging op zijn verheven klinkende titels zoals Mír'átu'l-Azalíyyih (eeuwige Spiegel), Subh-i-Azal (Ochtend van eeuwigheid) en Ismu'l-Azal (Naam van eeuwigheid), en in het bijzonder de kuiperij van Siyyid Muhammad, door hem verheven tot de rang van de eerste "getuige" uit de Bayán, namen nu zulke vormen aan, dat het prestige van het Geloof direct op het spel kwam te staan en de toekomstige veiligheid ervan ernstig in gevaar werd gebracht.

De eerste had na de executie van de Báb zo'n hevige schok te verwerken gekregen, dat hij bijna zijn geloof verloor. Toen hij een tijdlang vermomd als derwisj door de bergen van Mázindarán zwierf, had hij door zijn gedrag de trouw van zijn medegelovigen in Núr zo zwaar op de proef gesteld - van wie de meesten door de onvermoeide geloofsijver van Bahá'u'lláh waren bekeerd - dat ook zij wankelden in hun overtuiging, terwijl sommigen zelfs gemene zaak gingen maken met de vijand. Vervolgens reisde hij naar Rasht en bleef verborgen in de provincie Gilán tot zijn vertrek naar Kirmánsháh waar hij, om zich beter te kunnen verschuilen, in dienst trad van een zekere "Abdu'lláh-i-Qasvíní, een maker van doodskleden, en daar verkoper werd van diens goederen. Hij was daar nog steeds toen Bahá'u'lláh door die stad reisde op weg naar Baghdád en, door de wens te kennen te geven in de dichte nabijheid van Bahá'u'lláh te wonen, maar in een huis voor zichzelf waar hij incognito wat handel kon drijven, lukte het hem van Bahá'u'lláh een som geld los te krijgen, waarvoor hij verscheidene balen katoen kocht, waarna hij in de kledij van een Arabier over Mandalíj naar Baghdád trok. Hij vestigde zich daar in de straat van de Houtskoolhandelaren, die in een vervallen wijk van de stad lag; en terwijl hij een tulband ging dragen en de naam Hájí 'Alíy-i-Lás-Furúsh aannam, begon hij aan zijn nieuw gekozen bezigheid. Siyyid Muhammad had zich intussen in Karbilá gevestigd en was met Mírzá Yahyá als zijn steun druk doende tweedracht te zaaien, en het leven van de bannelingen en van de gemeenschap, die zich om hen had verzameld, in de war te sturen.

Het valt nauwelijks te verwonderen, dat uit de pen van Bahá'u'lláh Die vooralsnog niet in staat was het geheim dat zich in Zijn binnenste roerde bekend te maken, deze waarschuwende, raadgevende en bemoedigende woorden zijn gevloeid in een tijd, dat de duisternis rondom Hem steeds dieper werd. "De dagen van beproeving zijn nu gekomen. Oceanen van tweedracht en rampspoed golven op en de banieren van twijfel zijn in iedere nis en hoek aan het werk om onheil te verwekken en de mensen in het verderf te storten ... Laat de stem van sommige ongelovige strijders geen twijfel in uw midden zaaien, en sta uzelf niet toe uw ogen te sluiten voor Hem Die de Waarheid is, aangezien er in iedere Beschikking zulke geschillen zijn voorgekomen. God echter zal Zijn Geloof vestigen en Zijn licht doen schijnen alhoewel de onruststokers het verafschuwen ... Kijk iedere dag uit naar de Zaak van God ... Allen zijn gevangen in Zijn greep. Er is geen plaats, waarheen ook maar iemand kan vluchten. Denk niet dat de Zaak van God licht kan worden opgevat en iets is waarin ieder naar eigen inzicht zijn grillen kan botvieren. In verschillende kringen heeft een aantal mensen thans dezelfde aanspraak naar voren gebracht. De tijd is nabij dat ... ieder van hen zal zijn omgekomen en verloren, ja zelfs tot niets zal zijn geworden en een voorwerp waaraan niemand meer denkt, zoals het stof".

Dan was daar Mírzá Áqá Ján, "de eerste die" in Hem "geloofde", later aangeduid als Khádimu'lláh (dienaar van God), een jeugdige Bábí, vol warme toewijding, die onder de invloed van wat hij over de Báb had gedroomd en als gevolg van het nauwlettend lezen van bepaalde geschriften van Bahá'u'lláh, overhaast zijn huis in Káshan had opgegeven en naar Irak was gereisd in de hoop daar Zijn tegenwoordigheid te bereiken, en die van dat ogenblik af Hem veertig jaar lang volijverig diende in zijn drieledige functie van amanuensis, metgezel en oppasser; aan wie Bahá'u'lláh, meer dan aan iemand anders in dit kritieke ogenblik, zich geroepen voelde een glimp te laten doorschemeren van de vooralsnog ononthulde heerlijkheid van Zijn rang. Deze Mírzá Áqá Ján heeft de volgende getuigenis afgelegd, toen hij aan Nabíl zijn ervaringen verhaalde van die eerste onvergetelijke avond, die hij in Karbilá doorbracht in aanwezigheid van zijn pas gevonden Geliefde, Die toen de gast was van Hájí Mírzá Hasan-i-Hakím-Báshí: "Daar het zomer was had Bahá'u'lláh de gewoonte de avonden op het dak van het huis door te brengen en daar ook te slapen ... Die nacht, toen Hij al was gaan slapen, had ik mij volgens Zijn aanwijzingen voor een korte rustpauze op een paar pas afstand van Hem uitgestrekt. Ik was nog maar net opgestaan om ... in een hoek van het dak die grensde aan een muur mijn gebeden te zeggen, toen ik Zijn gezegende Persoon zag opstaan en naar mij toelopen. Toen Hij bij mij was zei Hij, 'Ook gij zijt wakker'. Daarna begon Hij gebeden te zingen waarbij Hij heen en weer liep. Hoe zal ik ooit de stem kunnen beschrijven waarmee Hij die verzen zong, of Zijn gang zoals Hij voor mij op en neer schreed. Het kwam mij voor, of met iedere stap die Hij deed en ieder woord dat Hij sprak duizend zeeën van licht voor mijn gezicht golfden en er duizenden werelden van onvergelijkelijke pracht voor mijn ogen opengingen en duizenden zonnen hun licht over mij uitstraalden! In het maanlicht dat op Hem viel, bleef Hij zo op en neer lopen en gebeden zingen. Iedere keer, dat Hij mij naderde, stond Hij even stil en zei tegen mij, met een zo wonderbare klank in Zijn stem, die geen tong kan beschrijven, 'Hoor naar Mij, Mijn zoon. Bij God, de Ware! Deze Zaak zal zekerlijk geopenbaard worden. Sla geen acht op de beuzelpraat van het volk van de Bayán, dat de betekenis van ieder woord verdraait'. Zo bleef Hij op en neer lopen en gebeden zeggen en deze woorden tot mij spreken totdat de eerste lichtstrepen van de dageraad verschenen ... Daarna bracht ik Zijn bed vaan Zijn kamer en nadat ik thee voor Hem had gezet, liet Hij mij gaan".

Het vertrouwen, ingeboezemd door dit onverwachte en plotselinge contact met de geest en leidende genius van een pasgeboren Openbaring, bracht Mírzá Áqá Ján's ziel in diepe beroering - een ziel reeds ontvlamd door een alles verterende liefde, voortgesproten uit zijn erkenning van de overheersende invloed die zijn zo juist gevonden Meester reeds uitoefende over Zijn medediscipelen in Irak alsook in Perzië. Zowel Mírzá Yahyá als zijn medeplichtige Siyyid Muhammad bespeurden ogenblikkelijk in hem deze intense verering die zijn gehele wezen vervulde en die niet kon worden onderdrukt of verheeld. De gebeurtenissen die leidden tot de openbaring van de Tafel van Kullu't-Ta'ám, in die periode geschreven op verzoek van Hájí Mírzá Kamálu'd-Dín-i-Naráqí, een Bábí van hoge rang en beschaving, konden slechts een reeds zeer dreigend geworden situatie verergeren. Gedreven door een verlangen om van Mírzá Yahyá opheldering te krijgen over de betekenis van het vers uit de Qur'án "Alle spijs was de kinderen Israëls wettig",3 had Hájí Mírzá Kamálu'd-Dín hem verzocht er een commentaar op te schrijven. Dat verzoek werd met tegenzin ingewilligd en op een wijze, waaruit zoveel onmacht en oppervlakkigheid sprak, dat het Hájí Mírzá Kamálu'd-Dín volledig ontgoochelde en zijn vertrouwen in de schrijver vernietigde. Toen hij zich daarna tot Bahá'u'lláh wendde en zijn verzoek herhaalde, werd hij vereerd met een Tafel, waarin Israël en zijn kinderen werden gelijkgesteld met respectievelijk de Báb en Zijn volgelingen - een Tafel die vanwege de toespelingen die ze behelsde, de schoonheid van haar taalgebruik en de kracht van haar bewijsgronden, de ziel van de ontvanger zo in vervoering bracht dat hij, indien Bahá'u'lláh hem er niet van had weerhouden, onmiddellijk zijn ontdekking van Gods verborgen geheim in de Persoon van Hem Die haar had geopenbaard, zou hebben verkondigd.

Aan deze getuigenissen van een steeds dieper wordende verering voor Bahá'u'lláh en een hartstochtelijke gehechtheid aan Zijn persoon, werden nu verdere gronden toegevoegd voor het uitbreken van de opgekropte jaloezie, die Zijn groeiend aanzien opriep in het hart van de Hem kwaadgezinden en zijn vijanden. De gestadigde uitbreiding van de kring van Zijn kennissen en bewonderaars; Zijn vriendschappelijke omgang met ambtenaren, waaronder de gouverneur van de stad; de onverholen eerbewijzen die Hem bij zoveel gelegenheden en zo spontaan werden betoond door mannen die eens de voornaamste metgezellen van Siyyid Kazím waren geweest; de ontgoocheling die het zich voortdurend schuilhouden van Mírzá Yahyá had teweeg gebracht alsook de minder vleiende rapporten die de ronde deden over zijn karakter en capaciteiten; de tekenen van groeiende onafhankelijkheid, van aangeboren wijsheid en daaraan verbonden superioriteit en leiderscapaciteiten, die onmiskenbaar door Bahá'u'lláh Zelf werden tentoongespreid - alles werkte samen om de kloof te verbreden, die de verfoeilijke en sluwe Siyyid Muhammad naarstig had weten te scheppen.

Men kon duidelijk een clandestiene oppositie waarnemen, die beoogde iedere door Bahá'u'lláh aangewende poging en ieder door Hem ontworpen plan tot de rehabilitatie van een verscheurde gemeenschap, te verijdelen. De insinuaties, bedoeld om het zaad van twijfel en achterdocht te zaaien en Bahá'u'lláh voor te stellen als een uitbuiter, de omverwerper van de wetten die door de Báb waren ingesteld, en de saboteur van Zijn Zaak, werden onophoudelijk rondgestrooid. Zijn epistels, uitleggingen, oproepen en commentaren werden in bedekte termen en indirect bekritiseerd, bestreden en in een verkeerd daglicht gesteld. Er werd zelfs een poging beraamd om Zijn persoon te krenken, die echter niet kon worden uitgevoerd.

De beker van Bahá'u'lláh's smarten vloeide nu over. Al Zijn waarschuwingen, al Zijn pogingen om een snel slechter wordende situatie nog te redden, waren vruchteloos gebleven. Zijn veelvuldig lijden nam van uur tot uur merkbaar toe. Op de droefheid die Zijn ziel vervulde, en de ernst van de situatie waarin Hij verkeerde, werpen de geschriften die Hij gedurende deze sombere periode openbaarde, een overvloedig licht. In enkele van Zijn gebeden bekent Hij op schrijnende wijze, dat "beproeving op beproeving" Hem had omvangen, dat "tegenstanders als één man" zich op Hem hadden geworpen, dat "rampzaligheid" Hem smartelijk had getroffen en dat de "zwartste ellende" Hem had overvallen. Hij roept God Zelf aan tot Getuige van Zijn "zuchten en jammerklachten", Zijn "machteloosheid, armoede en behoeftigheid", voor de "krenkingen" die Hij te verduren had en de "vernedering" die Hij onderging. In een van deze gebeden erkent Hij, "Mijn geween is zo bitter geweest, dat het Mij belette Uw naam te noemen en Uw lof te zingen". In een andere passage betuigt Hij, "De stem van Mijn geweeklaag was zo luid, dat iedere moeder die rouwt om haar kind, verbaasd zou zijn en haar geween en droefenis zou staken". In Zijn Lawh-i-Maryam klaagt Hij, "Het onrecht dat Ik verduur, heeft het onrecht van Mijn eerste Naam (de Báb) is aangedaan, van de Tafel van schepping uitgewist". Hij vervolgt, "O Maryam, uit het land van Tá (Tihrán) bereikten Wij Irak na ontelbare bezoekingen op bevel van de tiran van Perzië, waar Wij, na de kluisters van Onze vijanden, werden bezocht door de trouweloosheid van Onze vrienden. God weet, wat Mij daarna overkwam".. En ergens anders, "Ik heb verdragen, wat geen mens in het verleden heeft "verdragen of in de toekomst zal verdragen". In de Tafel van Kullu't-Ta'rám verklaart Hij, "Zeeën van droefenis hebben Mij overspoeld, waarvan geen ziel ook maar een druppel zou kunnen verdragen te drinken. Mijn hartzeer is zo groot, dat Mijn ziel welhaast Mijn lichaam heeft verlaten". In diezelfde Tafel roept Hij uit, als Hij Zijn benardheid beschrijft, "Leen uw oor aan de stem van deze nederige, deze verlaten mier die zich heeft verscholen in zijn hol, en wiens wens het is uit uw midden heen te gaan en buiten uw gezichtsveld te verdwijnen om datgene wat mensenhanden hebben gewrocht. God is waarlijk getuige geweest van wat er tussen Mij en Zijn dienaren is voorgevallen". En weer ergens anders, "Wee Mij, Wee Mij!...Alles, wat Ik heb gezien vanaf de dag dat ik voor het eerst de zuivere melk van Mijn moeders borst dronk tot op dit ogenblik is uit Mijn herinnering weggevaagd, als gevolg van wat mensenhanden hebben bewerkt". In Zijn Qasídiy-i-Varqá'íyyih, een ode die Hij openbaarde in de dagen van Zijn afzondering in de bergen van Kurdistán ter ere van de Maagd die de verpersoonlijking is van de geest van God, die kort geleden op Hem was neergedaald, geeft Hij uiting aan de foltering van Zijn diepbedroefde hart, "Slechts de zondvloed van Noach is een maatstaf voor de hoeveelheid tranen die Ik heb vergoten, zoals het vuur van Abraham dat is voor de ontboezeming van Mijn ziel. Jakobs droefheid is slechts een afspiegeling van Mijn smarten en Jobs bezoekingen een fractie van Mijn rampspoed". Zijn smeekbede in een van Zijn gebeden luidt, "Stort geduld over Mij uit, o Mijn Heer, en laat Mij zegevieren over de overtreders!". Over het venijn van de jaloezie dat toen begon haar giftanden te tonen, schrijft Hij in de Kitáb-i-Íqán, "In deze tijd worden er zulke geuren van naijver verspreid, dat ... vanaf het begin van het ontstaan der wereld ... tot aan de tegenwoordige tijd er nog nooit zoveel boosaardigheid, afgunst en haat zijn voorgekomen en ook nimmer in de toekomst zullen worden aanschouwd". In een andere Tafel verklaart Hij eveneens, "Ongeveer twee jaar lang vermeed Ik alles behalve God, en sloot Mijn ogen voor alles behalve Hem, opdat misschien het vuur van haat zou doven en de hitte van jaloezie afnemen".

Mírzá Áqá Ján heeft getuigt, "De Gezegende Schoonheid legde zoveel droefheid aan de dag, dat mijn ledematen er van beefden". Hij heeft eens verteld, zoals is neergelegd in het verslag van Nabíl, dat hij, kort voor Bahá'u'lláh's afzondering, Hem een keer in de vroege ochtendschemering plotseling uit Zijn huis had zien komen, met Zijn slaapmuts nog op het hoofd, waarbij Hij zulke tekenen van verontrusting toonde, dat hij niet bij machte was Hem in het gezicht te zien en Hem, terwijl Hij op en neer liep, boos had horen opmerken, "Deze schepselen zijn dezelfde schepselen als die drieduizend jaar geleden afgoden hebben aanbeden en zich voor het Gouden Kalf hebben neergeworpen. Ook nu deugen zij voor niets beters. Welk verband kan er bestaan tussen dit volk en Hem Die het Aangezicht van Heerlijkheid is? Welke banden kunnen hen binden aan Degene Die de hoogste belichaming is van alles wat liefderijk is"? Mírzá Áqá Ján verklaarde, "Ik stond als aan de grond genageld, levenloos, verdroogd als een dode boom, gereed om neer te vallen onder de ontstellende uitwerking van Zijn woorden. Tenslotte zei Hij, " Zeg hun te reciteren "Is er iemand die moeilijkheden wegneemt buiten God? Zeg: ere zij God, Hij is God. Allen zijn Zijn dienaren en allen houden zich aan Zijn gebod'! Zeg hun dit vijfhonderd maal te herhalen, neen, duizendmaal, bij dag en bij nacht, slapend of wakend, opdat wellicht het Aangezicht van Heerlijkheid voor hun ogen wordt ontsluierd en stromen van licht op hen mogen neerdalen". Naar men mij naderhand meedeelde Zegde Hij Zelf dit vers ook op, waarbij Zijn gelaat de grootste droefheid verried. Verscheidene malen kon men Hem in deze dagen horen opmerken, 'Wij hebben een tijdlang onder dit volk vertoefd en geen spoor van weerklank van zijn kant kunnen bespeuren'. Veelvuldig zinspeelde Hij op Zijn verdwijning uit ons midden, toch begreep geen van ons Zijn bedoeling".

Toen Hij tenslotte, zoals Hij ook Zelf in de Kitáb-i-Íqán getuigt, "de tekenen van komende gebeurtenissen" bemerkte, besloot Hij Zich terug te trekken voordat ze zouden plaatsvinden. In datzelfde Boek verzekert Hij, "Het enige doel van Onze afzondering was om te vermijden een Voorwerp van onenigheid onder de gelovigen te worden, een bron van verontrusting voor Onze metgezellen, de oorzaak van schade aan enige ziel of van droefheid aan enig mens". Bovendien verzekert Hij in diezelfde passage nog nadrukkelijk, "Met Onze terugtrekking beoogden Wij geen terugkeer en met Onze afzondering hoopten Wij niet op een hereniging".

Plotseling, en zonder ook maar iemand van de leden van Zijn familie ervan in kennis te stellen, vertrok Hij op de 12e van Rajab 1270 n..H. (10 april 1854), slechts vergezeld van een bediende, een Mohammedaan, genaamd Abu'l-Qáásim-i-Hamadání, aan wie Hij een bedrag in geld gaf met de opdracht als koopman op te treden en het voor zijn eigen onderhoud aan te wenden. Kort daarna werd deze bediende door dieven overvallen en gedood, en Bahá'u'lláh bleef geheel alleen over op Zijn omzwervingen door de woestenij van Kurdistán, een streek waarvan de sterke en strijdlustige bevolking bekend stond om haar eeuwenlange haat tegen de Persen, die zij beschouwden als afvalligen van het islamitische Geloof en van wie zij ook in uiterlijk, afkomst en taal verschilden. Gehuld in grove kledij van een reiziger, met niets anders bij Zich dan Zijn kashkúl (bedelnap) en een verschoning, en onder de aangenomen naam van Darvísh Muhammad, trok Bahá'u'lláh Zich terug in de wildernis en leefde enige tijd op de berg Sar-Galú, die zo ver van de bewoonde wereld was gelegen, dat hij slechts tweemaal per jaar voor het zaaien en bij het oogsten door boeren uit die streek werd bezocht. Geheel alleen en ongestoord bracht Hij een aanzienlijk deel van Zijn retraite door op de top van die berg en woonde in een bouwsel van ruwe steen, dat die boeren diende als schuilplaats bij bijzonder slecht weer. Bij tijden was Zijn onderdak een grot, waarnaar Hij verwijst in Zijn Tafelen gericht aan de beroemde Shaykh'Abdu'r-Rahmán en aan Maryam, een familielid van Hem. In de Lawh-i-Maryam beschrijft Hij de barre omstandigheden van Zijn strikte eenzaamheid aldus, "Ik zwierf door de wildernis van berusting op een wijze, dat tijdens Mijn ballingschap iedereen bittere tranen over Mij schreide en alle schepselen tranen van bloed vergoten vanwege Mijn zielesmart. De vogels in de licht waren Mijn gezelschap en de dieren des velds Mijn metgezellen". In de Kitáb-i-Íqán getuigt Hij wanneer Hij het over deze dagen heeft, "Uit Mijn ogen stroomden tranen van smart en in Mijn bloedend hart golfde een zee van folterende pijn. Menige avond had Ik niets te eten en menige dag vond Mijn lichaam geen rust...Alleen zijnde, was Ik verbonden met Mijn geest, de wereld en alles wat daarin is vergetend".

In de oden die Hij gedurende die dagen van volledige afzondering, geheel verzonken in gebed en meditatie, openbaarde en in de gebeden en alleenspraken, die in het arabisch en Perzisch, in dichtvorm en proza uit Zijn door smart overladen ziel stroomden en waarvan Hij vele in de vroege ochtendstond of tijdens de nachtwake luidop voor Zichzelf placht op te zeggen, prees Hij de namen en attributen van Zijn Schepper, verheerlijkte de glorie en de mysteriën van Zijn eigen Openbaring, zong de lof van de Maagd die de geest van God in Hem verpersoonlijkte, stond stil bij Zijn eenzaamheid en Zijn beproevingen in het verleden en in de toekomst, weidde uit over de blindheid van Zijn generatie, de trouweloosheid van Zijn vrienden en de verdorvenheid van Zijn vijanden, bevestigde Zijn beslissing op te staan en indien nodig Zijn leven te geven voor de verdediging van Zijn Zaak, legde de nadruk op de essentiële eerste vereisten die iedere zoeker naar waarheid moet bezitten en riep, vooruitlopend op het lot dat Hem was beschoren, de tragedie in de herinnering aan de Imám Husayn in Karbilá, de benauwenis van Muhammad in Mekka, het lijden van Jezus door toedoen van de Joden, de beproevingen van Mozes, die Hem werden aangedaan door de farao en zijn volk, en het godsgericht van Jozef, toen hij in de put smachtte vanwege het verraderlijke optreden van zijn broers. Deze allereerste en hartstochtelijke ontboezemingen (waarvan helaas vele voor het nageslacht verloren zijn gegaan) van een ziel, die in de afzondering van een zelf opgelegde verbanning worstelde om zich te mogen ontladen, zijn tezamen met de Tafel van Kullu't-Ta'ám en het gedicht, dat Rashh-i-'Amá heet en geopenbaard werd in Tihrán, de eerste vruchten van Zijn goddelijke Pen. Ze zijn de voorboden van die onsterfelijke werken - de Kitáb-i-Íqán, de Verborgen Woorden en de Zeven Valleien - die in de jaren, voorafgaande aan Zijn verkondiging in Baghdád, de gestadig aangroeiende omvang van Zijn geschriften zo ontzaglijk zou vergroten en die de weg effenden voor een verdere bloei van Zijn profetische genie in Zijn opzienbarende verkondiging aan de wereld, in de vorm van machtige epistels aan de koningen en staatshoofden van de mensheid en tenslotte voor de laatste vervulling van Zijn zending in de Wetten en Verordeningen van Zijn Beschikking, die werden geformuleerd tijdens Zijn opsluiting in de Grootste Gevangenis in 'Akká.

Bahá'u'lláh zette nog steeds Zijn eenzame bestaan op die berg voort, toen een zekere sjeik, een inwoner van Sulaymáníyyih, die in die omgeving een bezitting had, Hem opspoorde volgens aanwijzingen die hij in een droom over de Profeet Muhammad had gehad. Kort nadat dit contact was gelegd, bezocht Shaykh Ismá'íl, de leider van de Khálidíyyih Orde, die in Sulaymáníyyih woonde, Hem en slaagde er na herhaalde verzoeken in Zijn instemming te verkrijgen Zijn woonplaats naar die stad te verleggen. Intussen hadden Zijn vrienden in Baghdád ontdekt waar Hij verbleef, en hadden Shaykh Sultán, de schoonvader van Áqáy-i-Kalím, naar Hem toegestuurd om Hem te verzoeken terug te keren; en juist toen Hij in Sulaymáníyyih woonde, in een kamer die deel uitmaakte van de Takyiy-i-Mawláná Khálid (theologisch seminarie) arriveerde hun koerier. Shaykh Sultán heeft in de weergave van zijn ervaringen aan Nabíl verteld, "Ik vond allen die daar samen met Hem woonden, van de rector tot de nederigste neofiet, zo bekoord en meegesleept door hun liefde voor Bahá'u'lláh en zo volkomen onvoorbereid om zelfs de mogelijkheid van Zijn vertrek te overwegen, dat ik er zeker van was, dat zij niet geaarzeld zouden hebben een einde aan mijn leven te maken, als ik hun het doel van mijn bezoek had medegedeeld".

Niet lang na Bahá'u'lláh's aankomst in Kurdistán, zo vertelt Shaykh Sultán, was Hij door Zijn persoonlijke contakten met Shaykh'Uthmán, Shaykh'Abdu'r-Rahmán en Shaykh Ismá'íl, de geëerde en onbetwiste leiders van resp. de Naqshbandíyyih, de Qádiríyyih en de Khálidíyyih Orde, in staat hun hart volledig te winnen en Zijn overwicht op hen te doen gelden, De eerste van hen, Shaykh'Uthmán, telde onder zijn aanhangers niemand minder dan de Sultan en zijn gevolg. De tweede, naar aanleiding van wiens vragen later de "Four Valleys"4 werd geopenbaard, beschikte over de onwrikbare trouw van niet minder dan honderdduizend oprechte volgelingen, terwijl de derde door zijn aanhangers dusdanig werd vereerd, dat zij hem beschouwden als de evenknie van Khálíd zelf, de stichter van de Orde.

Toen Bahá'u'lláh in Sulaymáníyyih aankwam was er geen mens die Hem er aanvankelijk voor aanzag enige kennis of wijsheid te bezitten vanwege de strikte zwijgzaamheid en terughoudendheid die Hij in acht nam. Slechts doordat men toevallig een staaltje van Zijn uitzonderlijke schoonschrijfkunst zag, dat hun getoond werd door een van de studenten die Hem bediende, werd de nieuwsgierigheid van de geleerde docenten en studenten van dat seminarie gewekt, en voelden zij de behoefte Hem te benaderen en de graad van Zijn kennis op de proef te stellen, alsook de omvang van Zijn bekendheid met de kunsten en wetenschappen die zij beoefenden. Die zetel van wijsheid was vermaard om zijn uitgebreide bezittingen, zijn talloze takyiyhs en zijn band met Saláhí'd-Dín-i-Ayyúbí en zijn afstammelingen; van daaruit waren enkele van de befaamdste vertegenwoordigers van de Sunní Islam uitgetrokken om zijn leringen te onderrichten, en nu kwam een delegatie met aan het hoofd Shaykh Ismá'íl zelf, en bestaande uit zijn voornaamste docenten en begaafdste studenten Bahá'u'lláh bezoeken; en toen zij Hem bereid vonden alle vragen te beantwoorden, die zij maar wensten te stellen, vroegen zij Hem in de loop van verscheidene ontmoetingen de duistere passages in de Futúhát-i-Makkíyyih, het verheerlijkste boek van de beroemde Shaykh Muhyi'd-Dín-i-'Arabí, toe te lichten. Bahá'u'lláh's onmiddellijke antwoord aan de geleerde delegatie luidde, "God is Mijn getuige, dat Ik het boek waarover gij spreekt nog nimmer heb gezien. Door de macht van God beschouw Ik echter alles wat gij van Mij verlangt als gemakkelijk te vervullen". Door een van hen aan te wijzen om Hem iedere dag een bladzijde van dat boek voor te lezen, was Hij in staat hun moeilijkheden op zo'n verbazingwekkende wijze op te lossen, dat zij stil waren van bewondering. Zich niet tevreden stellend met slechts een verduidelijking van de duistere passages in de tekst, gaf Hij steeds de uitleg van de gedachtengang van de schrijver en zette diens leerstellingen uiteen en onthulde diens bedoeling. Soms ging Hij zelfs zo ver, dat Hij de juistheid van bepaalde in dat boek geopperde inzichten in twijfel trok en Zelf een correcte uiteenzetting gaf van de punten die verkeerd waren begrepen, en staafde ze met bewijzen en motiveringen, die voor Zijn toehoorders volledig overtuigend waren.

Verbaasd door Zijn diepe inzicht en Zijn ruime begrip, wensten zij van Hem een volgens hun mening afdoend en beslissend bewijs te verkrijgen van de unieke kracht en kennis, die Hij nu in de ogen bleek te bezitten. Terwijl zij ook nog deze gunst van Hem vroegen beweerden zij: "Geen van de mystici, de wijzen en de geleerden heeft tot nog toe ooit bewezen in staat te zijn een gedicht te schrijven, dat in rijm en versmaat gelijkstond met de langste van de twee oden met de titel Qasídiy-i-Tá'íyyih, gemaakt door Ibn-i-Fárid. Wij verzoeken U voor ons een gedicht te schrijven in diezelfde rijm en versmaat". Dit verzoek werd ingewilligd en niet minder dan tweeduizend verzen werden op precies de manier die zij hadden aangegeven, door Hem gedicteerd, waaruit Hij honderdzevenentwintig uitkoos, die Hij hun toestond te behouden, terwijl Hij de inhoud van de rest als voorbarig en niet overeenkomstig de behoeften van de tijd achtte. Juist deze honderzevenentwintig verzen vormen de Qasídiy-i-Varqá'íyyih, die zo vertrouwd is aan, en in zo wijde kring verspreid is onder Zijn arabisch sprekende volgelingen.

Hun reactie op dit wonderbaarlijke bewijs van de wijsheid en genialiteit van Bahá'u'lláh was, dat zij eenstemmig erkenden, dat ieder vers van dat gedicht was geladen met een kracht, een schoonheid en macht, die alles overtrof wat zowel in de grote als de kleine oden van die beroemde dichter stond.

Deze episode die verreweg de belangwekkendste was van de gebeurtenissen die zich afspeelden tijdens de twee jaar van Bahá'u'lláh's afwezigheid uit Baghdád, wekte in hoge mate de belangstelling op waarmee en groeiend aantal 'ulamás, studenten, sjeiks, geleerden, heilige mannen en prinsen, die zich in de seminaries van Sulaymáníyyih en Karkúk hadden verzameld, nu Zijn dagelijkse activiteiten volgden. Door Zijn talloze verhandelingen en epistels opende Hij nieuwe perspectieven voor hen, loste de moeilijkheden op, die hun gemoederen verontrustten, ontsluierde de diepere betekenis van vele tot dusver duistere passages uit de geschriften van verschillende commentatoren, dichters en theologen, waarvan zij zich niet bewust waren geweest, en kon de schijnbaar tegenstrijdige beweringen, waarvan verhandelingen, gedichten en betogen overvloeiden, met elkaar in overeenstemming brengen. Hun waardering en ontzag voor Hem waren zo groot, dat enkelen van hen Hem voor een van de "mannen van de Ongeziene" hielden, anderen Hem beschouwden als een adept in de alchemie en de wetenschap van het waarzeggen, weer anderen Hem aanduidden als "een spil van het universum", terwijl een niet onaanzienlijk aantal van Zijn bewonderaars niet schroomde te geloven, dat Zijn rang niet minder dan die van een profeet was. Kurden, Arabieren en Perzen, geletterd of ongeletterd, hoog of laag, jong en oud, die Hem hadden leren kennen, beschouwden Hem met even grote verering, en niet weinigen onder hen zelfs met oprechte en diepe genegenheid, en dit alles ondanks bepaalde beweringen en toespelingen op Zijn rang, die Hij in het openbaar had gemaakt en die, als zij uit de mond van een andere onderdaan van Zijn volk waren gekomen, zeker een dusdanige woede hadden uitgelokt dat Zijn leven in gevaar zou zijn gekomen. Het valt nauwelijks te verwonderen, dat Bahá'u'lláh Zelf in de Lawh-i-Maryam de periode van Zijn afzondering aanduidde als "de machtigste getuigenis" aan, en "het meest volmaakte en afdoende bewijs" van de waarheid van Zijn Openbaring. 'Abdu'l-Bahá'í getuigenis luidt, "In korte tijd was Kurdistán gemagnetiseerd door Zijn liefde. In deze periode leefde Bahá'u'lláh in armoede. Zijn kleding was die van de armen en behoeftigen, Zijn voedsel bestond uit was het arme en nederige volk gebruikte. Een sfeer van verheven majesteit omgaf Hem met een stralenkrans, zoals de zon op het middaguur. Overal werd Hij hoog geëerd en zeer bemind".

Terwijl de grondvesten voor Bahá'u'lláh's toekomstige grootheid werden gelegd in een vreemd land en temidden van een vreemd volk, verviel de situatie van de Bábí gemeenschap snel van kwaad tot erger. Verheugd en aangemoedigd door Zijn onverwachte en langdurige terugtrekking van het toneel van Zijn werkzaamheden, waren de onruststokers met hun misleide medeplichtigen naarstig bezig hun goddeloze activiteiten uit te breiden. Mírzá Yahyá, meestentijds verscholen in zijn huis, voerde door middel van correspondentie met de Bábí's die hij volledig vertrouwde, in het geheim een campagne die tot doel had Bahá'u'lláh volledig in diskrediet te brengen. In zijn angst voor een mogelijke tegenstander, had hij Mírzá Muhammad-i-Mázindarání, een van zijn aanhangers, naar Ádhirbáyján gestuurd met de opzettelijke bedoeling Dayyán te vermoorden, die "bewaarplaats van de kennis van God", aan wie hij de bijnaam gaf van "vader van wandaden" en brandmerkte als "Tághút", en dien de Báb had verheerlijkt als de "derde Letter, die geloofde in Hem Dien God zal openbaren". In zijn dwaasheid had hij verder nog Mírzá Áqá Ján zover gekregen naar Núr te vertrekken en daar een geschikt moment af te wachten voor een succesvolle aanslag op het leven van de vorst. Zijn schaamteloosheid en brutaliteit waren zo groot geworden, dat zij hem ertoe brachten dat hij zelfs een zo verwerpelijke daad beging om Siyyid Muhammad toe te staan die te herhalen, nl. een smet te werpen van de Báb, hetgeen Bahá'u'lláh heeft aangeduid als "een bijzonder ernstig verraad", dat "alle landen met diepe droefheid vervulde". Hij gaf zelfs, als verder bewijs van de omvang van zijn misdaden, opdracht om de neef van de Báb, Mírzá'Alí-Akbar, een vurige bewonderaar van Dayyán, heimelijk te doden - een bevel, dat in al zijn onrechtvaardigheid werd uitgevoerd. Wat Siyyid Muhammad betreft aan wie zijn meester Mírzá Yahyá de vrije hand had gegeven: deze had zich, zoals Nabíl, die op dat ogenblik met hen in Karbilá vertoefde, nadrukkelijk verzekert, omringd met een troep bandieten die hij toestond en zelfs aanmoedigde, 's nachts de rijke pelgrims die in Karbilá waren bijeengekomen, de tulbanden van het hoofd te rukken, hun schoenen te stelen, het heiligdom van de Imám Husayn van de ligbanken en kandelaars te beroven en de drinkbekers van de openbare fonteinen weg te nemen. Het diepe verval, waartoe deze zogenaamde aanhangers van het Geloof van de Báb waren gezonken, kon bij Nabíl slechts de herinnering oproepen aan de verheven zelfverloochening, aan de dag gelegd door de houding van de metgezellen van Mullá Husayn die, op voorstel van hun aanvoerder, het goud en zilver en de turkooizen die zij in hun bezit hadden, vol minachting aan de kant van de weg wierpen, of getoond door Vahíd die had geweigerd zelfs het minst waardevolle stuk van de schatten uit zijn weelderig ingerichte huis in Yazd te laten weghalen voordat het door de menigte werd geplunderd, of getoond door het besluit van Hujjat, niet toe te staan dat zijn metgezellen die op de rand van de hongerdood waren, de hand legden op het bezit van anderen, zelfs al zou het zijn om hun eigen leven te redden.

De onbeschaamdheid van brutaliteit van deze gedemoraliseerde en misleide Bábí's waren zo groot, dat niet minder dan vijfentwintig personen volgens 'Abdu'l-Bahá'í getuigenis, de euvele moed hadden zichzelf uit te roepen als de door de Báb aangekondigde Beloofde! De fortuin had hun dusdanig de rug toegekeerd, dat zij zich nauwelijks meer in het openbaar dorsten te vertonen. Korden en Perzen wedijverden met elkaar, als ze hen op straat tegenkwamen, hen met scheldwoorden te overladen en openlijk de Zaak die zij beleden te belasteren. Het valt nauwelijks te verwonderen, dat Bahá'u'lláh bij Zij terugkeer in Baghdád de toen zich voordoende situatie met deze woorden heeft beschreven, "Wij vonden niet meer dan een handvol mensen, zwak en ontmoedigd, neen volkomen verloren en dood. De Zaak van God kwam niemand meer op de lippen, noch was er één hart dat voor haar boodschap openstond". De droefheid die Hem bij Zijn aankomst overmande was zo overweldigend, dat Hij enige tijd weigerde Zijn huis te verlaten dan alleen voor Zijn bezoeken aan Kázimayn en om nu en dan een paar vrienden die in die stad en in Baghdád woonden, te ontmoeten.

De tragische situatie die zich in de loop van Zijn tweejarige afwezigheid had ontwikkeld, eiste nu dringend Zijn terugkeer. Zelf legt Hij in de Kitáb-i-Íqán uit, "Uit de mystieke Bron kwam het bevel tot Ons terug te keren vanwaar Wij waren gekomen. Ons overgevende aan Zijn wil onderwierpen Wij Ons aan Zijn gebod". Zijn nadrukkelijke verzekering aan Shaykh Sultán, zoals door Nabíl in zijn verslag is opgetekend, luidt, "Bij God naast Wien geen andere God is, als Ik niet tot de erkenning was gekomen, dat de gezegende Zaak van het Eerste Punt aan de rand van volledige vernietiging stond en daardoor al het heilige bloed, vergoten op Gods weg, vergeefs leek te hebben gevloeid, zou Ik geenszins hebben toegestemd naar het volk van de Bayán terug te keren en zou Ik hen hebben overgelaten aan de aanbidding van de door henzelf geschapen afgoden, die hun verbeelding had gevormd".

Mírzá Yahyá, die zich zeer wel realiseerde tot welk een netelige toestand zijn ongebreideld leiderschap van het Geloof hem had gebracht, had Bahá'u'lláh bovendien per brief dringend verzocht terug te komen. Niet minder dringend waren de smeekbeden van Zijn eigen familie en vrienden, speciaal van Zijn twaalfjarige zoon, 'Abdu'l-Bahá, wiens verdriet en eenzaamheid zijn ziel zo hadden verteerd, dat hij in een gesprek dat door Nabíl in zijn verhaal is opgetekend, had bekend dat hij in de tijd na Bahá'u'lláh's vertrek, ondanks zijn jonge jaren, oud was geworden.

Na Zijn besluit de periode van Zijn afzondering te beeindigen, nam Bahá'u'lláh afscheid van de sjeiks van Sulaymáníyyih, die nu behoorden tot Zijn vurigste bewonderaars. Vergezeld van Shaykh Sultán richtte Hij Zijn schreden weer naar Baghdád, aan de "oevers van de Rivier van Beproevingen", zoals Hij het Zelf onder woorden bracht. Hij legde de weg in kleine étappes af, omdat Hij, zoals Hij aan Zijn reisgenoot verklaarde, Zich ervan bewust was, dat deze laatste dagen van Zijn terugtrekking de "enige dagen van vrede en rust" zouden zijn, die Hem restten, "dagen die Mij nooit meer beschoren zullen zijn". Op de 12e van Rajab 1271 n.H. (19 maart 1856) kwam Hij in Baghdád aan, precies twee maanjaren na Zijn vertrek naar Kurdistán.

HOOFDSTUK VIII
Bahá'u'lláh's verbanning naar Irak
(Vervolg)

De terugkeer van Bahá'u'lláh uit Sulaymáníyyih naar Baghdád betekent een hoogst belangrijk keerpunt in de geschiedenis van de eerste Bahá'í eeuw. Het tij in het lot van het Geloof, dat tot de laagste ebstand was gezakt, begon nu weer op te komen en zou gestadig en machtig aanzwellen tot een nieuw, hoog waterpeil, ditmaal in verband met de verkondiging van Zijn zending op de vooravond van Zijn verbanning naar Contantinopel. Met Zijn terugkeer naar Baghdád werd nu een stevige verankering tot stand gebracht, een verankering, zoals het Geloof in zijn geschiedenis nog niet had beleefd. Nooit eerder, behalve in de drie eerste jaren van zijn bestaan, kon het Geloof er op bogen een vast en bereikbaar middelpunt te bezitten, waarheen zijn aanhangers zich voor leiding konden wenden en waarvan zij voortdurend en ongehinderd inspiratie konden verkrijgen. Niet minder dan de helft van het kortstondige beleid van de Báb was doorgebracht aan de verst verwijderde grens van Zijn geboorteland, waar Hij was opgesloten en in feite afgesloten van het grootste deel van Zijn discipelen. De periode van vlak na Zijn marteldood werd gekenmerkt door een verwarring, die nog betreurenswaardiger was dan de afzondering die Zijn gedwongen gevangenschap had veroorzaakt. Ook toen de Openbaring die Hij had voorzegd, haar intrede deed, werd deze niet gevolgd door een onmiddellijke verkondiging die de leden van een ontwrichte gemeenschap in staat kon stellen zich rondom de persoon van hun verwachte Verlosser te scharen. Het zich langdurig schuilhouden van Mírzá Yahyá, het middelpunt dat voorlopig was aangesteld in afwachting van de komst van de Beloofde; de negen maanden durende afwezigheid van Bahá'u'lláh uit Zijn vaderland, toen Hij een bezoek bracht aan Karbilá, spoedig gevolgd door Zijn gevangenzetting in de Síyáh-Chál, door Zijn verbanning naar Irak en daarna door Zijn afzondering in Kurdistán - dit alles werkte samen om de fase van onzekerheid en afwachting te verlengen, die de Bábí gemeenschap moest doormaken.

Nu eindelijk waren de Bábís, ondanks Bahá'u'lláh's tegenzin om het mysterie dat om Zijn eigen positie hing te ontknopen, in de gelegenheid om zowel hun hoop als hun activiteit te scharen rondom Iemand Dien zij in staat achtten (hoe ook hun opvattingen omtrent Zijn rang waren) de stabiliteit en integriteit van hun Geloof te verzekeren. De gerichtheid die het Geloof aldus had verkregen, en de vastheid van het middelpunt waarnaar het nu werd toegetrokken, werden in de een of andere vorm de treffende kenmerken, waarvan het nimmer meer zou worden beroofd.

Het Geloof van de Báb was, zoals reeds werd opgemerkt, als gevolg van de elkaar opvolgende zware slagen die het had gekregen, aan de rand van de ondergang gekomen. ook bracht de belangrijke Openbaring die Bahá'u'lláh in de Síyáh-Chál gewerd (misschien moet dit zijn: gewaar werd), geen onmiddellijk tastbaar resultaat dat een stabiliserende invloed zou kunnen hebben op een welhaast verscheurde gemeenschap, Bahá'u'lláh's onverwachte verbanning was de volgende slag geweest voor de leden die zich op Hem hadden leren verlaten. Mírzá Yahyá's terugtrekking in inactiviteit verhaastten daarenboven verder het proces van de dreigende ineenstorting. Bahá'u'lláh's langdurige terugtrekking in Kurdistán leek de volledige ontbinding te bezegelen.

Nu begon echter het tij dat in zo alarmerende mate was teruggelopen, te keren en voerde, bij het naar de vloedlijn stijgen, de onschatbare weldaden met zich mee, die de voorboden waren van de Openbaring die in het geheim reeds aan Bahá'u'lláh was onthuld.

Aangaande de zeven jaar, die verliepen tussen de hervatting van Zijn werkzaamheden en de verkondiging van Zijn profetische zending - jaren waaraan wij nu onze aandacht gaan wijden - kan men zonder overdrijving zeggen, dat de Bahá'í gemeenschap onder de naam en in de vorm van een herrezen Bábí gemeenschap werd herboren en langzamerhand vorm begon te krijgen, hoewel haar Schepper nog steeds optrad en Zijn werk voortzette als een van de voornaamste discipelen van de Báb. Het was een periode in de loop waarvan de eerste vruchten van een verbanning, begiftigd met nog niet te bepalen mogelijkheden, rijpten en werden geoogst. Het was een periode die de geschiedenis zal ingaan als een waarin het aanzien van een herschapen gemeenschap enorm toenam, het zedelijk gedrag werd hersteld, de erkenning van Hem Die haar lot had gekeerd met geestdrift werd bevestigd, de literatuur geweldig werd verrijkt en de overwinningen op de nieuwe tegenstanders algemeen werden erkend.

Het aanzien van de gemeenschap en in het bijzonder dat van Bahá'u'lláh ging nu, vanaf het allereerste begin in Kurdistán, steeds meer groeien. Bahá'u'lláh had nog maar nauwelijks de teugels van het gezag, die hij had laten vieren, weer in handen genomen of de oprechte bewonderaars die Hij in Sulaymáníyyih had achtergelaten, begonnen naar Baghdád te komen, met de naam "Darvísh Muhammad" op hun lippen en met als doel het "huis van Mírzá Músá de Bábí". Verbaasd door de aanblik van zoveel Kurdische 'ulamás en Súfís van zowel de Qádiríyyih als de Khálidíyyih Orde, die zich in het huis van Bahá'u'lláh verdrongen, en gedreven door wedijver op rassen- en geloofsgebied, begonnen de religieuze leiders van de stad, zoals de befaamde Ibn-i-Álúsí, de muftí van Baghdád, en Shaykh'Abdu's-Salám, 'Abdu'l-Qádir en Siyyid Dáqúdí, Hem op te zoeken; en, na op hun verschillende vragen volledig bevredigende antwoorden te hebben gekregen, schaarden zij zich bij de groep van Zijn eerste bewonderaars. De onverdeelde erkenning door deze bijzondere leiders van de kenmerken, waardoor het karakter en het gedrag van Bahá'u'lláh zich van anderen onderscheidde, wekte de nieuwsgierigheid en riep later de kwistige log op van een groot aantal belangstellenden van wat minder in het oog lopende positie, waaronder zich dichters, mystici en vooraanstaande personen bevonden, die òf in de stad woonden òf er alleen een bezoek brachten. Regeringsambtenaren, waaronder als voornaamsten opvielen "Abdu'lláh Páshá en zijn plaatsvervanger Muhmúd Áqá, en Mullá'Ali Mardán, een bekende Kurd in deze kringen, kwamen geleidelijk met Hem in aanraking en hadden hun aandeel in het rondstrooien van Zijn zich snel verbreidende vermaardheid. Ook de voorname Perzen die in Baghdád of omgeving woonden of als pelgrim de heilige plaatsen bezochten, konden niet ongevoelig blijven voor de bekoring die er van Hem uitging. Prinsen van koninklijke bloede, waaronder men figuren als de Ná'ibu'l-Íyálih, de Shujá'u'd-Dawlih, de Sayfu'd-Dawlih en Zaynu'l-'Àbidín Khán, de Fakhru'd-Dawlih aantrof, werden eveneens onweerstaanbaar aangetrokken tot de steeds wijder wordende kring metgezellen en kennissen van Bahá'u'lláh.

Degenen die tijdens de twee jaren van Bahá'u'lláh's afwezigheid uit Baghdád zo aanhoudend Zijn metgezellen en familieleden hadden beschimpt en bespot, waren nu tot zwijgen gebracht. Een niet onaanzienlijk aantal van hen veinsde eerbied en achting voor Hem, enkelen beweerden Zijn verdedigers en aanhangers te zijn, waar anderen er voor uitkwamen Zijn geloofsovertuiging te delen en zich zelfs bij de gelederen van Zijn gemeenschap aansloten. Zo ver ging de reactie die nu was begonnen, dat men een van hen zelfs kon horen pochen, dat hij al in 1250 n.H. - tien jaar voor de Verkondiging van de Báb - de waarheid had doorgrond en Zijn Geloof had omhelsd!

Binnen een jaar na Bahá'u'lláh's terugkeer uit Sulaymáníyyih was de situatie geheel veranderd. Het Huis van Sulaymán-i-Ghannám, waaraan later de officiële benaming Bayt-i-A'zam (het Grootste Huis) werd gegeven en in die dagen bekend als het huis van Mírzá Músá, de Bábí, een zeer bescheiden woning in de wijk Karkh in de buurt van de westelijke oever van de rivier, waarheen Bahá'u'lláh's gezin vóór Zijn terugkeer uit Kurdistán was verhuisd, was nu het centrale punt geworden van een groot aantal zoekenden, bezoekers en pelgrims, waaronder Kurden, Perzen, Arabieren, Turken en lieden voortkomend uit het moslem, joodse en christelijke geloof. Het was bovendien een waar toevluchtsoord geworden, waarheen de slachtoffers van het onrecht, hun door de officiële vertegenwoordigers van de Perzische regering aangedaan, plachten te vluchten in de hoop op herstel voor geleden onrecht.

Tezelfder tijd deed een toevloed van Perzische Bábí's, wier enige doel het was in Bahá'u'lláh's nabijheid te zijn, de stroom van bezoekers nog toenemen, die Zijn gastvrije huis binnenkwamen. Daar zij bij hun terugkeer naar hun geboorteland ontelbare getuigenissen in mondelinge of schriftelijke vorm over Zijn gestadig groeiende macht en glorie meebrachten, moesten zij wel op grote schaal bijdragen tot de verspreiding en vooruitgang van een pas herboren Geloof. Vier neven van de Báb en Zijn oom van moeders zijde, Hájí Mírzá Siyyid Muhammad; een kleindochter van Fath-'Alí Sháh, bijgenaamd Varaqatu'r-Ridván, en vurig bewonderaarster van Táhirih; de geleerde Mullá Muhammad-i-Qá'niní, bijgenaamd Nabíl-i-Akbar; de reeds beroemde Mullá-Sadiq-i-Khurásání, bijgenaamd Ismu'lláhu'l-Asdaq, die samen met Quddús op schandelijke wijze in Shíráz was vervolgd; Mullá Báqir, een van de Letters van de Levende; Siyyid Asadu'llah, bijgenaamd Dayyán; de vereerde Siyyid Javád-i-Karbilá'í; Mírzá Muhammad Hasan en Mírzá Muhammad Husayn, later onsterfelijk gemaakt door de titels van resp. Sultánu'sh-Shuhadá en Mahbúbu'sh-Shuhadá (Koning der martelaren en geliefde der martelaren); Mírzá Muhammad-'Alíy-i-Nahrí, wiens dochter later met 'Abdu'l-Bahá in de echt werd verenigd; de onsterfelijke Siyyid Ismá'íl-i-Zavári'í; Hájí Shaykh Muhammad, door de Báb met de bijnaam Nabíl begiftigd; de talentvolle Mírzá Áqáy-i-Munír, bijgenaamd Ismu'lláhu'l-Muníb; de lankmoedige Hájí Muhammad-Taqí, bijgenaamd Ayyúb; Mullá Zaynu'l-'Ábidín, bijgenaamd Zaynu'l-Muqarrabín, die als een hooggeëerde mujtahid gold - al deze mensen telde men onder de bezoekers en medediscipelen die Zijn drempel overschreden, een glimp van Zijn stralende majesteit opvingen en wijd en zijd de creatieve invloeden, hun ingegeven door hun aanraking met Zijn geest, uitdroegen. Mullá Muhammad-i-Zarandí, bijgenaamd Nabíl-i-A'zam, die mag gelden als Zijn laureaat, Zijn kroniekschrijver en Zijn onvermoeibare discipel, had zich alreeds bij de bannelingen gevoegd en had zich op een reeks lange en moeizame tochten naar Perzië begeven om de Zaak van zijn Geliefde te verbreiden.

Zelfs zij die in hun dwaasheid en overmoed in Baghdád, Karbilá, Qum, Káshán, in Tabríz en Tihrán zich het recht aangematigd en de titel hadden aangenomen van "Hem Dien God zal openbaren", voelden zich voor het merendeel instinctief gedwongen om Zijn tegenwoordigheid te zoeken, hun dwaling te bekennen en Hem om vergiffenis te smeken. Naarmate de tijd vorderde, kwamen vluchtelingen met hun vrouwen en kinderen, gedreven door de voortdurende angst voor vervolgingen, de betrekkelijke geborgenheid zoeken, die hun werd verschaft door de dichte nabijheid van Hem Die reeds het verzamelpunt was geworden voor de leden van een zwaar beproefde gemeenschap. Perzen van hoge rang, die in ballingschap leefden en die met het stijgend aanzien van Bahá'u'lláh voor ogen alle regels van omzichtigheid en voorzichtigheid naast zich neerlegden, zaten nu, hun trots vergetend, aan Zijn voeten en dronken ieder naar vermogen een deel van Zijn geest en wijsheid in. Een paar ambitieuzere lieden, zoals 'Abbás Mírzá, een zoon van Muhammad Sháh, de Vazír-Nizám en Mírzá Malkam Khán, alsook bepaalde functionarissen van buitenlandse regeringen, trachtten in hun kortzichtigheid zich te verzekeren van Zijn steun en hulp voor het bevorderen van de plannen die zij koesterden, plannen die Hij zonder aarzelen streng veroordeelde. Ook de vertegenwoordigers van de Britse regering, kolonel Sir Arnold Burrows Kemball, die in die dagen consul-generaal in Baghdád was, bleef niet ongevoelig voor de thans door Bahá'u'lláh beklede positie. Hij trad in een vriendschappelijke correspondentie met Hem en bood Hem, zoals Bahá'u'lláh Zelf getuigde, de bescherming aan van het Britse staatsburgerschap, bezocht Hem persoonlijk en nam op zich aan koningin Victoria iedere mededeling die Hij aan haar wenste te richten, door te geven. Hij sprak zelfs zijn bereidheid uit om voor de verplaatsing van Zijn woonstee naar India of een andere plaats die Hem aanstond, te zorgen. Bahá'u'lláh wees deze suggestie van de hand, daar Hij verkoos in het gebied van de sultan van Turkije te blijven. En tenslotte kwam, in het laatste jaar van Zijn verblijf in Baghdád, de gouverneur Námiq Páshá, onder de indruk gekomen door de vele tekenen van achting en verering die Hem werden betoond, Hem bezoeken om persoonlijk zijn eerbied te betuigen aan Hem Die reeds zo'n opzienbarende overwinning had behaald op hart en ziel van hen die Hem hadden ontmoet. Het respect dat de gouverneur voor Hem koesterde, Dien hij als een van de lichten van dat tijdperk beschouwde, was zo groot, dat hij het pas tegen het einde van de drie maanden, waarin hij vijf opeenvolgende bevelen van 'Alí Páshá had ontvangen, over zijn hart kon verkrijgen Bahá'u'lláh mede te delen, dat de Turkse regering Hem naar de hoofdstad wenste te zien vertrekken. Toen 'Abdu'l-Bahá en Áqáy-i-Kalím bij een bepaalde gelegenheid hem in opdracht van Bahá'u'lláh bezochten, ontving hij hen met zulk een uitgebreid ceremonieel, dat de plaatsvervangend gouverneur opmerkte, dat nog nooit eerder door een gouverneur aan een van de notabelen van de stad zo'n warme en hoofse ontvangst was bereid. De Sultán'Anbu'l-Majíd was in feite zo onder de indruk geweest van de gunstige rapporten die hij van de successieve gouverneurs van Baghdád ontving (dit is de persoonlijke getuigenis die door de plaatsvervangende gouverneur aan Bahá'u'lláh Zelf is gegeven) dat hij consequent weigerde de verzoeken van de Perzische regering te steunen om Hem aan hun vertegenwoordiger uit te leveren of Zijn uitwijzing van turks grondgebied te gelasten.

Bij geen andere gelegenheid vanaf de geboorte van het Geloof, zelfs niet tijdens de dagen toen een enthousiaste bevolking de Báb in Isfáhán, Tabríz en Chihríq met ovaties had toegejuicht, had een van zijn vertegenwoordigers zo in de algemene belangstelling gestaan, of was tot zo verheven hoogte gestegen, of had over een kring van zo uiteenlopende bewonderaars een zo verreikende en sterke invloed uitgeoefend. Maar hoe ongeëvenaard de invloed van Bahá'u'lláh in die allereerste periode van het Geloof tijdens Zijn verblijf in Baghdád ook was, dan nog was de omvang er van in die tijd gescheiden vergeleken met de grootse vermaardheid die het Geloof aan het einde van dat tijdperk en door middel van de directe bezieling van het Middelpunt van Zijn Verbond verwierf, zowel op het Europese als het amerikaanse continent.

Het overwicht dat Bahá'u'lláh had verworven, werd nergens beter gedemonstreerd dan in Zijn vermogen de levensopvatting te verruimen en het karakter van de gemeenschap waartoe Hij behoorde, te transformeren. Ofschoon Hij in naam een Bábí was en ofschoon de bepalingen van de Bayán nog steeds werden beschouwd als bindend en onschendbaar, was Hij toch in staat normen ingang te doen vinden die, hoewel ze niet onverenigbaar met die leerstellingen waren, in ethische zin boven de verhevenste principes van de Bábí Beschikking stonden. De door de Báb gehuldigde heilzame en fundamentele waarheden die waren verduisterd, verwaarloosd of verkeerd geïnterpreteerd, werden bovendien nog door Bahá'u'lláh toegelicht, bekrachtigd en opnieuw in het leven van de gemeenschap alsook in het hart van ieder individueel geprent. De afzijdigheid van het Bábí Geloof van iedere vorm van politieke activiteit en van ieder geheim genootschap of partij; de nadruk die werd gelegd op de principiële afwijzing van geweld; de noodzaak van absolute gehoorzaamheid aan het gevestigde gezag; het verbod van iedere vorm van opruiing, achterklap, wraakneming en woordentwist; het gewicht dat werd gelegd op godsvrucht, vriendelijkheid, nederigheid en vroomheid, op eerlijkheid en oprechtheid, kuisheid en trouw, rechtvaardigheid, verdraagzaamheid, sociaal gevoel, vriendschap en eendracht; op de studie van kunsten en wetenschappen, op zelfopoffering en onthechting, geduld, standvastigheid en onderwerping aan de wil van God - al deze dingen bepalen de treffende kenmerken van een code van ethiek, waarvan de boeken, verhandelingen en brieven die gedurende die jaren door de onvermoeibare pen van Bahá'u'lláh werden geopenbaard, onmiskenbaar getuigenis afleggen.

Hij heeft Zelf met betrekking tot het karakter en de gevolgen van Zijn activiteiten in die periode geschreven, "Met de hulp van God en Zijn goddelijke genade en barmhartigheid onthulden Wij als een overvloedige regen Onze verzen, en zonden ze naar verschillende delen van de wereld. Wij vermaanden alle mensen in het bijzonder dit volk door Onze wijze raadgevingen en liefdevolle waarschuwingen, en verboden hen zich bezit te houden met opruiing, onenigheid, waardetwisten en conflicten. Als gevolg hiervan en door de genade Gods werden eigenzinnigheid en dwaasheid omgezet in vroomheid en begrip en werden oorlogswapenen veranderd in vredeswerktuigen". 'Abdu'l-Bahá bevestigt, "Bahá'u'lláh spande Zich na Zijn terugkeer (uit Sulaymáníyyih) zo krachtig in voor de opleiding en opvoeding van deze gemeenschap, voor de hervorming van haar gedrag, de ordening van haar zaken en het herstel van haar vermogen, dat in korte tijd al deze moeilijkheden en ongerechtigheden waren uitgewist en er de grootste vrede en rust in het hart der mensen heerste". En verder, "Toen deze beginselen in het hart van dit volk waren vastgelegd, handelden zij overal op zo'n wijze, dat zij in de ogen van de gezagdragers vermaard werden om hun integer karakter, hun standvastig gemoed, hun oprechte bedoelingen, hun prijzenswaardige daden en hun uitnemend gedrag".

De verheven aard van de leringen van Bahá'u'lláh, die Hij in die periode gaf, wordt misschien het beste geïllustreerd door de volgende verklaring die Hij in die dagen aflegde tegenover een ambtenaar die Hem had gerapporteerd, dat hij had geaarzeld aan een misdadiger zijn gerechte straf op te leggen, vanwege de toewijding die die boosdoener aan Hem had betuigd. "Zeg hem, niemand in deze wereld kan zich beroepen op enige relatie met Mij behalve zij die in al hun daden en in hun gedrag Mijn voorbeeld volgen op zulk een wijze, dat alle volkeren der aarde niet bij machte zijn hen ervan te weerhouden dat te doen en te zeggen, wat gepast en betamelijk is". Voort verklaarde Hij aan die ambtenaar, "Indien Mijn broeder, deze Mírzá Músá, die van dezelfde moeder en vader is als Ik en die vanaf zijn prilste jeugd met Mij samen was, iets zou doen, dat tegen de belangen van de staat of de godsdienst indruiste en zijn schuld was in uw ogen bewezen, dan zou Ik verheugd zijn en uw handelwijze toejuichen indien gij zijn handen zoudt vastbinden en hem in de rivier werpen om te verdrinken, en de bemiddeling van wie dan ook te zijner gunste zoudt afwijzen". In een ander verband heeft Hij, om te wijzen op Zijn nadrukkelijke veroordeling van iedere gewelddaad, geschreven, "Het zou in Mijn ogen aanvaardbaarder zijn als iemand een van Mijn eigen zonen of familieleden kwetste dan dat hij enige andere sterveling onrecht aandeed".

Nabíl beschreef de gemoedsgesteldheid die de hervormde Bábí gemeenschap in Baghdád bezielde aldus, "De meerderheid van degenen die Bahá'u'lláh omringden, legden zoveel zorg aan de dag om hun ziel te heiligen en te louteren, dat zij er voor waakten geen woord over hun lippen te laten komen dat niet in overeenstemming was met de wil van God, en niets deden dat en tegenspraak kon zijn met Zijn welbehagen". "Iedereen", verhaalt hij, "had met een van zijn medediscipelen een plechtige overeenkomst gesloten elkaar te vermanen en, indien nodig, elkaar met een paar stokslagen op de voetzolen te kastijden, waarbij het aantal slagen werd aangepast aan de omvang van het vergrijp tegen de verheven opvattingen die zij hadden gezworen in acht te nemen". Als hij hun geloofsijver beschrijft verklaart hij dat "pas nadat de overtreder zijn verdiende straf had ondergaan, hij er in toestemde voedsel of drank te nuttigen".

De volledige ommekeer die het geschreven en gesproken woord van Bahá'u'lláh had teweeggebracht in de levensopvatting en het karakter van Zijn metgezellen, evenaarde de vurige toewijding die Zijn liefde in hun ziel had doen ontbranden. Een hartstochtelijke en vurige geloofsovertuiging die wedijverde met het enthousiasme dat zo hevig in het gemoed van de discipelen van de Báb had gegloeid in hun momenten van opperste vervoering, had nu bezit genomen van het hart van de bannelingen in Baghdád en doorstroomde hun gehele wezen. Nabíl zegt, als hij de uitbundigheid van deze enorm dynamische, geestelijke opleving beschrijft, "Iedereen was zo in vervoering, zo meegesleept door de zoete geurigheid van de ochtend van goddelijke Openbaring dat; naar het mij voorkwam, uit iedere doorn ontelbare bloesems voortsproten en iedere zaadkorrel onnoemelijke oogsten voortbracht". Dezelfde kroniekschrijver heeft vermeld, "De kamer in het Grootste Huis, bestemd voor de ontvangst van Bahá'u'lláh's bezoekers kon, hoewel deze erg verwaarloosd en al geruime tijd niet meer in gebruik was, een vergelijking doorstaan met het verhevenste paradijs, doordat ze door de gezegende voetstappen van de Innig Geliefde was betreden. Ondanks het lage plafond leek ze toch tot de sterren te reiken en, ofschoon er slechts één divan in stond - gemaakt vaan palmtakken _ waarop Hij Die de Koning van Namen is gewoonlijk zat, trok ze het hart van de prinsen aan als een magneet".

Juist deze kamer was het die, ondanks haar primitieve eenvoud, de Shujá'u'd-Dawlih zo had bekoord dat hij tegenover zijn medeprinsen zijn plan onthulde om in zijn eigen huis in Kázimayn precies zo'n kamer te laten maken. Toen Bahá'u'lláh van dit plan in kennis werd gesteld, moet Hij glimlachend hebben opgemerkt, "Het mag hem dan gelukken om uiterlijk het nauwkeurige evenbeeld van deze lage kamer van leem en stro, met zijn nietige tuintje, na te maken, maar hoe zal hij in staat zijn de geestelijke deuren ervan te openen, die naar de verborgen werelden van God leiden"? Een andere prins, Zaynu'l-'Abidín Khán , de Fakhru'd-Dawlih, verzekert bij de beschrijving van de sfeer die de ontvangkamer ademde, "Ik weet niet hoe ik het moet verklaren, maar als alle smarten der wereld in mijn hart zouden zijn opgekropt, dan zouden ze naar mijn gevoel alle verdwijnen, alsof ik het paradijs zelf had betreden".

De vreugdevolle feestmaaltijden die de metgezellen ondanks hun bescheiden inkomsten voortdurend ter ere van hun Geliefde aanrichtten; de bijeenkomsten, waarop zij tot diep in de nacht met gebeden, gedichten en gezang uitbundig de lof zongen van de Báb, Quddús en Bahá'u'lláh; de vasten die zij in acht namen; de nachtwaken die zij hielden; de dromen en visioenen die hun ziel deden ontvlammen en die zij elkaar met onbegrensde geestdrift vertelden; de toewijding, waarmee zij voor Bahá'u'lláh zorgden, boodschappen van Hem deden, aan al Zijn wensen voldeden en zware zakken met water aandroegen voor Zijn wassingen en andere huishoudelijke behoeften; de onvoorzichtigheden die zij af en toe in momenten van vervoering begingen; de uitingen van verbazing en bewondering, die hun woorden en daden opwekten bij een bevolking die zelden een dergelijk vertoon van godsdienstige overgave en persoonlijke toewijding had bijgewoond - deze dingen, en vele andere, zullen voor altijd verbonden blijven met de geschiedenis van de onsterfelijke periode die ligt tussen het geboorte-uur van Bahá'u'lláh's Openbaring en de aankondiging daarvan op de vooravond van Zijn vertrek uit Irak.

Er zijn talrijke treffende anecdoten verteld door diegenen die door functie, toeval of uit genegenheid in de loop van deze aangrijpende jaren in direct contact met Bahá'u'lláh waren gekomen. Vele roerende getuigenissen bestaan er van buitenstaanders die het voorrecht toeviel Zijn gelaat te mogen aanschouwen, Zijn manier van lopen gade te slaan of toevallig Zijn opmerkingen op te vangen, als Hij door de lanen en straten van de stad liep, of langs de oever van de rivier op en neer schreed; van de moslems die Hem zagen bidden in hun moskeeën; van de bedelaars, de zieken, de bejaarden en de ongelukkigen die Hij steunde, genas, onderhield en moed insprak; van de bezoekers, van de hooghartigste prins tot de laagste bedelaar, die Zijn drempel overschreden en aan Zijn voeten zaten; van de kooplieden, de handwerkslieden en de winkeliers die Hem bedienden en Hem van Zijn dagelijkse behoeften voorzagen; van Zijn toegewijde aanhangers die de tekenen van Zijn verborgen heerlijkheid hadden ontwaard; van Zijn tegenstanders die beschaamd of ontwapend waren door de kracht van Zijn uitspraken en door Zijn warme liefde; van de priesters en leken, de adellijken en geleerden die Hem opzochten met de bedoeling Zijn gezag te betwisten of Zijn kennis op de proef te stellen, Zijn aanspraken na te gaan of hun tekortkomingen op te biechten, of hun bekering tot de Zaak die Hij had omhelsd, uit te spreken.

Uit deze schatkamer van kostbare herinneringen zal ik moeten volstaan met een enkel voorbeeld aan te halen. Het gaat over een van Bahá'u'lláh's vurigste aanhangers, een man geboortig uit Zavárih, Siyyid Ismá'íl, bijgenaamd Dhabíh (het Offer). Hij was vroeger een bekend godgeleerde geweest, een zwijgzaam, nadenkend man die zich geheel had bevrijd van iedere aardse band en zich thans tot taak had gesteld - en een taak waar hij trots op was - de toegangswegen tot het huis, waar Bahá'u'lláh woonde, te vegen. Hij wond dan zijn groene tulband, het teken van zijn heilige afkomst, van zijn hoofd en vergaarde bij het aanbreken van de dag met eindeloos geduld het gruis, waarover de voetstappen van zijn Geliefde waren gegaan, blies het stof uit de spleten van de muur die aan de deur van het huis grensde, verzamelde het veegsel in de plooien van zijn mantel en ging er, daar hij het beneden zijn waardigheid achtte dit daar neer te gooien en waar de voeten van anderen erop traden, helemaal mee naar de oever van de rivier om het in het water te werpen. Daar hij ten langen leste niet meer in staat was de zee van liefde die in zijn ziel golfde, te verwerken, begaf hij zich op een dag, nadat hij zich veertig dagen lang slaap en voedsel had ontzegd en hij nog eenmaal de dienst die hem zo na aan het hart lag, had verricht, naar de oever van de rivier op de weg naar Kázimayn, verrichtte zijn wassing, ging op zijn rug liggen met zijn gezicht naar Baghdád gekeerd, sneed zich de keel door met een scheermes, legde dat op zijn borst en blies de laatste adem uit. (1275 n.H.)

Hij was trouwens niet de enige die een dergelijke daad had overdacht en vast besloten was haar uit te voeren. Anderen waren bereid dit voorbeeld te volgen, als niet Bahá'u'lláh snel tussenbeide was gekomen en de vluchtelingen die in Baghdád woonden, opdracht had gegeven onmiddellijk naar hun eigen land terug te gaan. Nadat met stelligheid was komen vast te staan, dat Dhabíh de hand aan zich zelf had geslagen, konden ook de autoriteiten niet onverschillig blijven voor een Zaak, waarvan de Leider zo'n zeldzaam bezielende toewijding opwekte in, en zo'n absolute macht had over de gemoederen van Zijn aanhangers. Toen Bahá'u'lláh in kennis was gesteld van de bezorgdheid die in bepaalde delen van Baghdád door deze gebeurtenis was opgewekt, moet Hij hebben opgemerkt, "Siyyid Ismá'íl was in het bezit van zo'n kracht en macht dat, als men hem tegenover alle volkeren der aarde had geplaatst, hij zonder twijfel in staat zou zijn geweest zijn overwicht over hen te doen gelden". Met betrekking tot deze zelfde Dhabíh, die Hij prees als "koning en geliefde der martelaren" moet Hij ook hebben gezegd, "Er is tot op heden nog geen bloed over de aarde gevloeid, dat zuiverder is dan het bloed dat hij vergoot".

Nog een andere getuigenis uit de pen van Nabíl, die zelf ooggetuige is geweest van een groot deel van deze aangrijpende episoden luidt, "Zij die uit de beker van Bahá'u'lláh's aanwezigheid hadden gedronken, waren zo in vervoering gebracht, dat in hun ogen de koninklijke paleizen vergankelijke waren dan een spinneweb ... De huldigingen en festiviteiten die zij aanrichtten, waren van dien aard, dat de koningen der aarde daarvan nog nooit maar zelfs gedroomd hadden". Hij vertelt, "Ikzelf deelde met twee anderen een kamer, waarin zich geen meubilair bevond. Bahá'u'lláh kwam er op een dag binnen en merkte, nadat Hij had rondgekeken op, 'Deze leegte staat Mij aan. Naar Mijn mening is dit verre te verkiezen boven menig ruim paleis, aangezien de geliefden van God zich hier bezighouden met het gedenken van de Onvergelijkelijke Vriend, met een art waaraan iedere onzuiverheid van deze wereld vreemd is'". Het leven van Bahá'u'lláh werd gekarakteriseerd door dezelfde soberheid en eenvoud die het leven van Zijn geliefde metgezellen kenmerkte. Hijzelf bevestigt in een van Zijn Tafelen, "Er is een tijd geweest in Irak, dat de Aloude Schoonheid geen schoon linnengoed meer had. Het enige hemd dat Hij bezat, moest gewassen, gedroogd en weer gedragen worden".

Nabíl vervolgt, wanneer hij de levens van deze zelfverloochenende metgezellen schildert, "Menige avond leefden niet minder dan tien personen van dadels ter waarde van een stuiver. Niemand wist aan wie eigenlijk de schoenen, de mantels of de bovenkleding behoorden, die zich in hun huizen bevonden. Ieder die naar de markt ging, kon zeggen, dat de schoenen aan zijn voeten de zijne waren en iedereen die Bahá'u'lláh bezocht kon bevestigen, dat de mantel en het kleed die hij dan droeg, hem toebehoorden. Zij waren hun eigen namen vergeten, hun hart was vrij van alles behalve de verering van hun Geliefde. O, de vreugde van die dagen en de blijdschap en het wonder van die uren"!

De enorme uitbreiding in de omvang en de inhoud van Bahá'u'lláh's geschriften na Zijn terugkeer uit Sulaymáníyyih is nog een noemenswaardig punt uit de periode die wij nu bezien. De verzen die gedurende die jaren uit Zijn pen vloeiden, door Hem Zelf beschreven als "een overvloedige regen", die hetzij in de vorm van brieven, vermaningen, commentaren, verweerschriften en wetenschappelijke verhandelingen kwamen, of van profetieën, gebeden, logzangen of speciale Tafelen, droegen in hoge mate bij tot de verruiming van haar levensopvatting, tot de uitbreiding van haar activiteiten en tot de verlichting van de geest van haar leden. Deze periode was zo vruchtbaar dat, volgens de getuigenis van Nabíl die in die tijd in Baghdád woonde, gedurende de eerste twee jaar na Bahá'u'lláh's terugkeer uit Zijn afzondering, de niet opgetekende verzen die in één dag en één nacht van Zijn lippen stroomden, gemiddeld de inhoud van de gehele Qur'án konden evenaren. Wat deze verzen betreft, die Hij dicteerde of Zelf opschreef, was het aantal ervan net zo opmerkelijk als de rijkdom aan materiaal dat ze bevatten, of de verscheidenheid van onderwerpen die ze behandelden. Een zeer groot, in feite het grootste deel van deze geschriften, is helaas reddeloos voor het nageslacht verloren gegaan. Niemand minder dan Mírzá Áqá Ján, Bahá'u'lláh's amanuensis, bevestigt volgens Nabíl, dat op uitdrukkelijk bevel van Bahá'u'lláh honderden en duizenden verzen die voor het merendeel in Zijn eigen handschrift waren geschreven, werden vernietigd en in de rivier geworpen. Zo heeft Mírzá Áqá Ján aan Nabíl verteld, "Telkens als ik mij afkerig betoonde Zijn opdracht uit te voeren, placht Bahá'u'lláh mij gerust te stellen door te zeggen, "Er is op dit ogenblik niemand te vinden, die het waard is deze melodieën aan te horen' ... Niet eenmaal, of tweemaal, maar ontelbare malen werd mij opgedragen deze handeling te herhalen". Een zekere Muhammad Karím, een inwoner van Shíráz, die getuige was geweest van de snelheid en de wijze, waarop de Báb de verzen die Hem werden ingegeven, opschreef, heeft de volgende getuigenis voor het nageslacht nagelaten. nadat hij gedurende die dagen in de aanwezigheid van Bahá'u'lláh was geweest en met eigen ogen had aanschouwd, wat hij als het enige bewijs voor de zending van de Beloofde had beschouwd, "Ik getuig, dat de verzen die door Bahá'u'lláh zijn opgeschreven, het gemak waarmee ze uit Zijn pen vloeiden, hun helderheid, hun diepte en lieflijkheid, ver uitstaken boven die welke ik zelf uit de pen van de Báb heb zien vloeien toen ik bij Hem was. Als Bahá'u'lláh geen andere aanspraak maakte op verhevenheid, zou dit in de ogen van de wereld en de volkeren voldoende moeten zijn: dat Hij verzen schreef, zoals nu uit Zijn pen vloeiden".

Onder de onschatbare juwelen die op de kust werden geworpen uit de aanzwellende oceaan van Bahá'u'lláh's Openbaring wordt de eerste plaats ingenomen door de Kitáb-i-Íqán (Boek van Zekerheid), dat binnen twee dagen en twee nachten werd geopenbaard in de laatste jaren van die periode (1278 n.H. - 1862 na Chr.). Het boek werd geschreven ter vervulling van de profetie van de Báb, die uitdrukkelijk had aangegeven, dat de Beloofde de tekst van de onvoltooide Perzische Bayán zou afmaken, en als antwoord op de vragen, aan Bahá'u'lláh gesteld, door de toen nog niet bekeerde oom van moederszijde van de Báb, Hájí Mírzá Siyyid Muhammad, toen deze met zijn broer Hájí Mírzá Hasan-'Alí op bezoek was in Karbilá. Dit boek dat een voorbeeld is van Perzisch proza, van een opmerkelijk heldere stijl die zowel oorspronkelijk en krachtig als ingetogen is - en tezelfder tijd overtuigend in zijn argumentatie en ongeëvenaard in zijn onweerstaanbare welsprekendheid - zet in grote trekken het grootste verlossingsplan van God uiteen en neemt, vergeleken met ieder ander werk in de Bahá'í literatuur, een unieke plaats in naast de Kitáb-i-Aqdas, Bahá'u'lláh's Heiligste Boek. Geopenbaard aan de vooravond van de bekendmaking van Zijn zending, schonk het hiermee aan de mensheid de "uitgelezen verzegelde Wijn", waarvan het zegel van "muskus" is, en verbrak de "zegels" van het "Boek", waarnaar door Daniël wordt verwezen, en legde de betekenis bloot van de "woorden", die bedoeld waren "verborgen" te blijven "tot den eindtijd".1

Binnen een bestek van tweehonderd bladzijden verkondigt het onweerlegbaar het bestaan en de eenheid van de persoonlijke God Die onkenbaar is, onbereikbaar, de bron van alle Openbaring, eeuwig, alwetend, alomtegenwoordig en almachtig; verklaart de betrekkelijkheid van religieuze waarheid en de continuïteit van goddelijke Openbaring; bevestigt de eenheid van de Profeten, de alomvattendheid van hun Boodschap, de volkomen gelijkheid van hun fundamentele leringen, de heiligheid van hun geschriften en het tweevoudige karakter van hun rang; stelt de blindheid en de eigenzinnigheid aan de kaak van de godgeleerden en wetenschapsmensen in ieder tijdperk; citeert en verduidelijkt de allegorische passages van het Nieuwe Testament, de moeilijk te begrijpen verzen uit de Qur'án en de cryptische mohammedaanse tradities, die de eeuwenlange misverstanden, twijfel en haatgevoelens hebben aangekweekt, waardoor de volgelingen van de leidende religieuze stelsels werden verdeeld en van elkaar gescheiden gehouden; somt de essentiële vereisten op, waarmee iedere ware zoeker het doel van zijn zoeken kan bereiken; toont de geldigheid, de verhevenheid en de betekenis van de Openbaring van de Báb aan; gewaagt met bewondering van de heldenmoed en de onthechting van Zijn discipelen; voorspelt nadrukkelijk het op handen zijn van de wereldomspannende triomf van de aan het volk van de Bayán beloofde Openbaring; houdt de zuiverheid en ongereptheid van de Maagd Maria hoog; verheerlijkt de Imáms van het Geloof van Muhammad; huldigt het martelaarschap en de geestelijke soevereiniteit van de Imám Husayn; onthult de betekenis van symbolische termen als "wederkomst", "opstanding", "Zegel der Profeten" en "Dag des Oordeels", schetst en karakteriseert het verschil tussen de drie stadia van goddelijke Openbaring, en weidt in geestdriftige bewoordingen uit over de heerlijkheden en wonderen van de "Stad van God", die na een vastgestelde periode een vernieuwing ondergaat - door de beschikking van de Voorzienigheid - voor de gehele mensheid. Men kan stellig beweren, dat van alle boeken die door de geestelijke Vader van de Bahá'í Openbaring werden geschreven, alleen dit boek door het wegvagen van de eeuwenoude barrières die de grote religies in de wereld nog steeds zo onoverkomelijk van elkaar scheiden, een breed en onverwoestbaar fundament heeft gelegd voor de volledige en duurzame verzoening van hun volgelingen.

Naast deze unieke verzamelplaats van onschatbare juwelen moet die verrukkelijke verzameling van uitzonderlijke uitspraken gesteld worden, de Verborgen Woorden, waartoe Bahá'u'lláh werd geïnspireerd, toen Hij in meditatie verzonken langs de oever van de Tigris liep. Geopenbaard in het jaar 1274 n.H., deels in het Perzisch en deels in het arabisch geschreven, kreeg het oorspronkelijk de titel het "Verborgen Boek van Fátimih" en werd het door de Auteur gelijkgesteld met het boek onder dezelfde titel, waarvan de Shí'ahs geloofden, dat het in het bezit was van de Beloofde Qá'im en woorden van troost behelsde, die de engel Gabriël op bevel van God tot Fátimih richtte en die aan de Imám'Alí werden gedicteerd met het uitsluitende doel haar te vertroosten in het uur van bittere smart na de dood van haar doorluchtige Vader. De betekenis van deze dynamische geestelijke zuurdesem die in het leven van de wereld werd geworpen ter heroriëntering van de geestesgesteldheid der mensen, ter stichting van hun ziel en ter verbetering van hun gedrag, kan het beste beoordeeld worden door de beschrijving van de aard van dit boek, die op de eerste bladzijden door de Auteur wordt gegeven. "Dit is hetgeen uit het rijk van heerlijkheid is neergedaald, door de tong van kracht en macht is geuit en aan de Profeten vanouds geopenbaard. Wij hebben het diepste wezen ervan genomen en in het gewaad van beknoptheid gehuld als een teken van genade voor de rechtvaardigen, opdat zij trouw blijven aan het Verbond Gods, in hun leven Zijn vertrouwen niet beschamen en in het rijk van de geest het kleinoord van goddelijke deugd verwerven".

Aan deze twee uitzonderlijke bijdragen aan de religieuze wereldliteratuur, die ieder voor zich een plaats van onovertroffen superioriteit onder de leerstellingen en ethische geschriften van de geestelijke Vader van de Bahá'í Beschikking innemen, werd in diezelfde periode een verhandeling toegevoegd, die wel beschouwd moet worden als Zijn grootste mystieke compositie getiteld "De Zeven Valleien", die Hij schreef in antwoord op vragen van Shaykh Muhyi'd-Dín, de Qádí van Khániqayn en waarin Hij de zeven stadia beschrijft, die de ziel van de zoeker moet doorlopen, voor ze het doel van haar bestaan kan bereiken.

De "Four Valleys", een epistel aan de geleerde Shaykh 'Abdu'r-Rahmán-i-Karkútí; de "Tablet of the Holy Mariner" (Tafel van de Heilige Zeeman) waarin Bahá'u'lláh de zware beproevingen voorspelt, die Hem zullen overkomen; de Lawh-i-Húríyyih (tafel van de Maagd) waarin gebeurtenissen in een veel verder gelegen toekomst worden aangekondigd; de Súriy-i-Sabr" (Súrih van Geduld), geopenbaard op de eerste dag van Ridván, die Vahíd en zijn medeslachtoffers in Nayríz verheerlijkt; het commentaar op de Letters, dat is geplaatst vóór de súrihs in de Qur'án; Zijn uitleg van de letter Váv, genoemd in de geschriften van Shaykh Ahmad-i-Ahsá'í en van andere duistere passages in de werken van Siyyid Kázim-i-Rashtí; de "Lawh-i-Madínatu't-Tawhíd" (Tafel van de Stad van Eenheid); de "Sahífiy-i-Shattíyyih"; de "Musíbát-i-Hurúfát"; de "Tafsír-Hú"; de "Javáhiru'l-Asrár" en een menigte andere geschriften, in de vorm van brieven, lofzangen, leerreden, speciale Tafelen, commentaren en gebeden, droegen ieder op eigen wijze ertoe bij om de "rivieren van eeuwig leven" te doen zwellen die voortvloeien uit de "verblijfplaats van vrede" en een machtige stoot te geven aan de verbreiding van het Geloof van de Báb, zowel in Perzië als in Irak, waardoor de mensen werden bezield en het karakter van de aanhangers zich wijzigde.

De onmiskenbare bewijzen van de omvang en heerlijkheid van Bahá'u'lláh's toenemende macht; Zijn snel groeiend aanzien; de wonderbaarlijke transformatie die Hij door lering en voorbeeld had bewerkstelligd in de levensopvatting en het karakter van Zijn metgezellen, van Baghdád tot Perzië; de gloeiende liefde die hun hart verteerde; de verbazingwekkende omvang van geschriften die dag en nacht uit Zijn pen vloeiden - dit alles moest wel de vijandschap en haat, die smeulden in de harten van Zijn Shí'ah en Sunní vijanden, aanwakkeren. Nu Zijn verblijfplaats was verplaatst naar de dichte nabijheid van de bolwerken van de Shí'ah Islam en Hij Zelf in direct en bijna dagelijks contact was gebracht met de fanatieke pelgrims die in de heilige plaatsen in Najaf, Karbilá en Kázimayn samendromden, kon een krachtmeting tussen de groeiende schittering van Zijn heerlijkheid en de duistere strijdlust van religieus fanatisme niet langer uitblijven. Er was maar één vonk nodig om dit brandbare materiaal van alle opgehoopte haat, angst en afgunst die de vernieuwde activiteit van de Bábí's had opgewekt, te doen ontbranden. Hier werd in voorzien door een zekere Shaykh 'Abdu'l-Husayn, een listige en halsstarrige geestelijke, wiens verterende afgunst op Bahá'u'lláh slechts werd overtroffen door zijn vermogen tweedracht te zaaien, niet alleen onder de hooggeplaatsten, maar ook onder de geringsten van het volk, zowel Arabieren als Perzen, die zich in de straten en marktplaatsen van Kázimayn, Karbilá en Baghdád ophielden. Bahá'u'lláh heeft hem in Zijn Tafelen gebrandmerkt als de "schurk", de "boosdoener", die het "zwaard van zijn ego tegen het aangezicht van God trok", "in wiens ziel Satan had gefluisterd", en "van wiens goddeloosheid Satan wegvlucht", de "ontaarde", "uit wie is voortgesproten en tot wie zal wederkeren alle trouweloosheid, wreedheid en misdaad". Grotendeels door de bemoeiingen van de grootvizier die van hem verlost wilde worden, gelastte de Sjah deze lastige mujtahid naar Karbilá te vertrekken om de heilige plaatsen in die stad te herstellen. Wachtende op zijn kans, sloot hij zich daar aan bij Mírzá Buzurg Khán, een pas aangestelde Perzische consul-generaal die net zo boosaardig was als hijzelf; deze man van middelmatige intelligentie, onoprecht, zonder vooruitziende blik of eergevoel, en daarbij een verstokte dronkaard, viel spoedig ten prooi aan de invloed van die verdorven samenzweerder en werd het willige werktuig voor zijn plannen.

Hun eerste gezamenlijke poging was bedoeld om door grove verdraaiing van de feiten, van de gouverneur van Baghdád, Mustafá Páshá, een bevel tot uitwijzing van Bahá'u'lláh en Zijn metgezellen te verkrijgen, een poging die jammerlijk mislukte. Toen hij de nutteloosheid inzag om zijn doel te bereiken door tussenkomst van de plaatselijke autoriteiten, begon Shaykh 'Abdu'l-Husayn door het ijverig rondstrooien van dromen die hij eerst bedacht en dan uitlegde, de hartstochten van een bijgelovige en in hoge mate ontvlambare bevolking op te wekken. De wrevel, veroorzaakt door het gebrek aan weerklank dat hij ondervond, werd verergerd door zijn smadelijk verzuim de uitdaging na te komen van een van tevoren afgesproken onderhoud tussen hemzelf en Bahá'u'lláh. Mírzá Buzurg Khán gebruikte van zijn kant zijn invloed om de vijandelijke gevoelens van de lagere elementen der bevolking tegen de gemeenschappelijke Tegenstander op te wekken door hen op te hitsen Hem in het openbaar te beledigen, in de hoop een of andere overijlde vergeldingsdaad uit te lokken, die gebruikt kon worden als grond voor valse aanklachten, waardoor de gewenste order voor Bahá'u'lláh's uitwijzing kon worden verkregen. Ook deze poging bleek tot mislukking gedoemd, daar de aanwezigheid van Bahá'u'lláh, Die, de waarschuwingen en smeekbeden van Zijn vrienden ten spijt, voortging zonder geleide bij dag en bij nacht door de straten van de stad te wandelen, voldoende was om Zijn zogenaamde "aanranders" te verwarren en te beschamen. Zich zeer wel bewust van hun motieven ging Hij naar hen toe, plaagden hen met hun boze plannen, maakte grapjes met hen en liet hen in opperste verwarring achter, waarna zij besloten af te zien van alle boze plannen die zij mochten koesteren. De consul-generaal had zelfs een bandiet, een Turk genaamd Ridá, gehuurd voor de som van honderd túmáns, hem met een paard en twee pistolen uitgerust en hem opgedragen Bahá'u'lláh op te zoeken en Hem te doden, waarbij hij hem beloofde, dat zijn eigen veiligheid verzekerd was. Ridá die op een goede dag te weten kwam, dat zijn aspirant-slachtoffer gebruik maakte van het badhuis, ontsnapte aan de waakzaamheid van de Hem begeleidende Bábí's, ging, met een pistool verborgen onder zijn mantel, het bad binnen en kwam in het binnenste vertrek tegenover Bahá'u'lláh te staan; daar kwam hij tot de ontdekking, dat hem de moed ontbrak zijn opdracht uit te voeren. Zelf heeft hij jaren later verteld, dat hij bij een andere gelegenheid zich, met een pistool in de aanslag, verdekt had opgesteld, toen hij bij Zijn nadering zo overmand werd door angst, dat het pistool uit zijn hand viel, waarop Bahá'u'lláh Áqáy-i-Kalím die Hem vergezelde, verzocht het hem terug te geven en hem de weg naar zijn huis te wijzen.

Teleurgesteld in zijn herhaalde pogingen om zijn boosaardige plan te volvoeren, leidde Shaykh 'Abdu'l-Husayn zijn energie in een andere richting. Hij beloofde zijn medeplichtige, dat hij hem zou verheffen tot minister van staat, als hij er in slaagde de regering ertoe te bewegen Bahá'u'lláh naar Tihrán terug te roepen en Hem weer in de gevangenis te werpen. Hij verzond bijna dagelijks lange rapporten naar de naaste medewerkers van de Sjah. Hij gaf een overdreven beeld van de overheersende invloed die Bahá'u'lláh had, door Hem af te schilderen als degene die de aanhang had gewonnen van de nomadenstammen in Irak. Hij beweerde, dat Bahá'u'lláh Zich in een positie bevond, om in één dag honderdduizend man op te roepen, om op Zijn bevel de wapenen op te nemen. Hij beschuldigde Hem ervan in samenwerking met verscheidene leiders in Perzië een opstand tegen de vorst te overwegen. Door dergelijke middelen slaagde hij er in voldoende druk uit te oefenen op de autoriteiten in Tihrán, zodat zij de Sjah bewogen hem een volmacht te geven, waarbij hij volledige vrijheid van handelen kreeg om de Perzische 'ulamás en functionarissen te gebieden hem iedere gewenste assistentie te verlenen. Deze volmacht zond de sjeik onmiddellijk naar de geestelijken van Najaf en Karbilá, hen verzoekend een bijeenkomst te beleggen in zijn woonplaats Kázimayn. Een groot aantal sjeiks, mullás en mujtahids die in de gunst van de vorst wensten te komen, reageerden meteen. Nadat zij waren ingelicht over het doel, waarvoor zij waren bijeengeroepen, besloten zij een heilige oorlog te verklaren aan de kolonie bannelingen, en door een plotselinge en algemene aanval erop te doen, het Geloof in zijn kern te treffen en te vernietigen. Tot hun verbazing en teleurstelling ontdekten zij echter, dat de voornaamste mujtahid onder hen, de beroemde Shaykh Murtadáy-i-Ansárí, een man die bekend stond om zijn verdraagzaamheid, vroomheid en hoogstaand karakter, weigerde, toen hij hun plannen vernam, om het gewenste vonnis over de Bábí's uit te spreken. Bahá'u'lláh heeft hem later in de "Lawh-i-Sultán" hoog geprezen en hem geplaatst in de rij van "die geleerden die waarlijk uit de beker van zelfverloochening hebben gedronken" en "nimmer met Hem in botsing was gekomen", en naar wie 'Abdu'l-Bahá verwees als "de beroemde en erudiete wetenschapsman, de edele en gevierde geleerde, het sieraad onder de zoekers naar waarheid". Als verontschuldiging aanvoerend, dat hij onvoldoende afwist van de leringen van deze gemeenschap en bewerend, dat hij bij haar leden niets had kunnen ontdekken, dat in strijd was met de Qur'án, verliet hij, zonder op de tegenwerpingen van zijn collega's te letten, abrupt de vergadering en keerde naar Najaf terug, nadat hij via een bode aan Bahá'u'lláh zijn spijt had betuigd over het gebeurde en als zijn innige wens uitsprak, dat Hij gespaard mocht blijven.

Gefrustreerd in hun plannen, maar met niet verflauwende haatgevoelens, delegeerden de verzamelde godgeleerden de goed onderlegde en godvruchtige Hájí Mullá Hasan-i-'Ammú, die bekend was om zijn integriteit en wijsheid, om verscheidene vragen ter verduidelijking aan Bahá'u'lláh voor te leggen. Toen deze Hem werden gesteld en de afgezant er volledig bevredigende antwoorden op had verkregen, vroeg Hájí Mullá Hasan, nadat hij Bahá'u'lláh van de erkenning door de 'ulamás van Zijn uitgebreide kennis had verzekerd, als bewijs voor de waarachtigheid van Zijn zending, om een wonder te verrichten, dat allen volstrekt zou bevredigen. Bahá'u'lláh antwoordde, "Ofschoon gij niet het recht hebt dit te vragen, daar God Zijn schepselen moet beproeven en zij niet God moeten beproeven, zal ik dit verzoek toch toestaan en inwilligen ... De 'ulamás moeten bijeenkomen en eenstemmig een wonder uitkiezen en schriftelijk bevestigen, dat zij na de vervulling daarvan geen twijfel meer omtrent Mij zullen koesteren en dat allen de waarheid van Mijn Zaak zullen erkennen en belijden. Laat hen dit papier verzegelen en het Mij brengen. Dit moet het geaccepteerde criterium zijn; indien het wonder is verricht, zal er gen twijfel meet voor hen bestaan; en zo niet, dan zullen Wij schuldig worden bevonden aan bedrog". Dit heldere, uitdagende en moedige antwoord, voorbeeldeloos in de annalen van iedere bestaan religie, en gericht tot de beroemdste Shí'ah godgeleerden, in vergadering bijeen in hun aloude bolwerk, was zo bevredigend voor hun afgezant, dat hij ogenblikkelijk opstond, de knie van Bahá'u'lláh kuste en heenging om Zijn boodschap over te brengen. Drie dagen later zond hij bericht, dat de verheven vergadering niet tot een beslissing had kunnen geraken en had verkozen de zaak te laten vallen; een besluit, waaraan hij zelf later in de loop van zijn bezoek aan Perzië grote publiciteit gaf en het zelfs persoonlijk aan de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken, Mírzá Sa'íd Khán mededeelde. Toen Bahá'u'lláh op de hoogte werd gesteld van hun reactie op deze uitdaging moet Hij hebben opgemerkt, "Wij hebben met deze bevredigende, alomvattende boodschap die Wij zonden, de wonderen van alle Profeten geopenbaard en bewezen, daar Wij de keuze ervan aan de 'ulamás zelf hebben gelaten, op Ons nemend te zullen openbaren, wat zij zouden besluiten". 'Abdu'l-Bahá heeft met betrekking tot een soortgelijke uitdaging, later door Bahá'u'lláh in de "Lawh-i-Sultán" gedaan, geschreven, "Indien wij nauwlettend de tekst van de Bijbel bestuderen zien wij, dat de goddelijke Manifestatie nimmer heeft gezegd tot hen die Hem verloochenden: 'ieder wonder dat gij wenst ben ik bereid voor u te doen en Ik zal Mij onderwerpen aan iedere toets die gij mij voorstelt'. Maar in het epistel aan de Sjah zei Bahá'u'lláh duidelijk 'roep de 'ulamás bijeen en roep Mij, opdat er afdoend bewijs mag worden geleverd'".

Zeven jaar van onafgebroken, geduldige en bijzonder succesvolle consolidatie kwamen nu tot een einde. Een gemeenschap zonder herder, blootgesteld aan een langdurige en hevige druk zowel van binnenuit als van buitenaf, en bedreigd met totale ondergang, was nu tot nieuw leven gewekt en was in de loop van haar twintigjarige geschiedenis gestegen tot een aanzien zonder weerga. Nu haar fundering was versterkt, haar geestkracht verhoogd, haar levensopvatting volledig veranderd, haar leiding gewaarborgd, haar grondbeginselen opnieuw duidelijk vastgesteld, haar aanzien vergroot en haar vijanden waren uiteengedreven, begon de hand van het lot haar langzaam naar een nieuwe fase in haar veelbewogen bestaan te leiden, waarin wel en wee haar door een volgend stadium in haar ontwikkeling zouden voeren. De Verlosser, de enige hoop en de in wezen erkende Leider van deze gemeenschap, Die voortdurend de beramers van zovele complotten om Hem te vermoorden ontzag had ingeboezemd, Die iedere schuchtere raadgeving om het toneel van gevaar te verlaten, minachtend had afgewezen; Die het herhaalde en edelmoedige aanbod van vrienden en aanhangers om Zijn persoonlijke veiligheid te verzekeren, krachtig van de hand had gewezen; Die zo duidelijk zichtbaar een overwinning had behaald op Zijn tegenpartij - Hij zou op dit veelbetekenende uur door de onweerstaanbare ontwikkeling van Zijn zich ontplooiende zending, Zijn verblijfplaats verplaatst zien naar een nog uitzonderlijker centrum, de hoofdstad van het ottomaanse Rijk, de zetel van het kalifaat, het bestuurscentrum van de Sunní Islam, de residentie van de machtigste potentaat in de islamitische wereld.

Hij had reeds aan de priesterorde die werd vertegenwoordigd door de vooraanstaande geestelijken uit Najaf, Karbilá en Kázimayn, een gedurfde uitdaging gericht, Hij zou nu, terwijl Hij in de buurt van het hof van Zijn koninklijke tegenstander vertoefde, een gelijksoortige uitdaging sturen aan het erkende hoofd van de Sunní Islam, alsmede aan de vorst van Perzië, de gevolmachtigde van de verborgen Imám. Tot alle koningen der aarde en speciaal tot de Sultan en zijn ministers zou Hij zich nu bovendien richten, een beroep op hen doen en hen waarschuwen, terwijl de koningen uit de christelijke wereld en van de Sunní hiërarchie streng zouden worden berispt. Geen wonder dat de verbannen Drager van een nieuw aangekondigde Openbaring, in afwachting van de komende straling van de lamp van Zijn Geloof, na de verplaatsing ervan uit Irak deze profetische woorden sprak, "Het licht zal stralend schijnen binnen een andere bol, zoals voorbeschikt door Hem Die de Almachtige is, de Aloude der Dagen ... Dat de Geest uit het lichaam van Irak moest wegtrekken is waarlijk een wonderlijk teken voor allen die in de hemel en allen die op aarde zijn. Weldra zult gij deze goddelijke Jongeling zien rijden op het ros van de overwinning. Dan zal het hart van de afgunstigen worden overmand door beving".

Nu het voorbeschikte uur van Bahá'u'lláh's vertrek uit Irak had geslagen, kwam het hele proces om dat ten uitvoer te brengen op gang. De negen maanden van onafgebroken inspanning, door Zijn vijanden aan de dag gelegd, en wel speciaal door Shaykh 'Abdu'l-Hasan en zijn bondgenoot, Mírzá Buzurg Khán, stonden op het punt hun vruchten af te werpen. Násiri'd-Dín Sháh en zijn ministers enerzijds, en de Perzische ambassadeur in Constantinopel anderzijds, werden onophoudelijk aangespoord onmiddellijk actief te worden, teneinde Bahá'u'lláh's verwijdering uit Baghdád te verzekeren. Door middel van grove verdraaiing van de werkelijke situatie en het rondstrooien van alarmerende berichten, slaagde een kwaadwillende en energieke vijand er tenslotte in de Sjah te overreden om zijn Minister van Buitenlandse Zaken, Mírzá Sa'íd Khán, opdracht te geven aan de Perzische ambassadeur bij de Verhevene Porte,2 Mírzá Husayn Khán - die en boezemvriend was van 'Alí Páshá, de grootvizier van de Sultan, en van Fu'ád Páshá, de Minister van Buitenlandse Zaken - dat hij Sultán 'Abdu'l-Azíz ervan zou overtuigen, dat de onmiddellijke overbrenging van Bahá'u'lláh naar een plaats ver van Baghdád noodzakelijk was, op grond van het feit dat Zijn verdere verblijf in die stad, grenzend aan Perzisch grondgebied en dicht bij een zo belangrijk Shí'ah bedevaartcentrum, een directe bedreiging vormde voor de veiligheid van Perzië en zijn regering.

Mírzá Sa'íd Khán brandmerkte het Geloof in zijn mededeling aan de ambassadeur als een "misleide en verfoeilijke sekte", betreurde Bahá'u'lláh's vrijlating uit de Síyáh-Chál en klaagde Hem aan als iemand die niet ophield "heimelijk dwaze mensen en onnozele zwakkelingen te verleiden en op een dwaalspoor te brengen". Hij schreef, "In overeenstemming met het koninklijke bevel is mij, uw trouwe vriend, opdracht gegeven u te vragen onverwijld een afspraak te maken met Hunne Excellenties, de Sadr-i-A'zam en de Minister van Buitenlandse Zaken ... om de verwijdering ... te verzoeken van deze bron van onheil uit een centrum als Baghdád, waar zovele verschillende volkeren elkaar ontmoeten en dat zo dicht bij de grenzen van Perzische provincies ligt". In diezelfde brief haalt hij een beroemde versregel aan, "'Onder de as zie ik vuur gloeien en er is maar weinig voor nodig om het te doen opvlammen'", daarmede de angst verradend, die hij degene aan wie hij de brief schreef, trachtte in te prenten.

Aangemoedigd door het feit dat op de troon een monarch zat, die veel van zijn macht in handen van zijn ministers had gelegd en gesteund door bepaalde buitenlandse ambassadeurs en ministers in Constantinopel, slaagde Mírzá Husayn Khán erin, door veel overreding en met vriendelijk aandringen zich van het fiat van de Sultan te verzekeren voor het overbrengen van Bahá'u'lláh en Zijn metgezellen (die intussen door de omstandigheden waren gedwongen van staatsburgerschap te veranderen) naar Constantinopel. Men zegt zelfs dat het eerste verzoek van de Perzische autoriteiten aan een bevriende mogendheid, na de troonsbestijging door de nieuwe Sultan, zijn actieve en prompte tussenkomst in deze zaak gold.

Op de vijfde dag van Naw-Rúz (1863), toen Bahá'u'lláh dat feest vierde in de Mazra'iy-i-Vashshásh in de buitenwijken van Baghdád en zo juist de "Tablet of the Holy Mariner" had geopenbaard, waarvan de sombere voorspellingen de ernstige bezorgdheid van Zijn metgezellen hadden opgewekt, kwam er en afgezant van Námiq Páshá en overhandigde Hem een mededeling, waarin om een onderhoud tussen Hem en de gouverneur werd verzocht.

Zoals Nabíl in zijn verslag heeft uiteengezet, had Bahá'u'lláh reeds gedurende de laatste jaren van Zijn verblijf in Baghdád in Zijn gesprekken gezinspeeld op de periode van beproevingen en onrust, die onverbiddelijk in aantocht was, waarbij Hij een droefenis en een bezwaard gemoed toonde die de mensen om Hem heen zeer verontrustte. Een droom die Hij in die tijd had, waarvan het onheilspellende karakter overduidelijk was, kon slechts de angst en bange vermoedens versterken, die Zijn metgezellen hadden bevangen. In een Tafel schrijft Hij, "Ik zag de profeten en de Boodschappers zich verzamelen en om Mij heen plaats nemen, jammerend, wenend en luid klagend. Vol verbazing vroeg Ik hun naar de reden hiervan, waarop hun geweeklaag en geween erger werden en zij tegen Mij zeiden: "Wij wenen om U, O grootste Mysterie, O Tabernakel van Onsterfelijkheid'! Zij weenden met zulk een geween, dat Ik ook met hen weende. Daarop richtten zich de hemelse heerscharen tot Mij, zeggende: "... Weldra zult Gij met Uw eigen ogen aanschouwen wat nog geen Profeet heeft aanschouwd ... Wees geduldig, wees geduldig' ... Gedurende de gehele nacht spraken zij tegen Mij tot het aanbreken van de ochtendstond". Nabíl verzekert, "Zeeën van droefheid deinden in het hart van de toehoorders, toen de "Tablet of the Holy Mariner" aan hen werd voorgelezen ... Het was iedereen duidelijk, dat het hoofdstuk van Baghdád op het punt stond te worden afgesloten en een nieuw in zijn plaats zou worden aangevangen. Nauwelijks had men die Tafel gereciteerd of Bahá'u'lláh gaf opdracht de tenten die waren opgezet, op te vouwen, waarna al Zijn metgezellen naar de stad moesten terugkeren. Terwijl de tenten werden verwijderd merkte Hij op, 'Deze tenten mag men vergelijken met de opschik van deze wereld: nauwelijks zijn ze uitgespreid of de tijd komt, dat ze moeten worden opgerold'. Uit deze woorden van Hem begrepen zij, dat deze tenten nimmer meer op dezelfde plek zouden worden opgezet. Men was nog niet geheel klaar met opruimen, toen de koerier uit Baghdád aankwam met de eerder genoemde mededeling van de gouverneur".

De volgende dag overhandigde de plaatsvervangend gouverneur aan Bahá'u'lláh in en moskee in de buurt van 'Alí Páshá, gericht tot Námiq Páshá, waarin Bahá'u'lláh werd uitgenodigd als gast van de ottomaanse regering zich naar Constantinopel te begeven, waarbij Hem een som gelds ter beschikking werd gesteld, en een bereden escorte werd opgedragen om Hem op Zijn reis te vergezellen en Hem te beschermen. Aan dit verzoek gaf Bahá'u'lláh Zijn gerede toestemming, maar weigerde het Hem aangeboden geld aan te nemen. Toen de plaatsvervanger dringende bezwaren maakte tegen een dergelijke weigering die de autoriteiten zou kwetsen, gaf Hij met tegenzin toe de rijke vergoeding die voor Hem persoonlijk was opzij gezet, in ontvangst te nemen en verdeelde het geld nog diezelfde dag onder de armen.

De uitwerking van dit plotselinge nieuws op de kolonie bannelingen was verpletterend. Een ooggetuige die de reactie van de gemeenschap op het nieuws van Bahá'u'lláh's naderende vertrek schilderde, schreef, "De tijding bracht op die dag een opschudding teweeg, die deed denken aan de verwarring op de Dag der Opstanding. Het kwam mij voor dat zelfs de poorten en de muren van de stad luide weenden om de op handen zijnde scheiding van hun Abhá Geliefde. De eerste avond dat er melding was gemaakt van Zijn aanstaande vertrek, ontzegden al Zijn geliefden zich zonder uitzondering voedsel en slaap ... Geen van hen kon tot rust worden gebracht. Velen hadden besloten, voor het geval hun de genade zou worden ontnomen om Hem te vergezellen, zonder aarzelen zich van het leven te beroven ... Langzamerhand echter kalmeerden zij door de woorden die Hij tot hen sprak en door Zijn vermaningen, en berustten om Zijnentwil". Voor allen die in Baghdád woonden, of zij nu Arabier waren of Pers, man of vrouw, kind of volwassene, openbaarde Hij gedurende die dagen in Zijn eigen handschrift een aparte Tafel. In de meeste van deze Tafelen voorspelde Hij de verschijning van het "Kalf" en van de "Vogelen der nacht", toespelingen op diegenen die zoals verwacht in de "Tablet of the Holy Mariner" en voorzegd in de bovenaangehaalde droom, het vaandel van tegenstand zouden hijsen en de zwaarste crisis in de geschiedenis van het Geloof verhaasten.

Zevenentwintig dagen nadat deze droevige Tafel zo onverwachts door Bahá'u'lláh was geopenbaard en de noodlottige mededeling die Zijn vertrek naar Constantinopel aankondigde aan Hem was overhandigd, begon Hij op een woensdagmiddag (22 april 1863), eenendertig dagen na Naw-Rúz, op de derde van Dhi'l-Qa'dih 1279 n.H., aan de eerste etappe van Zijn vier maanden durende tocht naar de hoofdstad van het ottomaanse Rijk. Die historische dag die voor altijd zal worden aangeduid als de eerste dag van het Ridvánfeest, was het hoogtepunt van ontelbare afscheidsbezoeken, die vrienden en kennissen uit iedere rang en klasse bij Hem aflegden, iets wat de inwoners van Baghdád maar zelden hadden aanschouwd. Een menigte mensen van beiderlei kunne en van iedere leeftijd, vrienden en vreemdelingen, Arabieren, Kurden en Perzen, notabelen en geestelijken, ambtenaren en kooplieden alsmede velen uit de lagere klassen, armen, wezen, verworpenen, sommigen van hen verbaasd, anderen gebroken dor verdriet, velen in tranen en bezorgd, een paar gedreven door nieuwsgierigheid of uit een soort heimelijke bevrediging, dromden samen op de toegangswegen naar Zijn huis, verlangend om nog een laatste glimp op te vangen van Hem Die tien jaar lang door Zijn beginselen en goede voorbeeld een zo machtige invloed had uitgeoefend op zo'n groot aantal van de meest uiteenlopende inwoners van hun stad.

Toen Hij onder hun geween en geweeklaag voor het laatst "Zijn heiligste Woonplaats" verliet vanwaar was "uitgevloeid de adem van de Alglorierijke", en van waaruit was gestroomd, in "onophoudelijke tonen" "de melodie van de Algenadige", en op Zijn weg met kwistige hand de laatste aalmoes aan de armen - die Hij zo trouw had bijgestaan - uitdeelde en woorden van troost zei tot de ontroostbaren die Hem van alle kanten benaderden, bereikte Hij tenslotte de oever van de rivier en werd, in gezelschap van Zijn zoons en amanuensis, overgezet naar de Najíbíyyih Tuin die aan de overkant was gelegen. Toen Hij Zich tot de trouwe groep wendde die Hem omringde voordat Hij aan boord ging, sprak Hij de volgende woorden, "O mijn metgezellen, Ik vertrouw de zorg voor de stad Baghdád aan u toe, zoals u haar nu aanschouwt, terwijl uit de ogen van vrienden en vreemdelingen, die zich verdringen op de daken van de huizen, in de straten en op de marktpleinen, tranen als een lenteregen neerstromen, nu Ik heenga. Het staat thans aan u erop toe te zien, dat uw daden en gedrag de vlam van liefde die in het hart van de inwoners gloeit, niet doen verflauwen".

De mu'adhdhin had net zijn roep tot het namiddaggebed doen horen, toen Bahá'u'lláh de Najíbíyyih Tuin betrad, waar Hij nog twaalf dagen verbleef voor Zijn uiteindelijke vertrek uit de stad. Daar kwamen Zijn vrienden en metgezellen in elkaar voortdurend opvolgende golven Hem opzoeken en namen met gevoelens van diepe smart afscheid van Hem. Onder hen viel de bekende Álúsí, de muftí van Baghdád, op, die met de ogen vol tranen de naam van Násiri'd-Dín Sháh vervloekte, die hij in de eerste plaats verantwoordelijk stelde voor een zo onverdiende verbanning. "Ik beschouw hem niet meer als Násiri'd-Dín (de helper van het Geloof)", zo verklaarde hij openlijk, "maar zie hem meer als de sloper ervan". Een andere belangrijke bezoeker was de gouverneur, Námiq Páshá die, nadat hij in de eerbiedigste termen zijn spijt had betuigd over de ontwikkelingen die Bahá'u'lláh's vertrek hadden bespoedigd en Hem van zijn bereidheid had verzekerd Hem op iedere denkbare wijze van dienst te zijn, aan de officier die was aangesteld om Hem te begeleiden, en schriftelijke opdracht overhandigde, waarin hij de gouverneurs van de provincies, waar de bannelingen doorheen zouden reizen gebood, hen met de grootste welwillendheid te behandelen. Na overvloedige verontschuldigingen deelde Hij Bahá'u'lláh mede, "Wat Gij nodig hebt, Gij hebt het maar te bevelen. Wij zijn bereid Uw wensen te vervullen". Het antwoord op zijn herhaalde en dringende aanbod luidde, "Strek uw welwillendheid uit tot Onze geliefden en behandel hen met vriendelijkheid" -een verzoek, waarmee hij hartelijk en zonder aarzelen instemde.

Het is niet verwonderlijk dat, in het gezicht van de vele bewijzen van diepgewortelde toewijding, sympathie en achting, die zo treffend door hoog en laag werden betoond, vanaf de tijd dat Bahá'u'lláh Zijn voorgenomen reis aankondigde, tot aan de dag van Zijn vertrek uit de Najíbíyyih Tuin, degenen, die zo onvermoeibaar hadden geprobeerd het bevel voor Zijn verdere verbanning te verwerkelijken en zich hadden verheugd over het succes van hun pogingen, nu hun daad diep betreurden. 'Abdu'l-Bahá bevestigt in een brief, die hij vanuit de Tuin met betrekking tot deze vijanden schreef, "Zo groot is de tussenkomst van God geweest, dat de vreugde die zij aan de dag legden zo in verdriet en smart was veranderd, dat de Perzische consul-generaal in Baghdád de plannen en complotten van de intriganten diep betreurde. Námiq Páshá zelf heeft op de dag dat hij Hem (Bahá'u'lláh) bezocht gezegd, 'Eerst stonden zij er op, dat gij zoudt vertrekken. Thans staan zij er echter nog meer op, dat gij zult blijven'".

HOOFDSTUK IX

De verkondiging van Bahá'u'lláh's zending en Zijn tocht naar Constantinopel

De aankomst van Bahá'u'lláh in de Najíbíyyih Tuin, later door Zijn volgelingen de Tuin van Ridván genoemd, is het begin van wat nu wordt erkend als het heiligste en belangrijkste Bahá'í feest, het feest van de herdenking van de verklaring van Zijn zending aan Zijn metgezellen. Deze overweldigende verkondiging mag men beschouwen als het logische sluitstuk van het proces dat een omwenteling teweegbracht en dat Hij zelf na Zijn terugkeer uit Sulaymáníyyih in gang had gezet, en tevens als een voorspel tot de uiteindelijke verkondiging van die zending, vanuit Adrianopel,1 aan de wereld en haar heersers.

Door deze plechtige daad kwam ten langen lest een einde aan het "uitstel" van niet minder dan een decennium dat God had verleend tussen de geboorte van Bahá'u'lláh's Openbaring in de Síyah-Chal en de aankondiging ervan aan de discipelen van de Báb. De "vastgestelde tijd van verborgenheid" waarin, naar Zijn eigen getuigenis, de "tekenen en bewijzen van een goddelijk beschikte Openbaring" over Hem waren uitgestort, was vervuld. De "ontelbare lichtsluiers" waarin Zijn heerlijkheid was verhuld geweest, werden op dat historische uur gedeeltelijk opgelicht, waardoor aan de mensheid "een oneindig klein schijnsel" van de uitstraling van Zijn "weergaloos, Zijn meest geheiligde en verheven Aangezicht" werd geschonken. De "duizendtweehonderdennegentig dagen", door Daniël vastgesteld in het laatste hoofdstuk van zijn boek als tijdsduur van de "gruwel die verwoesting brengt", waren nu verstreken. De "honderd maanjaren"(1335 dagen), bestemd om onmiddellijk aan dat gelukzalige hoogtepunt vooraf te gaan, en die door Daniël in datzelfde hoofdstuk waren aangekondigd, hadden een aanvang genomen. De negentien jaren, die de eerste "Vahíd" vormen en in de Bayán door de pen van de Báb zijn voorzegd, waren voltooid. De Heer van het Koninkrijk, Jezus Christus weergekeerd in de heerlijkheid van de Vader, stond op het punt Zijn troon te bestijgen en de scepter van een wereldomvattende, onvernietigbare soevereiniteit in handen te nemen. De gemeenschap van de Grootste Naam, de "metgezellen van de Karmozijnen Ark", waarover in gloedvolle bewoordingen in de Qayyúmu'l-Asmá' de lof werd verkondigd, was zichbaar verrezen. De Báb's eigen profetie aangaande de "Ridvan", het toneel van de onthulling van Bahá'u'lláh's alles te boven gaande heerlijkheid, was letterlijk vervuld.

Niet terneergeslagen door het vooruitzicht van de schrikbarende ramnpspoeden die, naar Hij zelf had voorspeld, spoedig Zijn deel zouden zijn; aan de vooravond van een tweede verbanning die vol risico's en gevaren zou zijn, en die hem steeds verder van Zijn geboorteland, de bakermat van Zijn Geloof, zou brengen naar een land dat zo geheel anders was wat betreft ras, taal en beschaving; zich scherp bewust van de zich uitbreidende kring tegenstanders, onder wie zich spoedig een nog despotischer monarch zou bevinden dan Násiri'd-Dín Sháh, en ministers die niet minder onverzettelijk en vijandiggezind waren dan Hájí Mírzá Áqásí of de Amír Nizám; niet afgeschrikt door de voortdurende onderbrekingen, veroorzaakt door de stroom bezoekers die naar Zijn tent kwam, verkoos Bahá'u'lláh in dat kritieke en schijnbaar ongunstige uur een zo uitdagende aanspraak naar voren te brengen, het mysterie rondom Zijn persoon te onthullen en in hun volledige omvang de macht en het gezag op zich te nemen, die het uitzonderlijke voorrecht waren van Degene Wiens komst de Báb had voorzegd.

Reeds wierpen de komende grote gebeurtenissen hun schaduw vooruit over de kolonie bannelingen die vol verwachting de vervulling ervan afwachtten. Naarmate het jaar "tachtig" gestadig en onverbiddelijk naderbij kwam, ondervond de werkelijke Leider van die gemeenschap in steeds toenemende mate de aanstormende invloeden van de bezielende kracht ervan, en deelde die gaandeweg met Zijn toekomstige volgelingen. De feestelijke en zielroerende oden die Hij bijna iedere dag openbaarde; de Tafelen vol zinspelingen, die uit Zijn pen vloeiden; de toespelingen op het naderende uur, die Hij zowel in persoonlijke gesprekken als bij openbare toespraken maakte; de vervoering die in ogenblikken van vreuge en verdriet bezit nam van Zijn ziel; de extase van Zijn liefhebbende aanhangers, die reeds door de veelvuldige bewijzen van Zijn rijzende grootheid en glorie in vervoering waren gebracht; de waarneembare verandering in Zijn optreden; en tenslotte het feit, dat Hij op de dag van Zijn vertrek uit het Heiligste Huis de táj (hoge vilten hoofdtooi) aannam - alles voorspelde onmiskenbaar de aanstaande aanvaarding van Zijn profetische taak en van Zijn openlijke leiderschap over de gemeenschap van de volgelingen van de Báb.

In zijn beschrijving van de gespannen verwachtingen die Bahá'u'lláh's metgezellen vervulden in de dagen, die aan de verkondiging van Zijn zending voorafgingen, vermeldt Nabíl, "Vele avonden placht Mírzá Áqá Ján hen in zijn kamer te ontvangen, de deur te sluiten, talloze kamferkaarsen te ontsteken en voor hen hardop de zojuist geopenbaarde lofzangen en Tafelen te zingen, die in zijn bezit waren. Deze vergankelijke wereld volkomen vergetend, geheel opgenomen in een geestelijke sfeer, niet meer denkend aan de noodzaak van eten, drinken of slapen, werden zij plotseling gewaar, dat de nacht reeds dag was geworden, en dat de zon al bijna het zenith had bereikt."

Over bijzonderheden omtrent die historische verkondiging beschikken wij helaas nauwelijks. De woorden die Bahá'u'lláh bij die gelegenheid feitelijk heeft gebruikt; de wijze waarop Hij Zijn verkondiging deed; de reactie die het opwekte; het effect dat het had op Mírzá Yahyá; de namen van degenen die het voorrecht genoten Hem aan te horen, zijn zo in duister gehuld, dat de toekomstige historici dit met moeite zullen kunnen doorbreken. De fragmentarische beschrijving die Zijn kroniekschrijver Nabíl aan het nageslacht heeft nagelaten, is een van de heel weinige authentieke aantekeningen die wij bezitten van de gedenkwaardige dagen, die Hij in die tuin doorbracht. Nabíl verhaalt, "Iedere dag voor zonsopgang plachten de tuiniers de rozen langs de vier lanen in de tuin te vergaren en ze midden op de vloer van Zijn gezegende tent op te hopen. Op het uur, dat Zijn metgezellen in Zijn tegenwoordigheid hun ochtendthee kwamen drinken, was die stapel meestal reeds zo hoog, dat zij er niet overheen konden kijken. Al deze rozen placht Bahá'u'lláh iedere ochtend eigenhandig toe te vertrouwen aan enkele gelovigen, die Hij heenzond om ze uit Zijn naam aan Arabische en Perzische vrienden in de stad te brengen". "Op een nacht,"vervolgt hij, "de negende nacht van de wassende maan, hield ik de wacht bij Zijn gezegende tent. Tegen het middernachtelijk uur zag ik Hem uit Zijn tent komen, voorbij de plekken gaan waar enkele van Zijn metgezellen lagen te slapen, en langs de maanovergoten, met bloemen omzoomde lanen van de tuin op en neer lopen. Het gezang van de nachtegalen klonk zo luid, dat alleen degenen die vlak bij Hem waren Zijn stem duidelijk konden horen. Hij bleef op en neer lopen tot Hij, midden in een van de lanen stilhoudend, opmerkte, 'Aanschouw deze nachtegalen. Hun liefde voor de rozen is zo groot dat zij, zonder te slapen, van de avondschemer tot zonsopgang hun melodieën kwelen en zich met vurige hartstocht onderhouden met het voorwerp van hun aanbidding. Hoe dan kunnen zij die beweren ontvlamd te zijn door de roosachtige schoonheid van de Geliefde, verkiezen te slapen?' Drie nachten achtereen hield ik de wacht en liep de ronde om Zijn gezegende tent. Ieder keer als ik langs de bank kwam, waarop Hij lag, merkte ik dat Hij wakker was, en iedere dag zag ik Hem van deochtend tot de avond voortdurend in gesprek gewikkeld met de stoom bezoekers die vanuit Baghdád bleef komen. Niet eenmaal kon ik in Zijn woorden ook maar een spoor van geveinsdheid ontdekken".

Laat Bahá'u'lláh Zelf ons de grote betekenis van die verkondiging onthullen. Hij roept deze historische gebeurtenis uit als het "grootste Feest", de "koning der Feesten", het "feest van God" en heeft haar in Zijn Kitáb-i-Aqdas gekarakteriseerd als de Dag, waarop "al het geschapene in de zee van loutering werd gedompeld", terwijl Hij in een van Zijn Tafelen over dit onderwerp ernaar heeft verwezen als de Dag, waarop "de bries van vergeving over de gehele schepping werd geblazen". In een andere Tafel heeft Hij geschreven, "Verheug u met grote vreugde, o volk van Bahá, wanneer gij de Dag van hoogste gelukzaligheid gedenkt; de Dag, waarop de Tong van de Aloude der Dagen heeft gesproken, toen Hij Zijn huis verliet om naar de Plek te gaan vanwaar Hij over de gehele schepping de pracht van Zijn Naam, de Algenadige, uitstortte ... Als Wij de verborgen geheimen van die Dag onthulden, zouden allen die op aarde en in de hemel wonen wegkwijnen en sterven, behalve diegenen die door God, de Almachtige, de Alwetende, de Alwijze, worden gespaard. Het bedwelmende effect van de woorden van God op de Openbaarder van Zijn ontwijfelbare bewijzen is van dien aard, dat Zijn pen op het papier stokt". En verder, "De goddelijke Lentetijd is gekomen, O verhevenste Pen, want het Hoogtij van de Albarmhartige komt snel naderbij ... De dagster van gelukzaligheid schijnt boven de horizont van Onze naam, de Gelukzalige, aangezien het koninkrijk van de naam Gods is getooid met het versiersel van de naam van uw Heer, de Schepper der Hemelen ... Hoedt u, dat niets u weerhoudt de grootheid van deze Dag te verheerlijken - de Dag waarop de Vinger van majesteit en macht het zegel heeft verbroken van de Wijn van hereniging, en allen die in de hemelen en allen die op aarde zijn, heeft geroepen ... Dit is de Dag waarop de ongeziene wereld uitroept, 'Groot is uw zegening, o aarde, want gij werd gemaakt tot voetbank van uw God, en uitverkoren tot de zetel van Zijn machtige troon'... Zeg ... Hij is degene Die voor U het verborgen en kostbare Juweel heeft onthuld, zocht gij er slechts naar. Hij is de Ene Geliefde van alle dingen zij het van het verleden of van de toekomst". En verder, "Sta op en verkondig aan de gehele schepping de boodschap dat Hij die de Albarmhartige is, Zijn schreden heeft gericht naar de Ridván en daar is binnengetreden. Leid dan de mensen naar de tuin van verrukking, welke God tot de Troon van Zijn Paradijs heeft gemaakt ... Binnen dit Paradijs en vanuit de hoogten van de verhevenste vertrekken daarvan, hebben de maagden der hemels luide geroepen en gejuicht. Verblijdt u, gij bewoners van de rijken in den hoge, want de vingers van Hem Die de Aloude der Dagen is, luiden in de naam van de Alglorierijke de grootste Klok binnenin het hart der hemelen. De handen van milddadigheid hebben de kelk van eeuwig leven rondgedragen. Komt naderbij en drinkt met volle teugen."En tenslotte, "Vergeet de wereld der schepping, O Pen, en wend U naar het Aanschijn van Uw Heer, de Heer aller namen. Tooi dan de wereld met het ornament van de gunsten van Uw Heer, de Koning van eeuwigdurende dagen. Want Wij bespeuren de geur van de Dag, waarop Hij Die het verlangen is van alle volkeren, de pracht van het licht van Zijn onovertroffen namen heeft geworpen op de koninkrijken van het ongeziene en het geziene, en hen met de gloed van de hemellichten van Zijn meest genadige gunsten heeft omhuld - gunsten, die niemand kan schatten dan Hij Die de almachtige Beschermer is van de gehele schepping".

Bij het vertrek van Bahá'u'lláh uit de Tuin van Ridván op het middaguur van de 14e dag van Dhi'l-Qa'dih 1279 n.H. (3 mei 1863), speelden zich onstuimige tonelen af die niet minder opzienbarend waren, en zelfs nog ontroerender dan die bij Zijn afscheid uit het Grootste Huis in Baghdád. Een ooggetuige schrijft, "Bij die gelegenheid aanschouwden wij de grote opschudding die voor ons onverbrekelijk is verbonden met de Dag der Verzameling, de Dag des Oordeels. Zowel gelovigen als ongelovigen weenden en klaagden. De bevelhebbers en notabelen die waren samengekomen, waren sprakeloos van verbazing. Zo diep was alom de ontroering, dat geen pen die kan beschrijven en iedere toeschouwer erdoor werd meegesleept".

Gezeten op Zijn ros, een zogenaamde rode schimmel van het mooiste ras, de beste die Zijn Geliefden hadden kunnen kopen, en een buigende menigte van vurige bewonderaars achter Zich latend, begon de eerste fase van een reis die Hem naar Constantinopel zou voeren. Vele mensen aan beide kanten van de weg bogen hun hoofd diep in het stof voor de voeten van de hengst, kusten zijn hoeven, en ontelbaren drongen naar voren om de stijgbeugels te omhelzen. Een medereiziger getuigt, "Hoe groot was niet het aantal toegewijde mensen, dat zich voor dat edele paard wierp en liever de dood verkoos dan te worden gescheiden van hun Geliefde!. Het kwam mij voor dat dat gezegende paard op de lichamen van die zuivere zielen stapte". Bahá'u'lláh verklaarde Zelf, "Het was God Die Mij in staat stelde uit de stad te vertrekken, omhuld met zoveel majesteit dat niemand dan de loochenaar en de booraardige kon nalaten dit te erkennen". Deze bewijzen van hulde en toewijding bleven Hem omringen tot Hij in Constantinopel was aangekomen. Nabíl hoorde Mírzá Yahyá, die uit eigen vrije keuze zich te voet achter Bahá'u'lláh's rijtuig voortspoedde, op de dag van Zijn aankomst in diestad tegen Siyyid Muhammad zeggen, "Als ik niet verkozen had mij schuil te houden, en ik mijn identiteit had onthuld, dan zou de eer die Hem (Bahá'u'lláh) op deze dag te beurt is gevallen, ook mij gegolden hebben".

Dezelfde bewijzen van toewijding, die Bahá'u'lláh tijdens Zijn vertrek uit Zijn huis, en later uit de Tuin van Ridván waren getoond, werden herhaald toen Hij, op de 20e dag van Dhi'l-Qa'dih (9 mei 1863), vergezeld van Zijn gezinsleden en zesentwintig volgelingen uit Firayját, de eerste onderbreking tijdens die tocht, vertrok. Er werd een karavaan opgesteld van vijftig muilezels, met een bereden garde van tien soldaten met hun officier en zeven paar howdahs (draagstoelen), ieder met vier parasols erop; die richtte zijn koers in lichte etappes en in een tijdsruimte van honderdtien dagen, over de hooglanden en door de bergengten, bossen, dalen en weiden van het pittoreske landschap van oost Anatolië, naar de havenstad Sámsún aan de Zwarte Zee. Toen Hij met de lente mee noordwaarts reisde, de ene keer te paard, de andere keer uitrustend in de voor Hem gereserveerde howdah, werd Hij meestal omringd door Zijn metgezellen, waarvan de meesten de weg te voet aflegden. En dankzij de schriftelijke opdracht van Námiq Páshá werd Hem onderweg door de válís, de mutisarrifs, de qá'im-maqáms, de mudírs, de sjeiks, de muftís en qádís, de regeringsambtenaren en notabelen, die in die distrikten thuishoorden, een enthousiaste ontvangst bereid. In Karkúk, Irbíl en Mosul waar Hij drie dagen verbleef; in Nísíbín, Márdín en Díyar-Bakr waar men enkele dagen rust hield; in Khárpút en in Sívas alsook in andere dorpen en gehuchten, werd Hij vlak voor Zijn aankomst tegemoet gereden door een delegatie en werd bij Zijn vertrek weer enige kilometers vergezeld door een soortgelijke delegatie. De festiviteiten die op sommige plaatsen te Zijner ere werden aangericht, het voedsel dat de dorpelingen bereidden en Hem aanboden, en hun vurige verlangen om het Hem iedere keer weer naar de zin te maken, deden denken aan het eerbetoon dat het volk van Baghdád Hem bij zovele gelegenheden had bewezen.

De eerder genoemde medereiziger vertelt, "Toen wij die ochtend door Márdín kwamen, werden wij voorafgegaan door een bereden escorte van regeringssoldaten, die bij wijze van welkom vaandels droegen en de trommels sloegen. De mutisarrif begeleidde ons, samen met ambtenaren en notabelen, terwijl mannen, vrouwen en kinderen in drommen boven op de daken en in de straten op onze komst wachtten. Waardig en plechtstatig reden wij door die stad en vervolgden onze weg terwijl de mutisarrif met zijn gehele gevolg ons over een grote afstand escorteerde". Nabíl vermeldt in zijn relaas, "Naar wat wij uit het eenstemmige commentaar opmaakten van hen die wij tijdens die tocht ontmoetten, hadden deze mensen nog nooit eerder op deze weg, waarlangs geregeld gouverneurs en mushírs tussen Constantinopel en Baghdád heen en weer reisden, iemand opgemerkt die met zoveel staatsie reisde, zoveel gastvrijheid aan iedereen betoonde en een ieder zo zeer liet delen in Zijn overvloed". Toen Bahá'u'lláh, bij het naderen van de havenstad Sámsún, vanuit Zijn howdah de Zwarte Zee voor Zich zag liggen, openbaarde Hij op verzoek van Mírzá Áqá Ján een tafel, bekend als de Lawh-i-Hawdaj (Tafel van de Howdah); darin bevestigde Hij nogmaals de verschrikkelijke voorspellingen van de nog kort geleden geopenbaarde "Tablets of the Holy Mariner", met toespelingen in de zin van "de goddelijke toetssteen" en "het smartelijke en kwellende onheil".

In Sámsún kwam de hoofdinspecteur over de gehele provincie, die het gebied van Baghdád tot Constantinopel omvat, Hem in gezelschap van verscheidene pasjas bezoeken, betuigde Hem de diepste eerbied en onderhield zich met Hem tijdens de lunch. Maar zoals al was voorspeld in de "Tablet of the Holy Mariner"werd Hij zeven dagen later ingescheept op een Turkse stoomboot en drie dagen daarna samen met Zijn medeballingen tegen het middaguur van de eerste dag van Rabí'u'l-Avval 1280 n.H. (16 augustus 1863) in de haven van Constantinopel aan land gezet. In twee speciale rijtuigen die Hem bij de landingssteiger opwachtten, reden Hij en Zijn gezin naar het Huis van Shamsí Big, de ambtenaar die door de regering was aangesteld om de gasten te ontvangen en die in de nabijheid van de Khirqiy-i-Sharíf moskee woonde. Later werden zij overgebracht naar het gerieflijker huis van Vísí Páshá, in de omgeving van de moskee van Sultan Muhammad.

Mert de aankomst van Bahá'u'lláh in Constantinopel, de hoofdstad van het ottomaanse Rijk en de zetel van het kalifaat (door de Mohammedanen betiteld als "de Koepel van de Islam", maar door Bahá'u'lláh gebrandmerkt als de plek waarop de "troon van tiranie" was gevestigd), begon in feite het grimmigste en rampzaligste en toch het meest glorieuze hoofdstuk in de historie van de eerste Bahá'í eeuw.

Een periode, waarin ondenkbare ontberingen en ongehoorde beproevingen samengingen met de verhevenste geestelijke triomfen, nam nu een aanvang. De dagster van Bahá'u'lláh's beleid zou weldra het zenith bereiken. De belangrijkste jaren uit het heroïsche tijdperk van Zijn Beschikking waren aanstaande. Het catastrofale proces, dat reeds in het jaar zestig door Zijn Voorloper in de Qayyúmu'l-Asmá was aangekondigd, kwam nu in beweging.

Precies twintig jaar eerder was de Bábí Openbaring in Shíráz in het duistere Perzië geboren. Ondanks de wrede opsluiting die de Auteur vandie Openbaring had moeten ondergaan, had Hij Zijn verbijsterende aanspraken ten aanhoren van een aanzienlijk gezelschap in Tabríz, de hoofdstad van Ádhirbáyján, verkondigd. In het gehucht Badasht hadden de voorvechters van Zijn Zaak onbevreesd de Beschikking ingesteld, waarmee Hij Zijn geloof had ingeluid. Negen jaar later was die Openbaring in de hopeloos ellendige sfeer van de Síyáh-Chál in Tihrán snel en op geheimzinnge wijze plotseling tot rijpheid gekomen. Het proces van snelle achteruitgang van dat Geloof, dat eerst langzaam was ingezet maar zich schrikbarend had voortgezet gedurende de jaren van Bahá'u'lláh's afzondering in Kurdistán, was na Zijn terugkeer uit Sulaymáníyyih tot stilstand gebracht en ten goede gekeerd. Hij had nadien tijdens Zijn verblijf in Baghdád onbetwistbaar de ethische, morele leerstellige fundamenten gelegd van een ontluikende gemeenschap. En tenslotte was, zoals door een ondoorgrondelijke Voorzienigheid was beschikt, in de Tuin van Ridván aan de vooravond van Zijn verbanning naar Constantinopel een einde gekomen aan het tien jaar lange uitstel door de verkondiging van Zijn zending en het zichtbaar worden van de kern van een toekomstige, wereldomvattende broederschap. Wat nu nog moest worden bereikt, was de verkondiging van Adrianopel van genoemde zending aan de wereldlijke en geestelijke leiders der aarde, hetgeen in volgende decennia in de strafgevangenis van 'Akká zou worden gevolgd door een verdere ontvouwing van de beginselen en voorschriften, die er de grondslag van vormen. Dat zou gebeuren door de formulering van de wetten en verordeningen, die ontworpen waren om zijn onkreukbaarheid te waarborgen voor de vestiging van het Verbond, dat was bestemd om direct na Zijn heengaan de eenheid te bewaren en van blijvende invloed te zijn; dat zou ook gebeuren door de ongelooflijke, wereldomvattende uitbreiding van activiteiten, onder leiding van Ábdu'l-Bahá, het Middelpunt van het Verbond; en tenslotte in het vormende tijdperk van het Geloof, door de opkomst van het Bestuursstelsel, de voorbode van de gouden eeuw en toekomstige glorie.

Deze historische verkondiging werd gedaan op een tijdstip dat het Geloof de hevigste crisis doormaakte, en werd in hoofdzaak gericht tot de koningen der aarde en tot de leiders van de christelijke en moslem geestelijkheid, die uit hoofde van hun ontzaglijke macht en prestige een schrikwekkende en onontkoombare verantwoordelijkheid op zich namen voor de directe lotsbestemming van hun onderdanen en volgelingen.

Wij mogen er van uitgaan, dat de beginfase van deze verkondiging is aangevangen in Constantinopel met de brief (waarvan de tekst helaas niet in ons bezit is) door Bahá'u'lláh gericht aan Sultán 'Abdu'l-'Azíz,die zichzelf de plaatsvervanger noemde van de Profeet van de Islam en de absolute heerser was over een machtig rijk. Deze machtige, aanzienlijk persoon was de eerste soeverein ter wereld, die de goddelijke oproep ontving, en de eerste oosterse monarch die de schok van Gods vergeldende gerechtigheid kreeg te verduren. De aanleiding tot deze brief was het schandelijke bevelschrift van de Sultan om de bannelingen, minder dan vier maanden na hun aankomst in de hoofdstad, plotseling en zonder enige aanleiding in 't hartje van de winter en onder de vernederendste omstandigheden naar Adrianopel, de verste uithoek van zijn rijk, te zenden. Die noodlottige en smadelijke beslissing van de Sultan en zijn voornaamste ministers 'Alí Páshá en Fu'ád Páshá, was in niet geringe mate toe te schrijven aan de aanhoudende intriges van de Mushíru'd-Dawlih, Mírzá Husayn Khán, de Perzische ambassadeur bij de Verhevene Porte, - door Bahá'u'lláh minachtend betiteld als Zijn "lasteraar" - die de eerste de beste gelegenheid te baat nam om Hem en de Zaak, waarvan Hij thans de algemeen erkende Leider was, een gevoelige slag toe te brengen. Deze ambassadeur werd voortdurend door zijn regering aangespoord te volharden in zijn politiek om de vijandige gevoelens van de Turkse autoriteiten tegen Bahá'u'lláh aan te wakkeren. Hij werd hierin nog gesterkt door Bahá'u'lláh's weigering om de gangbare procedure te volgen, die gasten van de regering, hoe hoog ook in positie, in acht namen om bij hun aankomst in de hoofdstad een bezoek af te leggen bij de Shaykh'ul-Islám, de Sadr-i-A'zam en de Minister van Buitenlandse Zaken. Bahá'u'lláh bracht zelfs geen tegenbezoek aan de diverse ministers die Hem hadden bezocht, noch aan Kamál Páshá, noch aan een voormalige Turkse gezant aan het Perzische hof. Ook werd hij niet afgeschrikt door Bahá'u'lláh's rechtschapen en onafhankelijke houding, die zo scherp contrasteerde met de hebzucht van de Perzische prinsen die allen bij hun aankomst gewend waren aan "iedere deur zoveel vergoeding en giften aan te nemen als ze maar konden krijgen". Hij nam het Bahá'u'lláh kwalijk, dat Hij Zich zo onbereidwillig toonde om op de Perzische ambassade te verschijnen en een tegenbezoek bij diens vertegenwoordiger af te leggen; en bijgestaan door zijn medeplichtige, Hájí Mírzá Hasan-i-Safá, die hij opdroeg ongegronde praatjes over Hem rond te strooien, slaagde hij er door zijn officiële invloed en door zijn persoonlijke omgang met geestelijken, vooraanstaande personen en regeringsambtenaren in, om Bahá'u'lláh voor te stellen als een trots en arrogant mens, Die van Zichzelf vond dat Hij niet was onderworpen aan de wet; Die plannen ontwierp, die schadelijk waren voor ieder gevestigd gezag en Wiens vooruitstrevendheid te grote geschilpunten tussen Hemzelf en de Perzische regering had bevorderd.De Sultan was trouwens niet de enige die zulke snode plannen koesterde. Volgens 'Abdu'l-Bahá "veroordeelden en belasterden' ook anderen de bannelingen als "een onheil voor de gehele wereld", als "vernietigers van overeenkomsten en verdragen", als "verderfelijk voor alle landen" en "iedere denkbare straf en kastijding verdienend".

Niemand minder dan de zeer achtenswaardige zwager van de Sadr-i-A'zam werd belast met de taak om de Gevangene op de hoogte te stellen van het bevelschrift dat tegen Hem was uitgevaardigd - een bevelschrift dat in feite een verbond was van de Turkse en Perzische regeringen tegen een gemeenschappelijke tegenstander en dat tenslotte zulke tragische gevolgen zou hebben voor het sultanaat, het kalifaat en de Qájár dynastie. Toen Bahá'u'lláh had geweigerd audiëntie te verlenen aan de afgezant, had deze zich tevreden moeten stellen met het indienen van zijn kinderachtige opmerkingen en nietige argumenten aan 'Abdu'l-Bahá en Áqáy-i-Kalím, die waren afgevaardigd hem op te zoeken en aan wie hij mededeelde na drie dagen te zullen terugkomen om het antwoord op het hem overhandigde bevel in ontvangst te nemen.

Diezelfde dag openbaarde Bahá'u'lláh een Tafel, scherp veroordelend van toon, die Hij de volgende dag in een verzegelde enveloppe aan Shamsí Big toevertrouwde; hij kreeg de opdracht die aan 'Alí Páshá te overhandigen, met de mededeling dat God die had neergezonden. Shamsí Big vertelde later aan Áqáy-i-Kalím, "Ik weet niet, wat er in die brief stond, maar zodra de grootvizier hem had doorgelezen werd hij lijkbleek en maakte de opmerking 'Het lijkt wel of de Koning der Koningen zijn bevel heeft uitgevaardigd tegen zijn nederste vazal om hem tot de orde te roepen'. Zijn toestand was van dien aard dat ik mij uit zijn vertrek verwijderde". Toen Bahá'u'lláh commentaar gaf op het effect dat de Tafel had teweeggebracht, moet Hij gezegd hebben, "Welke actie de ministers van de Sultan ook tegen Ons instelden, nadat zij de inhoud ervan hadden vernomen, kan men niet als onrechtvaardig beschouwen. De acties echter, die ze vóór de lezing ervan bedreven, zijn niet te rechtvaardigen".

Die Tafel was volgens Nábil van een aanzienlijke lengte, begon met woorden die rechtstreeks tot de vorst waren gericht, berispte zijn ministers ernstig, bracht hun onvolwassenheid en onbekwaamheid naar voren en bevatte passages, waarin tot de ministers zelf het woord werd gericht en waarin zij stoutmoedig werden uitgedaagd en streng vermaand zich niet te beroemen op hun wereldse bezittingen, noch rijkdommen na te jagen, die de tijd hun onverbiddelijk zou ontnemen.

Aan de vooravond van Zijn vertrek dat bijna onmiddellijk volgde op de uitvaardiging van het bevelschrift aangaande Zijn verbanning, had Bahá'u'lláh een laatste en gedenkwaardig onderhoud met de eerder genoemde Hájí Mírzá Hasan-i-Safá, en zond de volgende boodschap naar de Perzische ambassadeur, "Wat voor goed heeft het U, en mensen zoals U, gedaan om jaar in jaar uit zovele onderdrukten te doden en hen zo talloze beproevingen te laten ondergaan, terwijl zij hondervoudig in aantal toenamen en gijzelf volledig verbijsterd bent, niet wetend hoe uw geest zich van die drukkende gedachte moet bevrijden ... Zijn Zaak gaat waarlijk ieder door u beraamd plan te boven. Weet althans zoveel: al zouden alle regeringen ter wereld zich verenigen en Mij, en allen die deze Naam dragen, van het leven beroven, dan nog zal dit goddelijke Vuur niet worden gedoofd. Zijn Zaak zal eerder alle koningen der aarde omvatten, ja zelfs alles wat uit water en klei is geschapen ... Wat Ons ook mag overkomen, groot zal Onze winst zijn en duidelijk het verlies dat zij zullen lijden".

Nadat de onvoorwaardelijke orders voor een onmiddellijk vertrek van de reeds tweemaal verdreven bannelingen waren gegeven, vertrokken Bahá'u'lláh, Zijn gezin en Zijn metgezellen op een koude decemberochtend op wagens en lastdieren, en met hun bezittingen opgestapeld op ossenkarren, uit Constantinopel. Vergezeld van Turkse officieren, en onder het geween van de achterblijvende vrienden, reisden zij twaalf dagen door een kaal en onherbergzaam land naar een stad die door Bahá'u'lláh was gekenschetst als "de plaats die niemand binnengaat dan dezulken die tegen het gezag van de vorst in opstand zijn gekomen". In de Súriy-i-Múlúk zegt Hij, "Zij verdreven Ons uit uw stad (Constantinopel) op zo'n vernederende wijze, dat geen vernedering op aarde daarmee kan worden vergeleken". Verder vermeldt Hij, "Noch Mijn gezin, noch degenen die Mij vergezelden, bezaten de benodigde kleding om zich tegen de vrieskou te beschermen". En verder, "Onze vijanden weenden over Ons en behalve zij ieder weldenkend mens". Nabíl klaagt, "Een verbanning, gedragen met zoveel zachtmoedigheid, dat de pen tranen vergiet als men erover schrijft, en het papier zich schaamt om de beschrijving ervan te dragen". Deze kroniekschrijver verteld ook, "Er heerste dat jaar zo'n intense kou, dat zelfs honderdjarigen zich iets dergelijks niet konden herinneren. In sommige streken in Turkije en Perzië werden dieren het slachtoffer van de strenge kou en kwamen om in de sneeuw. In Ma'dan-Nuqrih was de bovenloop van de Eufraat verscheidene dagen met ijs bedekt - een nog nooit eerder voorgekomen verschijnsel - terwijl in Díyár-Bakr de rivier veertig dagen zat dichtgevroren". Een van de bannelingen van Adrinopel vertelt, "Om water uit de bronnen te kunnen halen, moest men een groot vuur er vlakbij ontsteken en dat enige uren laten branden voor ze ontdooiden".

Reizende door regen en storm, soms zelfs bij nacht, arriveerden de vermoeide reizigers na een korte rust in Kúckik-Ckakmachíh, Búyúk-Chakmachíh, Salvarí, Birkás en Bábá-Ískí op hun bestemming, op de eerste dag van Rajab 1280 n. H. (12 december 1863), en werden ondergebracht in de Khán-i-'Arab, een karavanserai van twee verdiepingen, vlakbij het huis van 'Izzat-Áqá. Drie dagen later werd aan Bahá'u'lláh en Zijn gezin een huis toegewezen in de Murádíyyih-wijk, dicht bij de Takyiy-i-Mawlaví, dat alleen geschikt was voor bewoning in de zomer; na een week werden ze alweer overgebracht naar een ander huis in de buurt van een moskee in dezelfde wijk. Ongeveer zes maanden later werden zij naar een iets gerieflijker verblijf overgebracht, dat het huis van Amru'lláh ( huis van Gods opdracht ) werd genoemd, gelegen aan de noordzijde van de moskee van Sultán Salím.

Zo eindigt dan de ouverture van een zeer dramatische episode gedurende het beleid van Bahá'u'lláh. Nu wordt het doek opgehaald voor wat over het algemeen geldt als de rumoerigste en meest kritieke periode van de eerste Bahá'í eeuw - een periode die vooraf moest gaan aan de roemrijkste fase van dat beleid, de verkondiging van Zijn zending aan de wereld en haar heersers.

HOOFDSTUK X

De rebellie van Mírzá Yahyá en de verkondiging van Bahá'u'lláh's zending in Adrianopel

Een twintig jaar oud Geloof begon zich net te herstellen van een serie opeenvolgende slagen, toen een crisis van de eerste orde het overviel en het op zijn grondvesten deed wankelen. Noch de tragische marteldood van de Báb, noch de heilloze aanslag op het leven van de Sjah, noch de bloedige nasleep daarvan, noch Bahá'u'lláh's vernederende verbanning uit Zijn geboorteland, of zelfs Zijn twee jaar durende afzondering in Kurdistán konden, hoe verschrikkelijk hun gevolgen ook waren, worden vergeleken met de ingrijpendheid van de eerste grote interne schok, toegebracht aan een zojuis herrezen gemeenschap, die een onherstelbare breuk dreigde te veroorzaken onder zijn leden. Het monsterachtige gedrag van Mírzá Yahyá, een van Bahá'u'lláh's halfbroers, plaatsbekleder van de Báb en erkend hoofd van de Bábí gemeenschap, bracht een periode van ontberingen teweeg, die een halve eeuw lang een stempel drukte op het Geloof, en die verfoeilijker was dan de meedogenloze vijandschap van Abú-Jajl, de oom van Muhammad; beschamender dan het verraad van Jesus Christus door Zijn discipel Judas Iscariot; verraderlijker dan het gedrag van Jacobs zoons ten opzichte van hun broer Josef; afschrikwekkender dan de daad van een van Noachs zoons; schandelijker zelfs dan de misdaad door Kaín aan Abel begaan. Deze hevige crisis beschreef Bahá'u'lláh als de Ayyám-i-Shidád (dagen van spanning), gedurende welke "de smartelijkste sluier" aan stukken was gereten, en de "grootste afscheiding" onherroepelijk had plaatsgevonden. Deze crisis bevredigde en verstoutte in hoge mate Zijn vijanden van buitenaf en gaf hun iedere denkbare aanleiding tot onverholen spot. Het bracht de vrienden en aanhangers van Bahá'u'lláh geheel van hun stuk en berokkende in de ogen van de westerse bewonderaars ernstige schade aan het aanzien van het Geloof. Het had al sinds de eerste dagen van Bahá'u'lláh's verblijf in Baghdád gebroeid, was tijdelijk onderdrukt door de scheppende krachten die onder Zijn toen nog niet verkondigde leiderschap een uit elkaar geslagen gemeenschap nieuw leven had ingeblazen, en brak tenslotte in alle hevigheid los in de jaren onmiddelllijk voor de verkondiging van Zijn Boodschap. Het bezorgde Bahá'u'lláh onnoemelijk leed, deed Hem zichtbaar verouderen en bracht Hem door de terugslag ervan de hevigste slag toe die Hij ooit gedurende Zijn leven had moeten verduren. De zaak was in alle facetten op touw gezet met de slinkse intriges en ononderbroken kuiperijen van de duivelse Syyid Muhammad, die ingemene fluisteraar die, tegen het advies van Bahá'u'lláh in, er op had gestaan Hem naar Constantinopel en Adrianopel te vergezellen en die zich nu met niet verslappende waakzaamheid dubbel inspande de crisis tot een climax te brengen.

Mirzá Yahyá had sinds de terugkeer van Bahá'u'lláh uit Sulaymáníyyih steeds verkozen om zich of op te houden in de weinig verheven afzondering van zijn eigen huis, of zich, zodra gevaar dreigde, terug te trekken naar veiliger plaatsen zoals Hillih en Basra. Naar de laatste stad was hij, vermomd als een Jood uit Baghdád, gevlucht om daar in schoenen te gaan handelen. Zijn angst was zo groot, dat hij eens gezegd moet hebben, "Wie ter wereld beweert dat hij mij heeft gezien, of mijn stem heeft gehoord, verklaar ik voor een ongelovige". Toen men hem had verteld, dat Bahá'u'lláh's vertrek naar Constantinopel aanstaande was, had hij zich aanvankelijk schuil gehouden in de tuin van Huvaydar, even buiten Baghdád, om te overdenken of het niet raadzaam zou zijn de wijk te nemen naar Abessinië, India of een ander land. Niet van zins om Bahá'u'lláh's raad op te volgen en naar Perzië te gaan om daar de geschriften van de Báb te verspreiden, zond hij een zekere Hájí Muhammad Kázim die veel op hem leek, naar het regeringsgebouw om voor hem een paspoort te bemachtigen op naam van Mírzá 'Alíy-i- Kirmán sháhí, verliet Baghdád met achterlating van de geschriften en ging, vermomd en vergezeld van een Arabische Bábí genaamd Záhir, naar Mosul waar hij zich bij de bannelingen voegde die op weg waren naar Constantinopel.

Mírzá Yahyá was voortdurend getuige geweest van de steeds groter wordende aanhankelijkheid en verbazingwekkende verering van de bannelingen voor Bahá'u'lláh; hij was zich terdege bewust hoe hoog zijn Broeders populariteit was gestegen, eerst in Baghdád, daarna tijdens Zijn reis naar Constantinopel en later in verband met Zijn betrekkingen met de notabelen en gouverneurs in Adrianopel; hij was vertoornd door de veelvuldige blijken van moed, waardigheid en onafhankelijkheid welke die Broeder aan de dag legde in Zijn omgang met de autoriteiten in de hoofdstad; was geprikkeld door de talloze Tafelen die de Auteur van een nieuw gevestigde Beschikking onophoudelijk had geopenbaard; hij liet zich steeds maar weer beetnemen door de verlokkende vooruitzichten op onbeperkt leiderschap die hem door Siyyid Muhammad, de antichrist van de Bahá'í Openbaring, werden voorgespiegeld, net zoals Muhammad Sháh was misleid door de antichrist van de Bábí Openbaring, Hájí Mírzá Áqásí; hij weigerde om door vooraanstaande leden van de gemeenschap te worden vermaand hun schriftelijke raadgevingen op te volgen om wijsheid en zelfbeheersing te betrachten; hij legde de goedheid en de raadgevingen van Bahá'u'lláh naast zich neer Die als dertien jaar oudere vanaf zijn prille jeugd tot aan zijn mannelijkheid over hem had gewaakt; werd aangemoedigd door het alvergoelijkend oog van zijn Broeder Die bij zovele gelegenheden zijn vele wandaden en onbezonnenheden met de mantel der liefde had bedekt - en nu werd deze aartsverbreker van het Verbond van de Báb, gedreven door een groeiende jaloezie en een hartstochtelijke drang naar leiderschap, aangezet tot daden die het daglicht niet konden verdragen.

Onherroepelijk bedorven door zijn constante betrekkingen met Siyyid Muhammad, de levende belichaming van goddeloosheid, hebzucht en bedrog, had hij reeds tijdens Bahá'u'lláh's afwezigheid uit Baghdád, en zelfs na Zijn terugkeer uit Sulaymáníyyih, de annalen van het Geloof met onuitwisbare schanddaden besmeurd. De tientallen gevallen van vervalsing die hij aanbracht in de tekst van de geschriften van de Báb; zijn godslasterlijke toevoeging aan de formule van de adhán door het aanbrengen van een passage, waarin hij zichzelf identificeerde met de Godheid; zijn ingelaste verwijzingen in deze geschriften naar een erfopvolging, waarin hij zichzelf en zijn nakomelingen benoemde tot rechtmatige opvolgers van de Báb; zijn weifeling en apathie bij het bericht van de tragische dood van zijn Meester; zijn veroordeling tot de dood van alle Spiegels van de Bábí Beschikking, hoewel hij zelf een van die Spiegels was; zijn lafhartige daad met als gevolg de moord op Dayyán, de man die hij vreesde en benijdde; zijn laaghartigheid om tijdens Bahá'u'lláh's afwezigheid uit Baghdád de sluipmoord op Mírzá'Alí-Akbar, een neef van de Báb, te bewerkstelligen; en het afschuwelijkste van alles, zijn bijzonder weerzinwekkende schending van de eer van de Báb in diezelfde periode - al deze dingen worden, zoals bevestigd door Áqáy-i-Kalím, en door Nabíl vastgelegd in zijn verslag, in een nog schriller daglicht geplaatst door nog meer wandaden die hij beschreef, en waarmee hij zijn eigen ondergang onafwendbaar bezegelde.

Vertwijfelde plannen om Bahá'u'lláh en Zijn metgezellen te vergiftigen en daarmee zijn eigen niet meer bestaande leiderschap tot nieuw leven te brengen, begonnen ongeveer een jaar na hun aankomst in Adrianopel in zijn gemoed te gisten. Zeer wel op de hoogte van de kennis die zijn halfbroer, Áqáy-i-Kalím, bezat in zaken betreffende geneesmiddelen, kwam hij onder het mom van allerlei verzinsels verduidelijking vragen over het effect van bepaalde kruiden en vergiften. Hij begon toen, geheel tegen zijn gewoonte in, Bahá'u'lláh bij hem thuis uit te nodigen, waar hij op een dag Zijn theekopje besmeerde met een substantie die hij had gebrouwen, en slaagde er op die manier in Hem zodanig te vergiftigen dat Hij een maand lang zwaar ziek was, hevige pijnen leed en hoge koorts had. Als gevolg hiervan bleef Bahá'u'lláh tot het einde van Zijn leven een bevende hand houden. Zijn toestand was zo ernstig, dat een buitenlandse dokter, Shíshmán, werd geroepen. Deze was zo ontzet door Bahá'u'lláh's lijkbleke kleur, dat hij Zijn geval als hopeloos bestempelde en, na voor Hem te zijn neergevallen, zich zonder een medicijn voor te schrijven uit Zijn tegenwoordigheid verwijderde. Een paar dagen later werd de dokter ziek, en stierf. Vóór het bekend worden van diens dood had Bahá'u'lláh iets laten doorschemeren, dat dokter Shíshmán zijn leven voor Hem had opgeofferd. De dokter had tegen Mírzá Áqá Ján die door Bahá'u'lláh naar hem was toegestuurd, gezegd dat God zijn gebeden had verhoord en dat na zijn dood een zekere Dr. Chúpán, die hij als betrouwbaar kende, in zijn plaats moest worden geroepen indien dat nodig was.

Bij een andere gelegenheid had, volgens een van zijn vrouwen die hem tijdelijk had verlaten en die de bijzonderheden van de bovengenoemde wandaad had onthuld, Mírzá Yahyá de bron vergiftigd die het gezin en de metgezellen van Bahá'u'lláh van water voorzag, waarna zich bij de bannelingen vreemde ziekteverschijnselen voordeden. Aan een van de metgezellen, Ustád Muhammad-'Alí-i-Salmání, de barbier, die hij met vele gunsten had overladen,had hij zelfs geleidelijk en met grote omzichtigheid als zijn wens te kennen gegeven, dat hij Bahá'u'lláh bij een voorkomende gunstige gelegenheid, bijvoorbeeld als hij Hem met Zijn bad aan het helpen was, moest vermoorden. In Adrianopel vertelde Áqáy-i-Kalím dit voorval aan Nabíl: "Ustád Muhammad-'Alí was zo woedend geworden toen hem dit voorstel werd gedaan, dat hij een sterke behoefte gevoelde Mírzá Yahyá ter plaatse te doden, en hij zou het hebben gedaan als hij niet bang was geweest om zich Bahá'u'lláh's misnoegen op de hals te halen. Ik was toevallig de eerste die hem tegen het lijf liep toen hij huilend uit de badkamer kwam... ik slaagde er tenslotte na veel overreding in hem naar de badkamer terug te laten gaan en zijn onvoltooide taak af te maken". Ofschoon hij daarna van Bahá'u'lláh opdracht kreeg deze gebeurtenis aan niemand bekend te maken, was de barbier niet in staat er over te zwijgen en hij verbrak de geheimhouding, waardoor hij de gemeenschap zeer in verwarring bracht. Bahá'u'lláh bevestigt Zelf,"Toen het geheim dat hij (Mírzá Yahyá) zorgvuldig in zijn hart had bewaard door God openbaar werd gemaakt, ontkende hij een dergelijke bedoeling en beschuldigde deze bediende (Ustád Muhammad-'Alí).

Voor Hem Die zo kort geleden zowel mondeling als in talloze Tafelen de betekenis van Zijn aanspraken had geopenbaard, was nu het moment aangebroken om formeel de plaatsbekleder van de Báb op de hoogte te brengen van de aard van Zijn zending. Mírzá Áqá Ján werd bijgevolg opgedragen de zojuist onthulde Súriy-i-Amr, die genoemde aanspraken onmiskenbaar bevestigde, naar Mírzá Yahyá te brengen, de inhoud ervan hardop aan hem voor te lezen en een rechtstreeks en afdoend antwoord te eisen. Mírzá Yahyá's verzoek om één dag respijt om over zijn antwoord te kunnen nadenken, werd hem toegestaan. Het enige antwoord dat er echter kwam, was een tegenverklaring, waarin hij precies het uur en de minuut noemde waarop hij de ontvanger was geworden van een onafhankelijke Openbaring, waarbij hij de noodzaak onderstreepte van de onvoorwaardelijke onderwerping aan hem van alle volkeren der aarde in oost en west.

Deze onbeschaamde bewering, gedaan door de perfide tegenstander aan de afgezant van de Drager van een dusdanig belangrijke Openbaring, werd het sein tot de openlijke en uiteindelijke breuk tussen Bahá'u'lláh en Mírzá Yahyá, een breuk die een van de donkerste momenten in de Bahá'í geschiedenis aangeeft. Met als enige wens om de felle animositeit die in de gemoederen van Zijn vijanden oplaaide tot bedaren te brengen, en om ieder van de bannelingen geheel de vrije keus te geven tussen hen en Hemzelf, trok Bahá'u'lláh Zich met Zijn gezin (op de 22e Shavvál 1282 n.H.) terug in het huis van Ridá Big, dat in Zijn opdracht was gehuurd, en weigerde twee maanden lang iedere omgang met vriend of vreemdeling, met inbegrip van Zijn eigen metgezellen. Hij gelastte Áqáy-i-Kalím al het meubilair, beddegoed, kleding en huisraad dat in Zijn huis te vinden was, in tweeën te verdelen en de helft ervan naar het huis van Mírzá Yahyá te sturen, aan hem bepaalde reliquieën zoals de zegels, ringen en manuscripten in het handschrift van de Báb, die hij al zo lange tijd had begeerd, af te geven en hem de verzekering te geven dat hij zijn volle deel zou krijgen van de toelage die door de regering was vastgesteld voor het onderhoud van de bannelingen en hun gezinnen. Bovendien gaf Hij Áqáy-i-Kalím nog de aanwijzing dat Mírzá Yahyá iedere dag enige uren een van de metgezellen mocht vragen om boodschappen voor hem te doen, en hem te verzekeren dat alles war er voortaan op zijn naam uit Perzië zou binnenkomen, aan hem zou worden overhandigd.

Áqáy-i-Kalím moet aan Nabíl verteld hebben, "Die dag waren wij getuige van een zeer grote beroering. Alle kameraden treurden om hun scheiding van de Gezegende Schoonheid". En een van de metgezellen schrijft,"Deze dagen waren gekenmerkt door tumult en verwarring. Wij waren volkomen uit het veld geslagen en wij waren erg bang, dat wij voor altijd de genade van Zijn tegenwoordigheid zouden moeten ontberen".

Deze smart en verbijstering zouden echter van korte duur zijn. De laster, waarvan zowel Mírzá Yahyá als Siyyid Muhammads brieven vol stonden en die zij in Perzië en Irak verspreidden, alsook de verzoekschriften, gesteld in kruiperige taal, die eerstgenoemde aan Khurshíd Páshá, de gouverneur van Adrianopel, en aan zijn assistent, 'Azíz Páshá, had gericht, dwongen Bahá'u'lláh ertoe Zijn afzondering op te geven. Hij kwam er spoedig daarna achter, dat Mírzá Yahyá een van zijn vrouwen naar het regeringsgebouw had gestuurd om erover te klagen, dat haar man al zijn rechten waren ontnomen en dat haar kinderen op de rand van de hongerdood leefden - een beschuldiging die wijd en zijd werd verspreid, Constantinopel bereikte en daar tot Bahá'u'lláh's diepe droefheid het onderwerp werd van verhitte discussies en beledigende commentaren in kringen die tevoren diep onder de indruk waren gekomen van het hoge peil van Zijn edel en waardig gedrag dat in die stad als voorbeeld had gediend. Siyyid Muhammad reisde naar de hoofdstad, verzocht de Perzische ambassadeur, de Mushíru'd-Dawlih, om Mírzá Yahyá en hemzelf een jaarwedde toe te kennen, beschuldigde Bahá'u'lláh ervan een agent te hebben gestuurd om Násiri'd-Dín Sháh te vermoorden en liet geen gelegenheid voorbijgaan Hem Die zo lange tijd geduld met hem had gehad en stilzwijgend alle snoodheden had verduurd, met smaad en laster te overladen.

Na ongeveer een jaar in het huis van Ridá Big te hebben gewoond, keerde Bahá'u'lláh terug naar het huis dat Hij vóór Zijn afzondering had bewoond, en van daaruit verwisselde Hij na drie maanden Zijn verblijfplaats voor het huis van 'Izzat Áqá, waar Hij bleef wonen tot Zijn vertrek uit Adrianopel. In dat huis, in de maand Jamádíyu'l-Avval 1284 n.H. (september 1867), gebeurde er iets zo belangrijks, dat het Mírzá Yahyá en zijn aanhangers volledig uit het veld sloeg, en waardoor aan vriend en vijand Bahá'u'lláh's overwinning duidelijk werd. Een zekere Mír Muhammad, een Bábí uit Shíráz, die zeer gebelgd was over de aanspraken en de laffe afzondering van Mírzá Yahyá, slaagde erin bij Siyyid Muhammad te bereiken, dat hij een ontmoeting met Bahá'u'lláh zelf zou hebben, zodat er in het openbaar een onderscheid kon worden gemaakt tussen waarheid en leugen. In zijn dwaasheid ervan uitgaande dat zijn doorluchtige Broeder nimmer op een dergelijk voorstel zou ingaan, koos Mírzá Yahyá de moskee van sultán Salím uit als de plaats, waar zij elkaar zouden ontmoeten. Zodra Bahá'u'lláh echter over deze afspraak was ingelicht, ging Hij meteen te voet, op het heetst van de dag, en in gezelschap van Mír Muhammad, naar de eerdergenoemde moskee die in een afgelegen deel van de stad lag.Terwijl Hij over de straten en marktplaatsen liep, zong Hij verzen met een stemgeluid en op een manier, die velen die Hem zagen en hoorden, zeer verraste. Enkele van de woorden die Hij bij die gedenkwaardige gelegenheid sprak, zoals Hij Zelf in een Tafel getuigt, luidden, O Muhammad! Hij Die de Geest is, heeft zich waarlijk uit Zijn verblijfplaats begeven, en met Hem zijn de zielen van Gods uitverkorenen en de werkelijkheden van Zijn Boodschappers naar buiten getreden. Aanschouw dan, de bewoners van de gebieden in den hoge boven Mijn hoofd, en alle getuigenissen van de Profeten in Mijn hand. Zeg: zouden alle godsgeleerden, alle wijzen, alle koningen en heersers op aarde tezamen komen, zo zou Ik hen, in waarheid, het hoofd bieden en hun de verzen van God, de hoogste Heer, de Almachtige, de Alwijze, verkondigen. Ik ben Degene Die niemand vreest, al zouden allen die in de hemel, en allen die op aarde zijn, tegen Mij opstaan... Dit is Mijn hand die God rein heeft doen worden ten aanschouwen van alle werelden. Dit is Mijn staf; zou Ik hem neerwerpen dan zou hij waarlijk al het geschapene verzwelgen".

Mír Muhammad die vooruit was gezonden om Bahá'u'lláh's komst aan te kondigen, kwam spoedig terug en bracht Hem de boodschap dat de man die zijn autoriteit had willen betwisten, nu met het oog op onvoorziene omstandigheden het onderhoud een dag of twee wenste uit te stellen. Na Zijn thuiskomst openbaarde Bahá'u'lláh een Tafel, waarin Hij schreef wat er was gebeurd, het uur aangaf voor het uitgestelde onderhoud, de Tafel met Zijn zegel verzegelde en deze daarna aan Nabíl toevertrouwde en hem opdracht gaf die bij een van de nieuwe gelovigen, Mullá Muhammad-i-Tabrízí, af te geven ter kennisgeving aan Siyyid Muhammad die een geregelde klant was in de winkel van die gelovige. Er werd afgesproken om van Siyyid Muhammad, voor de overhandiging van de Tafel, een verzegeld briefje te eisen, waarin Mírzá Yahyá werd verzocht om, indien het hem niet mogelijk was op de afgesproken plaats te verschijnen, schriftelijk te bevestigen dat zijn aanspraken vals waren. Siyyid Muhammad beloofde dat hij het gevraagde document de volgende dag zou overleggen, en ofschoon Nabíl drie dagen achtereen in die winkel op antwoord wachtte, verscheen de siyyid niet, en werd door hem ook geen bericht gezonden. Nabíl bevestigt drieëntwintig jaar later in zijn kronieken, bij de beschrijving van dit historische voorval, dat die nimmer afgegeven Tafel nog steeds in zijn bezit was "zo fris als de dag waarop de Grootste Tak het had geschreven en met het zegel van de Aloude Schoonheid getooid", een tastbaar en onweerlegbaar bewijs van Bahá'u'lláh's erkende overwicht over een totaal versalgen tegenstander.

Bahá'u'lláh's reactie op deze zeer rampspoedige episode van Zijn beleid kwam, zoals reeds werd opgemerkt, tot uitdrukking in intense smart. Met betrekking tot deze verraderlijke vijanden schreef Hij, "Hij, dien Ik maanden en jaren opvoedde met liefdevolle hand, is opgestaan om Mij naar het leven te staan". En, "De wreedheden die Mij door Mijn onderdrukkers werden aangedaan, hebben Mijn rug gebogen en Mijn haren wit doen worden. Mocht gij voor Mijn troon verschijnen, dan zoudt gij de Aloude Schoonheid niet herkennen, want Zijn frisse gelaatskleur is veranderd en de levendigheid ervan is weggevaagd door de verdrukking van de trouwelozen". "Bij God!" roept Hij uit, "er is geen plek op Mijn lichaam die niet is aangeraakt door de speren van uw gekonkel". En nog eens, "Gij hebt tegen uw Broeder bedreven wat geen mens een ander heeft aangedaan". En verder heeft Hij nog gezegd. "Wat er uit uw pen is gevloeid, heeft gemaakt dat de Aangezichten van Heerlijkheid zich in het stof moesten werpen, heeft de sluier van grootheid in het verheven paradijs vaneengescheurd, en heeft het hart der uitverkorenen, gezeten op de hoogste zetels, uiteengereten". En toch verzekert in de Kitáb-i- Aqdas een vergevingsgezinde Heer deze broer, deze, 'bron van verdorvenheid","uit wiens ziel de winden van hartstocht waren opgestoken en over hem hadden geblazen", om, "niet bevreesd te zijn vanwege uw daden," verzoekt hem "nederig, onderdanig en deemoedig tot God weder te keren" en verzekert dat "Hij van u de zonde zal wegnemen", en dat, "uw Heer de Vergevende is, de Machtige, de Algenadige".

Het "grootste idool" was op last en door de kracht van de Oorsprong van de grootste gerechtigheid uit de gemeenschap van de Grootste Naam gestoten, was vervloekt, verafschuwd en gebroken. Nu Gods jonge Geloof van deze bezoedeling was schoongewassen en van deze afschuwelijke druk was bevrijd, kon het zich thans een weg banen en, de beroering die het geschokt had ten spijt, zijn capaciteiten tonen om verder te strijden, hogere doelen te bereiken en grotere overwinningen te behalen.

Er moet worden erkend dat er een tijdelijke breuk was geweest in de gelederen van de aanhangers. De roem was verduisterd geweest en de annalen zouden voor altijd een zwarte bladzijde vertonen. De naam kon echter niet worden uitgewist, de geest was verre van gebroken, noch kon dit zogenaamde schisma de structuur ervan aantasten. Het Verbond van de Báb, waarover reeds is gesproken, met zijn onveranderlijke waarheden, onomstotelijke profetieën en herhaalde waarschuwingen waakte over dat Geloof, waarbij het zijn volstrekte zuiverheid bewees, zijn onkreukbaarheid duidelijk aantoonde en zijn invloed deed voortduren.

Hoewel Hij diep gebukt ging onder het leed, en Hij de uitwerking van de aanslag op Zijn leven nog niet te boven was, en hoewel Hij zich zeer wel bewust was van een eventuele op handen zijnde verbanning, verrees Bahá'u'lláh desondanks - onversaagd door de slag die Zijn Zaak had getroffen of de gevaren die haar omringden, en zelfs voor men die beproeving geheel te boven was gekomen - met weergaloze kracht om de zending die Hem was toevertrouwd te verkondigen aan diegenen in oost en west, die de teugels van het hoogste wereldlijke gezag in handen hadden. De zon van Zijn Openbaring was, door middel van deze verkondiging, bestemd om in zijn grootste pracht te schijnen en in Zijn Geloof de volheid van zijn goddelijke macht te manifesteren.

Er brak een periode van wonderbaarlijke activiteit aan, die, door het terugkaatsende effect, de eerste jaren van Bahá'u'lláh's beleid verre te boven gingen. Een ooggetuige heeft geschreven, "Dag en nacht regenden de goddelijke verzen in zo grote getale neer, dat het onmogelijk was ze op te schrijven. Mírzá Áqá Ján schreef ze op zoals ze werden gedicteerd, terwijl de Grootste Tak voortdurend bezig was ze over te schrijven. Er was geen minuut te verliezen". Nabíl getuigt: "Een aantal secretarissen was dag en nacht bezig, en toch konden zij deze taak niet aan. Een van hen was Mírzá Báqir-i-Shírází.... Hij alleen al copieerde niet minder dan tweeduizend verzen per dag. Hij werkte er zes of zeven maanden aan. Iedere maand schreef hij het equivalent van verscheidene boekdelen over en zond ze naar Perzië. Ongeveer twintig delen, geschreven in zijn prachtige schoonschrift, liet hij als aandenken na aan Mírzá Áqá Ján". Bahá'u'lláh heeft met betrekking tot de verzen die Hij openbaarde geschreven, "De uitstortingen... uit de wolken van goddelijke Milddadigheid zijn van dien aard, dat binnen de tijd van een uur het equivalent van duizend verzen is geopenbaard". "De genade in deze tijd is zo groot dat, kon er een amanuensis worden gevonden die dat kon uitvoeren, het equivalent van de Perzische Bayán in één enkele dag en nacht uit de hemel van goddelijke heiligheid zou zijn neergezonden". In een ander verband bevestigde Hij, "Ik zweer bij God! In die dagen is het equivalent van alles wat voordien aan de Profeten is neergezonden, geopenbaard". Met betrekking tot de overvloed van Zijn geschriften verklaarde Hij, "Wat reeds in dit land is geopenbaard, kunnen de secretarissen niet overschrijven. Om die reden is het grootste deel niet in gewoon schrift overgebracht".

Reeds midden in die rampzalige crisis en zelfs voordat die zijn hoogtepunt bereikte, stroomden talloze Tafelen uit de pen van Bahá'u'lláh, waarin alles wat in Zijn zojuist bevestigde aanspraken besloten lag, volledig werd uiteengezet. De Súriy-i-Amr, de Lawh-i-Nuqtih, de Law-i-Ahmad, de Súriy-i-Asháb, de Lawh-i-Sayyáh, de Súriy-i-Damm, de Súriy-i-Hajj, de Lawhu'r-Rúh, de Lawhu'r-Ridván, de Lawhu't-Tuqá behoorden tot de Tafelen die Zijn Pen reeds hadden opgeschreven toen Hij in het huis van 'Izzat Áqá ging wonen. Bijna onmiddellijk nadat de "grootste afscheiding" had plaats gehad, waren de belangrijkste Tafelen met betrekking tot Zijn verblijf in Adrianopel geopenbaard. De Súriy-i-Múlúk (brieven aan de koningen), de allerbelangrijkste Tafel die Bahá'u'lláh openbaarde, waarin Hij Zich voor de eerste keer collectief richt tot alle monarchen in oost en west, en waarin Hij de sultan van Turkije en zijn ministers, de christelijke koningen, de franse en Perzische ambassadeurs, geaccrediteerd bij de Verhevene Porte, de geestelijke leiders van de Islam in Constantinopel, de geleerden en de bewoners van die stad, het Perzische volk en de filosofen in de wereld ieder afzonderlijk toesprak; de Kitáb-i-Badí, Zijn apologie om de beschuldigingen van Mírzá Mihdíy-Rashtí te weerleggen en die overeenstemt met de inhoud van de Kitáb-i-Íqán, het boek dat Hij schreef ter verdediging van de Bábí Openbaring; de Munájátháy-i-Síyám (gebeden voor de vasten) waarin Hij vooruitloopt op Zijn wetboek; de eerste Tafel aan Napoleon III, waarin Hij de keizer der Fransen toespreekt en de oprechtheid van zijn beweringen op de proef stelt; de Lawh-i-Sultán, Zijn breedvoerige epistel aan Násiri'd-Din Sháh, waarin Hij de doelstellingen en beginselen van Zijn Geloof uiteenzet en de geldigheid van Zijn zending aantoont; de Súriy-i-Ra'ís, waaraan Hij op Zijn reis naar Gallipoli in Káshánih begon en die Hij korte tijd later in Gyáwur-Kyuy beëindigde - deze moeten niet alleen worden beschouwd als de opzienbarendste van de ontelbare Tafelen die Hij in Adrianopel openbaarde, maar tevens een eerste plaats innemen onder alle geschriften van de Auteur van de Bahá'í Openbaring.

In de Súriy-i-Múlúk, Zijn boodschap aan de koningen der aarde, ontvouwt Bahá'u'lláh de aard van Zijn zending; spoort hen aan Zijn Boodschap te aanvaarden; bevestigt de rechtgeldigheid van de Openbaring van de Báb; berispt hen om hun onverschilligheid voor Zijn Zaak; draagt hun op rechtvaardig en waakzaam te zijn om hun geschillen bij te leggen en hun bewapening in te krimpen; weidt uit over Zijn beproevingen; beveelt de armen in hun zorgen aan; waarschuwt hen dat "goddelijke kastijding" hen "van alle kanten" zal "overvallen" indien zij weigeren Zijn raadgevingen in acht te nemen en voorspelt Zijn "overwinning op aarde", al zou er geen koning zijn die zijn gelaat naar Hem wendt.

Bahá'u'lláh berispt de christelijke koningen in diezelfde Tafel nog meer in het bijzonder, daar zij in gebreke zijn gebleven Hem te "verwelkomen", en Hem te "naderen" Die de "Geest der waarheid" is, en volharden in het zich vermaken met hun "zinloos tijdverdrijf en hersenschimmen", en verkondigt hun dat zij "ter verantwoording" zullen worden geroepen voor hun daden "in de aanwezigheid van Hem Die de gehele schepping om Zich heen verzamelt".

Hij gelast Sultán 'Abdu'l-'Azíz te "luisteren naar de toespraak van Hem Die zonder falen het rechte pad betreedt": vermaant hem de belangen van zijn volk persoonlijk te behartigen en niet zijn vertrouwen te stellen in onwaardige ministers; waarschuwt hem zich niet op zijn schatten te verlaten, noch "de grenzen van matigheid te overschrijden", en met "onwrikbare rechtvaardigheid" zijn onderdanen te behandelen; en stelt hem op de hoogte van de overstelpende last van Zijn eigen beproevingen. In diezelfde Tafel verklaart Hij Zijn onschuld en betuigt Zijn loyaliteit tegenover de Sultan en zijn ministers; en geeft hem de verzekering van Zijn gebeden te zijner gunste.

Zoals in de Súriy-i-Ra'ís is vastgelegd zond Hij deze Sultan vanuit Gallilopi bovendien een mondelinge boodschap via een Turkse officier, genaamd 'Umar, met het verzoek Hem een onderhoud van tien minuten toe te staan, "opdat hij kon vragen wat volgens hem een afdoend bewijs is om de waarachtigheid van Hem Die de Waarheid is, aan te tonen", er aan toevoegend dat "zo God Hem in staat zou stellen dat bewijs te leveren, hij dan deze verguisden kon vrijlaten en hen met rust kon laten".

Tot Napoleon III richtte Bahá'u'lláh een speciale Tafel die door een van de franse gezanten aan de Keizer was doorgezonden, waarin Hij uitweidde over de beproevingen die Hijzelf en Zijn volgelingen hadden doorstaan; hun onschuld beleed; hem aan de twee uitspraken herinnerde ten behoeve van de verdrukten en hulpelozen; hem opriep, in Zijn verlangen de zuiverheid van zijn motieven op de proef te stellen, om "navraag te doen naar de toestand van dezulken, wie onrecht was aangedaan", en "te zorgen voor de zwakken", en Hem en Zijn medebannelingen te bezien "met het oog van goedertierenheid".

Aan Násiri'd-Dín Sháh openbaarde Hij een Tafel, het langste epistel dat Hij aan een enkele soeverein stuurde, waarin Hij getuigde van de weergaloos ernstige moeilijkheden die Hem hadden getroffen; in herinnering bracht dat de vorst Hem aan de vooravond van Zijn vertrek naar Irak onschuldig had verklaard; hem bezwoer rechtvaardig te regeren; Gods opdracht aan hem beschreef om op te staan en Zijn Boodschap te verkondigen; de onbaatzuchtigheid van Zijn raadgevingen bevestigde; Zijn geloof in de eenheid van God en in Zijn Profeten verkondigde; verscheidene gebeden uitsprak ten behoeve van de Sjah; Zijn eigen optreden in Irak verdedigde; de nadruk legde op de weldadige invloed van Zijn leringen, en in het bijzonder Zijn veroordeling van iedere vorm van geweld en onrust beklemtoonde en bovendien in die Tafel de geldigheid van Zijn zending aantoonde; de wens uitsprak om "van aangezicht tot aangezicht te komen met de godgeleerden van die dagen om in het bijzijn van Zijne Malesteit bewijzen en getuigenissen te leveren", hetgeen de waarheid van Zijn Zaak zou bevestigen; de verdorvenheid aan de kaak stelde van de geestelijke leiders in Zijn eigen tijd, alsook ten tijde van Jezus Christus en Muhammad; profeteerde dat Zijn lijden gevolgd zou worden door de "uitstortingen van een verheven genade", en van een "overvloedige voorspoed"; een parallel trok tussen de beproevingen die Zijn familie had ondergaan met die welke de familieleden van de profeet Muhammad hadden verdragen; uitweidde over de onbestendigheid van de menselijke aangelegenheden; de stad beschreef waarheen Hij binnenkort zou worden verbannen; de toekomstige vernedering voorspelde van de 'ulamás; en eindigde met het uitspreken van de hoop dat de vorst door God gesteund mocht worden om "Zijn Geloof te helpen en zich tot Zijn gerechtigheid te wenden".

Tot 'Alí Páshá, de grootvizier, richtte Bahá'u'lláh de Súriy-i-Ra'ís. Daarin zegt Hij hem "te luisteren naar de stem van God"; verklaart Hij dat noch zijn "gebrom", noch het "geblaf" van diegenen die zich om hem heen bevinden, noch de "heirlegers van de wereld" de Almachtige ervan kunnen weerhouden Zijn doel te bereiken; beschuldigt hem ervan die dingen te hebben bedreven die er de oorzaak van zijn dat "de Apostel van God in het verhevenste paradijs weeklaagt", en dat hij met de Perzische ambassadeur heeft samengezworen Hem kwaad te doen; voorzegt Hij "de uitgesproken ellende" waarin hij zich spoedig zal bevinden; verheerlijkt Hij de Dag van Zijn eigen Openbaring; voorspelt dat deze Openbaring "eerlang de wereld en alles wat daarin leeft zal omvatten" en dat het "Land van Mysterie (Adrianopel) en wat erbij hoort, de koning zal ontvallen, er opstanden zullen komen, de stem van weeklacht zal opklinken en men overal onheilstekenen zal waarnemen", stelt deze Openbaring gelijk aan de Openbaringen van Jezus en Mozes; roept de "aanmatiging" in de herinnering van de Perzische keizer in de dagen van Muhammad, de "goddeloosheid" van Nimrod in de dagen van Abraham; en kondigt Zijn plan aan "de wereld tot nieuw leven te brengen en alle volkeren te verenigen".

In de Súriy-i-Múlúk berispt Hij de ministers van de Sultan voor hun gedrag in passages waarin Hij de oprechtheid van hun beginselen betwist, voorzegt dat zij gestraft zullen worden voor hun daden, veroordeelt hun trots en onrechtvaardigheid, betuigt Zijn eigen onkreukbaarheid en Zijn onthechting van de ijdelheden der wereld en verklaart Zijn onschuld.

De franse ambassadeur, geaccrediteerd bij de Verhevene Porte, berispt Hij in dezelfde súriy voor het feit, dat hij met de Perzische ambassadeur tegen Hem heeft samengespannen; herinnert hem aan de raadgevingen van Jezus Christus, zoals die in het Evangelie van Johannes zijn vermeld; waarschuwt hem dat hij aansprakelijk zal worden gesteld voor de dingen die zijn handen hebben gewrocht; en geeft hem de raad, evenals Hij dat aan zijnsgelijken doet, niemand zo te behandelen als hij Hem heeft behandeld.

In diezelfde Tafel richt Hij zich uitvoerig tot de Perzische ambassadeur in Constantinopel; daarin toont Hij diens bedrog en laster aan, veroordeelt zijn onrechtvaardigheid en de onrechtvaardigeheid van zijn landgenoten, verzekert hem dat Hij geen wrok tegen hem koestert, verklaart dat, indien hij de snoodheid van zijn daden niet inziet, hij de rest van zijn levensdagen zal treuren, zegt dat hij tot zijn dood in zijn onachtzaamheid zal volharen, verdedigt Zijn eigen optreden in Tihrán en Irak, en getuigt van de corruptie van de Perzische gezant in Baghdád en van diens heimelijke verstandhouding met hem.

Eveneens in de Súriy-i-Múlúk richt Hij een speciale boodschap tot de ganse schare geestelijke leiders van de Sunní Islam in Constantinopel; daarin beschuldigt Hij hen van onachtzaamheid en geestelijke dood; berispt hen om hun hoogmoed en hun verzuim Zijn tegenwoordigheid te zoeken; ontsluiert voor hen de volle glorie en betekenis van Zijn zending; verzekert hun dat hun leiders, zo zij nog leefden "om Hem heen gecirkeld"zouden hebben; veroordeelt hen als "aanbidders van namen" en liefhebbers van leiderschap; en belijdt, dat God niets van hen zal aanvaarden tenzij zij in Zijn ogen "nieuw worden".

De laatste passages van de Súriy-i-Múlúk wijdt Hij aan de wijsgeren van Constantinopel en van de gehele wereld; daarin waarschuwt Hij hen niet hoogmoedig te zijn voor God; onthult hun de kern van ware wijsheid; legt de nadruk op het belang van geloof en een rechtschapen levenswandel; berispt hen dat zij geen verlichting bij Hem hebben gezocht; en raadt hun aan niet de "grenzen van God te overschrijden" en evenmin hun blik te richten op "'s mensen gewoonten en hebbelijkheden".

Aan de inwoners van Constantinopel verklaart Hij, ook in die tafel, dat Hij "niemand vreest dan God", dat Hij "niet spreekt tenzij naar Zijn (Gods) gebod", dat Hij niets volgt dan Gods waarheid, dat Hij de bestuurders en vroede vaderen van de stad aantrof als "kinderen die bijeenzaten en zich vermaakten met klei", en dat Hij niemand had ontdekt die rijp genoeg was zich de waarheden eigen te maken die God Hem had geleerd. Hij draagt hun op zich stipt te houden aan de voorschriften van God; waarschuwt hen niet hoogmoedig te zijn voor God en Zijn geliefden; brengt de rampspoeden in herinnering en weidt uit over de deugden van de Imám Husayn; bidt dat Hij Zelf soortgelijke beproevingen mag ondergaan; profeteert dat God weldra een volk zal doen opstaan dat uitvoerig van Zijn moeilijkheden zal verhalen en Zijn rechtsherstel zal eisen van Zijn onderdrukkers; en doet een beroep op hen naar Zijn woorden te luisteren, tot God weer te keren en berouw te tonen.

En tenslotte verzekert Hij het volk van Perzië dat Hij in diezelfde Tafel toespreekt, dat al zouden zij Hem ter dood brengen, God zeker Iemand in Zijn plaats zal doen opstaan, en bevestigt, dat de Almachtige "Zijn licht zal vervolmaken", hoewel zij het diep in hun hart verafschuwen.

Deze uiterst belangrijke verkondiging, gedaan door de Drager van zo'n verheven Boodschap in zo'n kritieke periode, en gericht aan zowel de moslem als de christelijke koningen, aan gezanten en ambassadeurs, aan de geestelijke leiders van de Sunní Islam, aan de wijsgeren en de inwoners van Constantinopel - de zetel van het sultanaat en het kalifaat - aan de filosofen in de wereld en aan het volk van Perzië, moet niet worden beschouwd als de enige opmerkelijke gebeurtenis die samenvalt met Bahá'u'lláh's verblijf in Adrianopel. Andere ontwikkelingen en gebeurtenissen van grote, zij het minder grote, betekenis moeten op deze bladzijden worden vermeld, als wij tenminste de juiste waarde willen toekennen aan deze roerige en belangrijkste fase van Bahá'u'lláh's beleid.

In deze periode, en als direct gevolg van de rebellie en de afschuwelijke ondergang van Mírza Yahyá, verbonden zich bepaalde discipelen van Bahá'u'lláh (die gerekend mogen worden tot de "schatten" die Hem door God waren toegezegd toen Hij in ketenen geslagen in de Síyáh Chál in Tihrán lag) om het zojuist geboren Geloof te verdedigen. Onder deze "schatten' bevonden zich een van de Letters van de Levende, enkele overlevenden van de strijd in Tabarsí, en de geleerde Mírzá Ahmad-i-Azghandí, en zij weerlegden in talloze uitgewerkte apologieën - in de geest zoals hun Meester dat in de Kitáb-i-Badí' had gedaan - de argumenten van Bahá'u'lláh's tegenstanders en stelden hun verfoeilijke daden aan de kaak. Juist in deze periode werden de grenzen van het Geloof verruimd nadat de banier voorgoed in de Kaukasus was geplant door toedoen van Mullá Abú-Tálib en anderen die door Nabíl waren bekeerd; nadat het eerste centrum in Egypte was opgericht in de tijd van Siyyid Husayn-i-Káshání en Hájí Báqir-i-Káshání zich in dat land vestigden; en nadat aan Irak, Turkije en Perzië die reeds door de eerste stralen van Gods Openbaring waren verwarmd en verlicht, Syrië werd toegevoegd. Tevens werd in deze periode de oude begroeting "Allah-u-Akbar" vervangen door de groet "Allah-u-Abhá" die tegelijkertijd in Perzië en Adrianopel in gebruik werd genomen. De eerste die deze groet op aanraden van Nabíl in Perzië bezigde was Mullá Muhammad-i-Fúrúghí, een van de verdedigers van het fort Shaykh Tabarsí. In deze periode ook werd de uitdrukking "het volk van de Bayán" afgeschaft, waarmee nu de volgelingen van Mírza Yahyá werden aangeduid; ze werd vervangen door de term "het volk van Bahá". In deze dagen verrees Nabíl - kort tevoren in een speciaal aan hem opgedragen Tafel vereerd met de titel Nabíl-i- A'zam, waarin hem tevens werd opgedragen de "Boodschap" van zijn Heer "naar oost en west uit te dragen" - om, ondanks steeds weer oplaaiende vervolgingen, de "smartelijkste sluier" vaneen te rijten, de liefde van een aanbeden Meester in het hart van zijn landgenoten te zaaien en voor de Zaak op te komen die zijn Geliefde onder zulke tragische omstandigheden had verkondigd. En ook in deze dagen instrueerde Bahá'u'lláh Nabíl om, wanneer hij het huis van de Báb in Shíráz en het Grootste Huis in Baghdád ging bezoeken, namens Hem de twee zojuist geopenbaarde Tafelen van de Bedevaart te reciteren en in Zijn plaats de daarin voorgeschreven riten uit te voeren - een feit dat een van de heiligste vieringen inluidt, en later in de Kitáb-i-Aqdas formeel zou worden vastgelegd. En in deze periode openbaarde Bahá'u'llláh ook de "gebeden voor de vasten', daarmee vooruitlopend op de wet die in voorgenoemd Boek van kracht zou worden. In de dagen van Bahá'u'lláh's verbanning naar Adrianopel richtte Hij eveneens een Tafel tot Mullá 'Alí-Akbar-i-Shahmírzádí en Jamal-i-Berújirdí, twee welbekende volgelingen in Tihrán, waarin Hij hun de opdracht geeft om onder volstrekte geheimhouding de stoffelijke resten van de Báb uit de Imám-Zádih Ma'súm naar een andere, veiliger plaats over te brengen - een opdracht die naderhand providentieel zou blijken te zijn en die beschouwd mag worden als weer een mijlpaal op de lange en moeizame weg om deze stoffelijke resten naar de berg Karmel over te brengen, naar de plek die Hij in Zijn latere instructies aan 'Abdu'l-Bahá nader zou aanwijzen. In deze periode werd de Súriy-i-Ghusn (Tafel van de Tak) geopenbaard, waarin de toekomstige staat van 'Abdu'l-Bahá wordt aangegeven, en waarin hij wordt geprezen als de "Tak van heiligheid", de "Tak van de wet van God", het "pand van God", "op aarde verschenen in de vorm van een menselijk tempel"; deze Tafel mag men beschouwen als de voorbode van de rang die hem in de Kitáb-i-Aqdas zou worden verleend, en die later in het Boek van zijn Verbond zou worden toeglicht en bevestigd.En tenslotte werden in die periode de eerste pelgrimstochten, gemaakt naar de verblijfplaats van Hem Die thans het zichtbare Middelpunt was van een zojuist gevestigd Geloof. Deze pelgrimstochten, eerst vanwege hun aantal en aard door een gealarmeerde regering in Perzië beperkt en later geheel verboden, waren nog maar de voorlopers van de naar een punt samenstromende volgelingen die, uit het oosten en het westen, en aanvankelijk onder gevaarlijke en moeilijke omstandigheden hun schreden naar de strafgevangenis in 'Akká zouden richten - pelgrimstochten ook, die hun hoogtepunt vonden in de historische aankomst van een koninklijke volgelinge aan de voet van de berg Karmel die, toen zij tenslotte deze zozeer verbeide bedevaart zou aanvangen, zo wreed werd verhinderd haar doel te bereiken.

Deze opmerkelijke ontwikkelingen, waarvan enkele samenvielen met, en andere het gevolg waren van de verkondiging van het Geloof van Bahá'u'lláh, en ook van de interne beroering in de Zaak, ontgingen niet aan de aandacht van de externe vijanden van die Beweging, die vastbesloten waren op een gegeven moment iedere crisis die door de onbezonnenheid van de vrienden of de trouweloosheid van de afvalligen zou ontstaan, tot het uiterste uit te buiten. De zware wolken waren nog maar nauwelijks verdreven door het plotselinge doorbreken van de stralen van de Zon die nu zijn hoogste punt had bereikt, of de duisternis van een volgende catastrofe viel over het Geloof, de laatste die de Stichter daarvan moest doormaken; deze verduisterde het firmament en was aanleiding voor een van de zwaarste beproevingen die het tot nog toe had gekend.

Aangemoedigd door de recente beproevingen waaraan Bahá'u'lláh zo wreed was blootgesteld, begonnen de vijanden die zich tijdelijk rustig hadden gehouden, opnieuw en op allerlei manieren hun latente en zoet gekoesterde animositeit te tonen. De vervolgingen die de ene keer heviger waren dan de andere, begonnen weer in verscheidene landen uit te breken. In Ádhirbáyján en Zanján, Níshápúr en Tihrán werden de aanhangers van het Geloof gevangen gezet, gehoond, strafbaar gesteld, gemarteld of ter dood gebracht. Van deze slachtoffers mag met name worden genoemd de onversaagde Najaf-'Alíy-i-Zanjání, een overlevende van de strijd in Zanján, die wordt vermeld in de "Epistle to the Son of the Wolf"; hij vermaakte eerst het goud dat hij nog in zijn bezit had aan zijn beul, waarop men hem luide "Ya Rabbíya'l-Abhá" hoorde roepen voor hij werd onthoofd. In Egypte ontfutselde een inhalige, boosaardige consul-generaal ongeveer honderdduizend túmáns aan een rijke Perzische volgeling, genaamd Hájí Abdu'l-Qásim-i-Shírází; arresteerde Hájí Mírzá Haydar-'Alí en zes medegelovigen en bewerkstelligde hun veroordeling tot een negenjarige verbanning in Khartúm, onder verbeurdverklaring van alle geschriften die zij in hun bezit hadden; en wierp toen Nabíl in de gevangenis die door Bahá'u'lláh naar de khedive was gezonden om als hun pleitbezorger op te treden. In Baghdád en Kázimayn onderwierpen onvermoeibare vijanden, wachtend op een geschikte gelegenheid, Bahá'u'lláh's trouwe aanhangers aan een wrede en onterende behandeling; reten 'Abdu'r-Rasúl-i-Qumí op barbaarse wijze de buik open toen hij bij het krieken van de dag bezig was water uit de rivier in een leren zak naar het Grootste Huis te dragen, en verjoegen onder het gehoon en de bespottingen van het publiek ongeveer zeventig metgezellen, waaronder vrouwen en kinderen, naar Mosul.

Niet minder actief waren, Mírzá Husayn-Khán, de Mushíru'd-Dawlih, en zijn bondgenoten die, vastbesloten het volle profijt te trekken uit Bahá'u'lláh's nieuwe moeilijkheden, samenspanden om Zijn vernietiging te bewerkstelligen. De autoriteiten in de hoofdstad waren vertoornd dat de gouverneur Muhammad Pásháy-i-Qibrisí, een voormalige grootvizier, en zijn opvolgers Sulaymán Páshá van de Qádiríyyih Orde, en vooral Khurshíd Páshá die Bahá'u'lláh bij vele gelegenheden openlijk had bezocht, Hem zoveel eerbied betoonden, Hem gastvrij ontvingen gedurende de dagen van Ramadán en een vurige bewondering aan de dag legden voor 'Abdu'l-Bahá. Zij waren heel goed op de hoogte van de uitdagende toon die Bahá'u'lláh in enkele van Zijn zojuis geopenbaarde Tafelen had gebruikt, en waren zich terdege bewust van de onbestendige toestand in hun eigen land. Zij waren verontrust door het voortdurend komen en gaan van pelgrims in Adrianopel en door de overdreven verslagen van Fu'ád Páshá die onlangs op een inspectiereis door die stad was gekomen. De verzoekschriften van Mírza Yahyá, die hen via zijn agent Siyyid Muhammad bereikten, hadden hen bijzonder geprikkeld. Anonieme brieven (geschreven door dezelfde siyyid en door een medeplichtige, Áqá Ján, in dienst bij de Turkse artillerie) die de geschriften van Bahá'u'lláh in een kwalijk daglicht plaatsten en waarin zij Hem ervan beschuldigden met bulgaarse aanvoerders en bepaalde gezanten van Europese mogendheden te hebben samengezworen om met behulp van eneke duizenden van Zijn volgelingen Constantinopel te veroveren, hadden hen met ontsteltenis vervuld. En nu, aangemoedigd door de tweespalt binnen het Geloof, en geïrriteerd door de klaarblijkelijke waardering die de consuls van buitenlandse mogendheden in Adrianopel aan Bahá'u'lláh betoonden, besloten zij onmiddellijk ingrijpende maatregelen te nemen, die het Geloof zouden uitroeien, zijn Auteur zouden afzonderen en Hem machteloos zouden maken. De onbezonnenheid van enkele al te ijverige volgelingen die in Constantinopel waren aangekomen,.verergerden ongetwijfeld een reeds kritieke situatie.

Tenslotte nam men het noodlottige besluit Bahá'u'lláh naar de strafgevangenis van 'Akká, en Mírza Yahyá naar Famagusta op Cyprus te verbannen. Deze beslissing was vervat in een farmán die door Sultán 'Abdu'l-'Azíz in krachtige bewoordingen was opgesteld. De metgezellen van Bahá'u'lláh, die in de hoofdstad waren aangekomen, werden samen met enkelen die zich later bij hen hadden gevoegd, alsmede Áqá Ján, de beruchte onruststoker, gearresteerd, ondervraagd, beroofd van hun papieren en in de gevangenis geworpen. De leden van de gemeenschap in Adrianopel werden verscheidene malen bij het regeringsgebouw ontboden om hun aantal vast te stellen, terwijl er geruchten in omloop werden gebracht dat zij zouden worden verstrooid en naar verschillende plaatsen zouden worden verbannen, of in het geheim ter dood gebracht.

Op een ochtend werd plotseling het huis van Bahá'u'lláh door soldaten omsingeld, werden er schildwachten aan de poorten geplaatst en werden Zijn volgelingen andermaal bij de autoriteiten ontboden, ondervraagd, en opgedragen zich gereed te maken voor vertrek. Bahá'u'lláh's getuigenis in de Súriy-i-Ra'ís luidt, "De geliefden van God en Zijn verwanten kregen de eerste avond geen voedsel ... De mensen omringden het huis, en Moslems en Christenen weenden om Ons ... Wij merkten op dat het geween van het volk des Zoons (Christenen) het geween van anderen overstemde - een aanwijzing voor hen die nadenken". Áqá Rídá, een van de dapperste aanhangers van Bahá'u'lláh, die de gehele ballingschap van Baghdád tot 'Akká met Hem meemaakte, schrijft, "Er ontstond grote beroering onder de mensen, allen waren van streek gebracht en diep bedroefd ... Sommigen uitten hun medeleven, anderen troostten en beweenden ons ... Bijna al onze bezittingen werden voor de helft van hun waarde geveild". Enkele consuls van vreemde mogendheden brachten Bahá'u'lláh een bezoek en gaven uitdrukking aan hun bereidheid om te Zijnen behoeve hun respectieve regeringen tussenbeide te laten komen, voorstellen waarvoor Hij Zijn erkentelijkheid betuigde, maar die Hij beslist van de hand wees. Zelf heeft Hij geschreven, "De consuls in die stad (Adrianopel) kwamen bij deze Jongeman bijeen op het uur van Zijn vertrek en gaven als hun wens te kennen Hem te willen helpen. Waarlijk, zij bewezen Ons duidelijk hun genegenheid".

De Perzische ambassadeur lichtte de Perzische consuls in Irak en Egypte meteen in, dat de Turkse regering de bescherming voor de Bábís had ingetrokken en dat zij vrij waren hen te behandelen naar eigen goeddunken. Intussen waren verscheidene pelgrims - onder wie Hájí Muhammad Isma'íl-i-Káshání die in de Lawh-i-Ra'ís Anís wordt genoemd - in Adrianopel aangekomen; zij moesten naar Gallipoli doorreizen, zonder zelfs het gelaat van hun Meester te hebben aanschouwd. Twee van de metgezellen werden gedwongen zich van hun vrouwen te laten scheiden, daar hun verwanten hun niet toestonden in ballingschap te gaan. Khurshíd Páshá die reeds verscheidene malen categorisch de schriftelijke beschuldigingen die hem door de gezagsdragers in Constantinopel waren toegezonden, terzijde had gelegd en die ten gunste van Bahá'u'lláh krachtig tussenbeide was gekomen, werd door de maatregelen van zijn regering zo in verlegenheid gebracht, dat hij besloot weg te gaan toen hij over Baháú'lláh's aanstaande vertrek uit de stad werd ingelicht, en hij gaf de griffier bevel Hem de strekking van het bevelschrift van de Sultan mede te delen. Hájí Ja'far-i-Tabrízí, een van de gelovigen, sneed zich met een scheermes de keel door, toen hij ontdekte dat zijn naam niet voorkwam op de lijst van bannelingen die Bahá'u'lláh mochten vergezellen; men kon echter tijdig voorkomen dat hij een einde aan zijn leven maakte - een daad die Bahá'u'lláh in de Súrih-i-Ra'ís kenmerkt als "nog niet voorgekomen in vroeger eeuwen", en wat "God heeft bewaard voor deze Openbaring als een bewijs voor Zijn kracht en Zijn macht".

Op de tweeëntwintigste dag van de maand Rabí'u'th-Thání 1285 n. H. (12 augustus 1868) begaven Bahá'u'lláh en Zijn gezin zich onder escorte van een Turkse kapitein, Hasan Effendi, en enkele soldaten die door het plaatselijke bestuur waren aangesteld, op weg voor hun vierdaagse reis naar Galipoli; zij reden in rijtuigen en hielden onderweg halt in Uzún-Kúprú en Káshánih; in laatstgenoemde plaats werd de Súriy-i-Ra'ís geopenbaard. Een ooggetuige schrijft, "De bewoners van de wijk waar Bahá'u'lláh had gewoond en de buren die samen waren gestroomd om afscheid van Hem te nemen, kwamen, de een na de ander, ten diepste bedroefd Zijn handen en de zoom van Zijn kleed kussen, daarbij hun leedwezen betuigend over Zijn vertrek. Het was wel een vreemde dag. Naar het mij voorkomt beweenden de stad, de muren en poorten het naderende afscheid van Hem" Een andere ooggetuige schrijft, "Op die dag verzamelde zich een wonderbaarlijke schare Moslems en Christenen bij het huis van onze Meester. Het uur van vertrek was een gedenkwaardig moment. De meesten weenden en weeklaagden, vooral de Christenen". Bahá'u'lláh verklaart in de Súriy-i-Ra'ís, "Zeg: deze Jongeman is uit dit land vertrokken en heeft onder iedere boom en iedere steen een pand achtergelaten dat God eerlang openbaar zal maken door de kracht der waarheid".

Verscheidene metgezellen die uit Constantinopel naar Gallipoli waren gebracht, wachtten daar op Hem. Bij Zijn aankomst deed Bahá'u'lláh de volgende uitspraak tegen Hasan Effendi die afscheid kwam nemen nu hij zich van zijn plicht had gekweten, "Zeg tegen de koning, dat dit gebied hem zal ontvallen en dat zijn staatszaken hem uit de hand zullen lopen". De verslaggever van dat tafreel, Áqá Ridá, heeft geschreven, "Hieraan voegde Bahá'u'lláh nog toe, 'Niet Ik spreek deze woorden, maar God spreekt ze'. In die momenten sprak Hij verzen uit, die wij beneden konden opvangen. Ze werden met zoveel vuur en kracht uitgesproken, dat zelfs de grondvesten van het huis beefden, naar het mij voorkwam".

Zelfs in Gallipoli waar men drie nachten doorbracht, wist niemand wat Bahá'u'lláh's bestemming zou zijn. Sommigen geloofden, dat Hij en Zijn broeders samen naar één plaats zouden worden verbannen en de overigen hier en daar verspreid in ballingschap zouden worden gezonden. Anderen dachten dat Zijn metgezellen naar Perzië zouden worden teruggezonden, terwijl weer anderen hun spoedige ondergang verwachtten. Het oorspronkelijke bevel van de regering was om Bahá'u'lláh, Áqáy-i-Kalím en Mírzá Muhammad-Qulí met een bediende naar 'Akká te zenden, terwijl de rest naar Constantinopel zou moeten doorreizen. Deze order, die taferelen van onbeschrijflijke smart teweegbracht, werd echter op aandringen van Bahá'u'lláh, en door het ingrijpen van 'Umar Effendi, een majoor die was aangesteld om de bannelingen te vergezellen, ingetrokken. Tenslotte werd besloten, dat alle bannelingen, ongeveer zeventig in getal, naar 'Akká zouden worden verbannen. Er werden bovendien instructies gegeven, dat een bepaald aantal aanhangers van Mírza Yahyá, onder wie Siyyid Muhammad en Aqá Ján, deze bannelingen zouden vergezellen, terwijl vier van Bahá'u'lláh's metgezellen werd opgedragen met de Azalís naar Cyprus te vertrekken.

De gevaren en beproevingen die Bahá'u'lláh bij het begin van Zijn vertrek uit Gallipoli te wachten stonden, waren zo groot, dat Hij Zijn metgezellen waarschuwde dat "deze tocht geheel anders zal zijn dan de vorige" en dat wie zich niet "mans genoeg" voelde "de toekomst onder ogen te zien" beter "ergens anders heen kan vertrekken om behoed te worden voor beproevingen, daar het hem hierna niet meer mogelijk zal zijn weg te gaan"- een waarschuwing waarop Zijn metgezellen eenparig weigerden in te gaan.

Op de ochtend van de tweede dag van Jamádíyu'l-Avval 1285 n.H. (21 augustus 1868) scheepten zij zich allen in op een oostenrijkse Lloyd stoomboot met bestemming Alexandrië; onderweg deed men Madellí aan en bleef twee dagen in Smyrna, waar Jináb-i-Munír, bijgenaamd Ismu'lláhu'l-Muníb, ernstig ziek werd en tot zijn grote droefheid moest worden achtergelaten in een ziekenhuis, waar hij weldra stierf. In Alexandrië stapten zij over op een stoomboot van dezelfde maatschappij, met bestemming Haifa, waar zij, na korte onderbrekingen in Port Saïd en Jaffa, landden; een paar uur later vertrokken zij in een zeilboot naar 'Akká, waar zij in de loop van de namiddag van de 12e dag van Jamádíyu'l-Avval 1285 n.H. (31 augustus 1868) voet aan wal zetten. Op het moment dat Bahá'u'lláh in de boot stapte die Hem naar de landingssteiger in Haifa zou brengen, wierp 'Abdu'l-Ghaffár, een van de vier metgezellen die veroordeeld was de ballingschap met Mírza Yahyá te delen en wiens "onthechting, liefde en vertrouwen in God" Bahá'u'lláh zeer had geprezen, zich in wanhoop in zee onder het roepen van "Yá Bahá'u'l-Abhá"; hij kon met de grootste moeite gered en tot bewustzijn worden gebracht, slechts om daarna door onvermurwbare ambtenaren te worden gedwongen zijn reis met Mírza Yahyá's gezelschap naar zijn oorspronkelijke bestemming voort te zetten.

HOOFDSTUK XI
Bahá'u'lláh's opsluiting in 'Akká

De aankomst van Bahá'u'lláh in 'Akká is het begin van het laatste stadium van Zijn veertig jaar lange beleid, de slotfase en in wezen de climax van een verbanning waarin dat gehele beleid zich afspeelde: een verbanning die Hem aanvankelijk in de onmiddellijke nabijheid bracht van de bolwerken van de Shi'ah orthodoxie en later in aanraking bracht met hun voornaamste vertegenwoordigers. In een latere periode werd Hij naar de hoofdstad van het ottomaanse Rijk gevoerd, waar Hij Zijn zeer belangrijke verklaringen deed, gericht aan de Sultan, zijn ministers en de geestelijke leider van de Sunní Islam, die er nu aan meewerkten dat Hij op de kust van het Heilige Land werd ontscheept, het Land dat door God aan Abraham was beloofd, dat was geheiligd door de Openbaring van Mozes, de eer ontving dat het leven en werken van de hebreeuwse aardvaders, rechters, koningen en profeten zich daar afspeelde, geëerbiedigd als de bakermat van het Christendom, en als de plaats waar Zoroaster volgens 'Abdu'l-Bahá "had gesproken met enkele van de Profeten van Israël", en door de Islam werd verbonden met de nachtelijke tocht van de Apostel, door de zeven hemelen, naar de troon van de Almachtige. De banneling van Baghdád, Constantinopel en Adrianopel was veroordeeld niet minder dan eenderde van de Hem toegewezen tijd van Zijn leven, en meer dan de helft van Zijn beleidsperiode door te brengen binnen de grenzen van dit heilige en benijdenswaardige land, "de verblijfsplaats van alle Profeten Gods", het "dal dan Gods onnaspeurlijke gebod, de sneeuwblanke plek, het land van nimmer verwelkende pracht". 'Abdu'l-Bahá verklaart, "Het is moeilijk te begrijpen doe Bahá'u'lláh verplicht kon worden Perzië te verlaten en Zijn tent op te zetten in dit Heilige Land, ware het niet vanwege de vervolging door Zijn vijanden, Zijn verbanning en ballingschap".

In feite, verzekert Hij ons, was deze vervulling "twee- of drieduizend jaar tevoren bij monde van de Profeten" "geopenbaard en het goede nieuws gegeven dat de Heer der Heerscharen in het Heilige Land geopenbaard zou worden". Jesaja had in dit verband in zijn Boek aangekondigd, "Klim op een hoge berg, vreugdebode Zion; verhef uw stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem; verhef ze, vrees niet; zeg tot de steden van Juda: 'Zie hier is uw God! Zie, de Here Here zal komen met kracht en zijn arm zal heerschappij oefenen'".1 David heeft in zijn Psalmen voorspeld, "heft, poorten, uw hoofden omhoog, en verheft u, gij aloude ingangen, opdat de Koning der Ere inga. Wie is Hij toch de Koning der Ede? De Here der heerscharen, Hij is de Koning der Ere".2 "Uit Zion, de volkomen schoonheid, verschijnt God in lichtglans. Onze God komt en zal niet zwijgen".3 Amos heeft evenzo Zijn komst voorzegd, "De Here brult uit Zion en uit Jeruzalem verheft Hij Zijn stem, zodat de weiden der herders treuren en de top van de Karmel verdort".4

'Akká zelf, geflankeerd door de "heerlijkheid van Libanon", en in het volle gezicht van de "pracht van Karmel", aan de voet van de heuvels die het tehuis van Jezus Christus omsluiten, was door Daniël beschreven als "de sterke Stad", door Hosea aangeduid als "een deur der hoop",5 en door Ezechiël vermeld als de "poort die gericht was naar het oosten", waarvandaan "de heerlijkheid van den God van Israël uit oostelijke richting kwam", "met een geluid als het gedruis van vele wateren".6 Hiernaar had de Arabische Profeet verwezen als "een stad in Syrië waaraan God Zijn speciale genade heeft betoond", gelegen "tussen twee bergen....temidden van een grasland", "aan de zeekust.....zwevende onder de Troon", "wit, welker blankheid God behaagt". Hij heeft bovendien verklaard, zoals door Bahá'u'lláh is bevestigd, "Gezegend de mens die 'Akká heeft bezocht, en gezegend hij die de bezoeker van 'Akká heeft bezocht". Verder, "Hij die daarin de oproep tot gebed laat horen: zijn stem zal tot het paradijs opstijgen". En wederom, "De armen van 'Akká zijn de koningen en de vorsten van het paradijs. Een maand in 'Akká is beter dan duizend jaar elders". Bovendien is in een opmerkelijke traditie de volgende veelbetekenende voorspelling gedaan, die men vinden kan in Shaykh Ibnu'l-'Arabís werk, getiteld "Futúhát-i-Makkiyyi", en die wordt erkend als een authentieke uitspraak van Muhammad, en door Mírzá 'Abdu'l-Fadl in zijn "Fará'id" wordt aangehaald, "Allen (de metgezellen van de Qá'im) zullen worden vermoord, op Eén na Die de vlakte van 'Akká , de feestzaal van God, zal bereiken".

Zoals Nabíl in zijn verslag heeft verklaard, had Bahá'u'lláh Zelf reeds in de eerste jaren van Zijn verbanning naar Adrianopel, in Zijn Lawh-i-Sayyáh, naar die stad verwezen, die Hij omschreef als het "dal van Nabíl", waarbij zij opgemerkt dat het woord Nabíl dezelfde numerieke waarde heeft als 'Akká. In die Tafel wordt voorspeld, "Bij Onze aankomst werden Wij verwelkomd met banieren van licht, waarop de stem van de geest luide uitriep: 'Spoedig zullen allen die op aarde wonen zich scharen onder deze banieren' ".

De verbanning van niet minder dan vierentwintig jaar, waartoe twee oosterse despoten gezamenlijk in hun onverzoenlijke haat en kortzichtigheid Bahá'u'lláh hadden veroordeeld, zal de geschiedenis ingaan als een periode van miraculeuze veranderingen en algehele ommekeer in het leven en de activiteiten van de Banneling, en zal voornamelijk in de herinnering blijven door de in Zijn gehele geboorteland zo hevig oplaaiende vervolgingen die bij tussenpozen, maar dan ook bijzonder wreed, werden uitgevoerd, alsmede de gelijktijdige toeneming van het aantal volgelingen, en tenslotte ook door de enorme uitbreiding van het aantal en de verscheidenheid van Zijn geschriften.

Zijn aankomst in de strafkolonie 'Akká, die nog lang niet het einde van Zijn beproevingen betekende, was slechts het begin van een grote crisis die werd gekenmerkt door bitter lijden, strenge beperkingen en bijzonder grote onrust die in hevigheid zelfs de ellende van de Síjáh-Chál in Tihrán overtrof en die met geen andere gebeurtenis in de geschiedenis van de gehele eeuw kan worden vergeleken, behalve met de interne beroering die het Geloof in Adrianopel had geschokt. In Zijn wens om de nadruk te leggen op de hachelijke toestand van de eerste negen jaar van Zijn verbanning naar die gevangenisstad, heeft Bahá'u'lláh geschreven, "Weet, dat bij Onze aankomst op deze Plek, Wij die wensten aan te duiden als de 'Grootste Gevangenis". Ofschoon Wij vroeger in een ander land (Tihrán) in ketenen en boeien waren gekluisterd, weigerden Wij het niettemin met die nam aan te duiden. Zeg: denk erover na, O gij, die met begrip zijt begiftigd"!

De beproevingen die Hij als direct gevolg van de aanslag op Násiri'd-Dín Sháh had ondergaan, waren Hem uitsluitend door de vijanden van buitenaf toegebracht. Aan de andere kant waren de ontberingen in Adrianopel, waardoor de gemeenschap van de volgelingen van de Báb nagenoeg uit elkaar was gevallen, geheel van interne aard. Deze nieuwe crisis die Hem en Zijn metgezellen bijna tien jaar lang in de greep hield, werd echter in zijn gehele omvang niet alleen gekenmerkt door de aanslagen van Zijn tegenstanders van buitenaf, maar ook door het gekonkel van vijanden van binnenuit, evenals door de afschuwelijke misdrijven van hen die, hoewel zij Zijn naam droegen, zich bezondigden aan wat Zijn hart en Zijn pen deed weeklagen.

'Akká, het oude Ptolemais, het St. Jean d'Acre van de kruisvaarders, dat met succes de belegering van Napoleon had getrotseerd, was onder de Turken afgezakt tot het peil van een strafkolonie, waar moordenaars, struikrovers en politieke opruiers uit alle delen van het Turkse Rijk werden opgesloten. Het was omringd door een dubbele rij wallen; werd bevolkt door een soort mensen dat Bahá'u'lláh kenschetste als "het geslacht van adders"; was verstoken van ook maar één waterbron binnen zijn muren; was vergeven van vlooien, vochtig, en doorkruist met donkere, vuile en kronkelige stegen. De Verheven Pen heeft in de Lawh-i-Sultán opgetekend, "Naar wat men zegt, is dit de meest troostelozen stad ter wereld, met de onooglijkste aanblik, het afschuwelijkste klimaat en het smerigste water. Het lijkt wel of dit het woongebied van de uil is". Volgens een spreekwoord was de lucht er zo verpest, dat de vogels die er overheen vlogen, dood neervielen.

De Sultan en zijn ministers hadden uitdrukkelijke orders gegeven om de bannelingen die ervan werden beschuldigd ernstig te hebben gedwaald en anderen op de verkeerde weg te hebben gebracht, aan de strengste afzondering te onderwerpen. Men sprak in het volste vertrouwen de hoop uit dat de veroordeling tot levenslange gevangenisstraf tenslotte zou leiden tot hun algehele vernietiging. De farmán van Sultán 'Abdu'l-Azíz, gedateerd de vijfde van Rabí-'u'th-Thání 1285 n.H. (26 juni 1868) veroordeelde hen niet alleen tot levenslange ballingschap, maar stelde hun strikte opsluiting vast en verbood hun om zowel met elkaar als met de plaatselijke bewoners om te gaan. De tekst van de farmán werd spoedig na aankomst van de bannelingen in de voornaamste moskee van de stad in het openbaar voorgelezen als een waarschuwing aan de bevolking. De Perzische ambassadeur, geaccrediteerd bij de Verhevene Porte, had zijn regering in een brief die hij ruim een jaar na hun verbanning naar 'Akká schreef, de volgende verzekering gegeven, "Ik heb telegrafische en schriftelijke instructies gegeven waarbij Bahá'u'lláh wordt verboden met iemand anders om te gaan dan met Zijn vrouwen en kinderen, en dat Hij het huis waarin Hij is opgesloten onder geen beding mag verlaten. "Abbás-Qulí Khán, de consul-generaal in Damascus.....heb ik drie dagen geleden teruggestuurd met de opdracht zich rechtstreeks naar 'Akká te begeven.....met zijn gouverneur te overleggen over de nodige maatregelen aangaande de stipte handhaving van hun gevangenschap...en vóór zijn terugkeer naar Damascus een vertegenwoordiger ter plaatse aan te stellen om er zeker van te zijn, dat aan het bevel van de Verhevene Porte strikt de hand zal worden gehouden. Ik heb hem insgelijks opgedragen, dat hij zich om de drie maanden van Damascus naar 'Akká moet begeven om persoonlijk op Hem te letten en verslag aan de legatie uit te brengen". Het hun opgelegde isolement was zo afdoend, dat de bahá'í's in Perzië, verontrust door de geruchten die de Azalís in Isfáhán hadden verspreid dat Bahá'u'lláh was verdronken, het Britse telegraafkantoor in Julfá inschakelden om te hunnen behoeve achter de waarheid te komen.

Toen alle bannelingen, mannen, vrouwen en kinderen, na een ellendige reis in 'Akká van boord gingen, werden zij onder de ogen van een nieuwsgierige en ongeëmotioneerde bevolking die zich bij de haven had verzameld om de "God van de Perzen" te aanschouwen, naar de kazerne gevoerd, waar zij werden opgesloten en waar schildwachten werden opgesteld om hen te bewaken. Bahá'u'lláh getuigt in de Lawh-i-Ra'ís, "De eerste nacht werd ons allen eten en drinken onthouden.....Men smeekte om slechts wat water, maar het werd geweigerd". Het water in het bassin op de binnenplaats was zo vuil en brak, dat niemand het kon drinken. Ieder kreeg drie zwarte zoute broden; later mocht men die, onder geleide van bewakers, op de markt voor twee van betere kwaliteit inruilen. Na verloop van tijd kregen zij een nietig beetje geld inplaats van de toegewezen hoeveelheid brood. Allen, op twee na, werden kort na aankomst ziek. Malaria en dysenterie, tezamen met de drukkende hitte, droegen nog tot hun ellende bij. Drie van hen bezweken, waaronder twee broers die, zoals Bahá'u'lláh getuigde, in dezelfde nacht "dicht in elkaars armen" stierven. Hij gaf Zijn eigen kleed om te worden verkocht voor de aanschaf van hun lijkwaden en de begrafenis. Het armzalige bedrag dat men er, nadat het bij opbod was verkocht, voor kreeg, werd aan de bewakers overhandigd; deze hadden geweigerd hen te begraven voor hun het geld voor de noodzakelijke uitgaven ter hand was gesteld. Later vernam men dat zij de lijken, zonder ze af te leggen, zonder kist en in de kleren die zij bij hun heengaan hadden gedragen, hadden begraven ofschoon, zoals Bahá'u'lláh later bevestigde, hun het dubbele van het benodigde bedrag was gegeven. "Niemand", zo schrijft Hij zelf, "weet wat Ons is wedervaren dan God, de Almachtige, de Alwetende.....vanaf de grondlegging van de wereld tot aan de huidige dag heeft men nog nimmer van een dergelijke wreedheid gehoord". Bovendien heeft Hij met betrekking tot Zichzelf vermeld, "Hij is voor het grootste deel van Zijn leven in de klauwen van Zijn vijanden zwaar beproefd, Zijn lijden heeft nu het hoogste punt bereikt in deze rampzalige gevangenis, waar Zijn onderdrukkers Hem ten onrechte in hebben geworpen".

De enkele pelgrims die, ondanks het strenge verbod, er toch in slaagden de poorten van de Gevangenis te bereiken - waarvan enkele de gehele afstand vanuit Perzië te voet hadden afgelegd - moesten zich tevreden stellen met een vluchtige glimp van het gelaat van de Gevangene wanneer zij, staande achter de tweede vestinggracht, naar het raam van Zijn cel keken. De zeer weinigen die het lukte tot in de stad binnen te dringen, moesten tot hun grote droefheid op hun schreden terugkeren zonder zelfs Zijn gelaat te hebben aanschouwd. De eerste van hen, de zichzelf verloochenende Hájí Abu'l-Hasan-i-Ardikání, bijgenaamd Amín-i-Iláhí (vertrouweling van God), kon slechts in Zijn tegenwoordigheid komen in een openbare badinrichting, waar hij volgens een voorafgemaakt plan Bahá'u'lláh zou kunnen ontmoeten zonder Hem echter aan te spreken, of enig teken van herkenning te geven. Een andere pelgrim, Ustád Ismá'íl-i-Káshí, die uit Mosul aankwam, posteerde zich aan het uiteinde van de gracht en, nadat hij urenlang in aanbidding verzonken naar het raam van zijn Geliefde bleef staren, moest hij dit tenslotte opgeven daar zijn ogen te zwak waren om Zijn gelaat te onderscheiden, en moest hij terugkeren naar de grot die hem op de berg Karmel als schuilplaats diende - een voorval dat Bahá'u'lláh's familie, die vanuit de verte bezorgd de vruchteloze poging had gadegeslagen, tot tranen toe roerde. Nabíl moest overhaast de stad ontvluchten, waar men hem had herkend; hij moest zich tevreden stellen met een vluchtige glimp van Bahá'u'lláh vanaf dezelfde plaats over de gracht, en bleef door de landstreek in de omgeving van Nazareth, Haifa, Jeruzalem en Hebron zwerven totdat hij door de geleidelijk afnemende restricties weer in staat was zich bij de bannelingen te voegen.

Bij deze beklemmend zware beproevingen kwam nu nog het verdriet van een plotselinge tragedie: het voortijdige verlies van de edele, vrome Mírzá Mihdí, de Zuiverste Tak, 'Abdu'l-Bahá'í tweeëntwintig jaar oude broer, en Bahá'u'lláh's amanuensis en trouwe kameraad vanaf de tijd dat hij als kind vanuit Tihrán naar Baghdád was gebracht, om na zijn Vaders terugkeer uit Sulaymáníyyih Zijn ballingschap te delen. Hij was op een avond in de vallende duisternis over het dak van de kazerne aan het heen en weer lopen en verzonken in zijn gebruikelijke gebeden, toen hij door een onafgeschermd bovenlicht op een houten krat viel dat beneden hem op de grond stond en hem de ribben doorboorde; dit had tweeëntwintig uur later, op de 23e dag van Rabí'u'l-Avval 1287 n.H. (23 juni 1870) zijn dood tot gevolg. Zijn laatste smeekbede aan een diepbedroefde Vader was, dat zijn leven mocht worden aanvaard als een zoenoffer voor hen die werden verhinderd de tegenwoordigheid van hun Geliefde te bereiken.

In een zeer belangrijk gebed dat Bahá'u'lláh ter nagedachtenis aan Zijn zoon openbaarde - een gebed dat zijn dood verheft tot de rang van die grootste voorbeelden van verzoening, zoals Abrahams voorgenomen offer van zijn zoon, de kruisiging van Jezus Christus, en het martelaarschap van de Imám Husayn - lezen we het volgende, "Ik heb, O Mijn Heer, geofferd wat Gij Mij hebt gegeven, opdat Uw dienaren mogen worden bezield, en allen die op aarde wonen worden verenigd". En evenzo deze profetische woorden, gericht tot Zijn tot martelaar geworden zoon, "Gij zijt Gods pand en Zijn schat in dit land. Eerlang zal God door u openbaren wat Hij wenst".

Hij "die was geschapen uit het licht van Bahá", van wiens "zachtmoedigheid" de Verheven Pen had getuigd en van de "geheimenissen" van wiens hemelvaart diezelfde Pen gewag had gemaakt, werd in aanwezigheid van Bahá'u'lláh afgelegd en onder geleide van de vestingbewakers buiten de stadsmuren ten grave gedragen op een plek naast de tombe van Nabí Sálih, vanwaar zijn stoffelijke resten zeventig jaar later, tegelijk met die van zijn doorluchtige moeder, zouden worden overgebracht naar de helling van de berg Karmel, in de nabijheid van het graf van zijn zuster en de heilige graftombe van de Báb.

Nog was de maat van de beproevingen van de Gevangene van 'Akká en Zijn medeballingen niet vol. Viermaanden na dit tragische voorval maakte een mobilisatie van Turkse troepen de verwijdering van Bahá'u'lláh en allen die in Zijn gezelschap waren, uit de kazerne noodzakelijk. Aan Hem en Zijn gezin werd dienovereenkomstig het huis van Malik, in het westelijk deel van de stad, toegewezen vanwaar zij, na een kort verblijf van drie maanden, door de autoriteiten naar het huis van Khavvám, dat er tegenover lag, werden overgebracht; vandaar moesten zij na een paar maanden vertrekken en het huis van Rábi'ih betrekken; en weer vier maanden later werden zij naar het huis van 'Udí Khammár verhuisd, dat absoluut niet aan hun behoeften voldeed, daar niet minder dan dertien mensen van beiderlei kunnen zich in één kamer moesten trachten te behelpen. Enkele metgezellen moesten in andere huizen gaan wonen, terwijl de rest een karavanserai, genaamd Khán-i-'Avámíd, werd toegewezen.

Hun strenge opsluiting was nauwelijks wat verzacht, en hun bewakers waren nog maar net heengestuurd, of een interne crisis die in de gemeenschap had gebroeid, kwam tot een plotselinge en catastrofale uitbarsting. Het gedrag van twee ballingen die waren opgenomen in het gezelschap dat Bahá'u'lláh naar 'Akká had vergezeld, was van dien aard dat Hij Zich tenslotte genoodzaakt zag hen uit te stoten, een daad waaruit Siyyid Muhammad ogenblikkelijk het grootst mogelijke voordeel trok. Versterkt met deze recruten begon hij samen met zijn oude makkers die als spionnen fungeerden, een campagne van bedrog, laster en gekonkel, die zelfs schadelijker was dan waarmee hij destijds in Constantinopel was begonnen; deze campagne was bedoeld een reeds bevooroordeelde, argwanende bevolking tot een nieuwe graad van haat en opwinding te brengen. Het was duidelijk dat nu een nieuw gevaar het leven van Bahá'u'lláh bedreigde. Ofschoon Hij Zelf bij verschillende gelegenheden Zijn volgelingen zowel in woord als geschrift uitdrukkelijk had verboden wraak te nemen op hun folteraars, en Hij zelfs een onverantwoordelijke Arabische bekeerling die plannen had beraamd om het onrecht, Zijn Geliefde aangedaan, te wreken, naar Beirut had teruggezonden, zochten zeven metgezellen heimelijk drie van hun vervolgers op en doodden hen; onder hen bevonden zich Siyyid Muhammad en Áqá Ján.

De verwarring die de reeds onderdrukte gemeenschap beving, was onbeschrijfelijk. Bahá'u'lláh's verontwaardiging kende geen grenzen. In een Tafel die Hij kort nadien onthulde, gaf Hij op de volgende wijze lucht aan Zijn gevoelens, "Zouden Wij gewag maken van hetgeen Ons geschiedde, dan zouden de hemelen splijten en de bergen ineenstorten". Bij een andere gelegenheid schreef Hij, "Mijn gevangenschap kan Mij niet deren. Wat Mij wel kan deren is het gedrag van hen die Mij beminnen, die beweren een band met Mij te hebben, maar desondanks datgene bedrijven wat Mijn hart en Mijn pen doet steunen". En verder, "Mijn gevangenschap zal geen schande over Mij brengen. Neen, bij Mijn leven, het verleent Mij zelfs heerlijkheid. Waarover Ik Mij schaam is het gedrag van diegenen onder Mijn volgelingen, die beweren Mij lief te hebben en feitelijk de Boze volgen".

Hij was bezig Zijn Tafelen aan Zijn amanuensis te dicteren, toen de gouverneur aan het hoofd van zijn troepen met getrokken zwaard Zijn huis omsingelde. De gehele bevolking en ook de militaire autoriteiten waren in een staat van grote opwinding. Men kon van alle kanten het geschreeuw en getier van de mensen horen. Bahá'u'lláh werd zonder enig voorbehoud naar het regeringsgebouw ontboden, ondervraagd, de eerste nacht met een van Zijn zoons in een kamer van de Khán-i-Shávirdí in verzekerde bewaring gesteld, en de volgende twee nachten naar een beter onderkomen in die buurt overgebracht; pas na een tijdsverloop van zeventig uur werd Hem toegestaan naar Zijn huis terug te keren. 'Abdu'l-Bahá werd in een gevangenis geworpen en de eerste nacht geketend, waarna hij zich weer bij zijn Vader mocht voegen. Vijfentwintig metgezellen werden in een andere gevangenis geworpen en in boeien geslagen; na zes dagen en nachten werden zij allen overgebracht naar Khán-i-Shávirdí waar zij gedurende zes maanden gevangen werden gehouden; alleen zij die verantwoordelijk waren geweest voor die verfoeilijke daad werden veroordeeld tot verscheidene jaren gevangenschap.

De commandant van de stad vroeg vrijpostig aan Bahá'u'lláh, nadat Hij bij het regeringsgebouw was aangekomen, "Vindt U het juist, dat enkele van Uw volgelingen zich op een dergelijke manier gedragen?" Het snelle weerwoord luidde, "Indien een van uw soldaten iets laakbaars bedrijft, zoudt u daarvoor dan verantwoordelijk worden gesteld en in zijn plaats worden gestraft"? Bij Zij verhoor werd Bahá'u'lláh gevraagd Zijn naam op te geven en het land van Zijn herkomst te noemen. "Die vallen meer in het oog dan de zon", antwoordde Hij. Men stelde Hem dezelfde vraag, waarop Hij het volgende antwoord gaf, "Ik acht het niet juist die te noemen. Raadpleeg de farmán van de regering die in uw bezit is". Weer stelden zij, nu met merkbare eerbied, hun vraag, waarop Bahá'u'lláh met kracht en majesteit deze woorden sprak, "Mijn naam is Bahá'u'lláh (Licht van God) en Mijn land heet Núr (Licht). Weest u zich daar wel van bewust". Na deze woorden rechtte Hij Zich met een verhulde berisping tot de muftí, waarna Hij in zulke vurige en verheven taal tot de gehele vergaderde menigte sprak, dat niemand zich verstoutte Hem te antwoorden. Nadat Hij uit de Súriy-i-Múlúk verzen had aangehaald, verrees Hij van Zijn zetel en verliet de zaal. Spoedig daarna zond de gouverneur Hem bericht dat Hij vrij was naar Zijn huis terug te keren, met zijn verontschuldiging over wat er was voorgevallen.

De bevolking die de bannelingen geen goed hart toedroeg, was na dit incident ontvlamd in ongebreidelde haatgevoelens voor allen die de naam droegen van het Geloof dat die bannelingen aanhingen. Beschuldigingen van goddeloosheid, atheïsme, terreur en ketterij werden hun keer op keer openlijk voor de voeten gegooid. 'Abbúd die vlak naast Bahá'u'lláh woonde, versterkte de muur tussen zijn eigen huis en dat van zijn nu zeer gevreesde en verdachte Buurman. Zelfs de kinderen van de gevangen genomen ballingen konden zich in deze dagen niet op straat vertonen zonder achtervolgd, uitgescholden en met stenen begooid te worden.

De beker van Bahá'u'lláh's beproevingen stond nu op het punt over te lopen. Een bijzonder vernederende situatie vol zorgen, en zelfs gevaren, bleef de ballingen bedreigen tot het ogenblik, vastgesteld door een ondoorgrondelijke Wil, waarop het tij van ellende en vernedering begon weg te ebben. Dit bracht een keer ten goede tot stand voor het Geloof, en was meer in het oog lopend dan de omwenteling welke gedurende de laatste jaren van Bahá'u'lláh's verblijf in Baghdád tot stand was gekomen.

De geleidelijk groeiende erkenning van Bahá'u'lláh's volledige onschuld bij alle lagen van de bevolking; het langzaam doordringen van de ware geest van Zijn leringen door de harde korst van hun onverschilligheid en dweepzucht; de vervanging van een gouverneur - wiens hopeloos verbitterde geest zich tegen het Geloof had gekeerd - door de schrandere en humane Ahmad Big Tawfíq; de onverdroten inspanningen van 'Abdu'l-Bahá, nu volledig gerijpt tot man, die door zijn contakten met alle lagen van de bevolking steeds meer blijk gaf van zijn vermogen om als schild voor zijn Vader op te treden; de providentiële afzetting van de ambtenaren die de gevangenschap van de onschuldige metgezellen onnodig hadden verlengd - dit alles effende de weg voor een ommekeer waarmee de periode van Bahá'u'lláh's verbanning naar 'Akká altijd onverbrekelijk verbonden zal blijven.

De toewijding die door zijn omgang met 'Abdu'l-Bahá geleidelijk in het hart van de gouverneur was ontstaan, ook nadat hij de literatuur van het Geloof had doorgelezen die onruststokers hem ter inzage hadden gegeven, in de hoop dat het zijn toorn zou opwekken - die toewijding was zo groot dat hij, als blijk van zijn eerbied, onveranderlijk weigerde bij hem binnen te komen zonder eerst zijn schoenen uit te doen. Er werd zelfs gefluisterd, dat juist deze bannelingen die de volgelingen waren van de onder zijn bewaking staande Gevangene, zijn meest geliefde raadslieden waren. Hij placht zijn eigen zoon het liefst naar 'Abdu'l-Bahá te zenden voor onderricht en voorlichting. Tijdens een lang verbeid onderhoud met Bahá'u'lláh werd hem, als antwoord op zijn verzoek Hem een dienst te mogen bewijzen, het voorstel gedaan om het aquaduct dat men nu al dertig jaar in verval had laten geraken, te restaureren -een voorstel waartoe hij onmiddellijk opdracht gaf het ten uitvoer te brengen. Aan de steeds groeiende toevloed van pelgrims, waaronder zich de toegewijde en eerbiedwaardige Mullá Sádiq-i-Khurásání bevond, alsmede de vader van Badí - beiden overlevenden van de strijd in Tabarsí - bood hij nauwelijks enige tegenstand, hoewel de tekst van de keizerlijke farmán hun toelating tot de stad verbood. Mustafá Díyá Páshá die enige jaren later gouverneur werd, had zelfs laten doorschemeren, dat zijn Gevangene vrij was de gevangenispoort in en uit te lopen wanneer het Hem behaagde, een suggestie die Bahá'u'lláh afwees. Zelfs de muftí van 'Akká, Shaykh Mahmúd, een man die berucht was om zijn dweperij, was tot het Geloof bekeerd en legde, aangevuurd door zijn pas ontloken enthousiasme, een verzameling aan van de mohammedaanse tradities die betrekking hadden op 'Akká. Evenmin waren de onwelwillende gouverneurs die af en toe in die stad werden aangesteld, in staat om, ondanks hun op willekeur gebaseerde macht, de krachten in te perken die de geestelijke Vader van het Geloof verder voerden naar Zijn feitelijke vrijmaking en het uiteindelijk bereiken van Zijn doel. Geleerden en zelfs 'ulamás woonachtig in Syrië, moesten in de loop der jaren hun erkenning van Bahá'u'lláh's groeiende grootheid en macht wel openlijk uitspreken, 'Azíz Páshá die in Adrianopel een diepe verering voor 'Abdu'l-Bahá had opgevat, en intussen tot de rang van válí was bevorderd, bezocht 'Akká tweemaal met het oogmerk zijn eerbied aan Bahá'u'lláh te betuigen en zijn vriendschap te hernieuwen met Degene Die hij had leren bewonderen en hoogachtend.

Ofschoon Bahá'u'lláh Zelf bijna nooit een persoonlijk onderhoud toestond zoals Hij in Baghdád wel geregeld had gedaan, was toch de invloed die Hij uitoefende zo groot, dat de inwoners openlijk toegaven, dat de opmerkelijke verbetering in het klimaat en van het water in hun stad het direkte gevolg was van Zijn voortdurende aanwezigheid in hun midden. Zelfs de benamingen waarmee zij Hem het liefst aanduidden, zoals de "verheven leider" en "zijne hoogheid", gaven blijk van de eerbied die Hij hun inboezemde. Bij een bepaalde gelegenheid stond Hij aan een Europese generaal een onderhoud toe die, toen hij tezamen met de gouverneur wilde binnentreden, zo geïmponeerd was dat hij "bij de deur op de grond geknield bleef". Shaykh 'Alíy-i-Mírí, de muftí van 'Akká moest, op voorstel van 'Abdu'l-Bahá, zelfs de noodzaak bepleiten voor de beëindiging van Zijn negenjarige opsluiting binnen de muren van de vestingstad voordat Hij er mede zou instemmen de poorten uit te gaan. De tuin van Na'mayn, een klein eiland midden in een rivier ten oosten van de stad, vereerd met de naam Ridván, en door Hem aangeduid als het "nieuwe Jeruzalem" en "Ons groene eiland" was nu, tezamen met de residentie van 'Abdu'lláh Páshá - die 'Abdu'l-Bahá voor Hem had gehuurd en in orde had gebracht en die een paar kilometer ten noorden van 'Akká lag - de geliefkoosde wijkplaats geworden voor Bahá'u'lláh Die bijna tien jaar lang geen voet buiten de stadsmuren had gezet en Wiens enige lichaamsbeweging had bestaan uit het eentonige op en neer lopen in Zijn slaapkamer.

Twee jaar later kon men het paleis van 'Udí Khammár huren, waaraan bij de bouw met kwistige hand zoveel geld was besteed, terwijl Bahá'u'lláh in de kazerne gevangen zat. De eigenaar had dit met zijn gezin overhaast verlaten bij het uitbreken van een epidemie; dit huis werd voor Hem gehuurd en later aangekocht - een woonplaats die Hij aanduidde als de "voornaamste villa", de plek die "God heeft bestemd als het verhevenste visioen van de mensheid". 'Abdu'l-Bahá'í bezoek aan Beirut, dat in deze tijd op uitnodiging van Midhat Páshá, een voormalige grootvizier van Turkije, plaats had; zijn betrekkingen met de burgerlijke en geestelijke leiders van die stad en zijn verscheidene interviews met de bekende Shaykh Muhammad 'Abdu, droegen er in enorme mate toe bij het groeiend aanzien van de gemeenschap te verhogen en de faam van zijn voornaamste lid verder te verspreiden. Een groots welkom werd hem bereid door de geleerde en hogelijk gewaardeerde Shaykh Yúsúf, de muftí van Nazareth, die als gastheer optrad van de válís van Beirut en die alle vooraanstaande personen van de gemeenschap op weg had gezonden om hem, vergezeld van zijn broeder en de muftí van 'Akká, een eindweegs tegemoet te rijden. Ook de luisterrijke ontvangst die door 'Abdu'l-Bahá aan diezelfde Shaykh Yúsúf werd gegeven, toen laatstgenoemde hem in 'Akká bezocht, droegen er toe bij de afgunst op te wekken van diegenen die nog maar een paar jaar tevoren Hem en Zijn medeballingen met een neerbuigende verachting hadden behandeld.

De ingrijpende farmán van Sultán 'Abdu'l-'Azíz was nu, hoewel officieel niet ingetrokken, een dode letter geworden. Ofschoon Bahá'u'lláh in naam nog steeds een gevangene was, waren met de woorden van 'Abdu'l-Bahá "de deuren van majesteit en ware soevereiniteit wijd open geworpen". Hij heeft bovendien geschreven, "De heersers van Palestina waren afgunstig op Zijn invloed van macht. Gouverneurs en mutisarrifs, generaals en plaatselijke ambtenaren plachten nederig om de eer te verzoeken bij Hem te worden toegelaten - een verzoek waaraan Hij zelden gehoor gaf".

In die villa werd aan de eminente oriëntalist Prof. E.G. Browne uit Cambridge vier achtereenvolgende malen een onderhoud met Bahá'u'lláh toegestaan gedurende de vijf dagen die hij als Zijn gast in Bahjí doorbracht (15 tot 20 april 1890). Deze gesprekken zijn voor eeuwig bewaard gebleven door de historische verklaring van de Banneling dat "dit vruchteloos strijden, deze vernietigende oorlogen zullen voorbijgaan en de 'Grootste Vrede' zal komen". De gedenkwaardige getuigenis van de bezoeker, die bewaard is. voor het nageslacht, luidt: "Het gelaat van Hem op Wie mijn blik viel, zal ik nooit vergeten, ofschoon ik het niet kan beschrijven. De doordringende ogen leken diep in iemands ziel te lezen; macht en autoriteit spraken uit dat hoge voorhoofd....Onnodig te vragen in Wiens tegenwoordigheid ik mij bevond, terwijl ik diep boog voor Eén Die het voorwerp is van een toewijding en liefde, die koningen Hem zouden benijden en waarnaar keizers tevergeefs zouden verlangen". De bezoeker heeft verder verklaard, "Hier bracht ik hoogst gedenkwaardige dagen door, waarin ik van ongeëvenaarde en niet gedroomde mogelijkheden genoot om mij te onderhouden met diegenen die de inspiratiebron zijn van de machtige en wondere geest die met onzichtbare, maar steeds groeiende kracht werkt voor het transformeren en doen opleven van een volk dat slaapt in een sluimer die de dood gelijkt. Het was werkelijk een vreemde en ontroerende ervaring, maar wel een waarvan ik niet kan hopen ook maar de geringste indruk te kunnen weergeven".

In datzelfde jaar werd Bahá'u'lláh's tent, het "tabernakel van Heerlijkheid", opgezet op de berg Karmel, "de heuvel van God en Zijn wijngaard", het tehuis van Elia, door Jesaja verheerlijkt als "de berg des Heren", waarheen "alle volkeren zich zullen spoeden". Vier keer bezocht Hij Haifa; Zijn laatste bezoek duurde niet minder dan drie maanden. Tijdens een van deze bezoeken, toen Hij Zijn tent in de nabijheid van het Karmelieter klooster had opgezet, openbaarde Hij, de "Heer van de Wijngaard", de Tafel van de Karmel, die opmerkelijk is door zijn toespelingen en profetieën. Toen Hij bij een andere gelegenheid op de helling van die berg stond, wees Hij 'Abdu'l-Bahá de plek aan die moest dienen als de permanente laatste rustplaats van de Báb, waar later een passend mausoleum moest worden opgericht.

Bovendien werden er op last van Bahá'u'lláh gronden aangekocht, die grensden aan het meer dat zo nauw verbonden is met het beleid van Jezus Christus; ze waren bestemd om gewijd te worden aan de heerlijkheid van het Geloof en de voorlopers te zijn van de "edele en imposante gebouwen" die, zoals Hij in Zijn Tafelen had aangekondigd, moesten worden opgericht "over het gehele" Heilige Land, alsook over de "rijke en heilige stukken land die langs de Jordaan en in de nabijheid ervan lagen", en die Hij in die Tafelen had toegestaan te worden gewijd "aan de verering van, en de dienst aan de ene ware God".

De enorme uitbreiding van Bahá'u'lláh's correspondentie; de vestiging van een Bahá'í bureau in Alexandrië dat de verzending en bezorging ervan verzorgde; de faciliteiten waarvoor Zijn standvastige volgeling Muhammad Mustafá zorg droeg, die zich nu in Beirut had gevestigd om de belangen van de doortrekkende pelgrims te behartigen; het betrekkelijke gemak waarmee Hij Die in naam een Gevangene was, in verbinding stond met de zich snel vermenigvuldigende centra in Perzië, Irak, de Kaukasus, Turkistán en Egypte; de opdracht die Hij toevertrouwde aan Sulaymán-Khán-i-Tanakábuní, beter bekend als Jamál Effendi, om een systematische onderrichtscampagne in India en Burma op te zetten; de aanstelling van enkele van Zijn volgelingen als "Handen van de Zaak Gods"; de restauratie van het Heilige Huis in Shíráz, waarvan Hij het beheer nu formeel aan de vrouw van de Báb en haar zuster toevertrouwde; de bekering van een aanzienlijk aantal aanhangers van het joodse, zoroastrische en boeddhistische Geloof, de eerste vruchten van de ijver en het doorzettingsvermogen die reizende leraren in Perzië, India en Burma zo treffend ten toon spreidden - bekeringen die als vanzelf een blijvende erkenning tot gevolg hadden van de goddelijke oorsprong van zowel het Christendom als de Islam - al deze dingen gaven blijk van de vitaliteit van een leiderschap dat koningen noch geestelijke hoogwaardigheidsbekleders, hoe machtig of vijandiggezind ook, konden vernietigen of ondermijnen.

Ook moet melding worden gemaakt van de opkomst van een bloeiende gemeenschap in het nieuw gebouwde 'Ishqábád in russisch Turkistán, die verzekerd was van de goodwill van een welgezinde regering die haar in staat stelde en Bahá'í begraafplaats te stichten en er grond te kopen om daarop gebouwen te zetten, die de voorlopers zouden blijken te zijn van de eerste Mashriqu'l-Adhkár van de Bahá'í wereld; of van de vestiging van de nieuwe buitenposten van het Geloof in het veraf gelegen Samarqand en Bukhárá, in het hart van Azië, als gevolg van de toespraken en geschriften van de erudiete Fádil-i-Qá'iní en de geleerde apologeet Mírzá Abu'l-Fadl; of van de publicatie in India van vijf delen van de geschriften van de Auteur van het Geloof, waarbij inbegrepen Zijn "Heiligste Boek" - publicaties die de uitgebreide vermenigvuldiging van de literatuur in verscheidene letterschriften en talen zou inluiden en in later jaren de verspreiding ervan in zowel het oosten als het westen.

Bahá'u'lláh moet volgens een van Zijn medebannelingen hebben gezegd, "Sultán 'Abdu'l-Azíz verbande Ons naar dit land onder de grootste vernederingen, en aangezien het zijn bedoeling was Ons te gronde te richten en te verlagen, verwierpen Wij de middelen om tot heerlijkheid en rust te komen, wanneer ze op Ons pad kwamen, niet". Zoals Nabíl in zijn verslag heeft opgetekend, heeft Hij eens opgemerkt, "Nu, ere zij God, is het punt bereikt waarop alle mensen uit deze streken hun onderwerping aan Ons bewijzen". En, zoals in datzelfde verslag verder staat, "De Sultan van het ottomaanse rijk onderdrukte Ons zonder enige rechtvaardiging of reden en zond Ons naar de vesting 'Akká. Zijn keizerlijke farmán hield in, dat niemand zich met Ons mocht inlaten en dat Wij het doelwit zouden worden van ieders haat. De Hand van goddelijke macht wreekte Ons daarvoor snel. Het liet de vernietigende winden op zijn twee onvervangbare ministers en vertrouwelingen, "Alí en Fu'ád, los, waarna die Hand werd geheven om de praal van 'Azíz op te rollen en hem te treffen zoals alleen Hij kan treffen Die de Machtige is, de Sterke".

'Abdu'l-Bahá schrijft bij een aanhaling over ditzelfde thema, "Zijn vijanden hadden het vaste plan om met Zijn gevangenneming de gezegende Zaak volledig en afdoende te vernietigen, maar deze gevangenis was in wezen juist de grootste hulp en werd het middel voor haar ontplooiing". Hij heeft bovendien nog verzekerd, "Dit doorluchtige Wezen verhief Zijn Zaak in de Grootste Gevangenis. Vanuit deze Gevangenis werd Zijn licht overal verspreid; Zijn faam veroverde de wereld, en de verkondiging van Zijn heerlijkheid bereikte het oosten en het westen". "Zijn licht was eerst een ster, nu werd het een machtige zon". Bovendien verzekert hij, "Tot in onze tijd is nog nimmer zoiets geschied".

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Bahá'u'lláh ten aanzien van deze opmerkelijke ommekeer tijdens de vierentwintig jaar van Zijn verbanning in 'Akká de volgende geladen woorden schreef, "De Almachtige.....heeft deze Gevangenis veranderd in het verhevenste paradijs, de hemel der hemelen".

HOOFDSTUK XII
Bahá'u'lláh's opsluiting in 'Akká
(vervolg)

Terwijl Bahá'u'lláh en de kleine groep die tot Zijn gezelschap behoorde, waren onderworpen aan de zware ontberingen van een verbanning die tot doel had hen van de aardbodem te doen verdwijnen, onderging de zich gestadig uitbreidende gemeenschap volgelingen in Zijn geboorteland een vervolging die heviger en langduriger was dan de beproevingen waaraan Hij en Zijn metgezellen waren blootgesteld. Ofschoon op een veel kleinere schaal dan de bloedbaden die het ontstaan van het Geloof hadden gemarkeerd, toen in de loop van een enkel jaar, volgens ". 'Abdu'l-Bahá'í verklaring, "meer dan vierduizend mensen werden vermoord en een groot aantal vrouwen en kinderen zonder beschermer of helper werd achtergelaten", besloegen evenwel de verschrikkelijke, moordlustige acties van een onverzadigbare, onverzettelijke vijand daarna een even groot terrein en werden door een zelfs hogere graad van wreedheid gekenmerkt.

Násiri'd-Dín Sháh, door Bahá'u'lláh gebrandmerkt als de "vorst der verdrukkers", als iemand die had "bedreven wat de inwoners der steden van gerechtigheid en rechtvaardigheid had doen weeklagen", was in de periode die nu wordt beschreven, in de volle bloei van zijn leven gekomen en had het toppunt van zijn despotische macht bereikt. Deze grillige monarch, als de enige arbiter over het wel en wee van een land dat "volledig was vastgeroest in de eeuwenoude tradities van het oosten"; omringd door "omkoopbare, geslepen en oneerlijke" ministers die hij naar zijn believen kon verheffen of vernederen; het hoofd van een bestuur waarin "ieder handelend optredend mens, vanuit verschillende gezichtspunten bezien, de omkoper en de omgekochte was", met als bondgenoot in zijn verzet tegen het Geloof een geestelijke orde die een ware "kerk-staat" vormde, en gesteund door een volk dat uitblonk in gruweldaden, berucht was om zijn fanatisme, kruiperigheid, hebzucht en corruptie - deze monarch die niet langer in staat was zelf de hand te slaan aan de persoon van Bahá'u'lláh, moest zich tevreden stellen met de taak te proberen in zijn eigen rijk de overblijfselen van een zeer gevreesde en opnieuw verrezen gemeenschap uit te roeien. Op hem volgend in rang en macht waren zijn drie oudste zoons, aan wie hij met het oog op interne regeringsaangelegenheden in feite het gezag had overgedragen en die Hij met het gouverneurschap van alle provincies in zijn rijk had bekleed. De provincie Ádhirbáyján had hij toevertrouwd aan de zwakke en verlegen Muzaffari'd-Dín Mírzá, zijn troonopvolger, die onder de invloed was gekomen van de Shaykhí sekte, en die een uitgesproken eerbied aan de dag legde voor de mullás. Aan het strenge en wrede beleid van zijn oudste in leven zijnde zoon - wiens moeder van zeer geringe afkomst was - de geslepen Mas'úd Mírzá, bij iedereen meer bekend onder de naam Zillu's-Sultán, had hij meer dan tweevijfde van zijn rijk toegewezen, waaronder de provincies Yazd en Isfáhán waren. Aan Kámrán Mírzá, zijn lievelingszoon die meestal vanwege zijn titel werd aangesproken met Náyibu's-Saltanih, had hij het bestuur van Gilán en Mázindarán geschonken en maakte hem tot gouverneur van Tihrán, minister van oorlog en opperbevelhebber van zijn leger. De rivaliteit tussen de twee laatstgenoemde prinsen, die daarin bestond om in het gevlei bij hun vader te komen, was zo groot dat elk van hen pogingen aanwendde om met de steun van de leidende mujtahids binnen de jurisdictie de ander te overtroeven in de verdienstelijke taak van het opjagen, beroven en uitroeien van de leden van een weerloze gemeenschap die, op last van Bahá'u'lláh, was opgehouden om, zelfs uit zelfverdediging, gewapend verzet te bieden en die Zijn uitdrukkelijke opdracht uitvoerden dat "het beter is gedood te worden dan te doden". Ook waren de geestelijken Hájí Mullá 'Alíy-i-Kaní en Siyyid Sádiq-i-Tabátabá'í, de twee stokebrands en leidende mujtahids van Tihrán, samen met Shaykh Muhammad-Baqír, hun collega in Isfáhán, en Mír Muhammad-Husayn, de Imám-Jum'ih van die stad, bereid de geringste gelegenheid aan te grijpen om met alle kracht en autoriteit op een tegenstander toe te slaan wiens vrijzinnige invloeden zij met meer redenen hadden te vrezen dan de vorst zelf.

Het is geen wonder dat het Geloof, geplaatst tegenover een zo gevaarlijke situatie, gedwongen werd ondergronds te werken en dat arrestaties, ondervragingen, gevangennemingen, beschimpingen, berovingen, folteringen en executies de belangrijkste verschijnselen waren in deze veel bewogen periode van zijn ontwikkeling. De pelgrimstochten die in Adrianopel waren begonnen en die later in 'Akká indrukwekkende vormen gingen aannemen, tezamen met de verspreiding van Bahá'u'lláh's Tafelen en de circulatie van enthousiaste verslagen door degenen die Hem hadden mogen bezoeken, droegen er bovendien nog toe bij om de vijandschap aan te wakkeren van geestelijkheid en leken, die zich in hun dwaasheid hadden verbeeld, dat de breuk die zich in de gelederen van de volgelingen van het Geloof in Adrianopel had voorgedaan en de veroordeling tot levenslange verbanning van hun Leider, hun lot onherroepelijk zou bezegelen.

In Ábádih werd een zekere Ustád 'Alí-Akbar op aandringen van een plaatselijke siyyid gevangen genomen en zo meedogenloos afgeranseld, dat hij van top tot teen met zijn eigen bloed overdekt was. In Tákur werden in opdracht van de Sjah de bezittingen van de inwoners geplunderd, werd Hájí Mírzá Ridá-Qulí, een halfbroeder van Bahá'u'lláh, gearresteerd, naar de hoofdstad gevoerd en gedurende een maand in de Síyáh-Chál geworpen, terwijl de zwager van Mírzá Hasan, een andere halfbroeder van Bahá'u'lláh, werd opgepakt en met gloeiend ijzer bewerkt, waarna het naburige dorp Dár-Kalá aan de vlammen werd prijs gegeven.

Áqá Buzurg uit Khurásán, de doorluchtige "Badí' " (de wondervolle), die door Nabíl tot het Geloof was bekeerd en de bijnaam had van "troost der martelaren", was de zeventienjarige brenger van de Tafel, gericht tot Násiri'd-Dín Sháh; in hem was, zoals Bahá'u'lláh heeft bevestigd, "de geest van macht en kracht geblazen"; hij werd gearresteerd, drie dagen achtereen met gloeiend ijzer bewerkt; zijn hoofd werd met een geweerkolf tot moes geslagen, waarna zijn lijk in een put werd geworpen en met aarde en stenen overdekt. Nadat hij Bahá'u'lláh in het tweede jaar van Zijn opsluiting in de kazerne had opgezocht, had hij zich met verbazingwekkende gretigheid aangemeld om die Tafel, alleen en te voet, naar Tihrán te brengen en aan de vorst ter hand te stellen. Na een tocht van vier maanden was hij in die stad aangekomen en na drie dagen vastend en wakend te hebben doorgebracht, was hij de Sjah tegemoet getreden toen deze met een jachtpartij op weg was naar Shimírán. Hij was Zijne Majesteit kalm en waardig genaderd en had luide uitgeroepen, "O Koning! Ik ben tot U gekomen uit Sheba met een belangrijke boodschap", waarop men hem op last van de vorst de Tafel had afgenomen en deze aan de mujtahids van Tihrán had overhandigd, aan wie opdracht werd gegeven op dat epistel te antwoorden - een opdracht die zij omzeilden, en in plaats waarvan zij het advies gaven, dat de boodschapper ter dood gebracht moest worden. De Sjah zond de Tafel vervolgens door naar de Perzische ambassadeur in Constantinopel, in de hoop dat het na lezing de haat van de ministers van de Sultan verder zou aanwakkeren. Gedurende zeker drie jaar heeft Bahá'u'lláh in Zijn geschriften steeds weer de heldenmoed van die jongeling verheerlijkt en heeft in toespelingen die prachtige zelfopoffering gekenschetst als het "zout van Mijn Tafelen".

Abá-Basír en Siyyid Ashraf, wier vaders in de strijd van Zanján waren gesneuveld, werden op dezelfde dag in die stad onthoofd, waarbij de eerste zelfs, terwijl hij in gebed neerknielde, zijn beul aanwijzingen gaf hoe hij het beste kon toeslaan; de tweede werd, nadat hij zo vreselijk hard was geslagen, dat het bloed hem onder de nagels uitkwam, onthoofd, terwijl hij het lijk van zijn gemartelde metgezel in zijn armen hield. De moeder van de zojuist genoemde Ashraf, die men naar de gevangenis had ontboden in de hoop dat zij haar enige zoon zou overhalen zijn dwaling te erkennen, had hem gewaarschuwd dat zij hem zou verloochenen als hij zijn geloof zou verzaken, hem had gesmeekt het voorbeeld van Abá-Basír te volgen en had, zonder een traan te laten, toegekeken hoe hij de laatste adem uitblies. De rijke en vooraanstaande Muhammad-Hasan Khán-i-Káshí onderging in Burújird zo'n genadeloze bastonnade, dat hij tijdens deze beproeving het leven liet. In Shíráz werden Mírzá Áqáy-i-Rikáb-Sáz, Mírzá Rafí'-i-Khayyát en Mashhadí Nabí op last van de plaatselijke mujtahid tegelijkertijd in het holst van de nacht gewurgd, waarna hun graven door een volksmassa werden ontheiligd doordat zij er vuil op stortten. Shaykh Abu'l-Qásim-i-Mázkání die in Káshán en slok water had afgeslagen die hem voor zijn dood was aangeboden met de verzekering dat hij slechts de martelaarsbeker wenste te drinken, werd met een nekslag gedood toen hij in gebed lag neergebogen.

Mírzá Báqir-i-Shírází die in Adrianopel de Tafelen van Bahá'u'lláh met zo mateloze toewijding in gewoon schrift had overgezet, werd in Kirmán vermoord, en in Ardikán werd de bejaarde en zwakke Gul-Muhamad door een woedende menigte overvallen, tegen de grond geslagen en zo onder de spijkerschoenen van twee siyyids vertrapt, dat zijn ribben werden verbrijzeld en zijn tanden gebroken; daarna werd zijn lijk naar de buitenwijken van de stad gebracht en in een kuil begraven, de volgende dag weer opgegraven, door de straten gesleept en tenslotte in de wildernis achtergelaten. In Mashhad, berucht om het ongebreidelde fanatisme dat er heerste, woonde Hájí 'Abdu'l-Majíd, de vijfentachtigjarige vader van de eerdergenoemde Badí' en een overlevende van de strijd in Tabarsí; na de martelaarsdood van zijn zoon had hij een bezoek gebracht aan Bahá'u'lláh en was daarna vol vurige geloofsijver naar Khurásán teruggekeerd; daar werd hem zijn keel tot aan het middel opengereten en stelde men zijn hoofd op een marmeren plaat tentoon voor de blikken van een honende menigte die, nadat zij zijn lijk op schaamteloze wijze over de bazaar hadden gesleept, het bij het lijkenhuisje achterlieten, waar het door zijn familie kon worden opgehaald.

In Isfáhán werd Mullá Kázim op last van Shaykh Muhammad-Báqir onthoofd, waarna men een paard over zijn lijk liet galopperen en het daarna in het vuur wierp; van Siyyid Áqá Ján werden de oren afgesneden en aan een halster werd hij door de straten en over de bazaar geleid. Een mand later had in diezelfde stad de tragedie plaats van de twee beroemde broeders Mírzá Muhammad Hasan en Mírzá Muhammad Husayn, de "twee lichtende lampen", respectievelijk "Sultánu'sh-Shuhadá" (koning der martelaren) en "Mahbúdu'sh-Shuhadá" (geliefde der martelaren) genaamd, die bekend stonden om hun edelmoedigheid, betrouwbaarheid, vriendelijkheid en vroomheid. De goddeloze en onoprechte Mír Muhammad-Husayn, de Imám-Jum'ih, door Bahá'u'lláh uitgemaakt voor de "vrouwelijke slang", had tot hun marteldood aangespoord met het oog op een zeer grote schuld die hij in zijn transacties met hen had gemaakt, en beraamde nu plannen om van zijn verplichtingen af te komen door hen voor Bábí's uit te maken en zo hun dood te bewerkstelligen. Hun weelderig ingerichte huizen werden geplunderd tot aan de bomen en bloemen in de tuin toe, en al hun resterende bezittingen werden verbeurd verklaard. Shaykh Muhammad-Báqir, door Bahá'u'lláh gebrandmerkt als de "wolf", sprak hun doodvonnis uit; de Zillu's-Sultán hechtte zijn goedkeuring aan het besluit, waarna zij in boeien werden geslagen, onthoofd, Sháh gesleept en daar blootgesteld aan de hoon en smaad van een ontaarde en roofzuchtige bevolking. "Het bloed van deze twee broeders", aldus 'Abdu'l-Bahá, "was op zodanige wijze vergoten dat de christelijke priester uit Julfá het die dag uitschreeuwde, weeklaagde en weende". Verscheidene jaren lang heeft Bahá'u'lláh in Zijn Tafelen melding van hen gemaakt om uiting te geven aan Zijn diepe droefheid over hun verscheiden en om hun verdiensten te verheerlijken.

Mullá 'Alí Ján werd te voet van Mázindarán naar Tihrán gevoerd, op welke tocht de ontberingen zo zwaar waren, dat zijn nek verwond en zijn lichaam van zijn middel tot aan zijn voeten opgezwollen was. Op de dag van zijn marteldood vroeg hij om water, verrichtte de wassingen, zegde de gebeden, schonk zijn beul een aanzienlijk bedrag in geld en was nog aan het bidden, toen zijn keel met een dolk werd doorgesneden, waarna men zijn lijk bespuwde, het met modder overdekte, het drie dagen liet liggen en het tenslotte in stukken hakte. In Námiq werd Mullá 'Alí, die in de dagen van de Báb tot het Geloof was toegetreden, zo hevig aangevallen, en sloeg men hem met een houweel zo volledig de ribben stuk, dat hij op slag dood was. Mírzá Ashraf werd in Isfáhán vermoord, waarna zijn lijk door Shaykh Muhammad Taqíy-i-Najafí, de "zoon van de wolf", en zijn leerlingen onder hun voeten werd vertrapt, onherkenbaar verminkt en aan het gepeupel overgegeven om te worden verbrand, waarna zijn verkoolde gebeente werd begraven onder de restanten van een muur die men voor dat doel naar beneden had gehaald.

In Yazd werden er op aansporing van de mujtahid en op last van de hardvochtige Mahmúd Mírzá, (de Jalúlu'l-Dawlih, de gouverneur, en zoon van Zillu's-Sultán), zeven op één dag onder de afschrikwekkendste omstandigheden omgebracht. De eerste van hen, een zevenentwintigjarige jongeman, 'Alí-Asghar, werd gewurgd, waarop zijn lijk werd overgegeven aan enkele Joden die, na de zes kameraden van de dode gedwongen te hebben met hen mee te gaan, het lijk door de straten sleepten, omringd door een volksmenigte en soldaten die op trommels sloegen en op trompetten bliezen. Bij het telegraafkantoor aangekomen, onthoofdden zij de vierentachtigjarige Mullá Mihdí en sleepten hem op dezelfde wijze naar een andere wijk van de stad; daarna brachten zij Áqá 'Alí, ten aanschouwen van een enorme menigte en opgezweept door de dreunende klanken van de muziek, op dezelfde manier ter dood. Daarna gingen wij naar het huis van de plaatselijke mujtahid, de vier overgebleven kameraden met zich voerend, en sneden de keel door van Mullá 'Alíy-i-Sabzivárí, die eerst de menigte toesprak en zich verheugde over zijn aanstaande martelaarschap, hakten zijn lichaam met een spa in stukken terwijl hij nog in leven was en sloegen met een steen zijn hoofd tot moes. In een andere wijk, bij de Mihríz poort, sloegen zij Muhammad-Báqir dood, en later, terwijl de muziek steeds wilder werd en het gegil van de menigte overstemde, onthoofdden zij in de Maydán-i-Khán de twee overgebleven overlevenden, twee broers van begin twintig, 'Alí-Asghar en Muhammad-Hasan. Van de laatste reten zij de maag open en trokken zijn hart en lever eruit, waarna men zijn hoofd op een speerpunt spietste, het onder de begeleiding van muziek boven de hoofden van de mensen door de straten droeg en het in een moerbezieboom hing, waar het door een grote menigte met stenen werd bekogeld. Zijn lijk werd voor de deur van zijn moeders huis neergegooid, waar vrouwen opzettelijk in binnendrongen om te dansen en pret te maken. Er werden zelfs stukken uit de lijken gesneden die moesten dienen als medicament. Tenslotte werd het hoofd van Muhammad-Hasan aan de onderkant van zijn lichaam bevestigd en samen met die van de andere martelaren buiten de stad gedragen en zo hevig met stenen bekogeld dat de schedels braken, waarop men de Joden dwong de overblijfselen naar een put in de vlakte van Salsabíl te brengen en ze daarin te werpen. De gouverneur bepaalde dat men een vrij dag zou krijgen; alle winkels gingen op zijn bevel dicht, de stad werd 's avonds verlicht en er werden festiviteiten gehouden om dit hoogtepunt van barbaarsheden in deze moderne tijd te vieren.

Ook de Joden en Parsis die nog niet zo lang geleden tot het Geloof waren overgegaan en respectievelijk in Hamadán en Yazd woonden, waren niet veilig voor de aanvallen van vijanden wier woede was opgewekt door de bewijzen, geleverd door het doorbrekende licht van het Geloof in streken, waarvan zij zich zo graag verbeeldden dat die buiten de invloedssfeer ervan zouden blijven. Zelfs in 'Ishqábád zette de juist gevestigde Shí'ah gemeenschap, afgunstig op het groeiende aanzien van de in hun midden wonende volgelingen van Bahá'u'lláh, twee bandieten aan tot een overval op de zeventigjarige Hájí Muhammad-Ridáy-i-Isfáhání; op klaarlichte dag doorstaken zij hem, midden op de bazaar, op wel tweeëndertig plaatsen, waarbij zijn lever bloot kwam te liggen, en zijn maag en zijn borst werden opengereten. Een militair gerechtshof dat door de Tsaar naar 'Ishqábád was gezonden, sprak na langdurige ondervraging het schuldig over de Shí'ahs uit, twee werden ter dood veroordeeld en zes anderen verbannen - een veroordeling die noch Násiri'd-Dín Sháh, noch de 'ulamás van Tihrán, Mashdad en Tabríz, die men om bijstand had verzocht, konden verzachten, maar die tot grote verbazing van de Russische autoriteiten door de grootmoedige voorspraak van de vertegenwoordigers van de benadeelde gemeenschap in een lichtere straf kon worden omgezet.

Dit zijn een paar typische voorbeelden van de behandeling die door de tegenstanders van het Geloof aan de pas weer opkomende gemeenschap van zijn volgelingen werd aangedaan in de periode van Bahá'u'lláh's verbanning naar 'Akká - een behandeling waarvan men naar eer en geweten mag zeggen, dat ze beurtelings getuigde van "de hardvochtigheid van de onmens en het vernuft van de duizel".

Het "onderzoek en de weerzinwekkende folteringen" die volgden op de aanslag op het leven van Násiri'd-Dín Sháh hadden reeds, in de woorden van niemand minder dan de voortreffelijke waarnemer Lord Curzon of Kedleston, aan het Geloof een "levenskracht verleend die door geen andere impuls teweeggebracht had kunnen worden". De opleving van de volgelingen en dit vernieuwde bloedvergieten van martelaren droegen er slechts toe bij om de heilige jonge boom die reeds in zijn geboortegrond had wortel geschoten, nog meer te voeden. Onbezorgd over de politiek van vuur en bloed die was gericht op hun vernietiging, onverschrokken door de zware slagen die op een ververwijderde Leider neerregenden, onbedorven door de lage en opruiende daden, door de aartsverbrekers van het Verbond van de Báb bedreven, werd het aantal volgelingen van Bahá'u'lláh steeds groter en verzamelde in stilte de nodige krachten die hen in een later stadium in staat moesten stellen het hoofd in vrijheid hoog te houden en de opbouw van hun instellingen te ontwikkelen.

In de herfst van 1889 schreef Lord Curzon of Kedleston, spoedig na zijn bezoek aan Perzië, in enkele beschouwingen die bedoeld waren om de "grote verwarring", alsmede de "verkeerde opvattingen onder de Europese en speciaal onder de engelse schrijvers" ten aanzien van het Geloof, weg te nemen, dat "thans het overgrote deel van alle volgelingen van de Báb Bahá'í geworden zijn". Graaf Gobineau schreef reeds in 1865 het volgende, "L'opinion générale est que les Bábís sont répandus dans toutes les classes de la population et parmi tous les religionnaires de la Perse, sauf les Nusayrís et les Chrétiens; mais ce sont surtout les classes éclairées, les hommes pratiquant les sciences du pays, qui sont donnés comme très suspects. Om pense, et avec raison, ce semble, que beaucoup de mullás, et parmi eux des mujtahids considérables, des magistrats d'un rang élevé, des hommes qui occupent à la cour des fonctions importantes et qui approchent de près la personne du Roi, sont des Bábís. D'après un calcul fait récemment, il y aurait à Tihrán cinq milles de ces religionnaires sur une population de quatrevingt milles âmes à peu près".1

En verder,..."Le Babisme a pris une action considérable sur l'intelligence de la nation persane, et, se rependant même au delà des limites du territoire, il a débordé dans la pachalik de Baghdád, et passé aussi dans l'Inde".2 En ook nog,..."Un mouvement religieux tout particulier dont l'Asie Centrale, c'est-à-dire la Perse, quelques points de l'Inde et une partie de la Turquie d'Asie, aux environs de Baghdád est aujourd'hui vivement préoccupée, mouvement remarquable et digne d'être étudié à tous les titres. Il permet d'assister à des développements de faits, à des manifestations, à catastrofes telles que l'ont n'est pas habitué àles imaginer ailleurs que dans les temps réculés où se sont produites les grandes religions".3

Lord Curzon schrijft bovendien nog, als hij zinspeelt op de Verkondiging van de Zending van Bahá'u'lláh en de rebellie van Mírzá Yahyá, "Deze veranderingen hebben echter de propaganda ervoor geenszins geschaad, maar hebben die blijkbaar in tegendeel gestimuleerd - een propaganda die oprukte met een snelheid die onbegrijpelijk was voor diegenen die daarin slechts een grove vorm van politiek, of zelfs van metafysische gisting kunnen zien. De laagste schatting van het aantal Bábís in Perzië is een half miljoen. Uit gesprekken met mensen die ik tot oordelen bevoegd acht, ben ik eerder geneigd het totaal op een miljoen te houden". Hij voegt eraan toe, "Men vindt ze in alle lagen van de bevolking, van ministers en de adel aan het hof, tot aan de straatveger en de stalknecht, en zelfs in de kringen van de mohammedaanse geestelijkheid". Een andere getuigenis van hem luidt, "Uit het feit dat het Bábísme zich in de eerste jaren van zijn bestaan in conflict bevond met de burgerlijke macht en dat er door Bábís een aanslag was gepleegd op het leven va de Sjah, heeft men ten onrechte opgemaakt, dat de beweging van oorsprong politiek gericht en nihilistisch van aard was... Thans zijn de Bábís even trouw aan de kroon als alle andere onderzaten. Evenmin lijkt er erg grote rechtvaardigheid te schuilen in de aantijging dat zij socialistisch, communistisch en onzedelijk waren, een beschuldiging die men in ze ruime mate de jonge beweging in de schoenen trachtte te schuiven... Het enige communisme dat bekend was aan, en aanbevolen werd door Hem (de Báb), was dat van het Nieuwe Testament en de eerste christelijke Kerk, namelijk het gezamenlijk delen van goederen en bezittingen door de leden van het Geloof, het geven van aalmoezen en de beoefening van grote naastenliefde. De beschuldiging van onzedelijkheid schijnt voor een deel te zijn voortgekomen uit de boosaardige verzinsels van tegenstanders, en voor een deel uit de veel grotere vrijheid die de Báb voor vrouwen opeiste, hetgeen in de oosterse gedachtenwereld nauwelijks los te denken valt van losbandig gedrag". En tenslotte komt hier de volgende voorspelling uit zijn pen, "Indien het Bábísme in dezelfde mate blijft groeien is het denkbaar, dat er een tijd komt waarin het het Mohammedanisme in Perzië van het toneel zal verdringen. Naar mijn mening zou dit waarschijnlijk niet gebeuren, als het onder de vlag van een vijandiggezind geloof zou verschijnen. Maar aangezien zijn soldaten zijn gerekruteerd uit het beste materiaal van de tegenpartij is er des te meer reden om aan te nemen dat het uiteindelijk de overhand zal krijgen".

Bahá'u'lláh's opsluiting in de strafgevangenis van 'Akká, de veelvuldige rampspoeden die Hij onderging, de aanhouden beproevingen waaraan de gemeenschap van Zijn volgelingen in Perzië was onderworpen, konden noch de machtige stroom van goddelijke Openbaring tegenhouden, noch in de geringste mate verhinderen, dat deze onafgebroken uit Zijn Pen bleef vloeien - de openbaringen waarvan de toekomstige richting, de zuiverheid, de verbreiding en de consolidatie van Zijn Geloof rechtstreeks afhingen. Zijn geschriften uit de tijd van Zijn afzondering in de Grootste Gevangenis overtroffen inderdaad in opzet en omvang Zijn pennevruchten uit de dagen van Adrianopel en Baghdád. Nog meer in het oog vallend dan de radicale ommekeer in Zijn persoonlijke omstandigheden in 'Akká, nog verreikender in de geestelijke uitwerking ervan dan de campagne van onderdrukking, Hem zo meedogenloos door de vijanden van Zijn Geloof in Zijn geboorteland opgelegd, moet deze ongeëvenaarde uitbreiding in het kader van Zijn geschriften gedurende Zijn verbanning in die Gevangenis worden gezien als een van de inspirerendste en vruchtbaarste fasen in de ontwikkeling van Zijn Geloof.

De stormwinden die het Geloof bij het begin van Zijn beleid hadden gebeukt en de winterse troosteloosheid die de aanvang van Zijn profetische loopbaan na Zijn Verbanning uit Tihrán had gekenmerkt, werden tijdens het laatste deel van Zijn verblijf in Baghdád gevolgd door wat men mag noemen de lentejaren van Zijn zending - jaren waarin men de zichtbare werkzaamheid kon waarnemen van de krachten die in het goddelijke zaad hadden liggen sluimeren sinds Zijn Voorloper Hem op zo tragische wijze was ontvallen. Met Zijn aankomst in Adrianopel en de verkondiging van Zijn zending steeg de hemelbol van Zijn Openbaring als het ware naar het zenith en straalde, zoals men uit de stijl en de toon van Zijn geschriften kan opmaken, in de volheid van zijn zomerpracht. De periode van Zijn opsluiting in 'Akká veroorzaakte de rijping van een langzaam groeiproces, en dat was ook de periode waarin de uitgelezen vruchten van die zending tenslotte werden geoogst.

De geschriften van Bahá'u'lláh uit deze periode lijken in drie aparte categorieën uiteen te vallen, als wij het uitgestrekte gebied overzien dat ze omvatten. De eerste bevat die geschriften die het vervolg zijn op de bekendmaking van Zijn zending in Adrianopel. De tweede behelst de wetten en verordeningen van Zijn Beschikking, die voor het grootste gedeelte zijn opgetekend in de Kitáb-i-Aqdas, Zijn Heiligste Boek. De derde omvat de Tafelen die deels de fundamentele leerstellingen en grondbeginselen welke aan die Beschikking ten grondslag liggen, uiteenzetten, en die deels opnieuw bevestigen.

De verkondiging van Zijn zending was, zoals wij reeds opmerkten, speciaal gericht geweest tot de koningen der aarde, die krachtens de macht en het gezag door hen uitgeoefend, waren bekleed met een heel eigen en onontkoombare verantwoordelijkheid voor het lot van hun onderdanen. Aan deze koningen, alsook aan de geestelijke leiders in de wereld, die een niet minder indringende invloed op het merendeel van hun volgelingen hadden, rechtte de Gevangene van 'Akká Zijn oproepen, waarschuwingen en vermaningen gedurende de eerste jaren van Zijn opsluiting in die stad. Hij bevestigde Zelf, "Bij Onze aankomst in deze Gevangenis hadden Wij het voornemen aan de koningen de boodschappen van hun Heer, de Machtige, de Alomgeprezene, over te brengen. Ofschoon Wij hun in verscheidene Tafelen hebben overgebracht wat Ons was opgedragen, doen Wij dit nu nogmaals als een teken van Gods genade".

Tot de koningen in zowel het oosten als het westen, zowel Christenen als Moslems die Hij reeds collectief in de in Adrianopel geopenbaarde Súriy-i-Múlúk had berispt en gewaarschuwd - en die ook de Báb op de avond van de verkondiging van Zijn zending in het eerste hoofdstuk van de Qayyúmu'l-Asmá' zo vurig had gemaand - had Bahá'u'lláh in de donkerste dagen van Zijn opsluiting in 'Akká enige van de zeer verheven passages uit Zijn Heiligste Boek gericht. In deze passages deed Hij een beroep op hen om zich vast te klemmen aan de "grootste Wet"; riep Zichzelf uit als de "Koning der Koningen" en het "Verlangen aller volkeren"; verklaarde hen tot Zijn "vazallen" en "zinnebeelden van Zijn soevereiniteit"; wees ieder voornemen om zich hun koninkrijken toe te eigenen van de hand; vroeg hun op hun paleizen te verlaten en zich te haasten toegang tot Zijn Koninkrijk te verkrijgen; verheerlijkte de koning die de moed zou hebben op (te) staan om Zijn Zaak te dienen als "het ware oog van de mensheid"; en klaagde hen tenslotte aan voor wat Hem door hun toedoen was overkomen.

In Zijn Tafel aan koningin Victoria nodigt Hij de koningen bovendien uit, zich vast te klemmen aan de "Kleine Vrede", aangezien zij de "Grootste Vrede" hadden afgewezen; maant Hij hen zich onderling met elkaar te verzoenen, zich te verenigen en hun bewapening te verminderen; gebiedt hun hun onderdanen niet overmatig te belasten daar zij, naar Hij hun meedeelt, hun "beschermelingen" en hun "schatten" zijn; verkondigt het beginsel, dat indien een van hen de wapenen tegen de ander opneemt, allen tegen deze op moet(en) staan; en waarschuwt hen Hem niet te behandelen zoals de "Koning van de Islam" en zijn ministers hebben gedaan.

Tot de keizer der Fransen, Napoleon III, in die dagen de meest vooraanstaande en invloedrijkste monarch van het westen, die Hij aanduidde als de "voornaamste soeverein" en die, om Zijn woorden aan te halen, de Tafel welke in Adrianopel voor Hem was geopenbaard, "achter zich had neergeworpen", richtte Hij tijdens Zijn gevangenschap in de kazerne een tweede Tafel, en liet deze door een franse tussenpersoon in 'Akká daarheen zenden. Hierin kondigt Hij de komst aan van "Hem Die de Onbeperkte is" wiens doel het is "de wereld nieuw leven te geven" en zijn volkeren te verenigen; verzekert op ondubbelzinnige wijze dat Jezus Christus de Heraut van Zijn zending was; kondigt de val aan van de "sterren aan het firmament van kennis" die zich van Hem hebben afgewend; stelt de onoprechtheid van de monarch aan de kaak en voorzegt onverholen dat zijn koninkrijk "zijn ondergang tegemoet gaat", dat zijn "rijk hem uit handen zal worden genomen" en dat "oproeren alle mensen in dat land zullen teisteren", tenzij hij opstaat om de Zaak van God te helpen en Hem Die Zijn Geest is, te volgen.

In gedenkwaardige passages, gericht tot de "heersers van Amerika en de presidenten van de Republieken", roept Hij hen in Zijn Kitáb-i-Aqdas op om "de tempel van heerschappij te tooien met het ornament van gerechtigheid en de vreze Gods, en zijn koepel met de kroon van de gedachtenis" aan hun Heer; verklaart dat "de Beloofde" is geopenbaard; raadt hun aan zich de "Dag van God" ten nutte te maken; en gebiedt hen "de terneergeslagenen met rechtvaardige hand weer op te richten" en de "onderdrukker" met "de roede der geboden van hun Heer, de Beschikker, de Alwijze, te verbrijzelen".

Toen Hij als gevangene in de kazerne zat, richtte Hij aan Nicolaas Alexander II, de oppermachtige tsaar van Rusland, een epistel, waarin Hij de komst van de beloofde Vader aankondigt, Wien "de tong van Jesaja heeft verheerlijkt" en "met Wiens naam zowel de Torah als het Evangelie was getooid"; beveelt hem "te verrijzen...en de volkeren op te roepen tot God"; waarschuwt hem ervoor te waken dat zijn soevereiniteit hem niet afhoudt van "Hem Die de hoogste Heer is"; betuigt Zijn erkentelijkheid voor de hulp die Hem werd geboden door zijn ambassadeur in Tihrán; en waarschuwt hem de rang die God voor hem heeft beschikt, niet te verbeuren.

Aan koningin Victoria schrijft Hij in diezelfde periode een epistel, waarin Hij haar aanmaant het oor te neigen naar de stem van haar Heer, de Heer van de gehele mensheid; draagt haar op "alles van zich te werpen dat op aarde is" en haar hart open te stellen voor haar Heer, de Aloude der Dagen; verklaart dat "alles wat in het Evangelie is vermeld, nu in vervulling is gegaan" verzekert haar dat God haar voorzeker zal belonen voor haar "verbod van de slavenhandel" als zij opvolgt wat Hij haar heeft toegezonden; prijst haar dat zij "de teugels van het beleid heeft toevertrouwd aan de vertegenwoordigers van het volk", en spoort hen aan "zichzelf te beschouwen als de vertegenwoordigers van allen die op aarde wonen" en met "de grootste rechtvaardigheid" over de mensen recht te spreken.

In een vermaarde passage in Zijn Kitáb-i-Aqdas, gericht aan Wilhelm I, koning van Pruisen en pas ingehuldigde keizer van een verenigd Duitsland, draagt Hij de vorst op om naar Zijn stem te luisteren, de stem van God Zelf; waarschuwt hem er goed op te letten dat zijn hoogmoed hem niet belet om "de Dageraad van goddelijke Openbaring" te erkennen, en raadt hem aan "te denken aan degene (Napoleon III) wiens macht" zijn macht "overtrof" en die "volledig te grond ging". Verder spreekt Hij in datzelfde Boek over "de oevers van de Rijn" en voorzegt dat "het zwaard van vergelding" tegen hem zal worden getrokken en dat "het weeklagen van Berlijn" zal weerklinken, ofschoon die stad op dat moment "in volle luister" praalde.

In een andere opmerkelijke passage in datzelfde Boek, gericht tot Franz Josef, de Oostenrijkse keizer en erfgenaam van het Heilige Roomse Rijk, berispt Bahá'u'lláh de vorst dat hij heeft nagelaten naar Hem te vragen toen hij zijn pelgrimstocht naar Jeruzalem maakte; roept God als getuige op dat Hij hem heeft aangetroffen "zich vastklemmend aan de Tak terwijl hij de Wortel negeerde"; bedroeft zich over zijn eigenzinnigheid, en draagt hem op zijn ogen te openen om "het Licht dat stralend boven deze lichtende Horizon schijnt" te zien.

Tot 'Alí Páshá, de grootvizier van de sultan van Turkije, richtte Hij kort na Zijn aankomst in 'Akká een tweede Tafel, waarin Hij hem berispt over zijn wreedheid "die de hel in vlam heeft doen staan en de Geest heeft doen weeklagen"; somt zijn dagen van onderdrukking op; veroordeelt hem als behorende tot diegenen die van oudsher de Profeten hebben uitgemaakt voor oproerkraaiers; voorspelt zijn ondergang; weidt uit over Zijn eigen ontberingen en die van Zijn medeballingen; verheerlijkt hun geestkracht en onthechting; voorzegt dat Gods "wrekende gramschap" hem en zijn regering zal treffen, dat er "temidden van hen oproer zal uitbreken" en dat hun "gebied uiteen zal vallen"; en verzekert hem dat hij al zijn bezittingen zou afstaan als hem de ogen zouden opengaan en zou "verkiezen in één van de vervallen vertrekken van deze Grootste Gevangenis te verblijven". In de Lawh-i-Fu'ád, het geschrift waarin Hij naar de vroegtijdige dood van zijn Minister van Buitenlandse Zaken verwijst, bekrachtigt Hij Zijn bovengenoemde voorspelling: "Spoedig zullen Wij diegene ('Alí Páshá) wegzenden die net zo was als hij, en zullen Wij hun leider (Sultán Abdu'l-'Azíz) aangrijpen, die het land regeert; en Ik ben, waarlijk, de Almachtige, de Algebiedende".

Niet minder openhartig en nadrukkelijk zijn Bahá'u'lláh's boodschappen, waarvan enkele in speciale Tafelen zijn vervat, andere zijn verweven in Zijn geschriften, tot de geestelijke leiders van alle sekten en richtingen in de wereld - boodschappen waarin Hij duidelijk en zonder terughoudendheid de aanspraken van Zijn Openbaring uiteenzet; hen aanspoort op Zijn roep acht te slaan en in enkele speciale gevallen hun verdorvenheid, hun buitensporige arrogantie en tirannie openlijk veroordeelt.

In onsterfelijk geworden passages in de Kitáb-i-Aqdas en andere Tafelen draagt Hij alle geestelijke leiders op "om God te vrezen", hun pennen "te beteugelen", "hun ijdele hersenschimmen en waanindeeën van zich te werpen en zich dan naar de horizon van zekerheid te keren", waarschuwt hen "niet het Boek van God (Kitáb-i-Aqdas) naar de gangbare maatstaven te meten"; kenmerkt dit Boek als de "nimmer falende Waag onder de mensen"; klaagt over hun verblindheid en eigenzinnigheid; verzekert hen van de juistheid van Zijn overwicht in visie, inzicht, uitspraken en wijsheid; verkondigt Zijn aangeboren en van God gegeven kennis; vermaant hen om "de mensen niet met weer een sluier af te scheiden" nadat Hij "die sluiers vaneen gereten had"; beschuldigt hen "de oorzaak" te zijn geweest "van de afwijzing van het Geloof in de eerste dagen" en bezweert hen om "eerlijk en rechtvaardig kennis te nemen van wat" door Hem "is neergezonden" en "niet de waarheid te vernietigen" met alles wat zij bezitten.

Tot paus Pius IX, het onbetwistbare hoofd van de machtige Kerk van het Christendom, bezitter van zowel wereldlijk als geestelijk gezag, richtte Hij, Zelf een gevangene in de kazerne van de strafkolonie 'Akká een zeer belangrijk epistel, waarin Hij aankondigt dat "Hij Die de Heer der Heren is, gekomen is, overschaduwd door wolken", en dat "het Woord dat de Zoon verhulde, thans is geopenbaard". Hij waarschuwt hem bovendien, niet met Hem te redetwisten, zoals de Farizeeërs uit vroeger dagen met Jezus Christus hadden geredetwist; draagt hem op zijn paleizen te laten aan diegenen die ze wensen; "alle fraaie sieraden te verkopen" die hij in zijn bezit heeft, "ze op het pad van God te besteden", zijn rijk aan de koningen af te staan, zich "te verheffen...onder de volkeren der aarde" en hen op te roepen tot Zijn Geloof. Waar Hij hem beschouwt als een van de zonnen aan de hemel van Gods namen, waarschuwt Hij hem zich ervoor te hoeden dat niet "duisternis zijn sluiers" over hem "zal uitspreiden"; doet een beroep op hem "de mensen onpartijdig te behandelen", en raadt hem aan in de voetstappen van zijn Heer te treden en Zijn voorbeeld te volgen.

Aan de aartsvaders van de christelijke Kerk deed Hij een speciale oproep toekomen, waar Hij de komst van de Beloofde bekend maakt; maant hen "God te vrezen" en "niet de ijdele hersenschimmen van de bijgelovigen" te volgen; raadt hen aan alles wat zij bezitten terzijde te leggen en "zich met behulp van Zijn soevereine macht te houden aan de Tafel van God". Aan de aartsbisschoppen van die Kerk verklaart Hij evenzo dat "Hij Die de Heer is van alle mensen, is verschenen", dat zij "gerekend moeten worden tot de doden", en dat de zegening groot is van hem die door "de ademtocht van God is beroerd en uit de dood is opgestaan in deze lichtende Naam". In passages aan de bisschoppen verkondigt Hij dat "de eeuwige Vader luide tussen hemel en aarde heeft geroepen", verklaart hen tot de gevallen sterren uit de hemel van Zijn kennis, en verzekert dat Zijn lichaam "smacht naar het kruis" en Zijn hoofd "verlangt naar de speer op het pad van de Albarmhartige". Aan de schare van christelijke priesters draagt Hij op "de kerkklokken te laten voor wat ze zijn" en uit hun kerken naar buiten te treden; maant hen de "Grootste Naam luide onder de volkeren te verkondigen"; verzekert hen dat al wie de mensen oproept in Zijn Naam zal "laten zien, wat de macht van allen die op aarde zijn, te boven gaat"; waarschuwt hen dat de "Dag van Afrekening is aangebroken"; raadt hen aan zich met hart en ziel tot hun "Heer, de Vergevende, de Edelmoedige" te keren. In talloze passages aan de "schare van monniken" gelast Hij dat zij zich niet moeten afzonderen in kerken en kloosters, maar zich moeten bezighouden met wat goed is voor hun ziel en de zielen der mensen; draagt hen op een huwelijk aan te gaan, en bevestigt dat, zo zij verkiezen Hem te volgen, Hij hen tot erfgenamen van Zijn Koninkrijk zal maken en dat, zo zij tegen Hem zondigen, Hij dat lankmoedig zal verdragen.

En tenslotte identificeert Hij Zich in verschillende passages, gericht tot alle volgelingen van Jezus Christus, met de "Vader" waarover Jesaja sprak, met de "Vertrooster", Wiens Verbond Hij die de Geest (Jezus) is, Zelf heeft gesloten en met de "Geest der Waarheid" Die hen "tot alle waarheid" zal leiden; verkondigt Zijn Dag tot de Dag van God; maakt het samenvloeien van de Jordaan met de "grootste Oceaan" bekend, bevestigt hun achteloosheid alsmede Zijn eigen aanspraak dat Hij "de poorten van het koninkrijk" voor hen heeft geopend; verzekert dat de beloofde "tempel" is gebouwd "met de hand van de wil" van hun Heer, de Machtige, de Milddadige; draagt hen op "de sluiers vaneen te rijten" en Zijn Koninkrijk in Zijn naam binnen te gaan; herinnert aan het gezegde van Jezus aan Petrus; en verzekert hen dat Hij, indien zij Hem verkiezen te volgen, van hen "de bezielers der mensheid" zal maken.

Aan alle moslem geestelijken wijdde Bahá'u'lláh speciaal ontelbare passages in Zijn Boeken en Tafelen, waarin Hij in vurige bewoordingen hun wreedheid laakt, hun trots en arrogantie veroordeelt, een beroep op hen doet afstand te doen van alles wat zij bezitten, te zwijgen en hun oor te neigen naar de woorden die Hij heeft gesproken, en bevestigt dat, vanwege hun daden, "de verheven rang van het volk is gedaald, de standaard van de Islam naar beneden is gehaald en van zijn machtige troon vervallen is verklaard". Aan de "schare van Perzische godgeleerden" richtte Hij in het bijzonder Zijn veroordelende woorden, hekelt hun daden en voorzegt, dat hun "glorie zal worden omgezet in de rampzaligste vernedering" en dat zij de straf zullen aanschouwen die hun zal worden toegediend "gelijk door God is bevolen, de Beschikker, de Alwijze".

Aan jet joodse volk kondigde Hij bovendien aan, dat de grootste Wet was gekomen, dat de "Aloude Schoonheid regeert op de troon van David" Die luide Zijn Naam aanroept, en uitroept, dat "vanuit Zion het verborgene is verschenen", en "vanuit Jeruzalem de stem van God, de Ene, de Onvergelijkelijke, de Alwetende, wordt gehoord".

Aan de hogepriesters van het zoroastrische Geloof verkondigde Hij verder dat de "overgelijkelijke Vriend" is gemanifesteerd, dat Hij "uitspreekt waarin redding ligt", dat "de Hand van Almacht van achter de wolken wordt uitgestoken", dat de tekenen van Zijn majesteit en grootheid zijn ontsluierd, en verklaarde dat "niemands daden in deze dag aanvaardbaar zijn, tenzij hij de mensheid en wat zij bezit verzaakt, en het gelaat richt naar de Almachtige".

Enkele zeer belangrijke passages uit Zijn epistel aan koningin Victoria zijn gericht tot de leden van de Britse wetgevende macht - de oorsprong van het instituut "Parlement" - alsook aan de gekozen vertegenwoordigers van de volkeren in andere landen. Hierin verklaart Hij, dat het Zijn doel is om de wereld nieuw leven in te blazen en de volkeren te verenigen; haalt de behandeling aan die Hem door Zijn vijanden werd aangedaan; maant de wetgevers "zich tesamen te beraden" en zich slechts bezig te houden "met wat de mens kan baten", en verzekert dat "het hoogste geneesmiddel" voor de "genezing van de gehele wereld" "de vereniging" is "van alle volkeren in één universele Zaak, één gemeenschappelijk Geloof"; dat "niet anders verworven kan worden dan door de kracht van een kundig, alwetend en bezield Geneesheer". Hij heeft bovendien in Zijn Heiligste Boek het kiezen van een wereldhulptaal en een algemeen geldend schrift voorgeschreven, een opdracht die, wanneer ze in werking treedt, zoals Hij zelf in dat Boek verzekert, een van de tekenen zal zijn dat "de mensheid mondig is geworden".

Van niet minder betekenis zijn de woorden die Hij afzonderlijk richt tot het "volk van de Bayán", tot de wijsgeren in de wereld, de dichters, de geleerden, de mystici en zelfs tot de handelslieden, en hen aanmaant aandacht te besteden aan Zijn stem, Zijn Dag te erkennen en Zijn gebod na te leven.

Aldus luiden globaal de meest opvallende kenmerken van de laatste uitspraken van die historische verkondiging, waarvan de eerste tonen weerklonken gedurende het laatste deel van Bahá'u'lláh's verbanning naar Adrianopel en die eindigden in de eerste jaren van Zijn opsluiting in de gevangenis van 'Akká. Koningen en keizers, afzonderlijk en allen tezamen; de presidenten van de Republieken van Amerika; gezanten en ambassadeurs; de Paus; de plaatsbekleder van de Profeet van de Islam; de koninklijke gevolmachtigde van het koninkrijk van de Verborgen Imám; de vorsten van het Christendom, zijn aartsvaders, aartsbisschoppen, bisschoppen, priesters en monniken; de erkende leiders van zowel de Sunní als de Shí'ah orden; de hogepriesters van de zoroastrische religie; de filosofen, de geestelijke leiders, de wijsgeren en de inwoners van Constantinopel - die trotse zetel van het sultanaat en het kalifaat -; de gehele schare van belijdende aanhangers van het zoroastrische, joodse en christelijke en moslem geloven: het volk van de Bayán; de wijsgeren in de wereld, de geleerden, dichters, mystici, handelslieden en gekozen vertegenwoordigers van het volk; Zijn eigen landgenoten - allen zijn vroeg of laat door middel van boeken, epistels en Tafelen binnen het bereik gebracht van de vermaningen, waarschuwingen, oproepen, bekendmakingen en profetieën die het thema vormen van Zijn hoogstbelangrijke oproep aan de leiders der mensheid - een oproep die zijn weerga niet vindt in de annalen van enige voorgaande religie, en waarvan de boodschappen die de Profeet van de Islam destijds aan enkele heersers zond, slechts een flauwe afspiegeling zijn.

Bahá'u'lláh verklaart Zelf, "Vanaf het begin der tijden is nog nimmer de Boodschap zo openlijk verkondigd". En toen Hij speciaal de aandacht vestigde op de Tafelen die Hij richtte tot de vorsten der aarde - Tafelen die door 'Abdu'l-Bahá worden aangemerkt als een "wonder" - schreef Hij, "Deze zijn alle aangeduid met een speciale naam. De eerste werd genoemd 'het Gedreun', de tweede 'de Slag', de derde 'het Onvermijdelijke', de vierde 'het Slagveld', de vijfde 'de Catastrofe', en de anderen 'de oorverdovende Klaroenstoot', 'de komende Gebeurtenis', 'de grote Verschrikking', 'de Klaroen', 'de Hoorn' en dergelijke, zodat alle volkeren ter aarde zeker kunnen weten, en met het stoffelijke en het geestesoog mogen zien dat Hij die de Heer van Namen is, zegeviert en onder alle omstandigheden zal blijven zegevieren over alle mensen". De belangrijkste van deze Tafelen werden bovendien samen met de beroemde Súriy-i-Haykal (de Súrih van de Tempel) volgens Zijn opdracht geschreven in de vorm van een pentagram, daarmede de menselijke tempel symboliserend. In een van Zijn Tafelen aan de volgelingen van het Evangelie stelde Hij die gelijk met de door Zacharias genoemde "Tempel" die bedoeld was als "het luisterrijke ochtendgloren van de Albarmhartige" en die "de handen van de macht van de Veroorzaker van Oorzaken" hadden gebouwd.

Hoe uniek en overweldigend deze verkondiging ook was, het bleek toch slechts een voorspel te zijn tot een nog machtiger openbaring van de scheppende kracht van de Auteur en tot wat men zeker mag beschouwen als de opmerkelijkste daad tijdens Zijn beleid: het openbaar maken van de Kitáb-i-Aqdas. Dit "Heiligste Boek" waarop in de Kitáb-i-Iqán reeds werd gezinspeeld; dat de voornaamste verzamelplaats is van de Wet die Jesaja reeds had voorzien en die de schrijver van de Apocalypse reeds had beschreven als de "nieuwe hemel" en de "nieuwe aarde", als "het tabernakel van God", de "heilige Stad", als de "bruid", het "nieuwe Jeruzalem dat neerdaalt van God"; dit Heiligste Boek welks wetsbepalingen voor tenminste duizend jaar onaangetast moeten blijven, en welks stelsel de gehele planeet zal omvatten, mag zeker worden beschouwd als de schitterendste emanatie van Bahá'u'lláh's geest, als het Moederboek van Zijn Beschikking en het Handvest van Zijn nieuwe Wereldorde.

Dit Boek, deze schatkamer waarin de onschatbare edelstenen van Zijn Openbaring bewaard liggen, dat Bahá'u'lláh omstreeks 1873 openbaarde, spoedig nadat Hij naar het huis van 'Údí Khámmár was overgebracht in een tijd dat Hij nog was omgeven door de rampspoeden die Hem door Zijn vijanden en de verklaarde aanhangers van Zijn Geloof werden aangedaan, overtreft alle in de wereld bekende heilige geschriften op unieke en onvergelijkbare wijze door de grondbeginselen die het inscherpt, de bestuursinstellingen die het voorschrijft en de functie waarmede het de aangestelde opvolger van zijn Auteur bekleedt. Want niet zoals het Oude Testament en de heilige Boeken die eraan vooraf gingen, waarin de feitelijke voorschriften van de Profeet zelf mankeren; niet zoals de Evangeliën, waarin de paar uitspraken die aan Jezus Christus zijn toegeschreven, geen duidelijke richtlijnen aangeven met betrekking tot het toekomstige beleid in geloofszaken; zelfs niet zoals de Qur'án die, hoewel zijn wetten en verordeningen door de Apostel van God zeer duidelijk zijn geformuleerd, zwijgt over het allerbelangrijkste punt van de opvolging, bewaart de Kitáb-i-Aqdas daarentegen, die van begin tot eind door de Auteur van de Beschikking Zelf in geopenbaard, voor het nageslacht niet alleen de fundamentele wetten en verordeningen, waarop de structuur van Zijn toekomstige Wereldorde moet steunen, maar stelt ook als aanvulling daarop de functie in van het "uitleggen" - een functie die aan Zijn opvolger wordt toevertrouwd - alsmede de noodzakelijke instellingen waardoor de integriteit en de eenheid van Zijn Geloof alleen kunnen worden gewaarborgd.

In dit handvest van de toekomstige wereldbeschaving kondigt de Auteur - die tegelijk de Rechter, de Wetgever, de Eenmaker en de Verlosser der mensheid is - aan de koningen der aarde de uitvaardiging aan van de "grootste Wet"; verklaart hen tot Zijn vazallen; verkondigt dat Hij de "Koning der Koningen is; verwerpt iedere verdenking dat Hij de hand zal leggen op hun gebieden; behoudt Zich het recht voor om "de harten der mensen te beroeren en te beheersen"; waarschuwt de geestelijke leiders in de wereld het "Boek van God" niet naar de gangbare maatstaven te meten, en bevestigt dat het Boek zalf de "nimmerfalende Waag" is die onder de mensheid is opgesteld. In dat Boek stelt Hij uitdrukkelijk het instituut van het "Huis van Gerechtigheid" in, omschrijft nauwkeurig de functies ervan, stelt de inkomsten vast, en duidt de leden ervan aan als "mannen van gerechtigheid", de "afgevaardigden van God", de "gevolmachtigden van de Albarmhartige", zinspeelt op het toekomstige Middelpunt van Zijn Verbond, en bekleedt hem met het recht Zijn heilige Geschriften uit te leggen; loopt als gevolgtrekking daarvan vooruit op de instelling van het Behoederschap; getuigt van het effect van Zijn Wereldorde, dat een ware ommekeer teweeg zal brengen; zet de doctrine uiteen van de "grootste Onfeilbaarheid" van de Manifestatie van God; bevestigt dat deze onfeilbaarheid het onvervreembare en uitsluitende recht is van de Profeet, en schakelt de mogelijkheid uit dat er binnen een tijdsbestek van tenminste duizend jaar een andere Manifestatie zal verschijnen.

In dat Boek schrijft Hij ook de verplichte gebeden voor; noemt de tijd en de periode voor de vasten; verbiedt het samen hardop zeggen van gebeden dan alleen voor de overledenen; bepaalt de plaats van de Qiblih; stelt de Huqúqu'lláh (het Recht van God) in; formuleert de wet van het erfrecht; schrijft de instelling van de Mashriqu'l-Adhkár voor; stelt de Negentiendaagse Feesten, de Bahá'í hoogtijdagen en de schrikkeldagen in; schaft het instituut van het priesterschap af; verbiedt slavernij, ascetisme, bedelarij, het kloosterwezen, de biecht, het gebruik van spreekgestoelten en de handkus; schrijft monogamie voor; veroordeelt wreedheid tegen dieren, ledigheid en luiheid, achterklap en laster; laakt echtscheiding; verbiedt kansspelen, het gebruik van opium, wijn en andere bedwelmende dranken; vermeldt in bijzonderheden de straffen voor moord, brandstichting, overspel en diefstal; beklemtoont het belang van het huwelijk en stelt de essentiële voorwaarden hiervoor vast; legt de verplichting op om een vak of beroep uit te oefenen, waarbij dat werk wordt verheven tot de rang van gebed; legt de nadruk op de noodzaak om middelen te verschaffen voor het onderwijs aan kinderen; verplicht een ieder tot het maken van een testament, en stipte gehoorzaamheid aan de regering van zijn land.

Los van deze voorzieningen spoort Bahá'u'lláh Zijn volgelingen aan om in vriendschap en saamhorigheid en zonder onderscheid des persoons met de aanhangers van alle godsdiensten om te gaan; waarschuwt hen te waken voor fanatisme, oproer, hoogmoed, woordentwist en naijver; prent hen in onberispelijk zindelijk te zijn, absoluut eerlijk, vlekkeloos kuis en betrouwbaar, gastvrij, trouw, hoffelijk, verdraagzaam, rechtvaardig en open; raadt hen aan om "te zijn als de vingers van één hand en de ledematen van één lichaam"; roept hen op zich te verheffen Zijn Zaak te dienen, en verzekert hen van Zijn ontwijfelbare bijstand. Hij staat verder nog stil bij de ongewisheid van 's mensen aangelegenheden; verklaart dat ware vrijheid bestaat uit de onderwerping van de mens aan Zijn geboden; waarschuwt hen niet toegeeflijk te zijn bij het uitvoeren van Zijn verordeningen; schrijft de twee onafscheidelijke verplichtingen voor van het erkennen van de "Dageraad van Gods Openbaring" en van het in acht nemen van alle door Hem onthulde verordeningen waarbij, naar Hij verzekert, de een onaanvaardbaar is zonder de andere.

De belangrijke oproep aan de presidenten van de Republieken van Amerika om hun kans in de Dag van God te grijpen en op te komen voor de zaak van gerechtigheid; de opdracht aan de parlementsleden in de gehele wereld om vooral een algemeen geldend schrift en een wereldhulptaal aan te nemen; Zijn waarschuwingen aan keizer Wilhelm I, de overwinnaar van Napoleon III; Zijn verwijt aan Franz Josef, de keizer van Oostenrijk; Zijn verwijzingen naar "het weeklagen van Berlijn" als Hij spreekt over "de oevers van de Rijn"; Zijn veroordeling van "de troon van tirannie" die in Constantinopel is gevestigd en Zijn voorspelling van het uitdoven van haar "uiterlijke pracht" en van de rampspoeden die de inwoners ervan zullen treffen; de woorden van troost en bemoediging die Hij aan Zijn geboortestad richt, waarbij Hij verzekert dat God haar had uitverkoren "de bron van vreugde voor de gehele mensheid" te zijn. Zijn profetie dat de "stem van de helden van Khurásán" zal opklinken in verheerlijking van hun Heer; Zijn verzekering, dat in Kirmán "mannen van grote moed" zullen opstaan om van Hem melding te maken; en tenslotte Zijn grootmoedige verzekering aan een trouweloze broeder die Hem zoveel leed had berokkend, dat een "immergevende, almilddadige" God hem zijn onbetamelijke gedrag zou vergeven zo hij slechts berouw zou hebben - al deze dingen dragen ertoe bij dit Boek dat door de Auteur is aangeduid als "de bron van ware gelukzaligheid", als de "nimmerfalende Waag", als het "rechte Pad" en als de "bezieler der mensheid" een zo rijke inhoud te geven.

Bahá'u'lláh heeft bovendien nog speciaal de wetten en verordeningen die het hoofdthema van dit Boek vormen, aangemerkt als "de levensadem voor al het geschapene", als "het machtigste bolwerk", als de "vruchten" van Zijn "Boom", als het "hoogste middel voor de handhaving van de orde in de wereld en de veiligheid van haar bewoners", als "de lampen van Zijn wijsheid en liefderijke voorzienigheid", als "de zoete geuren van Zijn kleed" en als de "sleutels" van Zijn 'barmhartigheid" voor Zijn schepselen. "Dit Boek", zo getuigt Hij zelf, "is een hemel die Wij hebben getooid met de sterren van Onze geboden en verboden". Bovendien heeft Hij nog gezegd, "Gezegend de mens die het zal lezen en zal nadenken over de verzen die zijn neergezonden door God, de Heer van kracht, de Almachtige. Zeg: O mensen! Neemt het met overgave in uw hand...Bij Mijn leven! Het is neergezonden op een wijze die de menselijke geest verbaast. Waarlijk, het is Mijn belangrijkste getuigenis voor alle mensen, en het bewijs van de Albarmhartige voor allen die in de hemel en allen die op aarde zijn". En verder, "Gezegend het gehemelte dat de zoetheid eruit proeft en het oog dat doorgrondt welke schatten erin zijn verborgen, en het begrijpend gemoed dat de toespelingen en mysteries onderkent. Bij God! De majesteit van hetgeen erin is geopenbaard is zo groot en de openbaring van de verhulde aanduidingen is zo ontzagwekkend, dat de lendenen van uiting beven bij de poging haar te beschrijven". En tenslotte, "De kitáb-i-Aqdas is op dusdanige wijze geopenbaard, dat het alle goddelijk ingestelde Beschikkingen tot zich trekt en omvat. Gezegend zij die over de bedoelingen ervan nadenken! Het bereik ervan is zo omvangrijk dat het alle mensen heeft omsloten, voordat zij het hebben erkend. Eerlang zal zijn soevereine kracht, zijn doordringende invloed en zijn uitgebreide macht op aarde aan de dag zijn getreden"!

De formulering door Bahá'u'lláh in de Kitáb-i-Aqdas van de fundamentele wetten van Zijn Beschikking werd, toen het einde van Zijn zending naderde, gevolgd door de uiteenzetting van bepaalde voorschriften en beginselen die de kern vormen van Zijn Geloof, door het opnieuw bevestigen van waarheden die Hij reeds eerder had verkondigd, door het uitwerken en verduidelijken van enkele wetten die Hij reeds had gegeven, door de openbaring van nog meer profetieën en waarschuwingen en door het instellen van bijkomende verordeningen die tot doel hadden de wetsbepalingen in Zijn Heiligste Boek aan te vullen. Deze waren opgetekend in talloze Tafelen die Hij tot de laatste dagen van Zijn aardse bestaan bleef openbaren, waarvan de "Ishráqát" (Pracht), de "Bishárát" (blijde Tijding), de "Tarázát" (Ornamenten), de "Tajallíyár" (Lichtstralen), de "Kalimát-i-Firdawsíyyih" (Woorden van het Paradijs), de "Lawh-i-Aqdas" (Heiligste Tafel), de "Lawh-i-Dunyá" (Tafel van de Wereld), en de "Lawh-i-Maqsúd" (Tafel van Maqsúd) de vermeldenswaardigste zijn. Deze Tafelen - de laatste machtige uitstortingen van Zijn onvermoeibare pen - moet men rekenen tot de uitgelezen vruchten van Zijn geest, en moeten worden gezien als het hoogtepunt van Zijn veertigjarig beleid.

Van de beginselen die in deze Tafelen zijn vervat, is het meest essentiële dat van de volkomen eenheid der mensheid. Men mag het beschouwen als het waarmerk van Bahá'u'lláh's Openbaring en de spil van Zijn leringen. Dit beginsel van eenheid is van zo een cardinaal belang, dat het uitdrukkelijk wordt genoemd in het Boek van Zijn Verbond, en Hij bestempelt het onvoorwaardelijk als het uitgangspunt van Zijn Geloof. Hij verklaart, "Wij zijn waarlijk gekomen om allen die op aarde wonen te verenigen en aaneen te smeden". Verder zegt Hij, "Het licht van eenheid is zo sterk, dat het de gehele aarde kan verlichten". Met betrekking tot dit centrale thema van Zijn Openbaring heeft Hij geschreven, "De ene keer spraken Wij in de taal van de wetgever; de andere keer in die van de waarheidszoeker en de mysticus, en toch is het altijd Ons hoogste doel en Ons vurigste verlangen geweest de glorie en verhevenheid van deze rang te onthullen". Eenheid, zegt Hij, is het doel dat "ieder ander doel overtreft" en een streven dat "de vorst van elk streven" is. Hij verkondigt, "De wereld is slechts één land, en de mensheid haar burgers". Hij bevestigt verder, dat de eenmaking van de mensheid - de laatste fase in de ontwikkeling van de mensheid naar volwassenheid - onvermijdelijk is; dat "spoedig de huidige orde zal worden opgerold en een nieuwe in haar plaats zal worden uitgespreid"; dat "de gehele wereld thans in een staat van zwangerschap verkeert", dat "de dag nadert, waarop ze haar edelste vruchten zal hebben voortgebracht, wanneer uit haar de fierste bomen, de betoverendste bloemen en de meest hemelse zegeningen zullen zijn voortgekomen". Hij betreurt de tekortkomingen van de heersende orden, toont de ontoereikendheid aan van patriottisme als een regelende en controlerende kracht in de menselijke samenleving, en beschouwt de "liefde voor de mensheid" en dienstbaarheid aan haar belangen als het waardigste en lofwaardigste doel van menselijke inspanning. Hij klaagt bovendien dat "het levende geloof van de mensen in God in ieder land uitsterft", dat het "aangezicht van de wereld" gericht is op "eigenzinnigheid en ongeloof"; verkondigt dat religie "een stralend licht" moet zijn "en een onneembare vesting voor de bescherming en het welzijn van de volkeren der wereld" en "het voornaamste werktuig voor de vestiging van " orde in de wereld"; bevestigt dat het bevorderen van eenheid en harmonie onder de mensen haar hoofddoel moet zijn; waarschuwt dat het niet mag ontaarden in "een bron van tweespalt, onenigheid en haat"; gelast dat de beginselen ervan aan alle schoolkinderen ter wereld moeten worden onderwezen op een wijze, die voorkomt dat er vooroordeel of fanatisme uit groeit; wijt "de weerspannigheid van de goddelozen" aan het "verval van religie", en voorzegt "catastrofen" van zo hevige aard, dat "ze de ledematen van de mensheid zullen doen beven".

Hij spoort onvoorwaardelijk aan tot het beginsel van collectieve veiligheid; beveelt vermindering van de nationale bewapening aan; en noemt het noodzakelijk en onvermijdelijk dat een wereldvergadering bijeen zal worden geroepen, waar de koningen en heersers van de wereld samen zullen beraadslagen over het stichten van vrede onder de volkeren.

Gerechtigheid verheerlijkt Hij als "het licht en de behoeder" voor de mensen, als de "onthuller van de geheimen van de wereld van het bestaan en de banierdrager van liefde en milddadigheid"; verklaart dat haar uitstraling weergaloos is; bevestigt dat op haar "de organisatie van de wereld en de rust van de mensheid" moet worden gebaseerd; Hij karakteriseert haar "twee pilaren" - "beloning en straf" - als "de levensbronnen" voor de mensheid; waarschuwt de mensen zich op te maken om haar komst te verbeiden; en voorzegt, dat haar dagster, na een lange onderbreking van grote beroering en onrecht, in haar volle pracht en heerlijkheid zal schijnen.

Verder scherpt Hij het beginsel in van "matigheid in alles"; verklaart dat als men met zulke dingen als bijvoorbeeld "vrijheid, beschaving of iets dergelijks", "de grenzen van matigheid overschrijdt", dit "een verderfelijke invloed op de mensen moet hebben"; merkt op dat de westerse beschaving alle volkeren zwaar heeft geschokt en verontrust, en voorzegt dat de dag nadert, waarop de "vlam" van een beschaving "die onmatigheid te ver drijft" "de steden zal verteren".

Beraadslaging maakt Hij tot een van de fundamentele beginselen van Zijn Geloof; beschrijft die als "het lichtbaken", als "de schenker van begrip", en als een van de twee "hemellichten" aan de "hemel van goddelijke wijsheid". Kennis, zegt Hij, dient "als vleugels in het leven van de mens en als een ladder voor zijn opgang"; het verwerven ervan beschouwt Hij als "een plicht voor een ieder"; beschouwt "het beoefenen van kunsten, ambachten en wetenschappen" als bevorderlijk voor het op een hoog peil brengen van de wereld van het bestaan; prijst de rijkdom die men uit ambacht en beroep put; erkent de dankbaarheid die de wereldbewoners verschuldigt zijn aan wetenschapsmensen en ambachtslieden, en ontraadt de studie van die wetenschappen waarvan de mensen geen profijt hebben, namelijk die welke "beginnen met woorden en eindigen met woorden".

Hij legt verder de nadruk op het bevel om "met alle mensen in een geest van vriendschap en kameraadschap om te gaan", en noemt zo'n verhouding absoluut bevorderlijk voor "eenheid en eendracht" die, naar Hij verzekert, de steunpilaren van de orde in de wereld en de bezielers van de volkeren zijn. Hij komt herhaaldelijk terug op de noodzaak van het aannemen van een wereldhulptaal en -schrift; betreurt het tijdverlies dat het bestuderen van andere talen met zich brengt; verzekert dat met het aannemen van zo'n taal en schrift de gehele aarde zal worden beschouwd als "één stad en één land", en Hij maakt er aanspraak op de kennis van beide te bezitten en bereid is om dit ieder die Hem er om vraagt, mee te delen.

Aan de gevolmachtigden van het Huis van Gerechtigheid legt Hij de plicht op om wetten te maken over zaken waarin in Zijn geschriften niet nadrukkelijk is voorzien en belooft dat God hen zal "inspireren met wat Hem goeddunkt". De vestiging van een constitutionele regeringsvorm, waarin de idealen van republicanisme en de majesteit van het koningschap - door Hem aangeduid als "een van de tekenen van God" - zijn verenigd, prijst Hij aan als een verdienstelijke prestatie; Hij spoort aan tot speciale aandacht voor het belang van landbouw; en maakt speciaal melding van "de snel verschijnende kranten", beschrijft ze als "de spiegel van de wereld" en als "een verbazingwekkend en machtig verschijnsel" en Hij schrijft allen die verantwoordelijk zijn voor het verschijnen ervan de plicht voor, vrij te staan van kwade trouw, hartstocht en vooroordeel, om rechtvaardig en eerlijk te zijn, om zorgvuldig het nieuws te vergaren en zich van alle feiten in iedere situatie te overtuigen.

De leerstelling van de "grootste onfeilbaarheid" werkt Hij verder uit; Hij bevestigt opnieuw de verplichting die Zijn volgelingen is opgelegd om "zich loyaal, eerlijk en waarheidlievend te gedragen ten opzichte van het land waarin zij woonachtig zijn"; Hij legt andermaal de nadruk op de vloek die er ligt op het voeren van heilige oorlogen en het vernietigen van boeken; en Hij verkiest om met name de geleerden en wijsgeren te prijzen en Hij verheerlijkt hen als "ogen" voor het lichaam van de mensheid, en als het "grootste geschenk" dat aan de wereld is gegeven.

Ook mag er bij een overzicht van de bijzondere punten die in Bahá'u'lláh's geschriften vooral de aandacht trekken, en welke Hij in de laatste periode van Zijn ballingschap in 'Akká op schrift stelde, niet de verwijzing ontbreken naar de Lawh-i-Hikmat (Tafel van Wijsheid), waarin Hij de grondslagen van ware filosofie uiteenzet; of naar de Tafel van Ontmoeting die werd geopenbaard ter ere van de Imám Husayn, die Hij in gloedvolle taal eert; of aan de "Vragen en Antwoorden" die de wetten en verordeningen van de Kitáb-i-Aqdas verduidelijken; of aan de "Lawh-i-Burhán" (tafel van het Bewijs), waarin de daden van Shaykh Muhammad-Báqir, bijgenaamd "Dhi'b" (wolf) en Mír Muhammad-Husayn, de Imám-Jum'ih van Isfáhán, bijgenaamd "Raqshá" (vrouwelijke slang) scherp worden veroordeeld; of aan een Lawh-i-Karmil (Tafel van de Karmel), waarin de Auteur veelbetekenend melding maakt van "de Stad van God die uit de hemel is neergedaald" en profeteert dat "eerlang God Zijn Ark op die berg zal laten varen" en "het volk van Bahá bekend zal maken". Tenslotte zij vermeld Zijn epistel aan Shaykh Muhammad-Taqí, bijgenaamd "Ibn-i-Dhi'b" (zoon van de wolf), de laatste uitzonderlijke Tafel geopenbaard door de pen van Bahá'u'lláh, waarin Hij die roofgierige geestelijke oproept zijn daden te berouwen, enkele zeer karakteristieke en beroemde passages uit Zijn eigen geschriften aanhaalt, en bewijzen aanvoert waarmede Hij de rechtsgeldigheid van Zijn Zaak bevestigt.

Met dit boek, geschreven ongeveer een jaar voor Zijn verscheiden, kan men zeggen dat de geweldige prestatie als auteur meer dan honderd boekdelen, schatkamers van de kostbaarste parels van Zijn Openbaring, in feite was beëindigd - boekdelen die vol staan met ontelbare vermaningen, revolutionaire beginselen, wereldhervormende wetten en verordeningen, verschrikkelijke waarschuwingen en onheilspellende profetieën, met zielverheffende gebeden en meditaties, verhelderende commentaren en uitleggingen, vurige verhandelingen en leerreden, alle afgewisseld met toespraken en opdrachten aan koningen, keizers en ministers in oost en west, aan geestelijken van verschillende gezindten, en aan leiders van intellectuele, politieke, literaire, mystieke, commerciële en humanitaire kringen van menselijke activiteit.

In de laatste dagen van Zijn leven schreef Bahá'u'lláh vanuit de Grootste Gevangenis, de gehele omvang van deze uitgebreide en belangrijke Openbaring overziend, "Wij zijn waarlijk niet te kort geschoten in Onze plicht de mensen te waarschuwen en hun datgene over te brengen van wat God, de Almachtige, de Algeprezene, Mij had opgedragen". Verder zegt Hij, "Is er nog voor iemand enige verontschuldiging in deze Openbaring? Neen, bij God, de Heer van de machtige Troon! Mijn tekenen hebben de aarde omvat en Mijn macht heeft de gehele mensheid omsloten".

HOOFDSTUK XIII
De hemelvaart van Bahá'u'lláh

Er was bijna een halve eeuw voorbijgegaan sedert de geboorte van het Geloof. Gebed in tegenstand, en in de eerste jaren van zijn bestaan beroofd van zijn Heraut en Leider, was het Geloof uit het staf waarin een vijandiggezinde despoot het had neergeworpen, herrezen met behulp van zijn tweede en grootste Hemellicht dat, ondanks elkaar steeds opvolgende verbanningen binnen een tijd van een halve eeuw, erin was geslaagd zijn positie te herstellen, zijn Boodschap te verkondigen, zijn wetten en verordeningen uit te vaardigen, zijn grondregels te formuleren en zijn instellingen op te richten. En juist nu het profijt ging trekken van een nog niet eerder beleefde verblijdende voorspoed, werd het plotseling door de Hand der Voorzienigheid van zijn Stichter beroofd, waardoor Zijn volgelingen in diepe droefheid en verslagenheid werden gedompeld, terwijl daarentegen de loochenaars weer nieuwe hoop kregen en zowel de politieke als de geestelijke tegenstanders opnieuw moed begonnen te vatten.

Reeds negen maanden voor Zijn heengaan had Bahá'u'lláh, volgens 'Abdu'l-Bahá, uitdrukking gegeven aan Zijn wens deze wereld te verlaten. Van die tijd af konden Zijn bezoekers uit de toon van Zijn opmerkingen steeds duidelijker opmaken, dat het einde van Zijn aardse bestaan naderde, hoewel Hij er nimmer openlijk met iemand over sprak. Op de avond van de elfde dag van Shavvál 1309 n.H. (8 mei 1892) kreeg Hij lichte koorts die de volgende dag iets hoger werd, maar spoedig daarna afnam. Hij ging voort aan bepaalde vrienden en pelgrims een onderhoud te verlenen, maar het werd spoedig duidelijk dat Hij niet in orde was. De koorts kwam in heviger mate terug, Zijn algehele toestand werd gestadig minder en er deden zich complicaties voor die tenslotte uitliepen op Zijn hemelvaart, bij het ochtendgloren van de tweede dag van Dhi'l-Qadih 1309 n.H. (29 mei 1892), acht uur na zonsondergang, in Zijn 76e levensjaar. Zijn geest, ten lange leste bevrijd van de zware druk van een met beproevingen overladen leven, had nu zijn vlucht genomen naar "andere gebieden", gebieden "die het volk van namen nimmer heeft aanschouwd", en waarheen de "stralende, in het wit geklede maagd" Hem had geroepen, zoals Hij Zelf had beschreven in de Lawh-i-Ru'yá (Tafel van het Visioen), die Hij negentien jaar tevoren bij de viering van de geboortedag van Zijn Voorloper had geopenbaard.

Zes dagen voor Zijn verscheiden, toen Hij reeds het bed moest houden en slechts kon zitten als Hij tegen een van Zijn zoons aanleunde, riep Hij alle aanwezige gelovigen, waaronder verscheidene pelgrims die zich in de Villa ophielden, bijeen voor een onderhoud; het zou het laatste blijken te zijn. Teder en hartelijk sprak Hij de wenende mensen die zich om Hem heen hadden geschaard toe, "Ik ben zeer tevreden over u allen; gij hebt vele goede diensten bewezen, en zijt zeer volhardend geweest in uw werkzaamheid. Gij zijt hier iedere ochtend en iedere avond gekomen. Moge God u bijstaan om verenigd te blijven. Moge Hij u helpen de Zaak van de Heer van bestaan tot aanzien te brengen". Tot de vrouwen, alsook de leden van Zijn eigen familie die bij Zijn bed stonden, richtte Hij gelijksoortige bemoedigende woorden, warbij Hij hen duidelijk verzekerde dat Hij een document had toevertrouwd aan de Grootste Tak, waarin Hij allen in Zijn zorg had aanbevolen.

Het bericht van Zijn hemelvaart werd ogenblikkelijk telegrafisch aan Sultán 'Abdu'l-Hamíd gezonden, waarvan de eerste woorden luidden "De Zon van Bahá is ondergegaan", en waarin de vorst werd ingelicht over het plan om het heilige stoffelijke overschot te begraven op het terrein van de Villa; met deze regeling stemde de Sultan geredelijk in. Overeenkomstig deze plannen werd Bahá'u'lláh ten ruste gelegd in de noordelijkst gelegen kamer van het huis dat als woonhuis diende voor Zijn schoonzoon; dit huis was het noordelijkste van de drie huizen aan de westkant van, en grenzend aan de Villa. Zijn teraardebestelling vond plaats kort na zonsondergang op dezelfde dag van Zijn hemelvaart.

De ontroostbare Nabíl die tijdens de dagen van Zijn ziekte nog het voorrecht van een persoonlijk onderhoud met Bahá'u'lláh had genoten; aan wie 'Abdu'l-Bahá had gevraagd om de speciale gedeelten uit de geschriften bijeen te zoeken die de tekst van de Tafel van Ontmoeting vormden, welke nu bij het Heiligste Graf werd gezegd, en die zich kort na het overlijden van zijn Geliefde in zijn ongebreidelde verdriet van het leven beroofde door in zee te springen - deze Nabíl beschrijft op de volgende wijze de hevige smart in die dagen, "Het komt mij voor, dat de geestelijke beroering in de stoffelijke wereld alle werelden van God heeft doen beven...Mijn geestelijk en stoffelijk spraakvermogen zijn niet bij machte de toestand te schetsen waarin wij ons bevonden...Temidden van de heersende opschudding zag men dat een groot aantal inwoners uit 'Akká en de omliggende dorpen, die op het terrein van de Villa waren samengestroomd, weenden en zich op het hoofd sloegen en hun verdriet uitschreeuwden".

Een hele week lang bleef een zeer groot aantal rouwenden, rijk en arm, bij de diepbedroefde familie treuren, dag en nacht samen het voedsel delend dat de familieleden met gulle hand uitreikten. Vooraanstaande personen waaronder vele Shí'ahs, Sunnís, Christenen, Joden en Druzen, en ook dichters, 'ulamás en regeringsambtenaren treurden allen tezamen over het verlies en spraken zich in lovende termen uit over de verdiensten en de grootheid van Bahá'u'lláh; velen ook prezen Hem in geschreven vorm, in versvorm en proza, zowel in het arabisch als in het turks. Soortgelijke huldeblijken ontving men zelfs helemaal uit Damascus, Aleppo, Beirut en Caïro. Deze warme loftuitingen werden zonder uitzondering overgebracht aan 'Abdu'l-Bahá die thans de Zaak van de overleden Leider vertegenwoordigde, en vele malen deelde in het eerbetoon en de huldeblijken aan zijn Vader.

En toch waren deze vele, overvloedige uitingen van verdriet, lof en bewondering, waarvan de niet-gelovigen in het Heilige Land en de omringende landen bij de hemelvaart van Bahá'u'lláh zo spontaan hadden blijk gegeven, slechts een druppel vergeleken met de oceaan van droefenis en grenzeloze toewijding die bij het ondergaan van de Zon der Waarheid stoomde uit het hart van de vele, vele duizenden die Zijn Zaak hadden omhelsd, en die vastbesloten waren de banier in Perzië, India, Rusland, Irak, Turkije, Palestina, Egypte en Syrië hoog te houden.

Met de hemelvaart van Bahá'u'lláh komt een einde aan een periode die in vele opzichten zijns gelijke niet heeft in de geschiedenis der wereldreligies. De eerste eeuw van het Bahá'í tijdperk was nu halverwege. Een tijdvak dat in verhevenheid, vruchtbaarheid en tijdsduur door geen enkele voorgaande Beschikking is overtroffen, en - op een tussenpoos van drie jaar na - zich kenmerkte door een halve eeuw onafgebroken en voortgaande Openbaring, was beëindigd. De Boodschap, verkondigd door de Báb, had zijn gouden vruchten afgeworpen. De belangrijkste, ofschoon niet de meest in het oog lopende fase van het heroïsche tijdperk, was afgesloten. De Zon van Waarheid, 's werelds grootste Hemellicht, was opgegaan in de Síyáh-Chál in Tihrán, had de wolken die hem in Baghdád hadden verhuld, doorbroken, was korte tijd verduisterd geweest toen hij in Adrianopel naar het zenit steeg, en was tenslotte ondergegaan in 'Akká, om niet weer te verschijnen voor er een volle duizend jaar zal zijn verstreken. Gods pasgeboren Geloof, de leidster van alle voorgaande Beschikkingen, was volledig en zonder voorbehoud verkondigd. De profetieën die zijn komst hadden aangekondigd, waren op opmerkelijke wijze in vervulling gegaan. Zijn fundamentele wetten en voornaamste beginselen, de schering en de inslag van het weefsel van zijn toekomstige Wereldorde, waren duidelijk uiteengezet. Het organische verband met, en zijn houding ten opzichte van de religieuze stelsels die het voorafgingen, waren onloochenbaar omschreven. De voornaamste instellingen waarbinnen de embryonale Wereldorde tot rijpheid moest komen, waren onwankelbaar gevestigd. Het Verbond, bedoeld om de eenheid van zijn wereldomvattend stelsel ongeschonden te waarborgen, was onherroepelijk nagelaten aan het nageslacht. De belofte voor de eenmaking van de gehele mensheid, het instellen van de Grootste Vrede en de ontplooiing van een wereldbeschaving, was onbetwistbaar gegeven, Bij herhaling waren de verschrikkelijke waarschuwingen over de op handen zijnde catastrofen die koningen, geestelijken, regeringen en volken zouden overkomen, uitgesproken. De belangrijkste oproep aan de presidenten van de Nieuwe Wereld, de voorbode van de zending die Noord-Amerika later in vervulling moest laten gaan, was verzonden. Er was een eerste contact gelegd met een volk, welks koningshuis een telg had voortgebracht die de Zaak zou omhelzen voordat de eerste Bahá'í eeuw ten einde was. De eerste stoot die in de loop van ettelijke decenniën onschatbare geestelijke en institutionele weldaden heeft bewezen, en in de komende jaren zal blijven bewijzen op Gods heilige berg, van waaruit men de Grootste Gevangenis kan zien, was gegeven. En tenslotte waren de eerste banieren van de geestelijke overwinning, die voor het einde van die eeuw niet minder dan zestig landen op het oostelijk en het westelijk halfrond zou omvatten, op triomfantelijke wijze geplant.

Het Geloof van Bahá'u'lláh, dat nu op de drempel stond van het zesde decennium van zijn bestaan, had in de omvang en verscheidenheid van de heilige schrifturen; in het aantal martelaren; in de moed van zijn voorvechters; in het voorbeeld dat door de volgelingen was gegeven; in de welverdiende straf door Zijn tegenstanders ondergaan; in de doordringende kracht van zijn invloed; in de verblindende grootsheid van zijn Auteur en in de mysterieuze werking van zijn onweerstaanbare levenskracht - dit Geloof had in al deze dingen ruimschoots zijn vermogen getoond om onverdeeld en onwrikbaar de weg te banen die door zijn Stichter was aangegeven en om voor de aanblik van opeenvolgende generaties de tekenen en bewijzen ten toon te spreiden van die hemelse kracht, waarmee Hij het zelf zo rijkelijk had begiftigd.

Ik meen dat in verband hiermee, speciale aandacht moet worden besteed aan het lot dat koningen, ministers en geestelijken in oost en west ten deel viel, die in verschillende fasen van Bahá'u'lláh's beleid Zijn Zaak opzettelijk hebben vervolgd, of Zijn waarschuwingen in de wind hebben geslagen, of zich kennelijk hebben onttrokken aan Zijn oproep, of hebben gefaald Hem en Zijn Boodschap naar behoren te behandelen. Bahá'u'lláh Zelf had onderverwijzing naar degenen die daadwerkelijk waren opgestaan om Zijn Geloof te vernietigen of te schaden, verklaard dat "God de ogen niet had gesloten en ze ook niet zal sluiten voor de tirannie van de onderdrukker. Speciaal in deze Openbaring heeft Hij iedere tiran zonder uitzondering met Zijn wraak bezocht". De aanblik die ons oog treft is werkelijk meer dan ontzaglijk wanneer wij het terrein overzien waarover de razende stormen van Gods vergelding sedert de aanvang van Bahá'u'lláh's beleid hebben gewoed. Daarbij werden monarchen onttroond, dynastieën vernietigd, geestelijke hiërarchieën omvergeworpen, oorlogen en revoluties ontketend, prinsen en ministers uit hun ambt ontzet, werd de overweldiger verdreven, werden de tirannen vertrapt en de goddelozen en de oproerlingen gekastijd.

Sultán 'Abdu'l-Azíz, die samen met Násiri'd-Dín Sháh de aanstichter was van de rampspoeden waarmee Bahá'u'lláh was overladen en die persoonlijk verantwoordelijk was voor drie decreten tot verbanning van de Profeet; die in de Kitáb-i-Aqdas was gebrandmerkt als degene die de "troon van tirannie" bezette, en wiens ondergang in de Lawh-i-Fu'ád was voorzegd, werd tengevolge van een paleisrevolutie van de troon gestoten, door een fatvá (vonnis) van de Muftí in zijn eigen hoofdstad veroordeeld, vier dagen later (in 1876) vermoord, en opgevolgd door een neef die imbeciel was. De oorlog van 1877-1878 bevrijdde elf miljoen mensen van het Turkse juk; Adrianopel werd door Russische troepen bezet; het rijk als zodanig verdween tengevolge van de oorlog 1914-1918; het sultanaat werd afgeschaft en men riep de republiek uit, en aan een heerschappij die meer dan zes eeuwen had stand gehouden, was een einde gekomen.

De ijdele en despotische Násiri'd-Dín Sháh, door Bahá'u'lláh uitgemaakt voor "vorst der onderdrukkers"; over wie Hij had geschreven dat hij spoedig "een afschrikwekkend voorbeeld voor de wereld" zou worden; wiens regeringsbeleid was bezoedeld door de terechtstelling van de Báb en de opsluiting van Bahá'u'lláh; die niet aflatend had aangespoord tot de verbanning naar Constantinopel, Adrianopel en 'Akká; die in samenwerking met een boosaardige geestelijke orde had gezworen het Geloof in de kiem te smoren - deze despoot werd aan de vooravond van zijn jubileum, dat als aankondiging van een nieuw tijdperk met zeer grote pracht en praal zou worden gevierd en dat de geschiedenis in had moeten gaan als de grootste dag in de annalen van het Perzische volk, op dramatische wijze bij de graftombe van Sháh'Abdu'l-Azím vermoord. Het aanzien van zijn vorstenhuis ging daarna steeds verder achteruit en leidde tenslotte door het schandelijke wangedrag van de losbandige en onverantwoordelijke Ahmad Sháh tot de ondergang van de Qájár dynastie.

De meest vooraanstaande monarch in het westen, de buitensporig ambitieuze, ongemeen hoogmoedige, sluwe en oppervlakkige Napoleon III, van wie men zegt dat hij de Tafel die hem door Bahá'u'lláh was toegezonden, minachtend op de grond had gegooid, die door Hem werd gewogen en te licht bevonden, en wiens ondergang zeer duidelijk was voorzegd in een volgende Tafel, werd in de slag van Sedan in 1870 vernederend verslagen, de grootste nederlaag uit de hedendaagse geschiedenis; hij verloor zijn koninkrijk en bracht de resterende jaren van zijn leven in ballingschap door. Zijn hoop was vervlogen, zijn enige zoon, de kroonprins, sneuvelde in de Zoeloe-oorlog; zijn rijk, waar hij zich zo op beroemde, stortte ineen, er brak een burgeroorlog uit die heviger was dan de frans-duitse oorlog, en Wilhelm I, de pruisische koning, werd in het paleis van Versailles als keizer over een verenigd Duitsland ingehaald.

Wilhelm I, de door hoogmoed bevangen, zojuist toegejuichte overwinnaar van Napoleon III, die in de Kitáb-i-Aqdas werd berispt en aangemaand om na te denken over het lot dat degeen "wiens macht" de zijne "overtrof" had ondergaan, die in datzelfde Boek ervoor was gewaarschuwd dat het "weeklagen van Berlijn" zou weerklinken en dat de oevers van de Rijn zouden worden "bedekt met geronnen bloed", doorstond twee aanslagen op zijn leven en werd opgevolgd door een zoon die drie maanden na zijn troonsbestijging aan een ongeneeslijke ziekte stierf, waarna hij de troon aan de arrogante, koppige en kortzichtige Wilhelm II liet. De hoogmoed van de nieuwe monarch bespoedigde zijn val. In de hoofdstad brak snel en plotseling een revolutie uit, het communisme stak in een aantal steden de kop op; de vorsten van de duitse staten traden af en hijzelf werd, na zijn smadelijke vlucht naar Nederland, gedwongen afstand te doen van de troon. De constitutie van Weimar bezegelde het lot van het keizerrijk waarvan de geboorte door zijn grootvader zo luide was aangekondigd, en de voorwaarden van een drukkend zwaar verdrag lokte "het weeklagen" uit, dat een halve eeuw tevoren zo onheilspellend was voorzegd.

De eigenmachtige en onbuigzame Franz Josef, keizer van Oostenrijk en koning van Hongarije, die in de Kitáb-i-Aqdas was terechtgewezen vanwege het verzaken van zijn voor de hand liggende plicht naar Bahá'u'lláh te vragen tijdens zijn pelgrimstocht naar het Heilige Land, werd dermate overspoeld door rampen en tragedies, dat men zijn beleid ging beschouwen als onovertroffen door enig ander beleid voor wat betreft de calamiteiten die ze over het volk brachten. Zijn broeder Maximiliaan werd in Mexico ter dood gebracht; kroonprins Rudolf kwam onder smadelijke omstandigheden om; de keizerin werd om het leven gebracht; de aartshertog Franz Ferdinand en zijn vrouw werden in Serajewo vermoord; het "bouwvallige keizerrijk" viel uit elkaar, werd in stukken verdeeld, en op de ruïnes van het verdwenen Heilige Roomse Rijk werd een ineengeschrompelde republiek gevestigd - een republiek die na een kort en wankel bestaan van de staatkundige kaart van Europa werd weggevaagd.

Nicolaas Alexander II, de oppermachtige tsaar van Rusland, die, in een Tafel aan hem persoonlijk gericht driemaal door Bahá'u'lláh was gewaarschuwd, die was bevolen "de naties op te roepen tot God", en erop was gewezen dat zijn soevereiniteit hem niet moest beletten "de hoogste soevereine Heer" te erkennen - deze Tsaar onderging verscheidene aanslagen op zijn leven en viel tenslotte door moordenaarshand. Een wrede politiek van onderdrukking, door hemzelf ingesteld, en voortgezet door zijn opvolger Alexander III, effende de weg voor een revolutie die, tijdens de regering van Nicolaas II, het tsarenrijk op een bloedige vloedgolf wegvaagde, in zijn zog oorlog, ziekte en hongersnood bracht en een militant proletariaat vestigde dat een slachting onder de adel aanrichtte, de geestelijkheid vervolgde, de intelligentsia uit het land verjoeg, de staatsgodsdienst haar bezittingen afnam, de Tsaar, zijn gemalin en zijn hele gezin terechtstelde en de dynastie van de Romanovs uitroeide.

Paus Pius IX, het onbetwistbare hoofd van de machtigste Kerk van het Christendom, die in een epistel dat Bahá'u'lláh tot hem richtte, was opgedragen "zijn paleizen" te laten "aan wie ze wensten", "alle fraaie sieraden" in zijn bezit "te verkopen", ze "op het pad van God te besteden" en zich naar "het Koninkrijk" te spoeden, was gedwongen zich onder pijnlijke omstandigheden over te geven aan de belegeraars van koning Victor Emmanuel, en zich erin te schikken afstand te doen van het pontificaat en van Rome zelf. Het verlies van de "Eeuwige Stad" waarover de pauselijke vlag duizend jaar had gewapperd, en de vernedering van de religieuze orden in zijn rechtsgebied, voegden aan zijn zwakke gestel nog geestelijke zorgen toe waardoor de laatste jaren van zijn leven werden verbitterd. De formele erkenning van het koninkrijk Italië, die daarna van een van zijn opvolgers in het Vaticaan werd geëist, bekrachtigde in feite de ondergang van de wereldlijke soevereiniteit van de Paus.

Dat de snelle ontbinding van het ottomaanse, het napoleonistische, het duitse, het oostenrijkse en het Russische rijk, de overdracht van de Qájár dynastie en de feitelijke uitdoving van de wereldlijke soevereiniteit van de paus van Rome niet het einde betekenden van het verhaal van de catastrofen die de monarchen in de wereld overkwamen, kwam doordat zij de waarschuwingen van Bahá'u'lláh, die in de eerste passages van de Súriy-i-Múlúk waren vervat, negeerden. Het overgaan in een republiek van de portugese en spaanse monarchieën, alsook van het chinese rijk; het wonderlijke lot dat kort tevoren de vorsten van Nederland, Noorwegen, Griekenland, Joegoslavië en Albanië die nu in ballingschap leven, had getroffen; de feitelijke abdicatie van de koningen van Denemarken, België, Bulgarije, Roemenië en Italië; de grote bezorgdheid waarmee de vorsten uit de buurlanden de schokkende gebeurtenissen die zoveel tronen hadden doen wankelen, bezagen; de schande en gruweldaden die in sommige gevallen zwarte bladzijden toevoegden aan de annalen van de regeringen van bepaalde monarchen is oost en west; en nog korter geleden, de plotselinge val van de stichter van de zojuist gevestigde dynastie in Perzië - dit zijn allemaal voorbeelden van het toebrengen van de "goddelijke kastijding", door Bahá'u'lláh in die onsterfelijke súrih voorspeld, en tonen onweerlegbaar de goddelijke realiteit van de aanklacht die Hij in Zijn Heiligste Boek tegen de heersers der aarde uitsprak.

Niet minder opmerkelijk was het uitdoven van de alles beheersende invloed die de geestelijke moslemleiders van zowel de Sunnís als de Shí'ahs hadden uitgeoefend in de twee landen waaruit de machtigste instellingen van de Islam waren voortgekomen, en die regelrecht in verband stonden met de beproevingen die de Báb en Bahá'u'lláh hadden geleden.

De kalief, zich noemende de vicaris van de Profeet van de Islam, bekend staande als de "aanvoerder der gelovigen", de beschermheer van de heilige steden Mekka en Medina, wiens geestelijke jurisdictie zich uitstrekte over meer dan tweehonderd miljoen Mohammedanen was, daar het sultanaat in Turkije was afgeschaft, ontdaan van zijn wereldlijk gezag dat tot dan toe gold als onverbrekelijk verbonden met zijn hoge functie. Nadat de kalief zelf korte tijd een onbestemde en ongewisse functie had ingenomen, vluchtte hij naar Europa; het kalifaat, het verhevenste en machtigste instituut van de Islam was terzelfder tijd, zonder overleg met welke sunní gemeenschap dan ook, en zonder vorm van proces, afgeschaft; de eenheid van de machtigste tak van het islamitische Geloof was daardoor versplinterd; er werd formeel een volledige en blijvende scheiding tussen de Turkse staat en het Zunní geloof afgekondigd; de canonieke wet van Sharí'ah werd nietig verklaard; de geestelijke instellingen werden van hun bezittingen beroofd; er werd een burgerlijk reglement ingesteld; de religieuze orden werden onderdrukt; de Sunní hiërarchie werd ontbonden; het arabisch, de taal van de Profeet van de Islam raakte in onbruik en het schrift werd vervangen door het latijnse alphabet; de Qur'án werd in het turks vertaald; Constantinopel, de "Koepel van de Islam", verviel tot het peil van een provinciestad en zijn onovertroffen juweel, de moskee van St. Sofia, werd ingericht als museum - een reeks vernederingen die het lot in de herinnering roepen dat in de eerste eeuw van het christelijke tijdperk aan het joodse volk ten deel viel, alsook aan Jeruzalem, de tempel van Salomon, het Heiligste der Heiligen, en de geestelijke hiërarchie waarvan de leden de erkende vervolgers waren van de godsdienst van Jezus Christus.

Een soortgelijke stuiptrekking deed de gehele geestelijke orden in Perzië op zijn grondvesten schudden, ofschoon de officiële scheiding van de staat Perzië nog steeds niet is afgekondigd. Een "kerk-staat" die stevig in het bestaan van het volk was geworteld, en waarvan de vertakkingen zich uitstrekten tot in iedere levenssfeer van dat land, was in feite uiteengevallen. De geestelijke orde, de ijzersterke zekerheid van de Shí'ah Islam in dat land, was met lamheid geslagen en in ongenade gevallen; het aantal mujtahids, de favoriete dienaren van de Verborgen Imám, werd teruggebracht tot een onbetekenend handjevol; al haar tulband dragende functionarissen, op een enkele na, werden genadeloos gedwongen hun traditionele hoofdtooi en klederen te verwisselen voor Europese kledij die zij zelf verafschuwden; de pracht en praal die hun ceremonieën kenmerkten, verdween; hun favtás (vonnissen) werden nietig verklaard; hun bezittingen werden aan een civiel bestuur overgedragen; hun moskeeën en seminaries liepen leeg; het recht van asyl dat van oudsher aan hun heilige plaatsen was verleend werd niet meer erkend; hun religieuze spelen mochten niet meer worden opgevoerd; de takyihs (universiteiten) werden gesloten en zelfs hun pelgrimstochten naar Najaf en Karbilá werden niet meer aangemoedigd en zelfs beknot. Het in onbruik raken van de sluier; de erkenning van de gelijkwaardigheid van de seksen; de vestiging van burgerlijke gerechtshoven; het afschaffen van het concubinaat; het kleineren van het gebruik van het arabisch, de taal van de Islam en de Qur'án, en de pogingen het los te maken van het Perzisch - al deze dingen kondigen de verdere degradatie aan en zijn de voorboden van de uiteindelijke uitroeiing van die infame bende, waarvan de leiders zichzelf durfden te betitelen als "dienaren van de Heer van Heiligheid" (Imám'Alí), die zo dikwijls de eerbewijzen van de vrome koningen van de Safavi dynastie hadden ontvangen en wier banvloeken vanaf het begin van het Geloof van de Báb voornamelijk verantwoordelijk waren geweest voor het vergieten van stromen bloed en wier daden de annalen van zowel hun godsdienst als hun volk hebben besmeurd.

Bovendien heeft ook een crisis - wel niet zo hevig als die welke de islamitische geestelijke orde, de verstokte tegenstanders van het Geloof, trof - de kerkelijke instellingen van het Christendom geteisterd. De invloed ervan was vanaf het ogenblik dat Bahá'u'lláh's dringende oproep was uitgegaan en Zijn waarschuwingen hadden geklonken, zichtbaar afgenomen, zijn aanzien was zeer geschaad, zijn gezag gestadig geslonken, en zijn macht, rechten en voorrechten in steeds toenemende mate beperkt. De feitelijke ondergang van het wereldlijke gezag van de paus van Rome, waarvan reeds melding is gemaakt; de golf van anti-clericalisme die de scheiding tussen de roomse Kerk en de franse Republiek met zich bracht; de georganiseerde aanslag die door een triomferende communistische staat op de grieks-orthodoxe kerk in Rusland was gepleegd en de daarop volgende losmaking, beroving van haar bezittingen en vervolging van de staatsgodsdienst; het uiteenvallen van de oostenrijks-hongaarse monarchie die trouw verschuldigd was aan de Kerk van Rome en de instellingen ervan krachtig steunde; de beproevingen waaraan die kerk ook in Spanje en Mexico onderhevig was geweest; de golf van verwereldlijking, die thans de roomse, de anglicaanse en de presbyteriaanse zending in niet-christelijke landen overspoelt; de kracht waarmee een strijdlustig optredend heidendom een aanslag doet op de aloude citadels van de rooms-katholieke, grieks-orthodoxe en lutherse kerken in West-, Midden- en Oost-Europa, in de balkanstaten en de baltische en scandinavische landen - al deze dingen kan men aanmerken als de meest in het oog lopende bewijzen van de lotswending van de christelijke geestelijke leiders die, onachtzaam voor de stem van Bahá'u'lláh, zich hebben opgesteld tussen de Christus die in de heerlijkheid van de Vader is weergekeerd en hun respectieve congregaties.

Wij kunnen er ook niet aan ontkomen te wijzen op het steeds meer afnemende gezag van de geestelijke leiders van de joodse en zoroastrische religies, vanaf het moment dat Bahá'u'lláh's stem had weerklonken om in niet mis te verstane bewoordingen aan te kondigen dat "de grootste Wet is gekomen", dat de Aloude Schoonheid "regeert op de troon van David" en dat "wat er ook mag zijn aangekondigd in de Boeken, (zoroastrische heilige Schrift) is geopenbaard en duidelijk gemaakt". De blijken van groeiend verzet tegen het kerkelijke gezag; het gebrek aan respect, en de onverschilligheid jegens door de eeuwen heen in ere gehouden erediensten, rituelen en ceremonieën; de herhaalde aantasting door de machten van een agressief en dikwijls vijandiggezind nationalisme in de gebieden van de kerkelijke jurisdictie, en de algemene apathie waarmee deze aanmatigingen, special in het geval van de belijdende aanhangers van het zoroastrische Geloof, worden bezien - dit alles vormt zonder enige twijfel verdere rechtvaardiging van de waarschuwingen en voorzeggingen die Bahá'u'lláh in Zijn historische epistels tot de geestelijke leiders in de wereld rechtte.

Alles bij elkaar genomen zijn dit de schrikwekkende bewijzen van de vergeldende gerechtigheid Gods, die koningen en geestelijken in oost en west hebben getroffen als een direct gevolg van hun actieve verzet tegen het Geloof van Bahá'u'lláh, of van hun jammerlijk falen om gehoor te geven aan Zijn oproep inlichtingen in te wonnen over Zijn Boodschap, het lijden te keren dat Hij kreeg te verduren, of acht te slaan op de wondere tekenen en voortekenen die gedurende honderd jaar de geboorte en opkomst van Zijn Openbaring hebben begeleid.

Een van Zijn korte en profetische uitspraken luidt, "Aan twee soorten mensen is de macht ontnomen: koningen en geestelijken". De koningen der aarde waarschuwde Hij aldus, "Indien gij geen acht slaat op de raadgevingen...die Wij in deze Tafel hebben onthuld, zal goddelijke kastijding u van alle kanten overvallen...Op die dag zult gij uw eigen onmacht erkennen". En verder, "Hoewel gij zeer goed op de hoogte waart van Onze beproevingen, hebt gij desondanks niets gedaan om de hand van de aanvaller tegen te houden". En ook nog deze aanklacht, "...Wij...zullen geduldig zijn, zoals Wij lijdzaam ondergingen hetgeen gij Ons hebt aangedaan, O schare van Koningen"!

In Zijn veroordeling van speciaal de geestelijke leiders in de wereld heeft Hij geschreven, "De bron van tirannie lag bij de godgeleerden...God heeft waarlijk afstand tot hen genomen en ook Wij hebben afstand tot hen genomen". Hij verklaart openlijk, "Toen Wij aandachtig toezagen, ontdekten Wij dat Onze vijanden voornamelijk de godgeleerden zijn". Dan recht Hij Zich met de volgende woorden tot hen, "O schare van godgeleerden, van nu af aan zult gij uzelf niet meer in het bezit zien van enige macht, daar Wij u die hebben ontnomen..." En Hij zegt, "Had gij slechts in God geloofd toen Hij Zich Openbaarde, dan zouden de mensen zich niet van Hem hebben afgekeerd, en zouden zij de dingen niet hebben behoeven te aanschouwen die Ons zijn overkomen". Zich in het bijzonder tot de moslem geestelijken richtend, verzekert Hij, "Zij hebben zich met een dusdanige wreedheid tegen Ons gekeerd, dat het de kracht van de Islam heeft ondergraven..." "De godgeleerden in Perzië", verklaart Hij, "hebben zich schuldig gemaakt waaraan geen volk onder de volkeren der aarde zich ooit heeft schuldig gemaakt". En verder, "...De godgeleerden in Perzië...hebben bedreven wat de Joden niet hebben bedreven tijdens de Openbaring van Hem Die de Geest is (Jezus)". En tenslotte deze onheilspellende profetieën, "Door uw toedoen werden de mensen vernederd, en werd de banier van de Islam neergehaald, en zijn machtige troon omvergeworpen". "Eerlang zal al wat gij bezit vergaan en zal uw glorie in de diepste vernedering zijn veranderd, en zult gij de straf aanschouwen voor hetgeen gij hebt gewrocht..." De Báb voorzegt trouwens nog openlijker, "Eerlang zullen Wij waarlijk diegenen kwellen die oorlog voerden tegen Husayn (Imám Husayn)...met de rampzaligste kwelling". "Eerlang zal God Zijn wraak aan hen oefenen ten tijde van Onze wederkomst en Hij heeft hen waarlijk en zware kwelling bereid in de wereld die komen zal".

Uit een verslag als dit kunnen ook niet de verwijzingen worden weggelaten naar die vorsten, ministers en geestelijken, welke persoonlijk verantwoordelijk zijn geweest voor de folterende beproevingen die Bahá'u'lláh en Zijn volgelingen hebben ondergaan. Fu'ád Páshá, de Turkse Minister van Buitenlandse Zaken - door Bahá'u'lláh uitgemaakt voor de "aanstichter" van Zijn verbanning naar de Grootste Gevangenis - die onverdroten met zijn collega 'Alí Páshá had zitten stoken om de angsten en vermoedens op te wekken van een despoot die reeds vooringenomen was tegen het Geloof en zijn Leider; deze Fu'ád Páshá werd ongeveer een jaar na het slagen van zijn plannen op een tocht naar Parijs door de wrekende roede van God neergeslagen, en hij stierf in 1869 in Nice. "Alí Páshá, de Sadr-i-A'zam (de Eerste Minister), die in de Lawh-i-Ra'ís in zo krachtige taal was aangeklaagd en wiens ondergang in de Lawh-i-Fu'ád zo onweerlegbaar was voorzegd, werd enkele jaren na Bahá'u'lláh's verbanning naar 'Akká uit zijn ambt ontzet en van alle macht ontdaan, waarna hij in volkomen vergetelheid verzonk. De tirannieke vorst Mas'úd Mírzá, de Zillu's-Sultán, Násiri'd-Dín Sháh's oudste zoon en heerser over meer dan tweevijfde van zijn rijk, door Bahá'u'lláh gebrandmerkt als "de helse boom", viel in ongenade, werd van al zijn gouverneurschappen, op die van Isfáhán na, beroofd, en verloor alle kansen op hoge posities of promotie in de toekomst. De roofzuchtige prins Jalálu'd-Dawlih, door de Verheven Pen gebrandmerkt als "de tiran van Yazd", werd ongeveer een jaar na de onrechtmatigheden die hij had bedreven, van zijn post ontheven, naar Tihrán teruggeroepen en gedwongen een deel van de bezittingen die hij van zijn slachtoffers had gestolen, terug te geven.

De ambitieuze en losbandige intrigant Mírzá Buzurg Khán, de Perzische consul-generaal in Baghdád, werd tenslotte ontslagen, "overspoeld door ellende, vervuld van wroeging en in ellende gestort". De beruchte Mujtahid Siyyid Sádiq-i-Tabátabá'í, door Bahá'u'lláh uitgemaakt voor "de leugenaar van Tihrán", de opsteller van het monsterachtige decreet waarbij ieder mannelijk lid van de Bahá'í gemeenschap in Perzië, jong of oud, hoog of laag, moest worden gedood, en alle vrouwelijke volgelingen moesten worden gedeporteerd; deze siyyid werd plotseling ziek, viel ten prooi aan een kwaal die zijn hart, hersenen en ledematen aantastte en tenslotte zijn dood tot gevolg had. De aanmatigende SubhI Páshá, die Bahá'u'lláh zonder voorbehoud had gelast naar het regeringsgebouw in 'Akká te komen, verloor de positie die hij bekleedde en werd teruggeroepen onder omstandigheden die bijzonder schadelijk voor zijn reputatie waren. Ko de andere gouverneurs van de stad die onheus waren opgetreden tegen de onder hun hoede staande verheven Gevangene en Zijn medeballingen, ondergingen een soortgelijk lot. Nabíl getuigt in zijn verslag, "Iedere pasja wiens gedrag in 'Akká prijzenswaardig was, kon zich verheugen in een lange ambstermijn en werd genadiglijk door God begunstigd, terwijl iedere vijandiggezinde mutisarrif (gouverneur) snel en doelmatig door de Hand van de goddelijke Macht werd afgezet, zoals 'Abdu'r-Ragmán Páshá en Muhammad-Yúsuf Páshá, die onmiddellijk na de avond dat zij hadden besloten de hand te slaan aan de geliefden van Bahá'u'lláh, telegrafisch van hun ontslag in kennis werden gesteld. Hun lot was, dat hun nimmer meer een functie werd toegewezen.

Shaykh Muhammad Báqír, bijgenaamd de "wolf", die in de door Bahá'u'lláh aan hem gerichte, sterk veroordelende Lawh-i-Burhán, werd vergeleken met "het laatste spoor zonlicht op de bergtop", zag zijn invloed gestadig afnemen, en hij stierf in een jammerlijke toestand van intense wroeging. Zijn medeplichtige, Mír Muhammad Husayn, bijgenaamd de "vrouwelijke slang", die Bahá'u'lláh beschreef als iemand die "oneindig verdorvener was dan de onderdrukker van Karbilá", werd ongeveer tezelfdertijd uit Isfáhán verdreven, zwierf van dorp tot dorp en kreeg een ziekte die zo'n ondraaglijke stank verspreidde dat zelfs zijn vrouw en dochter het in zijn nabijheid niet konden uithouden; zijn verstandhouding met de plaatselijke autoriteiten was zo slecht geworden, dat niemand zijn begrafenis durfde bij te wonen en zijn lijk op smadelijke wijze door een paar dragers werd begraven.

Eveneens moet melding worden gemaakt van de verwoestende hongersnood die ongeveer een jaar nadat de doorluchtige Badí' ten dode was gefolterd, Perzië teisterde en de bevolking zo uitdunde, dat zelfs de rijken honger leden en honderden moeders op monsterachtige wijze hun eigen kinderen verslonden.

Evenmin kan dit onderwerp worden afgesloten zonder speciale melding te maken van de aartsverbreker van het Verbond van de Báb, Mírzá Yahyá, die lang genoeg leefde om - terwijl hij een ellendig bestaan leidde op Cyprus, het eiland dat door de Turken werd aangeduid als "het eiland van Satan" - te ervaren dat iedere verwachting die hij zo boosaardig had gekoesterd, de bodem was ingeslagen. Eerst als jaargeldtrekker van het Turkse en later van de Britse regering, onderging hij ook nog de vernedering, dat hem de aanvraag voor het Britse staatsburgerschap werd geweigerd. Elf van de achttien "getuigen" die hij had aangesteld, lieten hem in de steek en keerden zich vol berouw naar Bahá'u'lláh. Hijzelf raakte verwikkeld in een schandaal dat zijn reputatie en die van zijn oudste zoon deerlijk schaadde, ontnam die zoon en diens afstammelingen het opvolgerschap, waarmee hij hem eerder had bekleed, en benoemde in zijn plaats de trouweloze Mírzá Hádíy-i-Dawlat-Ábádí, een beruchte Azalí, die bij de gelegenheid van de marteldood van de al eerder genoemde Mírzá Ashraf zo door angst was bevangen, dat hij de vier daarop volgende dagen in een scheldkanonnade van de kansel zijn volledige verloochening van het Bábí Geloof afriep, en ook van Mírzá Yahyá, zijn weldoener, die zo'n onvoorwaardelijk vertrouwen in hem had gesteld. Zijn reeds genoemde oudste zoon kwam jaren later, als gevolg van een vreemde lotsbestemming, samen met zijn neef en nicht bij 'Abdu'l-Bahá, de aangewezen opvolger van Bahá'u'lláh en Middelpunt van Zijn Verbond, betuigde zijn spijt, bad om vergeving, werd genadiglijk door hem geaccepteerd en bleef tot aan zijn dood een trouwe volgeling van het Geloof, dat zijn vader in zijn dwaasheid zo schaamteloos en op zo betreurenswaardige wijze had geprobeerd uit te roeien.

DERDE PERIODE
HET BELEID VAN 'ABDU'L-BAHÁ
1892-1921
HOOFDSTUK XIV
Het Verbond van Bahá'u'lláh

Ik heb in de voorgaande hoofdstukken gepoogd een indruk te geven van de opkomst en de voortschrijding van het Geloof, dat gedurende de eerste vijftig jaar van zijn bestaan was verbonden met de Báb en Bahá'u'lláh. Mocht ik te lang verwijld hebben bij de gebeurtenissen die samenhangen met het leven en de zending van deze twee Hemellichten van de Bahá'í Openbaring; mocht ik mij af en toe hebben overgegeven aan een te omstandig verslag over bepaalde episoden in verband met hun beider beleidsperioden, dan is dat slechts omdat deze gebeurtenissen de geboorte verkondigen en de vestiging van een tijdperk aanduiden dat toekomstige geschiedschrijvers zullen aanmerken als de heldhaftigste, de meest tragische en belangrijkste periode in de apostolische tijd van de Bahá'í Beschikking. Inderdaad is het verhaal dat de volgende decennia van de eeuw die wij behandelen voor ons oog ontvouwt slechts het verslag van de veelvuldige tekenen van de onweerstaanbare uitwerking van deze scheppende krachten die de omwenteling van een vijftig jaar durende, bijkans ononderbroken Openbaring hebben vrijgemaakt.

Een dynamisch, goddelijk voortgestuwd proces, begiftigd met ongekende mogelijkheden, een wereldomvattende strekking en met uiteindelijk wereldhervormende gevolgen, was in beweging gezet op die gedenkwaardige avond, toen de Báb het doel van Zijn zending in een duistere hoek van Shíráz uiteenzette aan Mullá Husayn. Dit proces kreeg een geweldige impuls door de eerste aanduidingen van Bahá'u'lláh's dagende Openbaring temidden van de duisternis van de Síyád-Chál in Tihrán. Het werd versneld door de verkondiging van Zijn zending op de avond voor Zijn verbanning uit Baghdád. Het bewoog zich naar een hoogtepunt bij de bekendmaking van die zending in de stormachtige jaren van Zijn ballingschap in Adrianopel. De volle betekenis werd onthuld toen de geestelijke Vader van die zending Zijn historische oproepen, beroepen en waarschuwingen tot de koningen der aarde en de geestelijke leiders in de wereld richtte. En tenslotte vond het zijn hoogtepunt door de wetten en verordeningen die Hij formuleerde, door de grondbeginselen die Hij verkondigde en door de instellingen die Hij tijdens de laatste jaren van Zijn beleid in de gevangenisstad 'Akká voorschreef.

Om deze krachten, vrijgekomen door dit uit de hemel gezonden proces, in geregelde banen te leiden en hun harmonieuze en durende werkzaamheid na Zijn hemelvaart te verzekeren, was een goddelijk beschikt werktuig dat was bekleed met onbetwistbaar gezag, en organisch verbonden met de Stichter van de Openbaring zelf, onmisbaar. Bahá'u'lláh had uitdrukkelijk dat instrument verschaft door de instelling van het Verbond, een instelling die Hij voor Zijn hemelvaart had gevestigd. Dit Verbond had Hij reeds aangekondigd in Zijn Kitáb-i-Aqdas, had erop gezinspeeld toen Hij afscheid nam van de leden van Zijn familie toen die in de dagen vlak voor Zijn hemelvaart aan Zijn bed waren geroepen, en had het vastgelegd in een speciaal document dat Hij aanduidde als "het Boek van Mijn Verbond" hetwelk Hij tijdens Zijn laatste ziekte aan Zijn oudste zoon 'Abdu'l-Bahá toevertrouwde.

Op de negende dag na Zijn hemelvaart werd dit document dat geheel in Zijn eigen handschrift was geschreven, in tegenwoordigheid van negen getuigen die gekozen waren uit Zijn metgezellen en de leden van Zijn familie, ontzegeld en in de namiddag van die dag voorgelezen aan een groot gezelschap dat zich had verzameld in Zijn heiligste Grafkamer, waaronder Zijn zoons, enkele familieleden van de Báb, pelgrims en in het Heilige Land wonende gelovigen. Dit unieke en een nieuw tijdperk inluidende document dat door Bahá'u'lláh was aangeduid als Zijn "Grootste Tafel", en waarop Hij in Zijn "Epistle to the Son of the Wolf" doelde als het "karmozijnen Boek", vindt zij weerga niet in de geschriften van enige voorgaande Beschikking, zelfs niet in die van de Báb. Want nergens vinden wij in de boeken die betrekking hebben op een van de religieuze stelsels van de wereld, zelfs niet onder de geschriften van de Auteur van de Bábí Openbaring, een enkel document, waarin een Verbond wordt gevestigd, dat is begiftigd met een gezag dat is te vergelijken met het Verbond door Bahá'u'lláh Zelf gesloten.

Hij Die het aangestelde Middelpunt is heeft bevestigd, "Zo hecht en machtig is dit Verbond, dat van het begin der tijden tot op deze dag door geen enkele Godsbeschikking iets soortgelijks is gebracht". Hij heeft verder geconstateerd, "Het staat onomstotelijk vast dat de spil van de eenheid der mensheid niets anders is dan de kracht van het Verbond". Hij heeft geschreven, "Weet gij, dat het 'stevigste Handvat',1 vanaf de schepping van de wereld genoemd in de boeken, tafels en geschriften uit vroeger dagen niets anders betekent dan het Verbond en het Testament". En verder, "De lamp van het Verbond is het licht van de wereld, en de woorden opgetekend door de Pen van de Allerhoogste een grenzeloze Oceaan". Hij heeft bovendien verklaard, "De Heer, de Alglorierijke, heeft onder het lommer van de Boom van Anísá (Boom des Levens) een nieuw Verbond gesloten en een groot Testament opgemaakt.....Is er in enige voorgaande Beschikking, tijdperk, periode os eeuw zo een Verbond gesloten? Heeft men ooit zulk een Testament, door de Pen van de Allerhoogste opgetekend, aanschouwd? Neen, bij God"! En tenslotte, "De kracht van het Verbond is als de warmte van de zon die alles op aarde in het leven roept en tot ontwikkeling brengt. Het licht van het Verbond is tevens de opvoeder van het verstand, de geest, het hart en de ziel der mensen". Hij spreekt in zijn geschriften over dit Verbond als het "beslissende bewijs", het "universele evenwicht", de "magneet van Gods genade", het "onweerlegbare Testament", de "geheven standaard", het "almachtige Verbond zoals men in de heilige Beschikkingen in het verleden nog nimmer heeft aanschouwd" en "een van de uitgesproken kenmerken van deze machtigste cyclus".

In de Openbaring van Johannes geprezen als "de Ark van Zijn (Gods) Verbond"; in verband gebracht met het samenkomen onder de "Boom van Anísá" (Boom des Levens), die door Bahá'u'lláh in de Verborgen Woorden wordt genoemd; door Hem in andere passages van Zijn geschriften verheerlijkt als de "ark der verlossing" en als "het koord dat gespannen is tussen de aarde en het Abhá Koninkrijk" - is dit Verbond aan het nageslacht nagelaten in een Testament dat, samen met de Kitáb-i-Aqdas en verschillende Tafelen waarin de rang en plaats van 'Abdu'l-Bahá onmiskenbaar zijn onthuld, de voornaamste steunpilaren vormt die door de Heer van het Verbond zelf zijn opgericht teneinde na Zijn hemelvaart het aangestelde Middelpunt van Zijn Geloof en de uitwerker van de toekomstige instellingen ervan te behoeden en bij te staan.

In dit gewichtige en onvergelijkelijke document ontsluit de Auteur het karakter van die "uitnemende en kostbare erfenis", door Hem aan Zijn "erfgenamen" nagelaten; verkondigt Hij opnieuw het fundamentele doel van Zijn Openbaring; legt Hij de "volkeren van de wereld" de plicht op vast te houden aan datgene dat "hen in rang zal verheffen", kondigt Hij hun aan dat "God heeft vergeven wat voorbij is"; legt de nadruk op de verhevenheid van 's mensen rang; onthult het voornaamste doel van Gods Geloof; draagt de gelovigen op te bidden voor het welzijn van de koningen der aarde, "manifestaties van de kracht en de dageraden van de macht en de rijkdommen van God"; bekleedt hen met het bestuur over de aarde; kiest het hart van de mensen uit als de zetel voor Zijn domein; verbiedt met stelligheid tweedracht en strijd; gelast Zijn volgelingen die regeerders bij te staan die zijn "getooid met het sieraad van billijkheid en gerechtigheid"; en draagt in het bijzonder de Aghsán (Zijn zoons) op na te denken over de "machtige en volmaakte kracht die verborgen ligt in de wereld van het bestaan". Hij gebiedt hun bovendien samen met de Afnán (de bloedverwanten van de Báb) en Zijn eigen familieleden "allen tezamen zich te richten tot de Grootste Tak ('Abdu'l-Bahá)"; vereenzelvigt hem met "degene dien God heeft bedoeld", "die is ontsproten aan deze voor-bestaande Wortel" waarnaar in de Kitáb-i-Aqdas wordt verwezen; bepaalt dat de "Grote Tak" (Mirzá Muhammad-'Alí) in rang staat onder de "Grootste Tak" ('Abdu'l-Bahá); spoort de gelovigen aan de Aghsán met welwillendheid en liefde te bejegenen; raadt hun aan Zijn familie en verwanten te respecteren alsook de familie van de Báb; ontzegt Zijn zoons "enig recht op het bezit van anderen", legt hun en Zijn familie en die van de Báb op "God te vrezen en gepast en betamelijk te handelen" en die dingen te doen die hen in rang zullen "verheffen"; waarschuwt alle mensen nimmer toe te staan dat "ordemaatregelen de oorzaak worden van verwarring, en het werktuig voor het scheppen van eenheid een reden tot tweespalt" wordt; en eindigt met een aansporing waarbij Hij op de gelovigen een beroep doet "alle volkeren te dienen" en te streven naar de "verbetering van de wereld".

Dat aan 'Abdu'l-Bahá een dergelijke unieke en verheven rang was toebedeeld verbaasde de verbannen metgezellen geenszins, daar zij reeds zo lang het voorrecht hadden gesmaakt zijn levenswandel gade te slaan. Ook voor de pelgrims die, hoe vluchtig zij ook persoonlijk met hem in aanraking waren geweest, of zelfs voor de enorme schare gelovigen die in verafgelegen landen zowel zijn naam als zijn werkzaamheid hogelijk hadden leren waarderen, was dit geen verrassing, evenmin als voor de grote kring vrienden en kennissen die in het Heilige Land en de buurlanden reeds zo vertrouwd waren geraakt met de positie die hij tijdens het leven van zijn Vader had ingenomen.

Hij werd geboren onder gunstige voortekenen op die onvergetelijke avond dat de Báb de bovenzinnelijke betekenis van Zijn zending aan Zijn eerste discipel Mullá Husayn had bekendgemaakt. Hij had, tien hij als klein kind bij Táhirih op schoot zat, de indringende betekenis in zich opgenomen van de ontroerende uitdaging die die onvervaarde heldin tot haar medediscipel, de geleerde en wijd en zijd befaamde Vahíd, had gericht. Zijn teder hart was gebroken bij de onuitwisbare aanblik van zijn sterk vermagerde, haveloze en in ketenen geslagen Vader toen hij als negenjarige jongen Hem in de Síyáh-Chál in Tihrán bezocht. Tegen hem had zich in zijn prille jeugd, toen zijn Vader als gevangene in die onderaardse kerker zat opgesloten, een troep boosaardige straatjongens gekeerd die hem met stenen bekogelde, hem hoonde en met spot overlaadde. Hem was het lot beschoten geweest om spoedig na Zijn ontslag uit de gevangenis met zijn Vader de verschrikkingen en de ellende van een wrede verbanning uit Zijn geboorteland te delen, alsmede de beproevingen die hun hoogtepunt bereikten toen Hij zich gedwongen zag zich in de bergen van Kurdistán terug te trekken. Hij was het, die in zijn ontroostbaar verdriet om zijn scheiding van een aanbeden Vader aan Nabíl toevertrouwde - en deze heeft dat in zijn verslag gememoreerd - dat hij het gevoel had dat hij oud geworden was, hoewel hij nog maar een kind was. Hij was het, die op unieke wijze zich reeds als kind onderscheidde door de volle heerlijkheid van zijn Vaders nog niet geopenbaarde rang te hebben erkend, wat hem ertoe bewoog zich aan Zijn voeten te werpen en Hem spontaan het voorrecht af te smeken zijn leven voor Hem te mogen geven. Uit zijn pen vloeide, toen hij nog een jongeling in Baghdád was, dat prachtige commentaar op een bekende muhammedaanse traditie dat hij op voorstel van Bahá'u'lláh schreef als antwoord op een verzoek van 'Alí-Shawkat Páshá, dat zo verhelderend was dat het bij de ontvanger ervan een grenzeloze bewondering opwekte. Zijn discussies en gesprekken met de leerden met wie hij in Baghdád in aanraking kwam, hadden daar in eerste instantie de algemene bewondering gewekt voor hemzelf en zijn kennis, een bewondering, die later gestadig groeide toen zijn kennissenkring eerst in Adrianopel en daarna in 'Akká zich uitbreidde. De hoogst talentvolle Khurshíd Páshá, de gouverneur van Adrianopel, had zich geroepen gevoeld aan hem in het openbaar warme hulde te betuigen toen zijn jonge gast in het bijzijn van een aantal aanzienlijke godgeleerden van die stad in het kort en op verbazingwekkende wijze een ingewikkeld probleem dat voor het gezelschap een raadsel was geweest, had uitgelegd - een succes dat zo'n diepe indruk op de pasja maakte dat hij van die tijd af in zijn bijeenkomsten nauwelijks meer de aanwezigheid van die jongeman kon ontberen.

Naarmate de omvang en de invloed van Zijn zending zich uitbreidde, kwam Bahá'u'lláh er toe een steeds groter vertrouwen in hem te stellen door hem bij talloze gelegenheden als Zijn afgevaardigde te benoemen, hem in staat te stellen in het openbaar Zijn Zaak te verdedigen, hem de taak te geven Zijn tafelen over te schrijven, hem toe te staan de verantwoording op zich te nemen Hem tegen Zijn vijanden te beschermen en hem met de functie te bekleden voor het welzijn van Zijn medeballingen en metgezellen op te komen en hun belangen te behartigen. Aan hem was de delicate en bijzonder belangrijke taak opgedragen, zodra de omstandigheden dit toelieten, de grond aan te kopen die moest dienen als permanente rustplaats voor de Báb, zorg te dragen voor de veilige overbrenging van Zijn stoffelijke overblijfselen naar het Heilige Land, en voor Hem een passend grafmonument op de berg Karmel op te richten. Hij was het, die in hoofdzaak voor de noodzakelijke middelen zorgde om Bahá'u'lláh uit Zijn negen jaar lange opsluiting binnen de stadsmuren van 'Akká te bevrijden waardoor Hij in staat was in de laatste jaren van Zijn leven een zekere mate van vrede en geborgenheid te genieten, waarvan Hij zo lang verstoken was geweest. Aan zijn niet aflatende inspanningen was het te danken dat aan de illustere Bagí' de onvergetelijke gesprekken met Bahá'u'lláh werden toegestaan, dat de vijandschap die verscheidene gouverneurs van 'Akká ten opzichte van de gemeenschap van ballingen koesterden, was overgegaan in achting en bewondering, dat de aankoop van bezittingen die grensden aan het Meer van Galilea en de Jordaan tot stand was gekomen en dat de kundigste en waardevolste presentatie van de vroege geschiedenis van het Geloof en de leringen aan het nageslacht was overgedragen. Door de buitengewoon hartelijke ontvangst die hem werd bereid tijdens zijn bezoek aan Beirut, door zijn contact met Midhat Páshá, een voormalige grootvizier van Turkije, door zijn vriendschap met 'Azíz Páshá, dien hij vroeger in Adrianopel had gekend en die daarna was bevorderd tot de rang van Valí, en door zijn voortdurende omgang met regeringsambtenaren, notabelen en leidende geestelijken die tijdens de laatste jaren van het beleid van zijn Vader in steeds grotere aantallen zijn gezelschap zochten, was hij erin geslaagd het aanzien van de Zaak die hij verdedigde, te verhogen tot een peil dat ze nooit eerder had bereikt.

Hij was de enige die het voorrecht genoot "de Meester" genoemd te worden, een eer waarvan zijn Vader alle andere zoons strikt had uitgesloten. Hem had deze liefhebbende in nimmer falende Vader verkozen de unieke titel van "Sirru'lláh" (het mysterie van God) te verlenen, een aanduiding die zo geëigend was voor degene die, hoewel hij in wezen menselijk was en een positie innam die volkomen en fundamenteel verschilde van die welke Bahá'u'lláh en Zijn Voorloper hadden ingenomen, er toch aanspraak op kon maken het volmaakte toonbeeld van Zijn Geloof te zijn met een bovenmenselijke kennis, en te moeten worden beschouwd als de vlekkeloze spiegel die Zijn licht weerkaatst. Naar hem had in Adrianopel diezelfde Vader in de Súriy-i-Ghusn (Tafel van de Tak) verwezen als "dit geheiligde en heerlijke wezen, deze tak van heiligheid", als "de Tak van de wet van God", als Zijn "grootste gunst" aan de mensen. als Zijn "volmaaktste milddadigheid" aan hen geschonken, als iemand door wien "ieder vergaand bot tot nieuw leven komt", terwijl Hij verklaart dat "een ieder die zich tot hem keert, zich tot God heeft gekeerd", en dat "degenen die zich de schaduw van de Tak ontzeggen teloor gaan in de wildernis van dwaling". Op hem heeft Bahá'u'lláh toen Hij nog in die stad verbleef (in een Tafel gericht tot Hájí Muhammad Ibráhím-i-Khalíl) gezinspeeld als de enige onder Zijn zoons "van wiens tong God de tekenen van Zijn macht zal doen voortstromen", en als degene "die God in het bijzonder voor Zijn Zaak heeft uitverkoren". Aan hem had in een latere periode de Auteur van de Kitáb-i-Aqdas in een beroemde passage die later in het "Boek van Mijn Verbond" werd verduidelijkt, de taak opgelegd Zijn heilige Geschriften uit te leggen, waarbij Hij hem tezelfder tijd uitriep als degene "dien God had bedoeld, die is ontsproten aan deze Aloude Wortel". Op hem doelde Hij in een Tafel, geopenbaard in diezelfde periode en gericht aan Mirzá Muhammad Qulíy-i-Sakzivárí, als "de golf die is voortgekomen uit deze Oceaan die alle geschapen dingen omvat", en gebiedt Zijn volgelingen hun gelaat tot hem te keren. Ter gelegenheid van zijn bezoek aan Beirut had zijn Vader hem ook nog de hoogste lof toegezwaaid in een mededeling die Hij aan Zijn amanuensis dicteerde, waarin Hij hem verheerlijkte als degene "om wien alle namen wentelen", als de "machtigste Tak van God", en als "Zijn aloude en onveranderlijke Mysterie".

In verscheidene Tafelen die Bahá'u'lláh Zelf had geschreven wordt hij persoonlijk toegesproken als "Mijn oogappel" en genoemd als "een schild voor allen die in de hemel en op aarde zijn", als "een schuilplaats voor de gehele mensheid", en "een bolwerk voor een ieder die in God gelooft". Voor hem had zijn Vader in een gebed dat Hij te zijner ere had geopenbaard, God gesmeekt "hem te laten zegevieren", en "voor hem alsook voor hen die hem liefhebben" die dingen "te beschikken" die door de Almachtige voor Zijn "Boodschappers" en de "gevolmachtigden" van Zijn Openbaring waren bestemd. En tenslotte werden in weer een andere Tafel deze zeer belangrijke woorden opgetekend, "De heerlijkheid Gods zij met u en met een ieder die u dient en zich rondom u beweegt. Wee hem, wee hem die zich tegen u verzet en u kwetst. Wel ga het hem die u trouw zweert; het hellevuur kwelle hem die uw vijand is".

En om de kroon te zetten op de onschatbare eerbetuigingen, voorrechten en weldaden die in steeds toenemende overvloed over hem werden uitgestort gedurende de veertig jaar van zijn Vaders beleid in Baghdád, Adrianopel en 'Akká, was hij verheven tot het hoge ambt van Middelpunt van Bahá'u'lláh's Verbond - en was hij de opvolger geworden van de Manifestatie van God Zelf - een positie die hem de macht zou geven een buitengewone stuwkracht te verlenen aan de internationale verbreiding van zijn Vaders Geloof, de leerstellingen ervan nader toe te lichten, iedere barrière neer te halen die zijn opmars in de weg zou staan en Zijn Bestuursstelsel, het kind van het Verbond en de voorbode van die Wereldorde waarvan de vestiging waarlijk de komst van de gouden eeuw van de Bahá'í Beschikking moet aankondigen, in het leven te roepen en de hoofdlijnen ervan uit te werken.

HOOFDSTUK XV
De rebellie van Mirzá Muhammad'Alí

De hemelvaart van Bahá'u'lláh had, zoals wij reeds opmerkten, diepe smart en ontsteltenis teweeggebracht bij Zijn volgelingen en metgezellen, en opnieuw hoop en vastberadenheid opgewekt bij Zijn waakzame en geduchte tegenstanders. In een tijd dat een zwaar belasterd Geloof als overwinnaar te voorschijn was gekomen uit de twee ernstigste crises die het ooit had gekend - de ene het werk van vijanden van buitenaf, de andere dat van vijanden van binnenuit - en zijn aanzien tot een hoogte was gestegen zoals het gedurende de vijftig jaar van zijn bestaan nog niet had gekend, werd de nimmer falende Hand, die zijn lot van het begin af aan had bepaald plotseling weggenomen; vriend noch vijand achtte het aannemelijk dat de aldus ontstane leegte nog ooit kon worden gevuld.

Toch, zoals het aangewezen Middelpunt van Bahá'u'lláh's Verbond en de gemachtigde vertolker van Zijn leer later zelf uitlegde, betekende de ontbinding van het tabernakel waarin de ziel van de Manifestatie van God tijdelijk zijn woonplaats had gekozen, haar bevrijding uit de beperkingen die een aards leven haar noodgedwongen hadden opgelegd. Nu de zegenrijke invloed niet langer door lichamelijke begrenzingen werd beperkt, de uitstraling niet langer door de menselijke tempel werd verduisterd, kon die ziel voortaan de gehele wereld stimuleren tot een hoogte zoals nog niet eerder in enig stadium van zijn bestaan op deze planeet was bereikt.

Bahá'u'lláh's overweldigende taak had op deze aarde bovendien ten tijde van Zijn heengaan de hoogste vervulling bereikt. Zijn zending, verre van niet beslissend te zijn geweest op enig gebied, had in ieder opzicht de beproevingen glansrijk doorstaan. De Boodschap die Hem was toevertrouwd, was voor het oog van de gehele mensheid onthuld. De oproepen die Hij aan de leiders en regeerders moest richten waren onbevreesd onder woorden gebracht. De basis voor de leer die bestemd was het leven der mensheid op een nieuwe leest te schoeien, haar ziekten te genezen en haar te verlossen van slavernij en vernedering, was onaantastbaar gelegd. Het tij van rampspoeden dat Zijn Geloof moest reinigen en zijn krachten versterken, was met tomeloze vaart voortgeijld. Het bloed dat de aarde vruchtbaar moest maken en waaruit de instellingen van Zijn Wereldorde moesten voorkomen, was overvloedig vergoten. En bovenal was het Verbond dat de invloed van het Geloof moest bestendigen, zijn onaantastbaarheid moest verzekeren, het voor scheuring vrijwaren en zijn verbreiding over de hele wereld stimuleren, op een onwrikbaar fundament gezet.

Zijn Zaak die zo edel was, dat ze de hoop en de verwachting der mensen te boven ging; die in haar schelp de waardevolle parel borg waarnaar de wereld vanaf de eerste dag van haar ontstaan had uitgezien; die zich gesteld zag voor kolossale taken die ingewikkeld en onvoorstelbaar urgent waren, was nu zonder enige twijfel in veilige handen. Zijn eigen geliefde zoon, Zijn oogappel, Zijn plaatsvervanger op aarde, de uitvoerder van Zijn gezag, de spil van Zijn Verbond, de herder van Zijn kudde, het levende voorbeeld van Zijn Geloof, het toonbeeld van Zijn volmaaktheden, het mysterie van Zijn Openbaring, de vertolker van Zijn gedachten, de architect van Zijn Wereldorde, het symbool van Zijn Allergrootste Vrede, het brandpunt van Zijn feilloze leiding - in één woord de bekleder van een ambt zonder weerga op het gehele gebied van de religieuze geschiedenis, waakte over Zijn Zaak, was steeds op zijn hoede en onbevreesd en vastbesloten haar grenzen te verruimen, haar faam te verkondigen, haar belangen te verdedigen en haar doel te verwerkelijken.

De ontroerende bekendmaking die 'Abdu'l-Bahá op de ochtend van Bahá'u'lláh's hemelvaart had geschreven, waarbij hij zich tot alle volgelingen van zijn Vader van hoog tot laag had gericht, alsook de profetieën die hij zelf in zijn Tafelen had uitgesproken, ademden een vastberadenheid en een vertrouwen die de vruchten en triomfen, geoogst in de loop van een dertigjarig beleid, volop hebben gerechtvaardigd.

De donkere wolk van moedeloosheid die tijdelijk over de ontroostbaren geliefden van de Zaak van Bahá'u'lláh was neergedaald, werd opgeheven. De continuïteit van de feilloze leiding die haar vanaf het eerste begin was verleend, was nu gewaarborgd. De betekenis van de plechtige verzekering dat dit "de dag" is "waarop geen nacht zal volgen" werd nu duidelijk beseft. Een verweesde gemeenschap erkende in het uur van diepe wanhoop in 'Abdu'l-Bahá haar troost, haar leidsman, haar steunpilaar en haar voorvechter. Het licht dat met zo'n verblindende helderheid in het hart van Azië had geschenen en tijdens het leven van Bahá'u'lláh tot in het Nabije Oosten was doorgedrongen en reeds de boorden van het Europese en afrikaanse continent had verlicht, zou nu - dankzij de stuwende invloed van het zojuist verkondigde Verbond en bijna onmiddellijk na de dood van zijn Auteur - verder westwaarts gaan naar het noordamerikaanse continent, en van daaruit zich verspreiden tot in de landen van Europa en daarna zijn stralen laten vallen over het Verre Oosten en Austraal-Azië.

Voordat echter het Geloof zijn banier kon planten in het hart van het noordamerikaanse continent, en van daaruit buitenposten kon vestigen over zo'n uitgestrekt deel van de westerse wereld, moest het pas geboren Verbond van Bahá'u'lláh - zoals ook het geval was geweest met het Geloof waaruit het was ontsproten - nog worden gedoopt met een vuur dat aan een ongelovige wereld zijn duurzaamheid moest bewijzen en zijn onverwoestbaarheid verkondigen. Een crisis die bijna zo ernstig was als die welke het Geloof in de eerste dagen in Baghdád had getroffen, zou dat Verbond op het moment van zijn aanvang op zijn grondvesten doen schudden en zou de Zaak waarvan het de edelste vrucht was, opnieuw onderwerpen aan een van de zwaarste beproevingen die het in de loop van een hele eeuw had ondergaan.

Deze crisis, in eerste instantie verkeerd opgevat als een scheuring, die de tegenstanders uit de hoek van de politiek en de geestelijkheid alsook de snel in aantal slinkende volgelingen van Mirzá Yahyá begroetten als een sein voor de onmiddellijke ineenstorting en de uiteindelijke ontbinding van het stelsel dat door Bahá'u'lláh was gevestigd, stortte zich op het hart en het middelpunt van Zijn Geloof en werd uitgelokt door niemand minder dan een lid van Zijn eigen familie, een halfbroer van 'Abdu'l-Bahá. Deze wordt speciaal vermeld in het Boek van het Verbond en hij bekleedde op een na de hoogste rang na het aangestelde Middelpunt van dat Verbond. Niet minder dan vier jaar bracht deze onvoorziene gebeurtenis de gemoederen van een zeer groot deel van de gelovigen in het hele oosten in hevige beroering, verduisterde gedurende enige tijd de lichtkring van het Verbond, veroorzaakte een onherstelbare breuk onder Bahá'u'lláh's eigen verwanten, bezegelde tenslotte het lot van het overgrote deel van de leden van Zijn familie en bracht zware schade toe aan het aanzien van het Geloof, hoewel het niet lukte een permanente kloof in de structuur ervan te bewerkstelligen. De ware grond voor deze crisis lag in de verzengende, ongebreidelde en zielverterende jaloezie die niet alleen in Mirzá Muhammad-'Alí, de aartsverbreker van het Verbond, maar ook in enkele van zijn naaste familieleden was opgewekt over de door ieder erkende superioriteit van 'Abdu'l-Bahá in rang, macht, kundigheid, kennis en deugdzaamheid boven alle andere leden van zijn Vaders familie. Een afgunst die even blind was als waarvan Mirzá Yahyá's ziel was bezeten, even dodelijk als die welke Jozefs uitmuntende eigenschappen in het hart van zijn broeders had ontstoken, even diep geworteld als die welke in de boezem van Caïn had gegloeid en hem ertoe bracht zijn broeder Abel dood te slaan, had reeds gedurende jaren voor Bahá'u'lláh's hemelvaart in de verborgen hoeken van Mirzá Muhammad-'Alí's hart gesmeuld en was heimelijk aangewakkerd door die talloze bewijzen van eerbied, bewondering en vriendelijkheid die 'Abdu'l-Bahá werden betoond, niet alleen door Bahá'u'lláh Zelf, Zijn metgezellen en Zijn volgelingen maar ook door het enorme aantal niet-gelovigen dat 'Abdu'l-Bahá'í grootheid die hij al vanaf zijn kindsheid aan de dag had gelegd, had leren erkennen.

Daar hij helemaal niet tevreden was met de voorzieningen van een Testament, dat hem tot de een na hoogste plaats onder de gelovigen had verheven, laaide het vuur van onblusbare haat dat in Mirzá Muhammad-'Alí's gemoed brandde nog heviger op zodra hij zich de implicaties van dat document ten volle realiseerde. Alles wat 'Abdu'l-Bahá in die periode van vier kommervolle jaren deed, zijn onafgebroken aansporingen, zijn ernstige pleidooien, de gunsten en vriendelijkheden waarmee hij hem overlaadde, de vermaningen en waarschuwingen die hij uitte, zelfs zijn voorstel zich vrijwillig terug te trekken in de hoop een dreigende storm af te wenden, bleken niet te baten. Geleidelijk en met onverzettelijke volharding, met leugens en halve waarheden, laster en grove overdrijving slaagde deze "voornaamste aanstichter tot opruiing" erin bijna de gehele familie van Bahá'u'lláh aan zijn zijde te krijgen, alsmede een aanzienlijk aantal van hen die tot zijn onmiddellijke omgeving behoorden. De twee nog in leven zijnde vrouwen van Bahá'u'lláh, Zijn twee zoons, de weifelmoedige Mirzá Díyá'u'lláh en de verraderlijke Mirzá Badí'u'lláh met hun zuster en halfzuster en hun echtgenoten, waarvan de ene de beruchte Siyyid-Alí, een familielid van de Báb was en de andere de sluwe Mirzá Mahdi'd-Dín, samen met diens zuster en halfbroers - die de kinderen waren van de edele, trouwe en thans gestorven Áqáy-i-Kaím - zij verenigden zich allen in een vastberaden poging om de grondslagen van het Verbond die onlangs bij het bekendmaken van het Testament waren gelegd, te slechten. Zelfs Mirzá Áqá Ján, die veertig jaar lang had gewerkt als Bahá'u'lláh's amanuensis, evenals Muhammad-Javád-i-Qasvíní, die sinds de eerste dagen van Adrianopel zich had beziggehouden met het overschrijven van door de Verheven Pen geopenbaarde Tafelen, met diens gehele familie, maakten gemene zaak met de verbondsbrekers en lieten zich strikken door hun kuiperijen.

En zo stond dan nu 'Abdu'l-Bahá geheel alleen, in de steek gelaten, verraden en aangevallen door bijna al zijn verwanten die zich thans hadden verzameld in de Villa en in de belendende huizen rondom het heilige Graf, en reeds beroofd van zijn moeder en zijn zoons, en donder enige steun behalve die van een ongetrouwde zuster, zijn vier ongetrouwde dochters, zijn vrouw en zijn oom (een halfbroer van Bahá'u'lláh), en moest tegenover een groot aantal vijanden die zich van binnenuit en van buitenaf tegen hem hadden opgesteld, de volle last dragen van de verschrikkelijke verantwoordelijkheden die zijn verheven ambt hadden opgelegd.

Als één man stonden nu deze loochenaars van een goddelijk ingesteld Verbond op om een lastercampagne te ontketenen die zich in kwaadaardigheid laat vergelijken met de schandelijke beschuldigingen die Mirzá Yahyá en Siyyid Muhammad samen tegen Bahá'u'lláh hadden ingebracht; zij waren hecht verbonden door een gemeenschappelijk verlangen en doel, verzekerd van de ruggesteun van de machtige en trouweloze Jamál-i-Burújirdí en zijn handlangers Hájí Husayn-i-Káshí, Khalíl-i-Khu'í en Jalíl-i-Tabrízí die zich met hun zaak hadden ingelaten en met alle centra en afzonderlijke personen in een nauw contact stonden door een uitgebreid systeem van correspondentie, en bijgestaan in hun werkzaamheden door spionnen die zij naar Perzië, Irak, India en Egypte stuurden, en gesterkt in hun opzet door de houding van regeringsambtenaren die zij omkochten of verkeerde voorstelling van zaken gaven. Tegen vriend en vijand, gelovige en ongelovige, tegen hoge en lage ambtenaren, openlijk en door bedekte toespelingen, mondeling en schriftelijk stelden zij 'Abdu'l-Bahá voor als een eerzuchtige, eigenzinnige, gewetenloze en genadeloze uitbuiter, die met voorbedachte rade de aanwijzingen in het Testament van zijn Vader had genegeerd; die in opzettelijk verhulde en dubbelzinnige taal zich een rang had aangemeten die gelijk stond met die van de Manifestatie Zelf; die in zijn mededelingen aan het westen zich er op ging beroepen, dat hij de wederkomst van Jezus Christus, de Zoon van God was, die was gekomen "in de heerlijkheid van de Vader"; die in zijn brieven aan de indiase gelovigen zichzelf aankondigde als de beloofde Sháh Bahrám en zich het recht aanmatigde de geschriften van zijn Vader te interpreteren, een nieuwe Beschikking in te luiden en met Hem de allergrootste onfeilbaarheid te delen, die uitsluitend het voorrecht is van degenen die de rang van profeet bekleden. Ook verklaarden zij nog dat hij ten eigen bate tweedracht had gezaaid, vijandelijke gevoelens had gekoesterd en met het wapen van excommunicatie had gezwaaid; dat hij de opzet van een Testament had verdraaid, waarvan zij beweerden dat het in de eerste plaats te maken had met de persoonlijke belangen van Bahá'u'lláh's familie, door het als een verbond van wereldbelang aan te merken, dat voorbestaand, weergaloos en uniek was in de geschiedenis van alle godsdiensten; dat hij zijn broers en zusters hun rechtmatige toelage had onthouden en deze had besteed aan ambtenaren om zijn persoonlijke vooruitgang te bevorderen; dat hij alle, herhaaldelijk aan hem gerichte uitnodigingen om de geschillen die waren gerezen te bespreken en de heersende onenigheden bij te leggen, had afgeslagen; dat hij zowaar de heilige tekst had bedorven, door hem zelf geschreven passages had ingelast en de bedoeling en betekenis van enkele van de belangrijkste Tafelen door de pen van zijn Vader geopenbaard, had verdraaid; en dat tenslotte als gevolg van dat optreden de oosterse gelovigen het vaandel van opstand hadden geheven, en dat de gemeenschap van gelovigen uiteen was gerukt, snel achteruit ging en tot ondergang was gedoemd.

En toch was het juist Mirzá Muhammad-'Alí die, hoewel hij zichzelf beschouwde als het toonbeeld van trouw, de vaandeldrager van de "Unitariërs", de "vinger die naar zijn Meester wijst", de voorvechter van de Heilige Familie, de spreekbuis van de Aghsán en de verdediger van de Heilige Schrift, nog tijdens het leven van Bahá'u'lláh zo openlijk en onbeschaamd in een door hem getekende en verzegelde schriftelijke verklaring de aanspraak naar voren had gebracht die nu valselijk door hem aan 'Abdu'l-Bahá werd toegeschreven, namelijk dat zijn Vader hem eigenhandig had gekastijd. Hij was het ook die, toen hij met een opdracht naar India was gezonden, had geknoeid met de tekst van de heilige geschriften die hem ter publicatie waren toevertrouwd. Hij was het, die de onbeschaamdheid en vermetelheid had om 'Abdu'l-Bahá in zijn gezicht te zeggen dat hij, net als het 'Umar destijds was gelukt, wederrechtelijk de opvolging van de Profeet Mohammed aan zich te trekken, zich in staat voelde hetzelfde te doen. Hij was het die, geobsedeerd door de angst dat hij eerder zou sterven dan 'Abdu'l-Bahá, vanaf het moment dat hem was verzekerd dat alle eer die hij nastreefde in de loop der jaren op hem zou overgaan, snel had geantwoord dat hij geen waarborg had dat hij hem zou overleven. Volgens de bekentenis die Mirzá Badí'ulláh had geschreven en gepubliceerd gedurende de korte tijd dat hij berouw toonde en zich had verzoend met 'Abdu'l-Bahá, had Mirzá Muhammad-'Alí, toen Bahá'u'lláh nog niet ter aarde was besteld, op listige wijze de twee tasjes meegegrist waarin zijn Vaders dierbaarste documenten zaten die Hij vlak voor Zijn hemelvaart aan 'Abdu'l-Bahá had toevertrouwd. Hij was het ook, die erin was geslaagd door een uitzonderlijk handige en eenvoudige vervalsing van een herhaaldelijk voorkomend woord dat, in enkele gispende passages door de Verheven Pen aan Mirzá Yahyá gericht, en door andere listige middelen zoals verbastering van woorden en tussenvoegingen, deze direct van toepassing te doen zijn op een broeder die hij uit de grond van zijn hart haatte. En tenslotte was het ook deze Mirzá Muhammad-'Alí die, zoals 'Abdu'l-Bahá in zijn Testament getuigt, met veel omzichtigheid en arglist een samenzwering had beraamd om hem van het leven te beroven, een plan dat men kon achterhalen door de toespelingen die in een door Shú'á'lláh (zoon van Mirzá Muhammad-'Alí) geschreven brief waren gemaakt, waarvan het origineel door 'Abdu'l-Bahá bij dat document werd gevoegd.

Het Verbond van Bahá'u'lláh was door de aldus beschreven en nog ontelbare andere wandaden op grove wijze geschonden. Weer was een slag, met een verlammend effect, aan het Geloof toegebracht en had voor enige tijd zijn opbouw doen wankelen. De storm die voorzegd was in de Openbaring van Johannes was losgebroken. De "bliksemstralen", de "donderslagen", de "aardbeving"1 die de openbaring van de "Ark van Zijn Verbond", moesten begeleiden waren alle geschied.

'Abdu'l-Bahá'í diepe smart over deze tragische ontwikkeling die zo snel volgde op zijn Vaders hemelvaart was zo groot, dat ze ondanks de overwinningen die er tijdens zijn beleid plaats hadden, onuitwisbare sporen op hem achterlieten tot het einde van zijn dagen. De hevige emoties die deze sombere episode in hem opwekten deden denken aan het effect op Bahá'u'lláh van de afschuwelijke gebeurtenissen, ontketend door de rebellie van Mirzá Yahyá. In een van Tafelen schreef hij, "Ik zweer bij de Aloude Schoonheid! Mijn kommer en smart zijn zo groot dat mijn pen mij uit de vingers valt". In een gebed dat in zijn Testament is opgenomen klaagt hij, "Gij ziet mij ondergedompeld in een zee van rampspoeden die de ziel overweldigen, van beproevingen die het hart terneerdrukken ... Smartelijke bezoekingen omringen mij en gevaren sluiten mij van alle zijden in. Gij ziet mij, gedompeld in een zee van onovertroffen tegenspoed, verzonken in een bodemloze afgrond, gekweld door mijn vijanden en verteerd door de vlam van haat die is aangewakkerd door mijn verwanten met wie Gij Uw hechte Verbond en Uw sterke Testament sloot ..." En verder in datzelfde Testament, "Heer! Gij ziet alle dingen mij bewenen en mijn verwanten zich verheugen over mijn ellende. Bij Uw heerlijkheid, O mijn God! Zelfs onder mijn vijanden hebben sommigen geweeklaagd over mijn moeilijkheden en mijn benardheid en een aantal afgunstigen heeft tranen gestort over mijn zorgen, mijn verbanning en mijn leed". In een van zijn laatste Tafelen riep hij Uit, "O Gij, de Heerlijkheid der Heerlijkheden! Ik heb afstand gedaan van de wereld en haar bewoners. Mijn hart is gebroken en diep bedroefd vanwege de trouwelozen. In de kooi van deze wereld fladder ik rond als een opgejaagde vogel en smacht er iedere dag naar mijn vlucht te wieken naar Uw Koninkrijk".

Bahá'u'lláh had overduidelijk in een van Zijn Tafelen onthuld - een Tafel die een verhelderend licht werpt op de gehele episode, "Bij God, O volk! Uit Mijn ogen vloeien tranen en uit de ogen van 'Ali (de Báb) vloeien tranen temidden van de Schare in den Hoge en Mijn hart schreit bittere tranen en het hart van Muhammad schreit bittere tranen in de heerlijkste Tabernakel en Mijn ziel roept en de zielen van de Profeten roepen het uit tot hen die begiftigd zijn met begrip ... Mijn verdriet geldt niet Mijzelf maar hem die na Mij zal komen in de schaduw van Mijn Zaak met duidelijke en ontwijfelbare soevereiniteit, aangezien men zijn verschijning niet zal verwelkomen, zijn tekenen zal afwijzen, zijn soevereiniteit zal betwisten, hem zal bestrijden en zijn Zaak zal verraden ..." Zo heeft Hij in een niet minder belangrijke Tafel opgemerkt, "Is het mogelijk dat na het opkomen van de dagster van Uw Testament boven de horizon van Uw grootste Tafel ook maar iemand op Uw rechte pad zal struikelen? Hierop hebben Wij geantwoord, 'O Mijn verhevenste pen! Het betaamt U zich bezig te houden met dat waartoe U door God, de Verhevene, de Grote, bent geroepen. Vraag niet naar wat Uw hart en het hart van de bewoners van het paradijs die om Mijn wonderbare Zaak cirkelen zal verteren. Het betaamt U niet bekend te worden met hetgeen Wij voor U verhuld hebben. Uw Heer is, waarlijk, de Verberger, de Alwetende' "! Nog uitgesprokener had Bahá'u'lláh met betrekking tot Mirzá Muhammad-'Alí in klare en ondubbelzinnige taal verzekerd, "Hij is waarlijk slechts een van Mijn dienaren ... Mocht hij slechts een ogenblik buiten de beschutting van de Zaak treden dan zal hij zeker teniet gaan". Verder heeft Hij in niet minder nadrukkelijke taal, en weer in verband met Mirzá Muhammad-'Alí, verklaard, "Bij God, de Ware! Als Wij hem voor een enkel ogenblik de uitstortingen van Onze Zaak onthielden zou hij verkwijnen en in het stof vallen".

'Abdu'l-Bahá heeft bovendien getuigd, "Er bestaat geen twijfel aan dat in duizend passages in de heilige geschriften van Bahá'u'lláh de verbrekers van het Verbond verfoeid zijn". Enkele van deze passages heeft hij voor zijn verscheiden van deze wereld zelf vergaard en ze in een van zijn laatste Tafelen opgenomen als een waarschuwing en waarborg tegen hen die tijdens zijn gehele beleid zo'n onverzoenlijke haat jegens hem hadden gekoesterd en er zo na aan toe waren geweest de fundamenten van een Verbond omver te werpen waarvan niet alleen zijn eigen gezag maar de ongeschondenheid van het Geloof in zijn geheel afhing.

HOOFDSTUK XVI

De opkomst en vestiging van het Geloof in het westen

Hoewel de rebellie van Mírzá Muhammad-'Alí vele donkere en beangstigende gebeurtenissen ontketende, en hoewel de verschrikkelijke gevolgen daarvan nog gedurende verscheidene jaren het licht van het Verbond verduisterden, het leven van zijn aangewezen Middelpunt in gevaar brachten, de gedachten afleidden en de vooruitgang van de activiteiten van zijn aanhangers in oost en west tegenhielden, bleek toch de gehele episode, gezien in het juiste perspectief, niet meer of minder te zijn dan een van die periodieke crises die sinds de geboorte van het Geloof van Bahá'u'lláh en gedurende een hele eeuw van nut zijn geweest om zijn schadelijke elementen uit te roeien, zijn grondvesten te versterken, zijn veerkracht aan te tonen en een verdere dosis van zijn latente krachten vrij te maken.

Nu de voorzieningen van een goddelijk ingesteld Verbond onbetwijfelbaar waren bekend gemaakt; nu het doel van het Verbond duidelijk was begrepen en de grondslagen ervan onwrikbaar in de harten van de meerderheid van de aanhangers van het Geloof waren verankerd; en nu de eerste aanvallen van hen die het trachtten omver te werpen met succes waren afgeslagen, kon de Zaak waarvoor dat Verbond was bestemd zich een weg banen in de richting die door de vinger van de geestelijke Vader was gewezen. Schitterende heldendaden en onvergetelijke overwinningen hadden reeds aan de geboorte van die Zaak bekendheid gegeven en in verscheidene aziatische landen, en wel in het bijzonder in het geboorteland van haar Stichter, haar opkomst begeleid. De levenstaak van haar nieuw aangewezen leider, de behoeder van haar eer en de verspreider van haar licht moest, volgens zijn eigen ingevingen, de gebieden van het onvergankelijk erfgoed dat aan zijn zorgen was toevertrouwd, verrijken en uitbreiden, door de verlichtende invloed van zijn Vaders Geloof over het westen te doen schijnen, de fundamentele leringen en de voornaamste beginselen van dat Geloof uiteen te zetten, de reeds in werking gezette activiteiten voor het bevorderen van de belangen ervan te consolideren en tenslotte de ontwikkeling van het vormende tijdperk in te luiden door middel van de voorzieningen van zijn eigen Testament.

Een jaar na de hemelvaart van Bahá'u'lláh had 'Abdu'l-Bahá in een door hem geschreven vers dat de spot van de verbondsbrekers opgewekt, reeds op een veelbelovende gebeurtenis gedoeld die het nageslacht zou erkennen als een van de grootste triomfen van zijn beleid, die op den duur een onschatbare zegen voor de westerse wereld zou betekenen en die eerlang de smart en vrees die de gemeenschap van zijn medeballingen in 'Akká had bevangen, zou wegnemen. De grote Republiek van het westen werd boven alle andere landen in het Avondland uitverkoren om als eerste Gods onschatbare zegen te ontvangen en het voornaamste werktuig te worden voor het overbrengen ervan aan zovele medestaten in de vijf continenten der aarde.

Het belang van een zo ontzaglijke ontwikkeling in de Geloof van Bahá'u'lláh - de vestiging op het noordamerikaanse continent - in een tijd dat 'Abdu'l-Bahá juist aan de uitvoering van zijn opdracht was begonnen en nog aan de gevolgen leed van de smartelijkste crisis waarmee hij ooit was geconfronteerd, kan men nooit overschatten. Reeds in het jaar waarin het Geloof in Shíráz het levenslicht aanschouwde had de Báb in de Qayyúmu'l-Asmá' in een gedenkwaardige passage de volkeren van zowel het Morgenland als het Avondland gewaarschuwd, zich rechtstreeks tot "de volkeren van het westen" gericht en hen nadrukkelijk geboden "zich" uit hun "steden te spoeden" om God bij te staan en "als broeders te worden" in Zijn "ene en ondeelbare religie". Bahá'u'lláh had, vooruitlopend deze ontwikkeling, geschreven, "In het oosten is het licht van Zijn Openbaring doorgebroken; in het westen zijn reeds de tekenen van Zijn heerschappij verschenen" Hij heeft ook nog voorzegd, "Mocht men proberen het licht op het vasteland te verbergen, dan stak het zeker het hoofd op in de oceaan en zou met verheffing van stem verkondigen, 'Ik ben de bezieler van de wereld' "! Volgens het verslag van Nabíl heeft Hij kort voor Zijn hemelvaart gezegd, "Was de Zaak in het westen geopenbaard en waren Onze verzen vanuit het westen naar Perzië en andere landen in het oosten gezonden, dan zou blijken hoe de mensen in het Avondland Onze Zaak hadden omhelsd. De mensen in Perzië hebben het echter niet naar waarde kunnen schatten". 'Abdu'l-Bahá'í getuigenis luidt, "Van het begin der tijden tot de huidige dag is het licht van goddelijke Openbaring in het oosten opgekomen en heeft het zijn stralen over het westen laten schijnen. De op die manier verspreide glans heeft echter in het westen een buitengewone helderheid verkregen. Beschouw eens het geloof dat Jezus verkondigde. Hoewel het eerst in het oosten verscheen, werd toch de volle kracht van zijn mogelijkheden pas merkbaar nadat het licht ervan over het westen was uitgegoten". En hij heeft verzekerd, "De dag nadert dat gij er getuige van zult zijn dat het westen door de glans van het Geloof van Bahá'u'lláh de plaats van het oosten zal hebben ingenomen in het uitstralen van goddelijke leiding". En verder, "Het Avondland heeft de luister uit het oosten ontvangen, maar in sommige opzichten is de weerkaatsing van dat licht groter in het westen". En bovendien, "Het oosten is waarlijk verhelderd geworden door het licht van het Koninkrijk. Weldra zal dit zelfde licht een nog grotere verlichting brengen over het westen".

De Auteur van de Bahá'í Openbaring heeft meer in het bijzonder de staatshoofden van het amerikaanse continent verkozen en hun de unieke eer verleend hen in de Kitáb-i-Aqdas, Zijn Heiligste Boek, gezamenlijk toe te spreken, waarbij Hij hen met de grootste nadruk vermaant "de tempel van heerschappij te tooien met het ornament van gerechtigheid en de vreze Gods, en de top ervan met de kroon van gedachtenis" aan hun Heer, en hen gebiedt "met rechtvaardige hand de terneergeslagen en op te richten" en "de onderdrukker te verbrijzelen" met de "roede der geboden" van hun "Heer, de Beschikker, de Alwijze". 'Abdu'l-Bahá schreef, "Het amerikaanse continent is in de ogen van de ene ware God het land waar de pracht van Zijn licht zichtbaar zal worden, waar de mysteriën van Zijn Geloof zullen worden onthuld, waar de rechtvaardigen zullen verblijven en de vrijen zullen bijeenkomen". Hij heeft bovendien gezegd, "Het amerikaanse continent levert tekenen en bewijzen van zeer grote vooruitgang. Zijn toekomst is nog veelbelovender, want zijn invloed en verlichting zal zich tot in de verste uithoeken uitstrekken. Het zal geestelijk alle naties leiden".

'Abdu'l-Bahá heeft de grote Republiek van het westen, de leidende natie van het amerikaanse continent, in nog duidelijker termen met zijn gunst onderscheiden toen hij schreef, "Het amerikaanse volk is werkelijk waardig om als eerste het Tabernakel van de Grootste Vrede te bouwen en de eenheid der mensheid te verkondigen". En verder, "Dit amerikaanse volk bezit de bekwaamheid en de kracht om te volbrengen hetgeen de bladzijden van de geschiedenis zal tooien, de afgunst van de wereld zal wekken en het zal in oost en west gezegend zijn voor zijn grootse daden". En dan nog, "Moge deze amerikaanse democratie de eerste natie zijn die de grondslag legt voor internationale overeenstemming. Moge het de eerste natie zijn die de eenheid der mensheid uitroept. Moge zij als eerste de standaard van de Grootste Vrede ontplooien". Hij heeft ook nog geschreven, "Mogen de bewoners van dit land . . . zich uit hun materiële welstand tot zulke hoogten verheffen dat vanuit dit middelpunt hemelse verlichting naar alle volkeren der aarde zal uitstralen".

'Abdu'l-Bahá richtte zich tot de gelovigen op het noordamerikaanse continent in de volgende bewoordingen, "O gij apostelen van Bahá'u'lláh . . . ziet toe hoe hoogverheven de rang is die voor u is bestemd . . . De ware omvang van uw succes is tot nog toe niet onthuld, de betekenis ervan nog niet beseft". En verder, "Uw opdracht is onuitsprekelijk heerlijk. Als uw onderneming met succes wordt bekroond, groeit Amerika zeker uit tot een centrum van waaruit golven van geestelijke kracht vloeien en waar de troon van het Koninkrijk Gods in de volheid van zijn majesteit en heerlijkheid hecht gegrondvest zal zijn". En tenslotte deze ontroerende verzekering, "Vanaf het moment dat deze goddelijke Boodschap door de amerikaanse gelovigen vanaf hun kusten is uitgedragen en door de werelddelen Europa, Azië, Afrika en Austraal-Azië is verbreid en zelfs tot de eilanden in de Stille Zuidzee is doorgedrongen, zal deze gemeenschap zich veilig gezeteld zien op de troon van een eeuwigdurende heerschappij . . . Dan zal de gehele aarde weerklinken van haar majesteit en grootheid".

Geen wonder dat een gemeenschap, behorende tot een zo rijk gezegende natie die een zo uitzonderlijke positie inneemt op een zo rijk begiftigd continent, in staat was gedurende de vijftig jaar van haar bestaan vele bladzijden, rijk aan overwinningen, aan de annalen van het Geloof van Bahá'u'lláh toe te voegen. Men bedenke dat juist deze gemeenschap, die vanaf het moment dat ze tot leven was gekomen door de scheppende kracht van de verkondiging van het Verbond van Bahá'u'lláh, was grootgebracht onder 'Abdu'l-Bahá'í niet aflatende zorg en door hem was opgeleid om haar unieke opdracht ten uitvoer te brengen door middel van ontelbare Tafelen die hij openbaarde, de aanwijzingen die hij aan terugkerende pelgrims gaf, het sturen van speciale boden, zijn eigen latere reizen door geheel Noord-Amerika, de nadruk die hij legde op de instelling van het Verbond tijdens die reizen, en tenslotte door zijn mandaat dat was neergelegd in de Tafelen van het Goddelijk Plan. Juist deze gemeenschap heeft vanaf haar jongste dagen tot op heden onverdroten gearbeid en is erin geslaagd geheel op eigen kracht de banier van Bahá'u'lláh te plaatsen in het overgrote deel van de zestig landen die nu in oost en west de eer voor zich kunnen opeisen opgenomen te zijn binnen de grenzen van Zijn Geloof. Aan deze gemeenschap komt de eer toe de blauwdruk te hebben ontwikkeld en de eerste te zijn geweest het raamwerk op te zetten van de bestuursinstellingen die de komst van de Wereldorde van Bahá'u'lláh aankondigen. Door de inspanningen van haar leden werd de moedertempel van het westen, de voorbode van die Orde, een van de heerlijkste instellingen die in de Kitáb-i-Aqdas zijn voorgeschreven, het indrukwekkendste gebouw dat in de gehele Bahá'í wereld werd opgetrokken, in het hart van Noord-Amerika opgericht. Door de volhardende ijver van haar pioniers, leraren en bestuurders werd de literatuur van het Geloof op zeer grote schaal verbreid, werden de doelstellingen en plannen onbevreesd verdedigd en de ontluikende instellingen hecht gegrondvest. Als direct gevolg van de onvermoeibare inspanningen die, zonder enige hulp van buitenaf, de voornaamste reizende lerares zich getroostte, werd de vrijwillige verklaring van trouw aan het Geloof van een vorstelijke persoon verkregen en onweerlegbaar in verscheidene getuigenissen door de pen van deze koninklijke bekeerlinge onder woorden gebracht welke voor het nageslacht bewaard zijn gebleven. En tenslotte moet hulde worden betoond aan de leden van deze gemeenschap, de geestelijke afstammelingen van de baanbrekers van het heroïsche tijdperk van de Bahá'í Beschikking, dat zij bij ontelbare gelegenheden met bewonderenswaardige bereidwilligheid, ijver en vastberadenheid zijn opgestaan om te vechten voor de zaak van de onderdrukten, de behoeftigen te ondersteunen en de belangen te verdedigen van de gebouwen en instellingen die door hun broeders in landen als Perzië, Rusland, Egypte, Irak en Duitsland waren opgericht - landen waar de aanhangers van het Geloof in meerdere of mindere mate de ellende van raciale en religieuze vervolgingen moesten doorstaan.

Het is dan ook wel vreemd dat in een land dat onder zijn medevolkeren in het westen met zo'n unieke functie was bekleed, de eerste openlijke verwijzing naar de Auteur van zo'n glorierijk Geloof werd gemaakt door een van de leden van de geestelijke orde waarmee het Geloof lange tijd te kampen had gehad en waaronder het herhaalde malen had geleden. Nog vreemder is het dat degene die, vijftig jaar nadat de Báb Zijn zending in Shíráz had verkondigd het Geloof in Chicago vestigde, zelf een paar jaar later de standaard weer zou uitrukken die hij eerst geheel een paar jaar alleen in die stad had geplant.

Op 23 september 1893 namelijk, iets meer dan een jaar na Bahá'u'lláh's hemelvaart, werd in een verhandeling, geschreven door de theoloog Henry H. Jessup, directeur van het presbyteriaanse zendingswerk in Noord-Syrië, en voorgelezen door de Eerw. George A. Ford uit Syrië tijdens het Wereldparlement van Religies dat in Chicago werd gehouden in verband met de Columbus tentoonstelling ter herdenking van het feit dat vierhonderd jaar geleden Amerika werd ontdekt, bekendgemaakt dat "een beroemde perzische Wijze", de "Bábí Heilige" kort geleden in 'Akká was gestorven en dat twee jaar voor Zijn heengaan 'n een professor uit Cambridge" Hem had bezocht, aan wie Hij "zulke hoogstaande, puur christelijke gevoelens" tot uiting had gebracht, dat de schrijver van de verhandeling in het "slotwoord" ze met zijn gehoor wenste te delen. Nog geen jaar later, in februari 1894, vestigde een syrische dokter, Ibráhím Khayru'lláh, die tijdens zijn verblijf in Caïro door Hájí 'Abdu'l-Karím-i-Tihrání tot het Geloof was bekeerd, van Bahá'u'lláh een Tafel had ontvangen en met 'Abdu'l-Bahá in verbinding had gestaan, en die in december 1892 in New York was aangekomen, zich in Chicago en begon op actieve en systematische wijze de Zaak die hij had omhelsd te onderrichten. In de tijd van twee jaar had hij zijn indrukken aan 'Abdu'l-Bahá overgebracht en verslag uitgebracht van het opmerkelijke succes van zijn inspanningen. In 1895 werd hem in Kenosha gelegenheid gegeven een inleiding te houden, waar hij in de loop van zijn onderrichtsreizen eenmaal per week bleef komen. Naar verluidt telden in het jaar daarop deze twee steden honderden gelovigen. In 1897 publiceerde hij zijn boek getiteld de Babú'd-Dín en bezocht Kansas, New York, Ithaca en Philadelphia waar hij een aanzienlijk aantal aanhangers voor het Geloof wist te winnen. De onversaagde Thornton Chase, door 'Abdu'l-Bahá Thábit (Standvastige) genaamd en door hem aangeduid als "de eerste amerikaanse gelovige" die in 1894 tot het Geloof werd bekeerd; de onsterfelijke Louisa A. Moore, de "moeder"-leraar van het westen, door 'Abdu'l-Bahá Livá (Banier) genaamd, Dr. Edward Getsinger met wie zij later trouwde, Howard McNutt, Arthur P. Dodge, Isabella D. Brittingham, Lillian F. Kappes, Paul K. Dealy, Chester I. Thatcher en Helen S. Goodall, wier namen altijd verbonden zullen blijven met de eerste levenstekenen van het Geloof van Bahá'u'lláh op het noordamerikaanse vasteland, treden naar voren als de voornaamste personen die in de eerste jaren gehoor gaven aan de oproep van de nieuwe Dag en hun leven wijdden aan het dienen van het zojuist bekendgemaakte Verbond.

In de loop van 1898 had mevrouw Phoebe Hearst, de bekende philantrope (de vrouw van senator George F. Hearst) die mevrouw Getsinger tijdens een bezoek aan Californië opmerkzaam had gemaakt op het Geloof, het plan geuit 'Abdu'l-Bahá in het Heilige Land te bezoeken, had verscheidene gelovigen, onder wie Dr. en mevrouw Getsinger en Dr. Khayru'lláh en zijn vrouw, uitgenodigd haar te vergezellen en had de nodige voorzieningen getroffen voor hun historische pelgrimstocht naar 'Akká. In Parijs voegden zich verscheidene daar wonende Amerikanen bij het gezelschap , onder wie May Ellis Bollis die door mevrouw Getsinger voor het Geloof was gewonnen alsmede mejuffrouw Pearson en Ann Apperson, beiden nichten van mevrouw Hearst, en mevrouw Thornburgh met haar dochter, welk gezelschap, later in Egypte werd uitgebreid met Dr. Khayru'lláh's dochters en hun grootmoeder, die kort tevoren door hem was bekeerd.

De aankomst van vijftien pelgrims in drie opeenvolgende groepen waarvan de eerste met Dr. en mevrouw Getsinger op 10 december 1898 de gevangenisstad 'Akká bereikte; het vertrouwelijk contact tussen het Middelpunt van Bahá'u'lláh's Verbond en de zojuist opgestane herauten van Zijn Openbaring uit het westen; de ontroerende taferelen bij hun bezoek aan Zijn graf en de grote eer die hun door 'Abdu'l-Bahá werd betoond dat hij hen zelf naar het binnenste vertrek geleidde; de geest waarmee deze liefdevolle en milde gastheer hen ondanks hun korte verblijf door woord en voorbeeld zo krachtig doordrong; en de hartstochtelijke ijver en niet aflatende vastberadenheid die zijn inspirerende vermaningen, zijn verhelderende instructies en de veelvoudige bewijzen van zijn goddelijke liefde bij hen opwekte - al deze dingen kenmerkten het begin van een nieuw tijdperk in de ontwikkeling van het Geloof in het westen, een tijdperk waarvan de betekenis duidelijk werd aangetoond door de daden die daarna door enkele van deze pelgrims en hun medediscipelen werden volbracht.

Een van deze pelgrims beschreef in haar verslag haar indrukken aldus, "Van die eerste ontmoeting kan ik mij vreugde noch smart of ook maar iets herinneren dat zich in woorden laat uitdrukken. Ik was plotseling naar een te grote hoogte gevoerd, mijn ziel was in aanraking gekomen met de goddelijke geest en deze zuivere, heilige en machtige kracht had me overweldigd . . . Wij konden onze ogen niet van zijn heerlijke gelaat afhouden; wij luisterden naar alles wat hij zei; wij dronken op zijn uitnodiging thee met hem; maar ons bestaan leek stil te staan; en wanneer hij opstond en ons plotseling verliet vielen wij met een schok terug in het gewone leven; maar nooit, o nooit meer daarna werd het, God zij gedankt, het oude leven op deze aarde". Als zij zich het laatste onderhoud in het geheugen roept dat aan het gezelschap waarvan zij deel uitmaakte werd toegestaan, verhaalt dezelfde pelgrim, "Door de macht en majesteit van zijn aanwezigheid veranderde onze vrees in volmaakt vertrouwen, onze zwakheid in kracht, onze droefheid in hoop en vergaten wij ons eigen ik door onze liefde voor hem. Toen wij met ons allen tegenover hem zaten, wachtend op zijn woorden, weenden enkelen van de gelovigen bittere tranen. Hij verzocht hen hun tranen te drogen, maar zij konden het niet direct. Toen vroeg hij hen andermaal terwille van hem niet te huilen, daar hij niet met ons zou praten of ons onderrichten totdat alle tranen waren gedroogd . . . "

Mevrouw Hearst heeft in een van haar brieven getuigd, " . . . Die drie dagen waren de gedenkwaardigste van mijn leven. Ik zal niet proberen de Meester te beschrijven; ik wil alleen zeggen dat ik met hart en ziel ervan overtuigd ben dat hij de Meester is, en het voor mij de grootste zegen in deze wereld is dat ik het voorrecht heb mogen smaken in zijn tegenwoordigheid te zijn en zijn heilige gelaat te aanschouwen . . . Zonder enige twijfel is 'Abbás Effendi de messias van deze tijd en deze generatie, en wij behoeven niet meer uit te zien naar een andere". In een andere brief heeft zij bovendien geschreven, "Ik moet zeggen dat hij het wonderbaarste wezen is dat ik ooit heb ontmoet of verwacht ooit nog te ontmoeten in deze wereld . . . De geestelijke sfeer die hem omgeeft en die op allen die het geluk hebben in zijn nabijheid te zijn een zeer sterke invloed heeft, is niet te beschrijven . . . Ik geloof met hart en ziel in hem en ik hoop dat iedereen die zich gelovig noemt, hem alle grootheid zal toekennen, alle heerlijkheid en eer, want hij is waarlijk de Zoon van God - en de geest van de Vader woont in hem".

Ook de bediende van mevrouw Hearst, Robert Turner, een neger, en de eerste van zijn ras die de Zaak van Bahá'u'lláh in het westen omhelsde, was in vervoering gebracht door de invloed die 'Abdu'l-Bahá tijdens die historische pelgrimstocht op iedereen uitoefende. Zijn geloof was zo sterk dat zelfs de latere vervreemding van zijn geliefde meesteres van de Zaak die zij zo spontaan had aanvaard, geen schaduw kon werpen op de luister ervan of iets kon afdoen aan de intensiteit van de gevoelens welke de liefderijke bejegening van 'Abdu'l-Bahá in zijn gemoed had doen ontwaken.

De terugkeer van deze door God geïnspireerde pelgrims, sommigen naar Frankrijk, anderen naar de Verenigde Staten, was het sein voor het losbarsten van stelselmatige en geleide activiteit die, naarmate de stuwkracht toenam en ze haar vertakkingen over West-Europa en de noord-amerikaanse staten uitbreidde, zo'n grote vlucht nam dat 'Abdu'l-Bahá besloot zelf een reis naar het westen te ondernemen zodra hij ontslagen werd uit zijn langdurige opsluiting in 'Akká. Niet uit de koers geslagen door de vernietigende crisis die de eerzucht van Dr. Khayru'lláh bij zijn terugkeer in december 1898 uit het Heilige Land had veroorzaakt; onverschrokken door de onrust die hij, samenwerkend met de aartsverbreker van het Verbond en zijn spionnen, had gezaaid; in verachting voor de aanvallen van hem en zijn mede-afvalligen evenals die van de christelijke geestelijken die steeds jaloerser werden op de stijgende macht en groeiende invloed van het Geloof; aangewakkerd door een onophoudelijke stroom pelgrims die de mondelinge boodschappen en speciale instructies van een waakzame Meester overbrachten; gesterkt door de ontboezemingen van zijn pen, neergelegd in ontelbare Tafelen, en onderricht door de successieve boodschappers en leraren die in zijn opdracht voor leiding, opbouw en consolidatie werden uitgezonden, bracht de gemeenschap van de amerikaanse gelovigen een reeks ondernemingen op gang die ongeveer tien jaar later door 'Abdu'l-Bahá zelf zouden worden gezegend en gestimuleerd en die slechts een voorspel waren van de ongeëvenaarde diensten die haar leden gedurende het vormende tijdperk van zijn Vaders Beschikking zouden verlenen.

Een van deze pelgrims, de al eerder genoemde May Bolles, was nog maar nauwelijks in Parijs teruggekeerd of het gelukte haar, overeenkomstig 'Abdu'l-Bahá'í s uitdrukkelijke instructies, in die stad de eerste Bahá'í kern op het europese continent te vormen. Deze kern werd kort na haar aankomst versterkt door de bekering van de verlichte Thomas Breakwell, de eerste engelse gelovige die door 'Abdu'l-Bahá'í vurige lofzang te zijner nadachtenis onsterfelijk werd gemaakt; door Hyppolitus Dreyfus, de eerste Fransman die het Geloof omhelsde, die door zijn geschriften, vertalingen, reizen en pioniersdiensten na verloop van jaren het werk kon consolideren waarmee men in zijn land was begonnen; tevens door Laura Barney, wier onvergankelijke dienst hieruit bestond dat zij de in de loop van een langere pelgrimstocht in het Heilige Land van 'Abdu'l-Bahá verkregen onschatbare uitleggingen over zeer verschillende onderwerpen in boekvorm bijeenbracht en aan het nageslacht heeft overgedragen onder de titel "Some Answered Questions". Drie jaar later, in 1902, verhuisde May Bolles, die intussen met een Canadees was getrouwd, naar Montreal, waar zij erin slaagde de fundering te leggen voor het Geloof in dat Dominion.

In Londen was mevrouw Thornburgh-Cropper als gevolg van de scheppende krachten, vrijgekomen door de onvergetelijke pelgrimstocht, in staat activiteiten te ontplooien die werden aangemoedigd en uitgebreid door de inspanningen van de eerste engelse gelovigen, en in het bijzonder door Ethel J. Rosenberg die in 1899 was bekeerd en hen in latere jaren in staat stelde aan de opbouw van hun bestuursinstellingen in Engeland te beginnen. Op het noordamerikaanse vasteland werd door de afvalligheid en de afbrekende publicaties van Dr. Khayru'lláh (waarbij hij werd aangemoedigd door Mírzá Muhammad-'Alí en zijn zoon Shu'á'u'lláh, die hij naar Amerika had gezonden) de trouw van de prille gemeenschap zwaar op de proef gesteld; maar 'Abdu'l-Bahá zond er achtereenvolgens verscheidene afgezanten heen (zoals Hájí 'Abdu'l-Karím-i-Tihrání, Hájí Mírzá Hasan-i-Khurásání, Mírzá Asadu'lláh en Mírzá Abu'l-Fadl), die er al spoedig in slaagden de gevoelens van twijfel bij de gelovigen weg te nemen en hun inzicht te verdiepen, de gemeenschap bijeen te houden en de kern te vormen voor de bestuursinstellingen die twintig jaar later, door de duidelijke voorzieningen in 'Abdu'l-Bahá'í Testament, nadrukkelijk werden vastgelegd. Reeds in 1899 was er in Kenosha een raad van zeven leden ingesteld, de voorloper van een reeks Raden die voor het einde van de eerste Bahá'í eeuw zich reeds van kust tot kust over het noordamerikaanse continent zou uitstrekken. In 1902 werd er in Chicago een Bahá'í Uitgeversgenootschap gevormd voor de verspreiding van de literatuur van een gestadig zich uitbreidende gemeenschap. In New York werd een Bahá'í Bulletin gelanceerd om de leringen van het Geloof te verspreiden. Het "Bahá'í News", een andere periodiek, zag daarna in Chicago het licht en groeide spoedig uit tot het tijdschrift "Star of the West". Men begon met grote ijver aan de vertaling van enkele van de belangrijkste werken van Bahá'u'lláh, zoals de Verborgen Woorden, de Kitáb-i-'Iqán, de Tafelen aan de Koningen en de Zeven Valleien, evenals de Tafelen van 'Abdu'l-Bahá, alsmede verscheidene verhandelingen en pamfletten van de hand van Mírzá Abu'l-Fadl en anderen. Er ontwikkelde zich een aanzienlijke correspondentie met verschillende centra in het oosten die gestadig in omvang en belangrijkheid groeide. Er werden korte beschrijvingen van de geschiedenis van het Geloof, boeken en pamfletten ter verdediging ervan geschreven, en artikelen voor de pers, verslagen over reizen en pelgrimstochten, lofzangen en gedichten werden eveneens gepubliceerd en overal verspreid.

Tegelijkertijd traden uit eigen beweging reizigers en leraren naar voren die triomfantelijk de stormen van beproeving hadden doorstaan die hun geliefde Zaak hadden dreigen weg te vagen, om de reeds opgerichte bolwerken van het Geloof te versterken en hun aantal uit te breiden. Er werden centra geopend in Washington, Boston, San Francisco, Los Angeles, Cleveland, Baltimore, Minneapolis, Buffalo, Rochester, Pittsburgh, Seattle, St. Paul en andere plaatsen. Onvervaarde pioniers gingen op weg om, door verre landen te bereizen of er zich te vestigen, vol enthousiasme het nieuw ontloken evangelie tot buiten hun landsgrenzen uit te dragen en zich in ondernemingen te begeven die het licht naar het hart van Europa, het Verre Oosten en zelfs naar de eilanden in de Stille Zuidzee brachten. Mason Remey reisde naar Rusland en Perzië en maakte later voor het eerst in de Bahá'í geschiedenis samen met Howard Struven een reis om de wereld waarbij hij Hawaii, Japan, China, India en Burma bezocht. Hooper Harris en Harlan Ober reisden niet minder dan zeven maanden door India en Burma waar zij Bombay, Poona, Lahore, Calcutta, Rangoon en Mandalay bezochten. Alma Knobloch die in Dr. K.E. Fisher's voetspoor volgde, hees de standaard van het Geloof in Duitsland en bracht het licht naar Oostenrijk. Dr. Susan I. Moody, Sydney Sprague, Lillian F. Kappes, Dr. Sarah Clock en Elizabeth Stewart verhuisden naar Tihrán om in samenwerking met de Bahá'í's van die stad de veelvoudige belangen van het Geloof te bevorderen. Sarah Farmer die al in 1894 in Green Acre in de staat Maine zomerconferenties had georganiseerd en een centrum had gesticht voor het bevorderen van eenheid en vriendschap tussen rassen en godsdiensten, stelde na haar pelgrimstocht naar Akká in 1900 dit conferentieoord ter beschikking van de volgelingen van het Geloof dat zij zelf kort daarvoor had omhelsd.

En tenslotte zij vermeld hoe de Bahá'í's van Chicago, geïnspireerd door het voorbeeld van hun medediscipelen in 'Ishqábád die reeds waren begonnen met de bouw van de eerste Mashriqu'l-Adhkár van de Bahá'í wereld, vol vuur waren in hun verlangen om op tastbare wijze hun trouw en toewijding te tonen. Nadat zij een verzoek tot 'Abdu'l-Bahá hadden gericht om een gebedshuis te mogen bouwen en zich hadden verzekerd van zijn onmiddellijke en geestdriftige goedkeuring die was vastgelegd in een Tafel van juni 1903, verenigden zij zich om, ondanks hun geringe aantal en hun beperkte middelen, een aanvang te maken met een onderneming die men moet zien als de grootste op zich zelf staande bijdrage die de Bahá'ís van Amerika, en eigenlijk van het gehele westen, tot nog toe aan de Zaak van Bahá'u'lláh hebben geleverd. De latere aanmoedigingen die 'Abdu'l-Bahá hun gaf en de bijdragen die door verscheidene Raden werden bijeengebracht, noopten de leden van deze Raad te besluiten afgevaardigden van hun medegelovigen uit verschillende delen van het land uit te nodigen in Chicago bijeen te komen om een begin te maken met de geweldige onderneming die zij zich hadden voorgesteld. Op 26 november 1907 benoemden de aanwezige afgevaardigden die voor dat doel bijeen waren gekomen, een comité van negen om een geschikte plaats uit te zoeken voor de op te richten tempel. Op 9 april 1908 was er een bedrag van tweeduizend dollar betaald voor de aankoop van twee stukken bouwgrond aan de rand van het Meer van Michigan. In maart 1909 werd er overeenkomstig van 'Abdu'l-Bahá verkregen instructies een conventie bijeen geroepen waarin verschillende Bahá'í centra waren vertegenwoordigd. De negenendertig gedelegeerden uit zesendertig steden, die in Chicago vergaderden op dezelfde dag dat de stoffelijke overblijfselen van de Báb door 'Abdu'l-Bahá ter ruste werden gelegd in een speciaal daarvoor op de berg Carmel gebouwd mausoleum, richtten een permanente nationale organisatie op, onder de naam "Bahá'í Temple Unity", die was geregistreerd als een religieus rechtspersoon, vallend onder de wetten van de staat Illinois en bevoegd het volle gezag uit te oefenen over het eigendomsrecht van de tempelgrond en de middelen voor de bouw ervan bijeen te brengen. Op deze zelfde conventie werden statuten opgesteld, werd de uitvoerende raad voor de "Bahá'í Temple Unity" gekozen die door de gedelegeerden werd geautoriseerd om de aankoop van de grond te voltooien, zoals op een voorafgaande vergadering was aanbevolen. Er kwamen bijdragen voor deze historische onderneming binnen uit India, Perzië, Turkije, Syrië, Palestina, Rusland, Engeland, Canada, Mexico, Hawaii en zelfs uit Mauritius, alsmede zeker zestig amerikaanse steden, tot een bedrag dat in 1910, twee jaar voor de aankomst van 'Abdu'I-Bahá in Amerika, reeds was opgelopen tot niet minder dan twintigduizend dollar. Dit was een opmerkelijk bewijs van de solidariteit van de volgelingen van Bahá'u'lláh in oost en west, en van de opofferingen die de amerikaanse gelovigen zich getroostten die, naarmate het werk vorderde, het overgrote deel van de bijdragen ten bedrage van meer dan een miljoen dollar ter beschikking stelden die nodig waren voor het optrekken van de tempelbouw en de versieringen aan de buitenkant.

HOOFDSTUK XVII
Hernieuwde gevangenzetting van 'Abdu'l-Bahá

De grootse daden die een heldhaftige en zwaar beproefde gemeenschap tot stand had gebracht, de eerste vruchten van Bahá'u'lláh's zojuist gevestigd Verbond in de westerse wereld, hadden een basis gelegd die indrukwekkend genoeg was om het aangewezen Middelpuntvan dat Verbond - hij die deze gemeenschap in het leven had geroepenen met eindeloos veel zorg en vooruitziende blik over haar ontluikende bestemming had gewaakt - voor een bezoek uit te nodigen. Maar 'Abdu'l-Bahá kon zijn gedenkwaardige reis naar de kusten van eencontinent, waar de opkomst en vestiging van zijn Vaders Geloof zich door zulke prachtige en blijvende successen onderscheidde, niet aanvangen voor en aleer hij de ernstige crisis die hem reeds verscheidene jaren in haar greep hield, te boven was gekomen.

Deze tweede grote crisis van buitenaf die tijdens zijn beleid nauwelijks minder hevig was dan die welke door de rebellie van Mírzá Muhammad-'Alí was aangesticht, bracht zijn leven in groot gevaar, beroofde hem gedurende een aantal jaren van de betrekkelijke vrijheid die hij had genoten, dompelde zijn gezin en de volgelingen van het Geloof in oost en west in diepe smart en ontmaskerde als nog nooit tevoren de laagheid en schanddaden van zijn meedogenloze tegenstanders. Deze crisis begon twee jaar na het vertrek van de eerste amerikaanse pelgrims uit het Heilige Land. Ze hield met afwisselende hevigheid meer dan zeven jaar aan en was rechtstreeks toe te schrijven aan de onophoudelijke intriges en afschuwelijke verkeerde voorstelling vanzaken van de aartsverbreker van Bahá'u'lláh's Verbond en zijn medeplichtigen.

Mírzá Muhammad-'Alí, verbitterd door zijn vernederende mislukking om een scheuring te veroorzaken waarop hij al zijn hoop had gevestigd; pijnlijk getroffen door het opmerkelijke succes dat de vaandeldragers van het Verbond ondanks zijn kuiperijen op het noordamerikaanse continent hadden behaald; aangemoedigd door het bestaan vaneen regime dat gedijde in een sfeer van intriges en achterdocht en waarvan een sluwe, hardvochtige potentaat het hoofd was; vast besloten ten volle iedere gelegenheid te baat te nemen kwaad te stichten bij de aankomst van westerse pelgrims in de vestinggevangenis 'Akká, en bij de aanvang van de bouw van het mausoleum van de Báb op de berg Carmel, slaagde hij erin, bijgestaan door zijn broeder Mírzá Badí'u'lláh en geholpen door zijn zwager Mírzá Majdi'd-Dín, door middel van naarstige en onophoudelijke inspanning de argwaan van de turkse regering en haar ambtenaren op te wekken, en hen ertoe aan te zetten aan 'Abdu'l-Bahá andermaal de opsluiting op te leggen waaronder hij al tijdens Bahá'u'lláh's leven zo smartelijk had geleden.

Juist deze broeder, de voornaamste medeplichtige van Mírzá Muhammad-'Alí, heeft in een schriftelijke, door hem zelf getekende, verzegelde en gepubliceerde bekentenis ter gelegenheid van zijn verzoening met 'Abdu'l-Bahá, getuigenis afgelegd van de verdorven samenzweringen die waren beraamd. Mírzá Badí'u'lláh schreef, "Wat ik van anderen heb gehoord zal ik niet noemen. Ik zal alleen weergeven wat ik met mijn eigen ogen heb gezien en wat ik uit zijn (Mírzá Muhammad-'Alí's) mond heb vernomen". Dan gaat hij verder met zijn relaas, "Het was door hem (Mírzá Muhammad-'Alí) gearrangeerd, dat Mírzá Majdi'd-Dín met een geschenk en een in het perzisch geschreven brief naar Nazim Páshá, de Válí (gouverneur) van Damascus werd gezonden, om zijn steun te vragen . . . Zoals hij (Mírzá Majdi'd-Dín)mij zelf in Haifa liet weten, liet hij niets onbeproefd om hem (de gouverneur) volledig op de hoogte te brengen van de bouwwerkzaamheden op de berg Carmel, van het komen en gaan van de amerikaanse gelovigen en van de bijeenkomsten die in 'Akká werden gehouden. Daar de Pasja graag alle feiten wilde weten, was hij uiterst vriendelijk tegen hem en verzekerde hem van zijn hulp. Een paar dagen na Mírzá Majdi'd-Dín's terugkeer, ontving men een codetelegram van de Verhevene Porte, dat het bevel van de Sultan overbracht om 'Abdu'l-Bahá, mijzelf en de anderen gevangen te zetten". Verder getuigt hij nog in datzelfde document, "In die dagen vertelde iemand die uit Damascus in 'Akká aankwam aan buitenstaanders, dat Nazim Páshá de oorzaak was geweest van de opsluiting van 'Abbas Effendi. Het vreemdste van alles is, dat Mírzá Muhammad-'Alí na zijn opsluiting aan Nazim Páshá eenbrief schreef met het doel, zijn eigen vrijlating te verkrijgen . . . De Pasja antwoordde echter met geen woord op de eerste noch op de tweede brief".

In 1901, op de vijfde dag van de maand Jamádíyu'l-Avval 1319 n.H. (20 augustus) werd 'Abdu'l-Bahá bij zijn terugkeer uit Bahjí, waar hij had deelgenomen aan de viering ter herdenking van de Verkondigingvan de Báb, tijdens een onderhoud met de gouverneur van 'Akká, op de hoogte gebracht van Sultan 'Abdu'l-Hamíd's instructies die behelsden, dat de beperking van bewegingsvrijheid, die langzaamaan wat was verminderd, wederom van kracht zou zijn en dat hij en zijn broeders zich slechts binnen de muren van de stad mochten ophouden. Aan het bevelschrift van de Sultan werd eerst streng de hand gehouden, de vrijheid van de in ballingschap levende gemeenschap werd ernstig beknot, terwijl 'Abdu'l-Bahá zich, alleen en zonder enige hulp, had te onderwerpen aan langdurige ondervragingen van rechters en regeringsambtenaren die verlangden dat hij verscheidene achtereenvolgende dagen in het regeringsgebouw aanwezig was voor hun onderzoek. Eenvan zijn eerste daden was om een goed woord te doen voor zijn broeders; deze waren onvoorwaardelijk door de gouverneur ontboden om de bevelen van de vorst aan te horen. Deze daad vermocht echter niet hunvijandige gezindheid te verzachten of hun boosaardige activiteiten te verminderen. Later slaagde hij erin door zijn bemiddeling bij de burgerlijke en militaire autoriteiten voor zijn volgelingen die in 'Akká woonden, de vrijheid te herkrijgen en hen in staat te stellen ongehinderd in hun levensonderhoud te voorzien.

De verbondsbrekers waren niet bevredigd door de maatregelen die de autoriteiten hadden genomen tegen hem die op zo grootmoedige wijze voor hen in de bres was gesprongen. Bijgestaan door de beruchte Yahyá Bey, de commissaris van politie, en andere burgerlijke en militaire ambtenaren die, als gevolg van hun beweringen de plaats hadden ingenomen van degenen die 'Abdu'l-Bahá vriendelijk hadden bejegend, en geholpen door geheime agenten die heen en weer reisden tussen 'Akká en Constantinopel en die zelfs met argusogen alles gadesloegen wat er in zijn huishouding omging, sloten zij zich aaneen om zijn ondergang te bewerkstelligen. Zij gaven met kwistige hand aan ambtenarengeschenken waaronder ook voorwerpen die aan Bahá'u'lláh hadden toebehoord, en boden schaamteloos aan hoog en laag steekpenningen aan, waarvoor zij in sommige gevallen het geld hadden verkregen uit de verkoop van bezittingen die met Hem in verband stonden, of door 'Abdu'l-Bahá aan enkelen van hen waren geschonken. Op geen enkelpunt verslapte hun inspanning en zij gingen meedogenloos voort met hun snode activiteiten, vast van plan geen steen op de andere te laten, voordat zij zijn terechtstelling voor elkaar hadden gekregen of zekerwaren van zijn deportatie naar een plaats, ver genoeg weg om hun de gelegenheid te geven de Zaak aan zijn handen te ontrukken. Bij verschillende gelegenheden benaderden zij de válí van Damascus, de muftí van Beirut, leden van de protestantse zending in Syrië en 'Akká, en zelfs de invloedrijke Shaykh Abu'l-Hudá in Constantinopel die bij de Sultan in even hoog aanzien stond als de grootvizier Hájí Mírzá Áqásí bij Muhammad Sháh, en deden een dringend beroep op hen om hun assistentie te verlenen bij de uitvoering van hun verfoeilijke plannen.

Door mondelinge boodschappen, formele mededelingen en persoonlijke gesprekken doordrongen de verbondsbrekers deze aanzienlijke personen van de noodzaak van onmiddellijke actie, waarbij zij listig hun argumenten aanpasten aan de speciale belangen en vooroordelen vanhen naar wier hulp zij dongen. Aan sommigen schilderden zij 'Abdu'l-Bahá af als een ongevoelige uitbuiter die hun rechten met voeten had getreden, hen van hun rechtmatig erfdeel had beroofd, hen tot armoede had gebracht, hun vrienden in Perzië tegen hen had opgezet, die voor zichzelf een enorm fortuin bijeen had gegaard en niet minder dan tweederde van de grond in Haifa had verworven. Tegenover anderen verklaarden zij dat 'Abdu'l-Bahá overwoog om van 'Akká en Haifa een nieuw Mecca en Medina te maken. En tegen weer anderen beweerden zij met grote stelligheid dat Bahá'u'lláh niets anders was geweest dan een in afzondering levende dervish die het islamitische Geloof beleed en uit droeg, die Zijn zoon 'Abbas Effendi om der wille van zelfverheerlijking had verheven tot de rang van godheid, terwijl hij zichzelf uitriep tot de Zoon van God en de wederkomst van Jezus Christus. Verder beschuldigden zij hem ervan plannen te koesteren die schadelijk waren voor de belangen van de staat, een opstand te overwegen tegen de Sultan, reeds de banier van Yá Bahá'u'l-Abhá, het teken van oproer, te hebben gehesen in verafgelegen dorpen in Palestina en Syrië, in het geheim een leger van dertigduizend man op de been te hebben gebracht, bezig te zijn op de berg Carmel een vesting en een uitgebreid munitiedepôt te bouwen, zich te hebben verzekerd van de morele en materiële steun van een menigte engelse en amerikaanse vrienden, waaronder zich officieren van buitenlandse mogendheden bevonden die in groten getale en in vermomming het land binnenkwamen om hem hun hulde te betuigen, en reeds samen met hen zijn plannen te hebben uitgestippeld voor de onderwerping van de naburige provincies ter verdrijving van de heersende gezagdragers, en om tenslotte de macht over te nemen van de Sultan. Door hun valse voorstelling van zaken en omkoperij lukte het hun, bepaalde mensen zover te krijgen als getuige hun handtekening te zetten onder de documenten die zij hadden opgesteld en die zij via hunagenten aan de Verhevene Porte zonden.

Zulke ernstige beschuldigingen, vervat in talrijke rapporten, konden niet nalaten de despoot die reeds bezeten was door de angst voor een ophanden zijnde opstand onder zijn onderdanen, diep te verontrusten. Dienovereenkomstig werd een commissie benoemd om de zaak te onderzoeken en verslag van de naspeuringen uit te brengen. 'Abdu'l-Bahá weerlegde zorgvuldig en onbevreesd alle tegen hem ingebrachte beschuldigingen, toen hij bij verschillende gelegenheden werd opgeroepen om voor het hof te verschijnen. Hij zette uiteen hoe absurd de beschuldigingen waren, maakte de leden van de commissie, ter ondersteuningvan zijn argumentatie, bekend met de bepalingen in Bahá'u'lláh's Testament, gaf uitdrukking aan zijn bereidheid zich neer te leggen bij iedere uitspraak die het hof over hem mocht doen en verzekerde op indrukwekkende wijze dat, indien zij hem in boeien sloegen, hem door de straten sleurden, hem hoonden en bespotten, hem stenigden en bespuwden, hem in het openbaar ophingen en hem met kogels doorzeefden, hij dit alles als een buitengewone eer zou beschouwen, daar hij dan in het voetspoor zou treden en het lijden zou delen van zijn geliefde Leider, de Báb.

De ernst van de situatie, waarmee 'Abdu'l-Bahá werd geconfronteerd; de geruchten die in omloop waren gebracht door een bevolking die de ergste ontwikkelingen verwachtte; de wenken en toespelingen op de hem bedreigende gevaren waarvan de in Egypte en Syrië verschijnende kranten melding maakten; de agressieve houding die zijn vijanden in steeds toenemende mate aannamen en het provocerende optreden van enkele inwoners van 'Akká en Haifa die moed hadden gekregen door de voorspellingen en verzinsels van deze vijanden, met betrekking tot het lot dat een verdachte gemeenschap en haar leider wachtte, bracht hem ertoe het aantal pelgrims te verminderen en zelfs hun bezoekenvoor enige tijd geheel af te gelasten, en speciale instructies te geven, dat zijn post via een agent in Egypte werd behandeld in plaats van in Haifa; een tijdlang gaf hij opdracht die daar tot nader aankondiging vast te houden. Hij droeg bovendien de gelovigen, alsook zijn eigen secretarissen op, alle Bahá'í geschriften die zij in hun bezit mochten hebben, te verzamelen en naar een veilige plaats over te brengen en, terwijl hij erbij hen op aandrong naar Egypte te verhuizen, verbood hij hun zelfs in zijn huis bijeen te komen, zoals ze gewend waren te doen. Zelfs zijn talloze vrienden en bewonderaars zagen in deze uiterst woelige dagen ervan af hem te bezoeken, uit angst in moeilijkheden te geraken en zich de verdenking van de autoriteiten op de hals te halen. Op bepaalde dagen en nachten, toen de vooruitzichten het somberst waren, was het huiswaar in hij woonde en dat vele jaren een brandpunt van activiteiten was geweest, volledig verlaten. Spionnen hielden zowel heimelijk als openlijk de wacht, sloegen iedere beweging van hem gade en beperkten de bewegingsvrijheid van zijn gezin.

Hij weigerde echter de bouw van het mausoleum van de Báb, waarvoor hij de eerste steen had gelegd op het terrein dat door Bahá'u'lláh was gezegend en uitgekozen, te staken of zelfs voor een korte tijd te onderbreken. Ook stond hij niet toe dat enige hindernis, hoe ontzagwekkend ook, de dagelijkse stroom Tafelen zou indammen, die met verbazende snelheid in steeds grotere getale uit zijn onvermoeibare pen vloeiden, in antwoord op de zeer vele brieven, verslagen, verzoeken om inlichtingen, gebeden, geloofsverklaringen, apologieën en lofspraken die hij van ontelbare volgelingen en bewonderaars uit oost en west ontving. Ooggetuigen hebben verklaard, dat zij hem in die roerige en gevaarlijke periode van zijn leven met eigen hand niet minder dan negentig Tafelen op een dag hebben zien schrijven en dat hij nachten achtereen, van de avondschemering tot zonsopgang, alleen in zijn slaapkamer doorbracht met het afhandelen van een correspondentie die hij door de druk van zijn veelvoudige verantwoordelijkheden niet had kunnen afdoen.

In deze veelbewogen dagen, de meest dramatische periode van zijn beleid, toen hij in de bloei van zijn leven was en op het toppunt van zijn kracht, begon hij met onuitputtelijke energie, wonderbaarlijke innerlijke rust en onwrikbaar vertrouwen aan de veelzijdige ondernemingen die verband hielden met dat beleid en voerde ze onweerstaanbaar uit. In deze dagen groeide bij hem het plan voor de eerste Mashriqu'l-Adhkár van de Bahá'í wereld en werd de bouw ervan door zijn volgelingen in 'Ishqábád in Turkistán ondernomen. Hij gaf in deze tijd, ondanks de opschuddingen in zijn geboorteland, instructies voor de restauratie van het heilige en historische Huis van de Báb in Shíráz. In deze dagen werden voornamelijk door zijn voortdurende aanmoediging de eerste voorbereidingen getroffen voor de eerste steenlegging die hij in later jaren eigenhandig verrichtte, toen hij het terrein van de moedertempel in het westen aan de oever van het Meer van Michigan bezocht. Op dit belangrijke punt in zijn leven werd de compilatie van zijn tafelgesprekken onder de titel "Some Answered Questions" uitgegeven, gesprekken die waren gehouden in de korte tijd die hij daaraan kon besteden en waarin hij bepaalde fundamentele aspecten van zijn Vaders Geloof verduidelijkte, traditionele en rationele bewijzen voor de deugdelijkheid ervan aanvoerde en een grote verscheidenheid van onderwerpen aangaande de christelijke Beschikking, de Profeten Gods, bijbelse voorspellingen, de oorsprong en de staat van de mens en andere aanverwante thema's met gezag uitlegde.

Gedurende de donkerste uren in deze periode verkondigde 'Abdu'l-Bahá in een mededeling aan de neef van de Báb, de eerbiedwaardige Hájí Mírzá Muhammad-Taqí, de voornaamste bouwer van de tempel in 'Ishqábád, in bewogen bewoordingen de onmetelijke grootheid van de

Openbaring van Bahá'u'lláh, liet waarschuwingen horen welke de onrust voorspelde, die haar vijanden zowel dichtbij als veraf zouden doen uitbreken in de wereld en voorzegde in treffende woorden het overwicht dat de toortsdragers van het Verbond uiteindelijk over hen zouden verkrijgen. In een uur van grote ongewisheid tijdens diezelfde periodeschreef hij zijn Testament, dat onsterfelijke document waarin hij de hoofdlijnen van het Bestuursstelsel omschreef, dat na zijn heengaan inwerking zou treden en de vestiging van die Wereldorde zou inluiden waarvan de Báb reeds de komst had aangekondigd en waarvan Ba-há'u'lláh reeds de wetten en grondbeginselen had geformuleerd. In de loop van deze woelige jaren bracht hij, met behulp van de voorlopers en voorvechters van een hecht gevestigd Verbond, de embryonale instellingen op bestuurlijk, geestelijk en opvoedkundig gebied tot ontwikkeling van een Geloof, dat zich gestadig uitbreidde: in Perzië (de bakermatvan dat Geloof), in de grote Republiek van het westen (de bakermat van het Bestuursstelsel), in het Dominion Canada, in Frankrijk, Engeland, Duitsland, Egypte, Irak, Rusland, India, Burma, Japan en zelfs op de afgelegen eilanden in de Stille Zuidzee. In deze veelbewogen tijden werd door hem een zeer krachtige stoot gegeven tot de vertaling, de publicatie en verspreiding van Bahá'í literatuur die nu een verscheidenheid aan boeken en verhandelingen in het perzisch, arabisch, engels, turks, frans, duits, russisch en burmees omvatte. Telkens wanneer er in die dagen een tijdelijke stilte intrad in de storm die om hem heen woedde, verzamelden zich aan zijn tafel pelgrims, vrienden en zoekers uit de meeste der reeds eerder genoemde landen die representatief waren voor het christelijke, het islamitische, het joodse, het zoroastrische, het hindoe en het boeddhistische geloof. Aan de behoeftigen die zich voor zijn deur verdrongen en die iedere vrijdagochtend de binnenplaats van zijn huis vulden, placht hij alle gevaren die hem omringden ten spijt, eigenhandig aalmoezen uit te delen met een regelmaat en gulheid die hem de titel "vader van de armen" bezorgde. Niets kon in deze stormachtige dagen zijn vertrouwen schokken, niets vermocht zijn dienstbetoon aan de behoeftigen, de wezen, de zieken en de vertrapten te verstoren, niets kon hem ervan weerhouden in eigen persoon die mensen te bezoeken, die Of niet in staat òf te beschaamd waren om zijn hulp in te roepen. Onvermurwbaar in zijn vaste voornemen het voorbeeld van de Báb en Bahá'u'lláh te volgen, kon niets hem ertoe bewegen aan zijn vijanden te ontvluchten, of uit zijn gevangenschap te ontsnappen, noch de raad te volgen die de leiders van de ballingengemeenschap in 'Akká hem gaven, noch de dringende verzoeken van de spaanse consul - een familielid van de agent van een italiaanse stoombootmaatschappij - die, uit liefde voor 'Abdu'l-Bahá en in zijn verlangen het dreigende gevaar af te wenden, hem zelfs een italiaanse vrachtboot ter beschikking wilde stellen, die klaar lag om hem een veilige overtocht te verschaffen naar iedere buitenlandse haven die hij maar wenste.

'Abdu'l-Bahá was zo onverstoorbaar gelijkmoedig dat men hem, terwijl er geruchten de ronde deden dat hij in zee geworpen, naar Fízán in Tripolitanië1 verbannen of aan de galg gehangen zou worden, tot verbazing van zijn vrienden en tot vermaak van zijn vijanden, bezig kon zien met het planten van bomen en wijnstokken in de tuin van zijn huis, waarvan hij, toen de storm voorbij was, de vruchten door zijn getrouwe tuinman Ismá'íl Áqá liet plukken en ze aan dezelfde vrienden en vijanden aanbood, wanneer zij hem kwamen bezoeken.

In het begin van de winter van 1907 werd plotseling in opdracht van de Sultan nog een commissie van vier officieren, met aan het hoofd 'Árif Bey en bekleed met volledige volmacht, naar 'Akká gestuurd. Een paar dagen voor haar aankomst had 'Abdu'l-Bahá een droom die hij aan de gelovigen vertelde; daarin had hij een schip gezien, dat het anker op de rede van 'Akká liet vallen; waaruit een paar vogels opvlogen die opstaven dynamiet leken en die, toen hij zich temidden van een menigte angstige inwoners van die stad bevond, om zijn hoofd cirkelden en naar het schip terugkeerden zonder te ontploffen.

Nog maar nauwelijks waren de leden van de commissie geland of zij plaatsten de post- en telegraafdiensten in 'Akká onder hun directe beheer, ontsloegen naar willekeur ambtenaren van wie zij vermoedden dat zij op vriendschappelijke voet stonden met 'Abdu'l-Bahá, waaronder ook de gouverneur van de stad; legden een geheime, directe verbinding aan met de regering in Constantinopel; namen hun intrek in de huizen van buren en intieme medewerkers van de verbondsbrekers; stelden bewakers aan bij het huis van 'Abdu'l-Bahá om te voorkomen, dat iemand hem bezocht; en gingen op vreemde wijze te werk door juist die mensen, waaronder zich Christenen, Moslems, oosterlingen en westerlingen bevonden, als getuigen op te roepen, die vroeger de documenten hadden ondertekend die naar Constantinopel waren doorgezondenen die zij hadden meegebracht voor hun onderzoek. De bedrijvigheid van de verbondsbrekers en in het bijzonder van Mírzá Muhammad-'Alí die nu juichte en hoopvol was gestemd, bereikte in dit uitzonderlijk kritieke uur het hoogtepunt. Bezoeken, gesprekkenen gastvrije onthalen waren aan de orde van de dag, in een sfeer vankoortsachtige verwachting, nu de overwinning nabij leek te zijn. Vele van de lage elementen onder de bevolking werden in de waan gebracht, dat zij zeer spoedig de hand konden leggen op de bezittingen die zouden worden achtergelaten door de gedeporteerde ballingen. Beledigingenen schandelijke laster namen hand over hand toe. Zelfs onder de armen die zolang met milde hand door 'Abdu'l-Bahá waren gesteund, waren er enkelen die hem verloochenden uit angst voor weerwraak.

Gedurende de tijd, dat de leden van de commissie zich bezig hielden met hun zogenaamde onderzoekingen en gedurende hun ganse verblijfvan ongeveer een maand in 'Akká, weigerde 'Abdu'l-Bahá stelselmatig hen te ontmoeten of iets met hen van doen te hebben, ondanks de bedekte dreigementen en waarschuwingen die zij hem door een bode overbrachten: een houding die hen zeer verraste, hun vijandige gezindheid aanwakkerde en hen in hun voornemen sterkte hun snode plannen ten uitvoer te brengen. Ofschoon de gevaren en beproevingen die hem omgaven nu op hun ergst waren; ofschoon het schip waarop hij zich met de leden van de commissie zou moeten inschepen nu eens in 'Akká en dan weer in Haifa voor vertrek gereed lag, en de wildste geruchten over hem de ronde deden, bleef de kalmte die hij vanaf zijn hernieuwde gevangenzetting onafgebroken had bewaard, onaangetast, en zijn vertrouwen ongeschokt. Aan de gelovigen die zich nog in 'Akká bevonden vertelde hij in die tijd, "De betekenis van de droom die ik had, is nu helder en duidelijk. Zo God wil zal het dynamiet niet ontploffen".

Intussen waren de leden van de commissie op een zekere vrijdag naar Haifa gegaan en hadden daar het mausoleum van de Báb op de berg Carmel geïnspecteerd, waarvan de bouw zonder enige onderbreking was voortgezet. Onder de indruk gekomen van de hechtheid en de afmetingen ervan, hadden zij bij een van de opzichters gevraagd naar het aantalgen ervan, hadden Zij keldergewelven, dat onder die massieve structuur was gebouwd.

Kort na deze inspectietocht werd men op een dag tegen zonsondergang plotseling gewaar dat het schip dat buiten Haifa op de rede had gelegen, het anker had gelicht en koers zette naar 'Akká. Het nieuws dat de leden van de commissie zich aan boord bevonden, verspreidde zich als een lopend vuurtje onder de opgewonden bevolking. Men verwachtte, dat het lang genoeg in 'Akká zou aanleggen om 'Abdu'l-Bahá aanboord te nemen, om daarna zijn bestemming te volgen. Toen de ledenvan zijn familie op de hoogte werden gesteld van de nadering van het schip, werden zij overmand door ontsteltenis en angst. De paar gelovigen die nog over waren, weenden bittere tranen over de op handenzijnde scheiding van hun Meester. Op dit tragische moment kon men 'Abdu'l-Bahá, in stilzwijgen gehuld en geheel alleen, op de binnenplaatsvan zijn huis heen en weer zien lopen.

Toen de duisternis inviel, merkte men plotseling op, dat de lichten van het schip de andere kant uitschenen en dat het vaartuig van koers was veranderd. Het werd nu duidelijk dat het rechtstreeks naar Constantinopel voer. Dit nieuws werd onmiddellijk aan 'Abdu'l-Bahá overgebracht, die nog steeds in de dichter wordende duisternis op zijn binnenplaats heen en weer liep. Enkele gelovigen die zich op verschillende punten hadden opgesteld om het vertrek van het schip gade te slaan, kwamen aanhollen om de blijde tijding te bevestigen. Een van de afschuwelijkste gevaren die ooit 'Abdu'l-Bahá'í kostbare leven hadden bedreigd, was op die historische dag plotseling definitief door de Voorzienigheid afgewend.

Kort na dit overhaaste en volkomen onverwachte vertrek van het schip kwam het nieuws binnen, dat er een bom was ontploft op de weg waarlangs de Sultan naar zijn paleis terugkeerde uit de moskee, waar hij zijn vrijdagse gebeden had gezegd.

Een paar dagen na deze aanslag op zijn leven bracht de commissie verslag aan hem uit; maar de Sultan en zijn regering waren te zeer in beslag genomen om aandacht te schenken aan deze zaak. Het geval werd terzijde gelegd en toen het een paar maanden later weer werd opgebracht, werd het abrupt en voor altijd afgedaan door een gebeurtenis, die eens en voor al de gevangene van 'Akká buiten de machtssfeer van zijn koninklijke vijand plaatste. De revolutie van de "Jong Turken" die in 1908 in snel tempo uitbrak en niet meer te stuiten viel, dwong een weerstrevende despoot de grondwet die hij tijdelijk buiten werking had gesteld, weer af te kondigen en alle religieuze en politieke gevangenen van het oude regime vrij te laten. Zelfs toen moest men nog een telegram naar Constantinopel zenden om uitdrukkelijk te vragen of 'Abdu'l-Bahá ook behoorde tot deze categorie gevangenen, waarop prompt een bevestigend antwoord kwam.

Binnen een paar maanden, in 1909, verkregen de Jong Turken van de Shaykhu'I-Islám de veroordeling van de Sultan die, als gevolg van verdere pogingen de grondwet af te schaffen, tenslotte op oneervolle wijze afgezet, gedeporteerd en tot staatsgevangene werd gemaakt. Op een enkele dag in dat jaar werden niet minder dan eenendertig leidinggevende ministers, pasja's en ambtenaren, waaronder beruchte vijanden van het Geloof, terechtgesteld. Tripolitanië, het land waarheen men 'Abdu'l-Bahá had willen verbannen, werd vervolgens door Italië aan de Turken ontrukt, Zo eindigde de heerschappij van de " grote moordenaar", " de laagste, sluwste, onbetrouwbaarste en wreedste intrigant in de langdurige dynastie van 'Uthmán", een heerschappij die "rampzaliger was, door haar rechtstreekse verliezen aan grondgebied en de zekerheid dat daarop verdere zouden volgen en nog opvallender door de ontaarding van de toestand van zijn onderdanen, groter dan die onder enig ander van zijn drieëntwintig gedegenereerde voorgangers sinds de dood van Sulaymán de Luisterrijke".

HOOFDSTUK XVIII

De bijzetting van de stoffelijke resten van de Báb op de berg Carmel

'Abdu'l-Bahá'í onverwachte en plotselinge vrijlating uit zijn veertig jaar lange opsluiting bracht een gevoelige slag toe aan de eerzuchtige plannen van de verbondsbrekers en was even vernietigend als die, welke tien jaar tevoren hun verwachtingen de bodem had ingeslagen, toen zij hadden getracht zijn gezag te ondermijnen en hem uit zijn van God gekregen positie te verdringen. En nu, op de dag na zijn triomfantelijke bevrijding kregen zij een derde klap, even verpletterend en nauwelijks minder spectaculair dan die welke eraan vooraf waren gegaan. Binnen een paar maanden nadat het historische decreet hem de vrijheid had hergeven en in het jaar van Sultan 'Abdu'l-Hamíd's val, stelde diezelfde macht uit den hoge, welke 'Abdu'l-Bahá in staat had gesteld de hem goddelijk verleende rechten ongeschonden te bewaren, zijn Vaders Geloof in Noord-Amerika te vestigen, en over zijn koninklijke onderdrukker te zegevieren, hem in staat een van de glansrijkste daden tijdens zijn beleid uit te voeren: het overbrengen van de stoffelijke resten van de Báb uit hun geheime schuilplaats in Tihrán naar de berg Carmel. Hij getuigde zelf bij meer dan een gelegenheid, dat de veilige overbrenging van deze stoffelijke overblijfselen, de bouw van een passend mausoleum om ze in ter ruste te leggen en tenslotte de door hem eigenhandig uitgevoerde bijzetting in hun permanente rustplaats, deel uitmaakten van een van de drie voornaamste objecten, waarvan hij de uitvoering vanaf het allereerste begin van zijn opdracht als zijn hoogste plicht had beschouwd. Deze daad verdient met recht te worden gerangschikt onder de allerbelangrijkste gebeurtenissen van de eerste Bahá'í eeuw.

Zoals reeds in een vorig hoofdstuk werd opgemerkt, werden de verminkte lijken van de Báb en Zijn medemartelaar Mírzá Muhammad-'Alí in het holst van de tweede nacht na hun executie door de tussenkomst van de toegewijde Hájí Sulaymán Khán van de kant van de gracht waar ze waren neergeworpen, overgebracht naar een zijdefabriek die het eigendom was van een van de gelovigen uit Mílán en de volgende dag in een houten kist gelegd en vandaar naar een veilige plaats gebracht. Daarna werden ze ingevolge Bahá'u'lláh's instructies naar Tihrán vervoerd en in het heiligdom van Imám-Zádih Hasan geplaatst. Later werden ze overgebracht naar de woonstee van Hájí Sulaymán Khán zelf, in de wijk Sar-Chashmih, en van zijn huis weer naar het heiligdom van lmám-Zádih Ma'súm vervoerd, waar ze verborgen bleven tot het jaar 1284 n.H., (1867-1868) toen Bahá'u'lláh, in een Tafel die Hij in Adrianopel openbaarde, aan Mullá 'Alí-Akbar-i-Shahmírzádí en Jamál-i-Burújirdí opdroeg ze zonder uitstel over te brengen naar een andere plaats, een opdracht, die met het oog op de uit te voeren verbouwing van dat heiligdom van een vooruitziende blik bleek te getuigen.

Niet in staat een geschikte plek in de voorstad van Sháh 'Abdu'l-'Azím te vinden, zetten Mullá 'Alí-Akbar en zijn metgezel hun speurtocht voort totdat zij op de weg naar Chashmih-'Alí op de verlaten en bouwvallige Masjid-i-Mashá'u'lláh stuitten, waar zij na het invallen van de duisternis hun kostbare last in een van de muren plaatsten, nadat zij eerst de stoffelijke overblijfselen opnieuw in een zijden lijkwade hadden gewikkeld, die zij voor dat doel hadden meegebracht. Toen zij de volgende dag tot hun schrik bemerkten dat de schuilplaats was ontdekt, droegen zij de kist in het diepste geheim door de stadspoort rechtstreeks naar het huis van Mírzá Hasan-i-Vazír, een gelovige en een schoonzoon van Hájí Mírzá Siyyid 'Alíy-i-Tafríshi, de Majdu'l-Ashráf, waar de kist ruim veertien maanden bleef. Toen het lang bewaarde geheim van de verblijfplaats van de stoffelijke resten aan de gelovigen bekend werd, ging men in zo groten getale het huis bezoeken, dat Mullá 'Alí-Akbar aan Bahá'u'lláh bericht moest sturen, waarin hij Hem smeekte richtlijnen in deze zaak te geven. Hájí Sháh Muhammad-i-Manshádí, bijgenaamd Amínu'l-Bayán, werd dienovereenkomstig aangewezen het Pand van hem over te nemen en hem werd opgedragen de grootste geheimhouding te betrachten over de plaats waar het heen gebracht zou worden.

Geassisteerd door een andere gelovige begroef Hájí Sháh Muhammad de kist onder de vloer van het binnenste heiligdom van de tempel van Imám-Zádih Zayd, waar hij onontdekt bleef totdat Mírzá Asadu'lláh-i-Isfáhání op de hoogte kwam van de juiste ligging door een plattegrond, die Bahá'u'lláh hem toestuurde. Toen Bahá'u'lláh hem opdroeg de kist ergens anders te verbergen, bracht hij de stoffelijke resten eerst over naar zijn eigen huis in Tihrán, waarna ze op verscheidene andere plaatsen werden bewaard, zoals in het huis van Husayn-'Alíy-i-lsfáhání en dat van Muhammad-Karím-i-'Attár, waar ze verborgen bleven tot het jaar 1316 n.H. ( 1899). Toen bracht de reeds ge- , noemde Mírzá Asadu'lláh ze tezamen met een aantal andere gelovigen, ingevolge aanwijzingen die 'Abdu'l-Bahá had gegeven, over naar Beirut via lsfáhán, Kirmánsháh, Bághdád en Damascus, en van daar over zee naar 'Akká, waar ze op hun bestemming aankwamen op de 19e van de maand Ramadán in 1316 n.H. (31 januari 1899), vijftig maanjaren nadat de Báb in Tabríz was terechtgesteld.

In hetzelfde jaar dat dit kostbare Pand de kust van het Heilige Land bereikte en aan ' Abdu'l-Bahá werd overgedragen, reed hij in gezelschap van Dr. Ibráhím Khayru'lláh, die hij reeds had vereerd met de titels "Petrus van Bahá", "de tweede Columbus" en "veroveraar van Amerika", naar de onlangs aangekochte plaats die door Bahá'u'lláh was gezegend en uitgezocht op de berg Carmel en legde daar eigenhandig de eerste steen voor de graftombe, met de bouw waarvan hij een paar maanden later zou beginnen. Ongeveer terzelfder tijd werd de marmeren sarcofaag, die de Bahá'í's van Rangoon als bewijs van hun liefde hadden ontworpen om het lichaam van de Báb in te leggen, op aanraden van 'Abdu'l-Bahá voltooid en naar Haifa verscheept.

Het zal niet nodig zijn lang stil te staan bij de en hoofdbrekens die 'Abdu'l-Bahá ongeveer tien jaar lang bezighielden tot aan het glorieuze uur waarop hij de historische taak die zijn Vader hem had toevertrouwd, tenslotte kon voleinden. De risico's en gevaren, waaraan Bahá'u'lláh en later Zijn zoon gedurende een halve eeuw het hoofd boden bij hun pogingen om de veiligheid van die stoffelijke resten te waarborgen, waren nog maar een voorproef van de ernstige gevaren die het Middelpunt van het Verbond naderhand onder ogen moest zien tijdens het optrekken van het gebouw, dat bestemd was deze stoffelijke resten te bergen, en eigenlijk tot het moment dat hij vrijgelaten uit zijn opsluiting.

Daar waren de eindeloze onderhandelingen met een listige en berekenende eigenaar van het terrein voor het heilige gebouw, die het onder de invloed van de verbondsbrekers lange tijd weigerde te verkopen; de uitzonderlijk hoge prijs die hij in eerste instantie bedong voor de aanleg van een weg die naar dat terrein leidde en die onmisbaar was voor de uitvoering van de bouw; de eindeloze bezwaren die hoge en lage ambtenaren aanvoerden herhaalde uitleggingen en verzekeringen van 'Abdu'l-Bahá zelf uit de weg moesten worden geruimd; de gevaarlijke situatie die ontstond door de monsterlijke beschuldigingen van Mírzá Muhammad-'Alí en zijn bondgenoten aangaande de aard en het doel van dat gebouw; het uitstel en de complicaties veroorzaakt door 'Abdu'l-Bahá'í langdurige en gedwongen afwezigheid uit Haifa tengevolge waarvan hij niet in staat was persoonlijk toezicht te houden op het enorme werk dat hij had aangevangen - dit waren de belangrijkste hindernissen, die hij in deze kritieke periode tijdens zijn beleid het hoofd moest bieden voor hij het plan in zijn totaliteit ten uitvoer kon brengen, waarvan Bahá'u'lláh hem de grote lijnen had aangegeven tijdens een van Zijn bezoeken aan de berg Carmel.

Vele malen hoorde men Hem zeggen, "Iedere steen van dat gebouw, iedere steen van de weg die erheen leidt, heb ik met oneindig veel tranen en ontzaglijk veel kosten opgenomen en op zijn plaats gezet". Eens merkte hij volgens een ooggetuige op, "Op een nacht voelde ik mij zo beklemd door mijn zorgen, dat ik geen andere toevlucht had dan het zeggen en steeds maar herhalen van een gebed van de Báb dat ik in mijn bezit had, waarvan het hardop uitspreken mij zeer veel rust gaf. De volgende dag kwam de eigenaar van het terrein zelf naar mij toe, maakte zijn verontschuldigingen en verzocht mij zijn grond te kopen".

Tenslotte bracht 'Abdu'l-Bahá zijn onderneming ondanks de onafgebroken kuiperijen van interne en externe vijanden, in hetzelfde jaar dat zijn vorstelijke tegenstander zijn troon verloor en op het tijdstip van de opening van de eerste amerikaanse Bahá'í Conventie die in Chicago werd gehouden met het doel een permanente nationale organisatie in het leven te roepen voor de bouw van de Mashriqu'l-Adhkár, tot een succesvol einde. Op de 28e van de maand Safar 1327 n.H., de dag van de eerste Naw-Rúz (in 1909), die hij na zijn vrijlating uit de gevangenschap vierde, liet 'Abdu'l-Bahá de marmeren sarcofaag met veel moeite overbrengen naar de grafkelder die daarvoor was gemaakt, en plaatste hij er 's avonds bij het licht van een enkele lamp met eigen handen en in aanwezigheid van gelovigen uit het oosten en het westen op plechtige en ontroerende wijze de houten kist in, die de heilige stoffelijke resten van de Báb en Zijn lotgenoot bevatte.

Toen alles was volbracht en de stoffelijke overblijfselen van de Martelaar-Profeet van Shíráz ten langen leste veilig aan het hart van Gods heilige berg waren toevertrouwd om er eeuwige rust te vinden, zette 'Abdu'l-Bahá zijn tulband af, deed zijn schoenen uit en wierp zijn overkleed af; hij boog zich heel diep over de nog open sarcofaag, waarbij zijn zilveren haar om zijn hoofd golfde, en liet met een verheerlijkt en stralend gelaat zijn voorhoofd op de rand van de houten kist rusten; toen weende hij zo hartverscheurend, dat alle aanwezigen met hem weenden. Die nacht kon hij, overweldigd door alle emoties, niet slapen.

Later schreef hij in een Tafel, waarin hij zijn volgelingen in kennis stelde van het nieuws van deze glorieuze overwinning, "De vreugdevolle tijding is deze: dat het heilige, het stralende lichaam van de Báb . . . nadat het zestig jaar lang van plaats naar plaats was overgebracht, doordat de vijand de overhand had en uit angst voor de kwaadwilligen, en nadat het nimmer enige rust had gekend, nu door de barmhartigheid van de 'Abhá Schoonheid op de dag van Naw-Rúz plechtig in zijn geheiligde kist in de verheven graftombe op de berg Carmel ter ruste is gelegd . . . Door een wonderlijke samenloop van omstandigheden werd op die Naw-Rúz dag een telegram uit Chicago ontvangen, waarin stond dat de gelovigen uit elk van de amerikaanse centra een gedelegeerde hadden gekozen en naar deze stad hadden gezonden . . . en definitief overeenstemming hadden bereikt over de plaats van de te bouwen Mashriqu'l-Adhkár".

Met het overbrengen naar de berg Carmel van de stoffelijke resten van de Báb - Wiens komst de wederkeer van de profeet Elía betekent - en de bijzetting op die heilige berg, niet ver van de grot van genoemde profeet, was tenslotte het heerlijke, door Bahá'u'lláh in Zijn levensavond voorziene plan ten uitvoer gebracht en de zware taak die zo nauw °° was verweven met de eerste rumoerige jaren van het beleid van het aangewezen Middelpunt van Zijn Verbond, met onvergankelijk succes bekroond. Er was nu voor altijd een brandpunt van goddelijke verlichting en kracht waarvan, volgens 'Abdu'l-Bahá zelf, het stof niet onderdeed voor enig heiligdom in de Bahá'í wereld, behalve het graf van de Auteur van de Bahá'í Openbaring, op die berg gevestigd, een berg die sinds mensenheugenis als heilig was beschouwd. Deze graftombe van de Báb, tegelijk massief, eenvoudig en indrukwekkend, verborgen in het hart van de Carmel, de "Wijngaard van God"; aan de westzijde geflankeerd door de grot van Elía en aan de oostzijde door de heuvels van Galilea; met in de rug de vlakte van Sharon en gelegen tegenover de zilveren stad 'Akká en daarachter het Heiligste Graf, het Hart en de Qiblih van de Bahá'í wereld; zich beschermend uitstrekkend boven de kolonie van duitse Tempeliers die, in afwachting van de "komst van de Heer", hun vaderland hadden verlaten en zich juist in het jaar van Bahá'u'lláh's verkondiging in Baghdád, in 1863, aan de voet van die berg hadden verzameld; dat mausoleum was nu met heldhaftige en onbedwingbare krachtsinspanning gevestigd als "de Plek waaromheen de Schare in den hoge in aanbidding cirkelt". Door de uitbreiding van het gebouw zelf, de verfraaiing van het omliggende terrein, de verwerving van grote stukken land in de naaste omgeving, en door de nabijheid van de laatste rustplaatsen van de vrouw, de zoon en de dochter van Bahá'u'lláh, is reeds bewezen dat het bestemd was in de loop der jaren een mate van roem en glorie te verwerven, die in overeenstemming was met het verheven doel dat aan zijn oprichting ten grondslag lag. Evenmin zal het, als na verloop van jaren de instellingen rondom het wereldbestuurscentrum van het toekomstige Bahá'í gemenebest langzamerhand zullen zijn opgericht, ophouden de verborgen mogelijkheden te openbaren, waarmee datzelfde onveranderlijke doel het heeft begiftigd. Onweerstaanbaar zal deze goddelijke instelling bloeien en zich uitbreiden, hoe hevig de tegenstand van toekomstige vijanden ook mag zijn, totdat haar glans ten volle voor de ogen van de gehele mensheid is onthuld.

Bahá'u'lláh heeft, toen Hij Zich veelbetekenend tot die heilige berg richtte, geschreven, 'Haast u, o Carmel! want zie het licht van het aangezicht Gods . . . is over u opgegaan . . . Verheug u, want God heeft in deze Dag Zijn troon op u gevestigd, heeft u tot de plaats van het ochtendgloren Zijner tekenen gemaakt, en tot de dageraad van de bewijzen Zijner Openbaring. Wel ga het hem die zich rond u beweegt, die de openbaring van uw heerlijkheid verkondigt en verhaalt van hetgeen de milddadigheid van de Heer, uw God, over u heeft uitgestort'. Hij heeft bovendien in diezelfde Tafel onthuld, 'Roep luide tot Zion, o Carmel! en verkondig de vreugdevolle tijding: Hij die voor het sterfelijk oog verborgen was, is gekomen! Zijn alles-overwinnende souvereiniteit is duidelijk; Zijn alles- omvattende pracht is onthuld. Hoed u ervoor dat gij niet aarzelt of draalt. Spoed u voort, en schrijd rondom de stad Gods die uit de hemel is neergedaald, de hemelse Kaäba, waaromheen de uitverkorenen Gods, de zuiveren van harte en de schare der verhevenste engelen zich in aanbid- ding hebben bewogen'.

Terwijl de structuur van het Bestuursstelsel
HOOFDSTUK XIX
'Abdu'l-Bahá'í reizen in Europa en Amerika

De vestiging van het Geloof van Bahá'u'lláh op het westelijk halfrond - de opvallendste prestatie die voor altijd met 'Abdu'l-Bahá'í beleid verbonden zal blijven - had, zoals reeds op de voorgaande bladzijden werd opgemerkt, zulke geweldige krachten in beweging gebracht en reeds zo verreikende resultaten opgeleverd, dat die borg stonden voor de actieve en persoonlijke deelneming van het Middelpunt van het Verbond aan de historische activiteiten die zijn westerse discipelen, aangezet door de stuwende kracht van dat Verbond, stoutmoedig hadden aangevangen en nu krachtig voortzetten.

Men was nu de crisis die door de verblinde verdorvenheid van de verbondsbrekers was ontketend en die verscheidene jaren op zo tragische wijze de uitvoering van 'Abdu'l-Bahá'í plannen had gedwarsboomd, door de goddelijke voorzienigheid te boven gekomen. Een onoverkomelijke hindernis was plotseling uit de weg geruimd, zijn kluisters waren verbroken en Gods wraak had de ketenen van zijn nek genomen en ze om die van 'Abdu'l-Hamíd, zijn vorstelijke tegenstander en het slachtoffer van zijn onverzoenlijkste vijand, gelegd. De heilige stoffelijke resten van de Báb die door zijn overleden Vader aan zijn zorgen waren toevertrouwd, waren bovendien ondanks enorme moeilijkheden uit hun schuilplaats in het verafgelegen Tihrán overgebracht naar het Heilige Land en door hem plechtig en eerbiedig in het hart van de berg Carmel bijgezet.

'Abdu'l-Bahá'í gezondheid was in die dagen geknakt. Hij leed aan verscheidene ziekten die waren veroorzaakt door de spanningen en de druk van een tragisch leven, dat bijna geheel in verbanning en gevangenschap was doorgebracht. Hij stond aan de vooravond van zijn zeventigste levensjaar. En toch, zodra hij uit zijn veertig jaar lange gevangenschap was vrijgelaten, zodra hij het lichaam van de Báb een heilige en permanente rustplaats had gegeven en zijn geest van bevrijd van de drukkende zorgen in verband met de uitvoering van die onschatbare opdracht, verrees hij met ongekende moed, vastbeslotenheid en dadendrang, om de weinige kracht, die hem in zijn levensavond was gebleven, te wijden aan een dienstbaarheid van zulke heroïsche afmetingen, dat er geen vergelijking voor is te vinden in de annalen van de eerste Bahá'í eeuw.

Met recht geven de drie jaren waarin hij eerst naar Egypte, daarna naar Europa en Amerika reisde, een uiterst belangrijk keerpunt aan in de geschiedenis van die eeuw, als wij het historische belang hiervan op de juiste waarde kunnen schatten. Voor het eerst sedert de geboorte van het Geloof, zesendertig jaar tevoren, verbrak het hoofd en de verheven vertegenwoordiger de boeien die gedurende het hele beleid van zowel de Báb als Bahá'u'lláh zo ernstig de vrijheid hadden belemmerd. Ofschoon nog steeds beperkende bepalingen de activiteiten van een groot deel van de aanhangers in het geboorteland onderdrukten, werd nu zij erkende leider een bewegingsvrijheid geschonken die hij, met uitzondering van een korte tussenpoos tijdens de oorlog van 1914-1918, bleef genieten tot aan het einde van zijn leven, en die ook nadien nimmer meer aan de instellingen in het wereldcentrum is ontnomen.

Deze uiterst gewichtige wijziging in het lot van het Geloof was het sein voor zo'n ontplooiing van activiteiten van zijn kant, dat het zijn volgelingen in oost en west met bewondering en verwondering vervulde, en een blijvende invloed uitoefende op de loop van de gebeurtenissen in de toekomst. 'Abdu'l-Bahá die, om zijn eigen woorden te gebruiken, de gevangenis als een jongeling was binnengegaan en er als een oude man uit was gekomen; nog nooit in zijn leven in het openbaar had gesproken; geen school had bezocht; nog nimmer zich in westerse kringen had bewogen en onbekend was met westerse gewoonten en talen - hij was niet alleen opgestaan om vanaf spreekgestoelten en podia in de voornaamste hoofdsteden van Europa en de belangrijkste steden op het noordamerikaanse continent de onderscheiden waarheden van zijn Vaders Geloof te verkondigen, maar ook om de goddelijke oorsprong van de Hem voorafgaande Profeten aan te tonen en de aard van de band die hen met dat Geloof verbond, duidelijk te maken.

Hij was vastbesloten deze inspannende reis te ondernemen, hoeveel deze ook van zijn krachten mocht vergen of zelfs zijn leven in gevaar brengen, en hij ging rustig en zonder enige voorafgaande waarschuwingen op een middag in september 1910, het jaar dat volgde op de val van Sultán 'Abdu'l-Hamíd en de officiële bijzetting van de stoffelijke resten van de Báb op de berg Carmel, scheep naar Egypte. Hij verbleef ongeveer een maand in Port Saïd en scheepte zich toen in met de bedoeling naar Europa te reizen, maar Hij ontdekte dat zijn gezondheid dat niet toeliet, waarop hij in Alexandrië weer aan land ging en zijn reis uitstelde. Hij ging in Ramleh wonen, een voorstad van Alexandrië en nar een bezoek aan Zaytún en Caïro vertrok hij op 11 augustus van het volgende jaar in gezelschap van vier anderen op het s.s. "Corsica" naar Marseille en reisde na een kort verblijf in Thonon-les-Bains naar Londen, waar hij op 4 september 1911 aankwam. Na een bezoek van ongeveer een maand ging hij naar Parijs, waar hij negen weken bleef, waarna hij in december 1911 naar Egypte terugkeerde. Weer vertoefde hij in Ramleh waar hij de winter doorbracht, en scheepte zich voor zijn tweede reis naar het westen op 25 maart 1912 in op het s.s. "Cedric", dat via Napels rechtstreeks naar New York voer, waar hij op 11 april arriveerde. Op een lange reis van acht maanden, die hem van kust tot kust voerde, bezocht hij Washington, Chicago, Cleveland, Pittsburgh, Montclair, Boston, Worcester, Brooklyn, Fanwood, Milford, Philadelphia, West Englewood, Jersey City, Cambridge, Medford, Morristown, Dublin, Green Acre, Montreal, Malden, Buffalo, Kenosha, Minneapolis, St. Paul, Omaha, Lincoln, Denver, Glenwood Springs, Salt Lake City, San Francisco, Oakland, Palo Alto, Berkeley, Pasadena, Los Angeles, Sacramento, Cincinnati en Baltimore.

Op 5 december vertrok hij op het s.s. "Celtic" uit New York naar Liverpool, en na zijn aankomst daar vervolgde hij zijn reis per trein naar Londen. Later bezocht hij Oxford, Edinburgh en Bristol en na zijn terugkeer in Londen vertrok hij op 21 januari 1913 naar Parijs. Op 30 maart ging hij naar Stuttgart en vertrok vandaar op 9 april naar Boedapest, bezocht negen dagen later Wenen, keerde op 25 april terug naar Stuttgart en op de 1e mei naar Parijs, waar hij tot 12 juni bleef, om de volgende dag op het s.s. "Himalaya" uit Marseille naar Egypte te varen, waar hij vier dagen later in Port Saïd aankwam; na korte bezoeken aan Ismá'ilíyyih en Abúqír en na een langdurig verblijf in Ramleh, keerde hij naar Haifa terug en beëindigde op 5 december 1913 zijn reis.

In de loop van deze gedenkwaardige reizen, en sprekend voor grote menigten van soms wel meer dan duizend toehoorders, zette 'Abdu'l-Bahá met briljante eenvoud en overtuigingskracht en voor de eerste mal tijdens zijn beleid, de kenmerkende grondbeginselen van zijn Vaders Geloof uiteen die, samen met de wetten en verordeningen in de Kitáb-i-Aqdas, de grondslag vormen van Gods jongste Openbaring aan de mensheid. Het onafhankelijke onderzoek naar waarheid, ongehinderd door bijgeloof of overleveringen; de eenheid van de gehele mensheid; het principe waar alles om draait en de fundamentele leer van het Geloof; het grondbeginsel van de eenheid van alle religies; de verwerping van alle vormen van vooroordeel met betrekking tot religie, ras, klasse of nationaliteit; de harmonie die moet bestaan tussen religie en wetenschap; de gelijkwaardigheid van man en vrouw, de twee vleugels, waarop de vogel der mensheid omhoog kan wieken; het invoeren van verplicht onderricht; het aannemen van een universele hulptaal; de afschaffing van de uitersten van rijkdom en armoede; de instelling van een wereldgerechtshof voor het bijleggen van geschillen russen naties; de verheffing van werk, gedaan in de geest van dienstbaarheid, tot de rang van gebed; de verheerlijking van gerechtigheid als het heersende grondbeginsel in de menselijke samenleving, en van religie als een bolwerk voor de bescherming van alle volkeren en naties; en de vestiging van een duurzame en universele vrede als het hoogste doel van de gehele mensheid - deze treden naar voren als de essentiële elementen van die goddelijke regeringsvorm die hij verkondigde aan de leiders van de publieke opinie, alsmede aan de massa in het algemeen, tijdens zijn onderrichtsreizen. De uiteenzetting van deze bezielende waarheden van het Geloof van Bahá'u'lláh, die hij karakteriseerde als "de geest van de rijd", vulde hij aan met ernstige en herhaalde waarschuwingen voor een op handen zijnde wereldbrand die, indien de staatslieden die niet zouden kunnen afwenden, het hele continent van Europa in lichterlaaie zou zetten. Hij voorzegde, ook gedurende die reizen, de radicale veranderingen die op dat continent zouden plaatsvinden, voorspelde het onvermijdelijke streven naar de decentralisatie van politieke macht, zinspeelde op de onlusten die in Turkije zouden uitbreken, voorzag de jodenvervolgingen in Europa en verzekerde categorisch dat de "banier van de eenheid der mensheid zou worden gehesen, dat het tabernakel van universele vrede zou worden opgericht en dat de wereld een andere wereld zou worden".

Tijdens deze reizen vertoonde 'Abdu'l-Bahá een vitaliteit, een moed, een doelbewustheid en een toewijding aan de taak die hij zichzelf had gesteld, dat het de verbazing en bewondering opwekte van hen die het voorrecht genoten zijn dagelijkse doen en laten van nabij gade te slaan. Hij gaf niet om de bezienswaardigheden die gewoonlijk de aandacht van reizigers trekken en die de leden van zijn gevolg hem vaak wilden laten zien; bekommerde zich niet om zijn comfort en zijn gezondheid; verbruikte dag aan dag van 's morgens vroeg tot 's avonds laat zijn hele energie; weigerde consequent iedere gift of bijdrage ter bestrijding van zijn reiskosten en wees zelfs geschenken van de hand; ook hier was hij onvermoeibaar in zijn zorgen voor de zieken, bedroefden en vertrapten, onbuigzaam in zijn strijd voor de achtergestelde rassen en klassen; milddadig als de regen in zijn vrijgevigheid voor de armen; vol minachting voor de aanvallen van uitgeslapen en fanatieke vertegenwoordigers van de orthodoxie en allerlei sekten; bewonderenswaardig in zijn openheid, wanneer hij vanaf podium en kansel de profetische zending van Jezus Christus aan de Joden aantoonde, of de goddelijke oorsprong van de Islam in kerken en synagogen, of de waarheid van goddelijke Openbaring en de noodzaak van religie aan materialisten, atheïsten en agnostici. Hij was te allen tijde weergaloos in zijn verheerlijking van Bahá'u'lláh en ook binnen de heiligdommen van diverse secten en groepen; onvermurwbaar in zijn weigering bij verschillende gelegenheden te trachten de gunst te wonnen van personen van aanzien en geld, zowel in Engeland als de Verenigde Staten; en tenslotte onvergelijkelijk in zijn spontaniteit, zijn ongeveinsde en warme sympathie en vriendelijkheid, die hij betoonde aan vriend en vreemdeling, aan gelovigen en ongelovigen, rijk en arm, hoog en laag die hij ontmoette, aan boord van een schip of op een wandeling door de straten, in parken of op pleinen, bij recepties en officiële banketten, in sloppen of herenhuizen, in de bijeenkomsten van zijn volgelingen of bij een vergadering van geleerden. Hij bleef, de incarnatie van iedere Bahá'í deugd en de belichaming van ieder Bahá'í ideaal, die druk bezette jaren lang aan een wereld, verzonken in materialisme en reeds met de dreiging van oorlog op de achtergrond, de helende en door God gegeven waarheden verkondigen, die in zijn Vaders Openbaring waren neergelegd.

Bij zijn verschillende bezoeken aan Egypte had hij meer dan één onderhoud met de Khedive, 'Abbás Hilmí Páshá II; werd hij voorgesteld aan Lord Kitchener; ontmoette de Muftí Shaykh Muhammad Bakhít alsmede de Imám van de Khedive, Shaykh Muhammad Ráshid; en ging om met verscheidene 'ulamás, pasja's, perzische notabelen, leden van het turkse parlement, hoofdredacteuren van grote nieuwsbladen in Caïro en Alexandrië en andere leidinggevende personen en vertegenwoordigers van bekende instellingen op religieus en wereldlijk gebied.

Gedurende zijn verblijf in Engeland werd het huis dat hem in Cadogan Gardens ter beschikking was gesteld, een waar Mecca voor mensen van alle rangen en standen, die zich verdrongen om de gevangene van 'Akká te bezoeken, die hun grote stad had uitgekozen als zijn eerste arbeidsterrein in het westen. Zijn toegewijde gastvrouw tijdens zijn verblijf in Londen getuigt, "O, die pelgrims, die gasten, die bezoekers! Wanneer wij aan die dagen terugdenken, dan weerklinkt in onze oren nog het geluid van hun voetstappen - zoals zij uit alle hoeken van de aarde kwamen. Iedere dag, de hele dag door, een voortdurende stroom, een eindeloze processie! Predikanten en missionarissen, oosterse geleerden en studenten in de occulte wetenschappen, practische zakenmensen en mystici, Anglicanen, Rooms-Katholieken en Non-conformisten, Theosofen en Hindoes, Christian Scientisten en medici, Islamieten, Boeddhisten en Zoroastriërs. Er kwamen ook politici, heilssoldaten en andere humanistische werkers, voorstandsters van vrouwenkiesrecht, journalisten, schrijvers, dichters en genezers, kleermakers en dames uit de hoge kringen, artiesten en handwerkslieden, arme werklozen en welvarende kooplieden, mensen uit de toneel- en muziekwereld, zij kwamen allemaal, en niemand was te laag of te hoogverheven om warme belangstelling van deze heilige boodschapper te ondervinden, die steeds zijn leven inzette voor het welzijn van anderen".

'Abdu'l-Bahá'í eerste verschijning in het openbaar voor een westers gehoor had, veelbetekenend genoeg, op 10 september 1911 plaats in een christelijk bedehuis, de "City Temple", waar hij een enorme menigte vanaf de kansel toesprak. Hij werd geïntroduceerd door de Eerwaarde R.J. Campbell, waarna hij in eenvoudige en ontroerende taal, en met doordringend stemgeluid de eenheid van God verkondigde, de fundamentele eenheid van religie bevestigde en aankondigde dat het uur voor de mensen van alle rassen, godsdiensten en standen had geslagen. Bij een andere gelegenheid, op 17 september, sprak hij op verzoek van de Zeereerwaarde Aartsdeken Wilberforce de broederschap van de Heilige Johannes na de avonddienst in de Westminsterkerk toe, waarbij hij tot thema koos de bovenzinnelijke grootheid van de Godheid, zoals die door Bahá'u'lláh in de Kitáb-i-Iqán wordt bevestigd en verduidelijkt. Iemand die deze gebeurtenis had bijgewoond schreef, "De Aartsdeken had de bisschopszetel voor zijn gast op de treden van het koor gezet en, naast hem staande, las hij de vertaling van 'Abdu'l-Bahá'í toespraak zelf voor. De gemeente was diep getroffen, en in navolging van de Aartsdeken knielden wij om de zegen van de dienaar van God - die daar met uitgebreide armen stond - in ontvangst te nemen, terwijl in de stilte zijn wondermooie stem met de kracht van zijn invocatie rees en daalde".

Op uitnodiging van de burgemeester van Londen ontbeet hij met hem in zijn ambtswoning. Op uitdrukkelijk verzoek van hun voorzitter sprak hij voor het Theosofische Genootschap in hun hoofdkwartier, alsook op een bijeenkomst van het "Higher-Thought" centrum in Londen. Hij werd uitgenodigd door een deputatie van het Bramo Somaj Genootschap om onder hun auspiciën een lezing te geven. Hij bezocht op invitatie van de moslem gemeenschap van Groot-Brittannië de moskee in Woking en hield daar een toespraak over wereldeenheid, en werd ontvangen door perzische prinsen, mensen van adel, oud-gezanten en leden van de perzische legatie in Londen. Hij verbleef als gast in het huis van Dr R.K. Cheyne in Oxford en hij hield een toespraak voor "een groot en zeer geïnteresseerd gehoor" van hoog academisch niveau, dat zich had verzameld in het Manchester College van die stad en dat werd voorgezeten door Dr. Estlin Carpenter. Hij sprak ook op verzoek van haar predikant van de kansel van een Congregational Church in het East-End van Londen; sprak bijeenkomsten toe in Caxton Hall en Westminster Hall, de laatste onder voorzitterschap van Sir Thomas Berkeley, en woonde in het Church House van Westminster een voorstelling bij van "Eager Heart", een christelijk mysteriespel dat de eerste toneeluitvoering was, die hij ooit had gezien en die hem door de aanschouwelijke schildering van het leven en lijden van Jezus Christus tot tranen toe roerde. In de hal van het Passmore Edward's Settlement in Tavistock Place sprak hij tot een gehoor van ongeveer vierhonderdzestig belangrijke personen, onder voorzitterschap van Prof. Michael Sadler, bezocht een aantal werkende vrouwen van die stichting die met vakantie waren in het Vanners huis in Byfleet, ongeveer vijftien kilometer buiten Londen en ging daar nog een tweede keer heen, bij welke gelegenheid die allerlei mensen uit alle standen aantrof, die speciaal daarheen waren gekomen om hem te ontmoeten, waaronder zich "de geestelijken van verschillende gezindten" bevonden, "een hoofd van een openbare jongensschool, een lid van het Parlement, een dokter, een beroemde politieke schrijver, de rector van een universiteit, verscheidene journalisten, een zeer bekende dichter en een magistraat uit Londen". Een kroniekschrijver van zijn bezoek aan Engeland beschreef deze gebeurtenis aldus, "Men zal zich hem nog lang herinneren, zoals hij daar in de namiddagzon in het boograam zat, met zijn arm om de schouders van een zeer haveloos maar zeer gelukkig jongetje, dat op 'Abdu'l-Bahá was afgekomen om hem een kwartje te vragen voor zijn spaarpot en voor zijn invalide moeder, terwijl er om hem heen in het vertrek mannen en vrouwen bijeengekomen waren om te discussiëren over opvoeding, socialisme, de eerste Hervormingsnota en het verband tussen onderzeeboten en draadloze telegrafie met het nieuwe tijdperk dat de mensheid thans binnenging".

Onder hen die hem gedurende de gedenkwaardige dagen van zijn verblijf in Engeland en Schotland bezochten, waren de Eerwaarde Aartsdeken Wilberforce; de Eerwaarde R.J. Campbell; de Eerwaarde Rhonddha Williams; de Eerwaarde Roland Corbet; Lord Lamington; Sir Richard en Lady Stapley; Sir Michael Sadler; de Jalálu'd-Dawlih, zoon van de Zillu's-Sultán; Sir Ameer Ali, de gewezen Maharadja van Jalawar, die hem vele malen bezocht en een galadiner en een receptie te zijner ere arrangeerde; de Maharadja van Rajputana; de Ranee van Serawak; prinses Karadja; barones Barnekov; Lady Wemyss en haar zuster Lady Glencomer; Lady Agnew; mejuffrouw Constance Maud; Prof. E.G. Browne; Prof. Patrick Geddes; de heer Albert Dawson, hoofdredacteur van de "Christian Commonwealth"; de heer David Graham Pole; mevrouw Annie Besant; mevrouw Pankhurst; en de heer Stead, die lange en diepzinnige gesprekken met hem had. Zijn gastvrouw beschreef de indrukken van hen die het voorrecht genoten een persoonlijke onderhoud met hem te hebben, als volgt, "Zeer groot was het aantal mensen, dat zo'n unieke ervaring wilde beleven; hoe uniek beseften zij pas wanneer zij in de tegenwoordigheid van de Meester waren, en wij konden er gedeeltelijk naar gissen, wanneer wij de blik in hun ogen zagen als zij uit zijn kamer terugkwamen - een blik met een mengeling van ontzag, verwondering en een zekere stille vreugde. Soms bemerkten wij in hen een tegenzin om terug te keren naar het gewone leven, alsof zij zich aan hun gelukzaligheid wilden vastklampen, bevreesd dat door de terugkeer naar de dagelijkse dingen deze aan hen zou worden ontrukt". Eerdergenoemde kroniekschrijfster heeft bij het opsommen van de resultaten die dat gedenkwaardige bezoek hadden opgeleverd vermeld, "Dit alles liet een diepe indruk achter op al die verschillende mannen en vrouwen uit alle lagen en standen der bevolking ... 'Abdu'l-Bahá'í verblijf in Londen werd zeer geapprecieerd, zij vertrek zeer betreurd. Hij liet vele, vele vrienden achter. Zijn liefde had liefde gewekt. Zijn hart was uitgegaan naar het westen en de westerlingen hadden de patriarch uit het oosten in hun hart gesloten. Zijn woorden droegen iets uit, dat niet alleen de directe toehoorders aansprak, maar ook mannen en vrouwen in het algemeen".

Zijn bezoeken aan Parijs, waar hij enige tijd een appartement bewoonde aan de Avenue de Camoens, werden gekenmerkt door een hartelijk welkom, dat niet minder opmerkelijk was dan de ontvangst die hem door zijn vrienden en volgelingen in Londen was bereid. Dezelfde toegewijde engelse gastvrouw, lady Blomfield die hem naar die stad was gevolgd, getuigt, "Gedurende het bezoek aan Parijs werden de dagelijkse gebeurtenissen, net als in Londen, tot geestelijke evenementen ... Zoals zijn gewoonte was zette de Meester iedere morgen de beginselen van de leer van Bahá'u'lláh uiteen aan hen - geletterd of ongeletterd, maar bezield met even groot enthousiasme en ontzag - die zich rondom hem schaarden. Zij waren van alle nationaliteiten en geloofsovertuigingen, uit oost en west, en onder hen waren Theosofen, agnostici, materialisten, spiritisten, Christian Scientisten, sociale hervormers, Hindoes, Soefis, Moslems, Boeddhisten, Zoroastriërs en vele anderen". En verder, "Onderhoud volgde op onderhoud. Kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders van verschillende takken van de christelijke boom kwamen bij hem, waarvan enkelen werkelijk verlangend waren nieuwe aspecten van de waarheid te ontdekken ... er waren anderen die hun oren sloten uit vrees, dat zij zouden horen en aannemen".

Perzische prinsen, edellieden en oud-gezanten, waaronder de Zillu's-Sultán; de perzische gezant; de turkse ambassadeur in Parijs; Rashid Páshá, een ex-válí van Beirut; turkse pasja's en oud-gezanten; en ook burggraaf Arawaka, de japanse ambassadeur aan het spaanse hof, behoorden tot hen die het voorrecht hadden door hem ontvangen te worden. Bijeenkomsten van Esperantisten en Theosofen, studenten van de Theologische Faculteit en een groot auditorium bij de "Alliance Spiritualiste" werden door hem toegesproken; in een zendingsgebouw in een zeer arme buurt van de stad sprak hij op uitnodiging van de predikant een samenkomst toe, terwijl in talrijke bijeenkomsten van zijn volgelingen, diegenen die reeds op de hoogte waren van zijn leringen het voorrecht genoten uit zijn eigen mond uitvoerige en veelvuldige uiteenzettingen te horen over bepaalde aspecten van zijn Vaders Geloof.

In Stuttgart, waar hij slechts voor een kort, maar onvergetelijk bezoek was, en waarheen hij ondanks een slechte gezondheid reisde om persoonlijk in contact te komen met de leden van de gemeenschap van zijn enthousiaste en zeer geliefde duitse vrienden, gaf hij naast het bijwonen van de bijeenkomsten van zijn toegewijde volgelingen, zijn overvloedige zegen aan de leden van de jeugdgroep die in Esslingen bijeen was, en sprak hij op uitnodiging van Prof. Christale, de voorzitter van de europese Esperantisten, tot een grote bijeenkomst van Esperantisten in hun club. Hij bezocht bovendien Bad Mergentheim in Württemberg, waar een paar jaar later (in 1915) een monument ter ere van zijn bezoek werd opgericht door een van zijn dankbare volgelingen. Een ooggetuige schreef, "De ootmoed, de liefde en toewijding van de duitse gelovigen verblijdden het hart van 'Abdu'l-Bahá en zij ontvingen zijn zegen en zijn bemoedigende raadgevingen in volledige overgave ... Er kwamen vrienden van heinde en ver om de Meester te ontmoeten. Er was een voortdurende stroom bezoekers in het Marquart Hotel. Daar ontving 'Abdu'l-Bahá hen met zoveel liefde en hoffelijkheid, dat zij straalden van vreugde en geluk".

In Wenen, waar hij maar een paar dagen was, sprak 'Abdu'l-Bahá tot een bijeenkomst van Theosofen uit die stad. In Boedapest stond hij een onderhoud toe aan de Rector Magnificus van de universiteit, ontmoette bij een paar gelegenheden de beroemde oriëntalist Prof. Arminius Vambery, sprak de Theosofische Vereniging toe, en werd bezocht door de voorzitter van de toeraanse en vertegenwoordigers van de turkse verenigingen, legerofficieren, verscheiden leden van het Parlement en een deputatie van Jong-Turken onder leiding van Prof. Julius Germanus, die hem een hartelijk welkom in die stad bereidden. De schriftelijke getuigenis van Dr. Rusztem Vambery luidt, "Zijn ('Abdu'l-Bahá's) kamer in het Dunapalota Hotel werd in die tijd een waar Mecca voor al diegenen die door de mystiek van het oosten en de wijsheid van de Meester binnen diens magische cirkel werden getrokken. Onder zijn bezoekers waren graaf Albert Apponyi; de prelaat Alexander Giesswein; Prof. Ignatius Goldziher, de oriëntalist van wereldfaam; Prof. Robert A. Nadler, de beroemde boedapester schilder en leider van het hongaarse Theosofische Genootschap".

De verbazingwekkendste manifestatie van de grenzeloze vitaliteit die 'Abdu'l-Bahá tijdens deze reizen aan de dag legde, was echter weggelegd voor het noord-amerikaanse continent. De opmerkelijke vooruitgang die de georganiseerde gemeenschap van zijn volgelingen in de Verenigde Staten en Canada hadden geboekt; de duidelijke ontvankelijkheid van het amerikaanse publiek voor zijn Boodschap, alsmede zijn bewustheid van de hoge bestemming die voor het volk op dat continent was weggelegd, rechtvaardigde ten volle alle tijd en energie die hij aan deze uiterst belangrijke fase van zijn reizen wijdde. Een bezoek dat een reis van meer dan achtduizend kilometer met zich bracht, die van april tot december duurde, die hem van de kust van de Atlantische Oceaan tot die van de Stille Oceaan voerde en weer terug, en die zovele toespraken tot gevolg hadden, dat ze niet minder dan drie boekdelen vulden, vormde het hoogtepunt van al zijn reizen en werd volledig gerechtvaardigd door de verreikende resultaten die, zoals hij zeer wel wist, zijn inspanningen zouden opleveren. Ter gelegenheid van zijn eerste ontmoeting met zijn in New York samengekomen volgelingen zei hij, "Deze lange reis zal bewijzen hoe groot mijn liefde voor u is. Er waren vele moeilijkheden en onverwachte veranderingen te overwinnen, maar bij de gedachte u te ontmoeten verdwenen al deze dingen en zijn nu vergeten".

Uit de aard van alle handelingen die hij verrichtte, bleek duidelijk welk belang hij aan dat bezoek hechtte. Het eigenhandig leggen van de eerste steen van de Mashriqu'l-Adhkár op het onlangs aangekochte stuk land in de buurt van Chicago aan het Meer van Michigan, en in aanwezigheid van een representatief gezelschap Bahá'í' s uit het oosten en westen van het land; zijn hartstochtelijke bekrachtiging van de implicaties van het door Bahá'u'lláh ingestelde Verbond die volgden op het lezen van de juiste vertaalde "Tablet of the Branch" tijdens een algemene bijeenkomst van zijn volgelingen in New York, voortaan de "Stad van het Verbond" genoemd; de ontroerende plechtigheid in Inglewood in Californië, waarheen hij een speciale pelgrimstocht ondernam voor het bezoek aan het graf van Thornton Chase, "de eerste amerikaanse gelovige", in feite de eerste in de westerse wereld, die de Zaak van Bahá'u'lláh had omhelsd; het symbolische Feest dat hij zelf aan een groot gezelschap volgelingen aanbood, die op een dag in juni in de open lucht waren bijeengekomen in de groene omlijsting van West Englewood in New Jersey; de zegen die hij gaf aan het Open Forum in Green Acre in de staat Maine, aan de oever van de Piscataqua, waar vele van zijn volgelingen waren samengekomen, en dat zich zou ontwikkelen tot een van de eerste Bahá'í-zomerscholen op het westelijke halfrond en erkend als een van de eerste schenkingen op het amerikaanse continent; zijn toespraak tot een gehoor van vele honderden, die de laatste zitting van de pas gestichte "Bahá'í Temple Unity" in Chicago bijwoonden; en tenslotte de als voorbeeld dienende daad die hij verrichtte door twee van zijn volgelingen van verschillende nationaliteit, de ene een blanke, de andere een neger, in de echt te verbinden - dit alles moet gerekend worden tot de uitzonderlijke handelingen, verbonden met zijn bezoek aan de gemeenschap van amerikaanse gelovigen, verrichtingen die tot doel hadden de weg te effenen voor de oprichting van hun centrale bedehuis, hen sterk te maken om de beproevingen die zij spoedig zouden ondergaan te doorstaan, hun eenheid te versterken en het eerste begin te zegenen van het Bestuursstelsel dat zij spoedig zouden inwijden en dat zij zouden moeten verdedigen.

Niet minder opmerkelijk waren trouwens 'Abdu'l-Bahá'í activiteiten in het openbaar tijdens zijn omgang met de talrijke mensen met wie hij tijdens zij reis over het continent in aanraking kwam. Een volledig verslag te geven van deze zo uiteenlopende activiteiten tijdens de overbezette dagen gedurende die acht maanden zou buiten de opzet van dit overzicht vallen. Het zij voldoende te zeggen, dat hij alleen al in New York toespraken in het openbaar hield op, en officiële bezoeken bracht aan zeker vijfenvijftig verschillende plaatsen. Vredesbewegingen, christelijke en joodse broederschappen, middelbare scholen en universiteiten, organisaties op het gebied van welzijnszorg en liefdadigheid, leden van ethische cultusbewegingen, "New Thought" centra, metaphysische groeperingen, vrouwenclubs, wetenschappelijke verenigingen, bijeenkomsten van Esperantisten, Theosofen, Mormonen en agnostici; instellingen voor de bevordering van de belangen van kleurlingen, vertegenwoordigers van de syrische, armeense, griekse, chinese en japanse gemeenschappen - allen kwamen in contact met zijn dynamische persoonlijkheid en genoten het voorrecht uit zijn mond zijn Vaders Boodschap te horen. Ook was de pers in haar redactionele commentaar, of in de publicatie van de verslagen over zijn lezingen, er snel bij zijn ruime visie of zijn belangrijke oproepen naar waarde te schatten.

Zijn redevoering tijdens de vredesconferentie in Lake Mohonk; zijn toespraken in grote bijeenkomsten van de universiteiten van Columbia, Howard en New York; zijn deelneming aan de vierde jaarlijkse conferentie van het Nationale Genootschap voor de bevordering van de belangen van Kleurlingen; zijn onbewimpelde uitspraak omtrent de waarheid van de profetische zendingen zowel van Jezus Christus als Muhammad in de Emmanu-El tempel, een joodse synagoge in San Francisco, waar niet minder dan tweeduizend mensen bijeen waren;' zijn verhelderende verhandeling ten aanhoren van achttienhonderd studenten en honderdtachtig lectoren en professoren aan de Leland Stanford Universiteit; zijn gedenkwaardig bezoek aan de Bowery zending in de sloppen van New York; de schitterende receptie die te zijner ere in Washington werd gegeven, waar vele vooraanstaande figuren uit de beau monde in de hoofdstad aan hem werden voorgesteld - dit behoort allemaal tot de hoogtepunten van de onvergetelijke opdracht, die hij in dienst van de Zaak van zijn Vader uitvoerde. Staatssecretarissen, ambassadeurs, leden van het Congres, vooraanstaande rabbi's en geestelijken en andere personen van aanzien bezochten hem, waaronder figuren als Dr. D.S. Jordan, de Rector Magnificus van de Leland Stanford Universiteit; Prof. Jackson van de Columbia Universiteit; Prof. Jack van de Oxford Universiteit; Rabbi Stephan Wise uit New York; Dr. Martin A. Meyer; Rabbi Joseph L. Levy; Rabbi Abram Simon; Alexander Graham Bell; Rabindra Nath Tagore; de Hon. Franklin K. Lane; mevrouw William Jennings Bryan; Andrew Carnegie; de Hon. Franklin McVeagh, de secretaris van het Departement van Financiën der Verenigde Staten; Lee McClung; de heer Roosevelt; admiraal Wain Wright; admiraal Peary; de britse, nederlandse en zwitserse gezanten in Washington; Yúsuf Díyá Páshá, de turkse ambassadeur in die stad; Thomas Seaton; de Hon. William Sulzer en prins Muhammad-'Alí van Egypte, de broer van de Khedive.

Een commentator van zijn amerikaanse reizen schreef: "Toen 'Abdu'l-Bahá dit land in 1912 voor de eerste maal bezocht, trof hij een grote, hartelijke menigte toehoorders aan, verlangend hem persoonlijk te begroeten en uit zijn eigen mond zijn liefdevolle en geestelijke boodschap te horen ... Achter de gesproken woorden was iets in zijn persoonlijkheid, dat niet te beschrijven valt en dat op allen, die hem ontmoetten diepe indruk maakte. Het gewelfde hoofd, de patriarchale baard, de ogen die verder leken te hebben gezien dan de begrenzingen van ruimte en tijd, de zachte en toch duidelijk verstaanbare stem, de lichtende deemoed, de nimmer falende liefde - maar bovenal de gewaarwording van macht gepaard aan zachtmoedigheid die zijn gehele wezen omhulde met een zeldzame majesteit van geestelijke verhevenheid, die hem aan de ene kant afzonderde en hem aan de andere kant dichtbij de nederigste ziel bracht - dit alles en nog veel meer dat niet onder woorden kan worden gebracht, heeft bij zijn vele ... vrienden een herinnering achtergelaten die onuitwisbaar en onuitsprekelijk dierbaar is".

Toch kan men een overzicht, hoe ontoereikend ook ten aanzien van de afwisselende en enorme activiteiten van 'Abdu'l-Bahá op zijn reis door Europa en Amerika, niet afsluiten zonder melding te maken van de wonderlijke incidenten die dikwijls samengingen met een persoonlijke ontmoeting met hem. De koene vastberadenheid van een zekere onversaagde jongeling die, uit angst dat 'Abdu'l-Bahá geen bezoek zou kunnen brengen aan de westelijk gelegen staten en niet in staat de treinreis naar New England te betalen, de hele weg van Minneapolis naar Maine had afgelegd, liggend op de stangen tussen de wielen van een trein; de grote verandering die plaatsvond in het leven van de zoon van een plattelandsdominee in Engeland, die in zijn ellende en armoede op een dag toen hij langs de Theems liep, besloot een einde aan zijn leven te maken, maar die bij het zien van een foto van 'Abdu'l-Bahá in een etalage, naar hem had geïnformeerd, onmiddellijk naar hem op zoek was gegaan en door zijn opbeurende en troostende woorden zo opleefde, dat hij iedere gedachte aan zelfvernietiging had laten varen; de buitengewone ervaring van een vrouw wier dochtertje naar aanleiding van een droom volhield dat Jezus Christus op aarde was teruggekomen en die, bij het zien van 'Abdu'l-Bahá'í portret in de etalage van een tijdschriftenwinkel, hem ogenblikkelijk had vereenzelvigd met de Jezus Christus uit haar droom - een voorval dat haar moeder, nadat ze had gelezen dat 'Abdu'l-Bahá in Parijs was, de eerste boot naar Europa deed nemen om naar hem toe te gaan; het besluit van een redacteur van een tijdschriften dat in Japan werd gedrukt, om zijn reis naar Tokio in Constantinopel te onderbreken en naar Londen te reizen om "de vreugde te smaken één avond met Hem door te brengen"; het roerende tafereel, toen 'Abdu'l-Bahá uit handen van een perzische vriend - die pas uit 'Ishqábád in Londen was aangekomen - een katoenen zakdoek ontving, waarin zich een stuk droog, zwart brood en een gerimpelde appel bevonden - de gift van een arme Bahá'í werkman uit die stad - en hij in het bijzijn van zijn gasten die zakdoek openmaakte en, zijn lunch onaangeroerd latend, stukken van dat brood afbrak, er zelf wat van nam en de rest met de aanwezigen deelde - dit zijn maar enkele van de ontelbare voorvallen die een helder licht werpen op enkele persoonlijke aspecten van zijn gedenkwaardige reizen.

Evenmin kunnen bepaalde taferelen rondom deze majestueuze en patriarchale figuur, op zijn reis door de steden van Europa en Amerika, ooit uit het geheugen worden gewist. Het merkwaardige onderhoud, waarbij 'Abdu'l-Bahá, zijn handen liefdevol op het hoofd van Aartsdeken Wilberforce leggend, zijn vele vragen beantwoordde, terwijl de voorname geestelijke op een lage stoel naast hem zat; het nog merkwaardiger voorval toen in de kerk van de Heilige Johannes diezelfde Aartsdeken, nadat hij met zijn gehele gemeente was neergeknield om zijn zegen te ontvangen, hand in hand met zijn gast het gangpad afliep naar de sacristie, terwijl de gemeente staande een gezang aanhief; de aanblik van Jalálu'd-Dawlih, die zich neerwierp voor zijn voeten en zich uitputte in verontschuldigingen en hem om vergiffenis smeekte voor zijn vroeger begane wandaden; de enthousiaste ontvangst die hem in de Leland Stanford Universiteit werd bereid, toen hij ten aanschouwen van wel tweeduizend professoren en studenten een verhandeling hield over enkele van de verhevenste waarheden die aan zijn boodschap aan het westen ten grondslag liggen; het ontroerende schouwspel bij het Bowery zendingshuis, toen vierhonderd armen uit New York voor hem langs liepen, waarbij ieder van hen een zilverstuk uit zijn gezegende handen ontving; het gejuich van een syrische vrouw in Boston, die de menigte die zich om hem heen verdrong, opzij duwde, zich aan zijn voeten wierp en uitriep, "Ik belijd, dat ik in U de geest van God en Jezus Christus erken"; het niet minder vurige huldeblijk van twee arabische bewonderaars die, toen hij die stad verliet om naar Dublin in New Hampshire te gaan, zich voor hem neerwierpen en luid snikkend openlijk verklaarden, dat hij Gods eigen boodschapper voor de mensheid was; de zeer grote samenkomst van tweeduizend Joden in een synagoge in San Francisco, die ingespannen luisterden naar zijn verhandeling over de geldigheid van de aanspraken die zowel Jezus Christus als Muhammad naar voren hadden gebracht; het gehoor dat hij op een avond in Montreal toesprak, waar hij tijdens zijn lezing zo werd meegesleept door het onderwerp dat hij uiteenzette, dat zijn tulband van zijn hoofd viel; de onstuimige menigte in een zeer arme wijk van Parijs die, zeer onder de indruk van zijn aanwezigheid, eerbiedig en stilzwijgend de weg voor hem vrijmaakte, toen hij tussen hen doorliep na zijn terugkeer uit een zendingsgebouw, waarbij hij de aanwezigen had toegesproken; het typerende gebaar van een zoroastrische arts die, op de ochtend van 'Abdu'l-Bahá'í vertrek uit Londen, buiten adem aankwam om afscheid van hem te nemen, zijn hoofd en borst eerst met geurige olie zalfde, daarna de handen van alle aanwezigen aanraakte en toen om zijn schouders een krans van rozeknoppen en lelies hing; de massa's bezoekers die 's morgens al heel vroeg bij zijn huis in Cadogan Gardens aankwamen en geduldig op de stoep bleven zitten, totdat de deur openging om hen binnen te laten; zijn majestueuze verschijning, als hij met krachtige stap over het podium heen en weer liep, of met opgeheven handen stond om in kerk of synagoge de zegen uit te spreken, of een groot gehoor toesprak, dat eerbiedig luisterde; het ongedwongen eerbewijs dat hem door vooraanstaande dames uit de beau monde in Londen werd betoond, die spontaan een "Knicks" voor hem plachten te maken, wanneer zij bij hem werden binnengelaten; de aangrijpende aanblik, toen hij zich op de begraafplaats van Inglewood diep over het graf van zijn geliefde volgeling Thornton Chase boog en zijn grafsteen koste, een voorbeeld dat alle aanwezigen volgden; de belangrijke bijeenkomst van Christenen, Joden en Islamieten, mannen en vrouwen representatief voor oost en west, die bij elkaar waren gekomen in de moskee in Woking om zijn toespraak over wereldeenheid te horen - taferelen zoals deze moeten, zelfs als kil verslag op papier, veel van hun oorspronkelijke indrukwekkendheid en kracht hebben behouden.

Wie kan bevroeden wat er door 'Abdu'l-Bahá heenging, toen hij zich de centrale figuur zag van zulke gedenkwaardige tonelen? Wie weet welke gedachten in hem opwelden, toen hij met de burgermeester van Londen aan het ontbijt aanzat, of met buitengewone eerbied door de Khedive in zijn paleis werd ontvangen, of als hij luisterde naar de roep "Alláh-u-Abhá" en naar de gezangen van dankzegging en lof, die zijn komst aankondigden, als hij zich naar de talrijke schitterende bijeenkomsten van zijn geestdriftige volgelingen en vrienden in zovele steden van het amerikaanse continent begaf? Wie kan zeggen welke herinneringen bij hem opkwamen, toen hij bij het donderende geweld van de Niagara waterval stond, de vrije lucht van een ver land inademend; of tijdens een korte en zeer noodzakelijke rustpauze neerblikte op de groene bossen en het landschap in Glenwood Springs; of met een stoet oosterse gelovigen over de paden van het Trocaderopark in Parijs liep; of 's avonds alleen op de Riverside Drive in New York langs de majestueuze Hudson wandelde; of als hij op het terras van het Hotel de Parc in Thonon-les-Bains, dat uitkeek over het Meer van Genève, heen en weer liep; of als hij vanaf de Serpentine Bridge in Londen de parelketting van lichtjes onder de bomen bekeek, die zich uitstrekte zover het oog reikte? Herinneringen aan de smart, de armoede, het dreigende noodlot van zijn jonge jaren; herinneringen aan zijn moeder, die haar gouden knopen verkocht om voor hem, zijn broer en zuster voedsel te kopen en die zich in de donkerste uren genoodzaakt zag hem wat droge bloem in de hand te drukken om zijn honger te stillen; aan zijn jeugd, toen hij in Tihrán door een troep straatjongens werd nagezeten en uitgelachen; aan de vochtige sombere kamer, vroeger een lijkenhuisje, die hij bewoonde in de barakken van 'Akká en aan zijn gevangenschap in de onderaardse kerker van die stad - dergelijke herinneringen moeten vast en zeker door zijn hoofd zijn gegaan. Hij zal ook zeker gedacht hebben aan de opsluiting van de Báb in de bergforten van Ádhirbáyján, waar Hem 's avonds zelfs een lamp werd geweigerd, en aan Zijn wrede en tragische terechtstelling, toen honderden kogels Zijn jeugdige borst doorzeefden. Bovenal moeten zijn gedachten zijn uitgegaan naar Bahá'u'lláh, Die hij zo hartstochtelijk liefhad en Wiens beproevingen hij vanaf zijn prille jeugd had meegemaakt en gedeeld. De van ongedierte vergeven Siyáh-Chál in Tihrán; de bastonnade, die Hem werd toegediend in Ámul; het voedsel dat Zijn hashkúl vulde gedurende de twee jaar van Zijn leven, die Hij als dervish in de bergen van Kurdistán doorbracht; de dagen van Baghdád, toen Hij niet eens een extra verschoning had, en waar Zijn volgelingen moesten leven van een handjevol dadels; Zijn opsluiting binnen de gevangenismuren van "Akká, waar Hem gedurende negen jaar zelfs het uitzicht op wat groen geboomte was onthouden; en de vernederingen, waaraan Hij in het openbaar werd blootgesteld in het regeringsgebouw in die stad - zulke beelden uit het tragische verleden moeten hem vele malen hebben overweldigd en hem met gemengde gevoelens van dankbaarheid en smart hebben vervuld nu hij zelf thans de vele bewijzen van respect, achting en eer ontving, die hem en het Geloof dat hij vertegenwoordigde, werden betoond. Volgens de kroniekschrijver van zijn reizen heeft men hem op een avond, toen hij in Washington met spoed naar zijn derde afspraak op die dag werd gereden, horen uitroepen, "O, Bahá'u'lláh! Wat hebt Gij gedaan? O Bahá'u'lláh! Moge mijn leven voor U worden geofferd! O Bahá'u'lláh! Mogen mijn ziel terwille van U worden ingezet! Hoe vol verdriet en kommer waren Uw dagen! Hoe zwaar de beproevingen die Gij doorstond! Hoe hecht is het fundament dat Gij tenslotte hebt gelegd en hoe glorieus de banier die Gij hebt gehesen"! Diezelfde kroniekschrijver heeft verklaard, "Op een dag, dat hij was rondwandelde, riep hij de dagen van de Gezegende Schoonheid in de herinnering toen Deze met droefenis in het hart sprak over Zijn verblijf in Sulaymáníyyih, over Zijn eenzaamheid en het onrecht dat men Hem had aangedaan. Hoewel hij al dikwijls over deze episode had gesproken, was hij die dag zo door emoties overmand, dat hij luidop weende in zijn smart ... Alle aanwezigen weenden met hem en waren in droefheid gedompeld, toen zij het verhaal hoorden van de smartelijke beproevingen die de Aloude Schoonheid had doorstaan en getuige waren van de tederheid die Zijn zoon toonde".

Er had zich een bijzonder belangrijke scène afgespeeld in een honderd jaar oud drama. Er was een glorieus hoofdstuk geschreven in de geschiedenis van de eerste Bahá'í eeuw. Er waren door de hand van het Middelpunt van het Verbond zaden met ongekende mogelijkheden gestrooid in enkele vruchtbare velden in de westerse wereld. Nog nimmer was er in de gehele religieuze geschiedenis een figuur van vergelijkbaar formaat verrezen om een werk van zo onmetelijke grootte en onvergankelijke waarde te verrichten. Er waren door die uiterst belangrijke reizen krachten vrijgekomen, die wij zelfs nu, na welhaast vijfendertig jaar, nog niet kunnen meten of begrijpen. Reeds heeft een koningin het Geloof omhelsd nadat zij, geïnspireerd door de krachtige argumenten die 'Abdu'l-Bahá in de loop van zijn toespraken had aangevoerd ter staving van de goddelijkheid van Muhammad, openlijk had getuigd van de goddelijke oorsprong van de profeet van de Islam. Reeds heeft een president van de Verenigde Staten, diep doordrongen van sommige grondbeginselen die 'Abdu'l-Bahá zo duidelijk in zijn toespraken had gesteld, ze in een vredesprogramma opgenomen, dat in het oog valt als het moedigste en edelste plan dat tot op heden is gemaakt voor het welzijn en de veiligheid van de mensheid. En helaas!, reeds heeft de wereld die zich doof toonde voor zijn waarschuwingen en weigerde aandacht te besteden aan zijn oproep, zich gestort in twee ongekend hevige wereldoorlogen, waarvan niemand vooralsnog ook maar enigermate de terugslag kan overzien.

HOOFDSTUK XX

Groei en verbreiding van het Geloof in oost en west

Van 'Abdu'l-Bahá'í historische reis naar het westen, en wel speciaal zijn rondreis van acht maanden door de Verenigde Staten van Amerika, kan men gevoeglijk zeggen, dat die het hoogtepunt van zijn beleid vormt; een beleid waarvan pas toekomstige generaties de ontelbare zegeningen naar waarde zullen kunnen schatten. Zoals de dagster van Bahá'u'lláh's Openbaring in Adrianopel in het uur van de verkondiging van Zijn Boodschap aan de staatshoofden der wereld tot haar stralende middagpracht was opgeklommen, zo steeg de lichtbol van Zijn Verbond naar het zenith en verspreidde zijn heldere stralen, toen het aangewezen Middelpunt zich verhief om luister bij te zetten aan de heerlijkheid en verhevenheid van zijn Vaders Geloof onder de mensen in het westen.

Het goddelijk ingestelde Verbond had kort na zijn ontstaan, zonder de minste twijfel zijn onoverwinnelijke kracht getoond door zijn beslissende triomf over de duistere krachten die de aartsverbreker met zoveel vastberadenheid er tegen in het veld had gebracht. Zijn bezielende kracht was spoedig daarna bewezen door de belangrijke overwinningen die zijn toortsdragers zo snel en moedig hadden behaald in de verre steden van West-Europa en de Verenigde Staten van Amerika. Zijn hoge aanspraken waren bovendien volledig gerechtvaardigd door het vermogen om de eenheid en zuiverheid van het Geloof in oost en west te bewaren. Het had daarna nog verder bewezen hoe ontembaar zijn kracht was, door de gedenkwaardige overwinning in verband met de val van Sultán 'Abdu'l-Hamíd en de daaruit voortvloeiende vrijlating van het aangewezen Middelpunt uit een veertig jaar lange gevangenschap. Voor hen die nog steeds geneigd waren de goddelijke oorsprong ervan te betwijfelen, was er verder nog een onweerlegbaar bewijs voor zijn hechtheid gegeven doordat het 'Abdu'l-Bahá ondanks formidabele hindernissen in staat stelde de overbrenging en de uiteindelijke bijzetting van de stoffelijke resten van de Báb in een mausoleum op de berg Carmel te bewerkstelligen. Het Verbond had tevens met een onmetelijke en tot nog toe ongekende kracht aan de gehele mensheid getoond, hoe groot de mogelijkheden waren toen het hem, in wien de geestkracht en het doel besloten lagen, in staat stelde zich voor een drie jaar durende zending naar de westerse wereld in te schepen - een missie die zo belangrijk was, dat ze gerekend dient te worden tot de grootste heldendaad tijdens zijn beleid.

Toch waren dit, hoe voortreffelijk ook, niet de enige vruchten die werden geoogst door de onvermoeibare, heldhaftige inspanningen van het Middelpunt van het Verbond. De vooruitgang en uitbreiding van zijn Vaders Geloof in het oosten; de aanvang van activiteiten en ondernemingen, waarvan men wel mag zeggen, dat ze het begin betekenen van een toekomstig Bestuursstelsel; de oprichting van de eerste Mashriqu'l-Adhkár van de Bahá'í wereld in 'Ishqábád in russische Turkistán; de uitbreiding van Bahá'í literatuur; de openbaring van de Tafelen van het Goddelijk Plan; en de introductie van het Geloof op het australische continent - dit alles mag worden beschouwd als de schitterende resultaten die de lange lijst van 'Abdu'l-Bahá'í uitzonderlijke prestaties tijdens zijn beleid sieren.

In Perzië, de bakermat van het Geloof, kon men ondanks de vervolgingen die tijdens de hele beleidsperiode met onverminderde hevigheid aanhielden, een duidelijke verandering waarnemen die erop wees, dat een vogelvrij verklaarde gemeenschap langzamerhand uit haar tot nog toe ondergrondse bestaan te voorschijn kwam. Násiri'd-Dín Sháh had, vier jaar na Bahá'u'lláh's hemelvaart, op de vooravond van zijn jubileum dat een keerpunt in de geschiedenis had moeten zijn, de dood gevonden door de hand van en moordenaar, Mirzá Ridá, een volgeling van de beruchte Siyyid Jamálu'd-Dín-i-Afghání, die een vijand was van het Geloof en een van de oprichters van de constitutionele beweging die, toen ze tijdens de regering van de zoon en opvolger van de Sjah, Muzaffari'd-Dín, in kracht toenaam, een reeds zwaar vervolgde gemeenschap in nog meer moeilijkheden zou verwikkelen. Zelfs de moord op de Sjah werd eerst die gemeenschap in de schoenen geschoven, zoals blijkt uit de wrede dood, onmiddellijk na de aanslag op de vorst, van de beroemde leraar en dichter Mirzá "Alí-Muhammad, door Bahá'u'lláh bijgenaamd "Varqá" (Duif); hij werd tezamen met zijn twaalfjarig zoontje Rúhu'lláh in de gevangenis van Tihrán op onmenselijke wijze ter dood gebracht door de beestachtige Hájibu'd-Dawlih, die eerst zijn dolk in de buik van de vader stak, deze voor de ogen van zijn zoon aan stukken sneed, daarna de jongen bezwoer zijn dwaling te erkennen en toen die dat botweg weigerde, hem met een touw wurgde.

Drie jaar tevoren was een jongeling. Muhammad Ridáy-i-Yazdí, doodgeschoten op de avond van zijn huwelijk, toen hij uit de badinrichting op weg was naar huis, en was daarmede de eerste martelaar tijdens 'Abdu'l-Bahá'í beleidsperiode. In Turbat-i-Haydaríyyih werden als gevolg van de moord op de Sjah vijf personen, bekend als de Shuhadáy-i-Khamsih (vijf Martelaren) ter dood gebracht. In Mashdad werd de welbekende koopman Hájí Muhammad-i-Tabrízí vermoord, waarna zijn lijk in brand werd gestoken. Aan twee representatieve volgelingen van het Geloof in Parijs werd in 1902 door de nieuwe souverein en zijn grootvizier, de gewetenloze en reactionaire Mirzá 'Alí-Asghar Khán, de Atábik-i-A'zam, een onderhoud toegestaan, maar dat leverde geen enkel werkelijk resultaat op. Integendeel, want enige jaren later brak opnieuw een storm van vervolgingen los, vervolgingen die bij het groeien van de constitutionele beweging in dat land steeds heviger werden, daar reactionairen ongegronde beschuldigingen tegen de Bahá'ís inbrachten en hen in het openbaar aanklaagden als aanhangers van en ijveraars voor de nationalistische zaak.

Een zekere Muhammad-Javád werd in Isfáhán van al zijn kleren ontdaan en met een zweep van gevlochten ijzerdraad afgeranseld. In Káshán werden de aanhangers van het Geloof van joodse afkomst beboet, mishandeld en in boeien geslagen op aansporing van zowel de mohammedaanse geestelijkheid als de joodse godgeleerden. In Yazd en omgeving werden echter de bloedigste gewelddaden gepleegd die in de jaren van 'Abdu'l-Bahá'í beleid voorkwamen. In die stad werd Hájí Mírzáy-i-Halabí-Sáz zo genadeloos geslagen, dat zijn vrouw zich over hem heenwierp, waarop zij op haar beurt werd geranseld; daarna werd zijn schedel met het hakmes van een slager uiteengehouwen. Zijn elfjarige zoon werd meedogenloos geslagen, met pennemessen gestoken en gefolterd tot hij dood was. In een halve dag vonden negen mensen de dood. Een menigte van ongeveer zesduizend mensen van beiderlei kunne koelde haar woede op de weerloze slachtoffers, waarbij een paar zelfs hun bloed dronken. In enkele gevallen, zoals bijvoorbeeld bij Mirzá Asadu'llah-i-Sabbágh, plunderden zij de huizen en vochten om de buit. Zij bedreven zulke wreedheden, dat een paar regeringsambtenaren hun tranen niet konden bedwingen toen zij de aangrijpende tonelen zagen, waarbij de vrouwen van die stad wel een bijzonder beschamende rol speelden.

In Taft werden verscheidene mensen ter dood gebracht, waarvan sommigen werden doodgeschoten, waarna hun lijken door de straten werden gesleurd. Een zojuist tot het Geloof bekeerde jongeling van achttien jaar, Husayn, werd door zijn eigen vader aangegeven en voor de ogen van zijn moeder aan stukken gereten. Muhammad-Kamál werd met een mes, een spade en een houweel in stukken gehakt. In Manshád, waar de vervolgingen negentien dagen duurden, werden soortgelijke wandaden bedreven. Een tachtigjarige man, Siyyid Mirzá, werd in zijn slaap op slag gedood door twee geweldig grote stenen, die men op hem wierp; een zekere Mirzá Sádiq kreeg een mes in de borst gestoken, toen hij om water vroeg, waarna zijn beul het bloed van het lemmet likte; een ander slachtoffer, Shátir-Hasan, zag men vlak voor zijn dood versnaperingen uitdelen aan de beulen en zijn kleding onder hen verdelen. Een vijfenzestigjarige vrouw, Khadíjih-Sultán, werd van het dak van een huis gesmeten; een gelovige, Mirzá Muhammad, werd aan een boom vastgebonden, het doelwit gemaakt voor honderden kogels en zijn lijk in brand gestoken, terwijl men een ander, Ustád Ridáy-i-Saffár, de hand van zijn moordenaar zag kussen, waarna hij werd doodgeschoten en zijn lijk met hoon werd overladen.

In Banáduk, Dih-Bálá, Farásháh, 'Abbás-Ábád, Hanzá, Ardikán, Dawlar-Ábád en in Hamadán pleegde men soortgelijke misdaden, waarbij een uitzonderlijk geval zich voordeed van een hogelijk gerespecteerde en moedige vrouw, Fátimih-Bagum, die op smadelijke wijze uit haar huis werd gesleept, de sluier van het hoofd werd gerukt, de keel doorgesneden en de buik opengereten; en nadat zij door de woeste menigte met ieder wapen dat ze te pakken konden krijgen was afgeranseld, werd zij tenslotte aan een boom opgehangen en aan de vlammen prijsgegeven.

In Sárí, in de dagen toen de opwinding over de constitutie tot een climax ging komen, werden vijf gelovigen van erkende reputatie, die later bekend werden als de Shuhadáy-i-Khamsih (vijf Martelaren), ter dood gebracht; in Nayríz werd een woeste aanval die deed denken aan die van Yazd, door de vijand ondernomen waarbij negentien mensen het leven lieten, waaronder de vijfenzestigjarige Mulla'Abdu'l-Hamíd, een blinde man die men doodschoot en wiens lijk men op afzichtelijke wijze schond. Tijdens deze afslachting werd een aanzienlijk aantal huizen geplunderd en talloze vrouwen en kinderen moesten vluchten voor hun leven, of hun toevlucht zoeken in moskeeën, in de ruïnes van hun huizen wonen, of zich dakloos langs de kant van de weg ophouden.

In Sírján, Dúgh-Ábád, Tabríz, Qum, Najaf-Ábád, Sangsar, Shahmírzád, Isfáhán en in Jahrum gingen geduchte en onbarmhartige vijanden, zowel religieuze als politieke, onder verschillende voorwendsels en zelfs na de ondertekening van de Constitutie door de Sjah in 1906, en ook onder de regering van zijn opvolgers Muhammad-'Alí Sháh en Ahmad Sháh, voort met het doden, folteren, plunderen en mishandelen van de leden van een gemeenschap die resoluut weigerden hun geloof te verloochenen of een handbreed van de door hun leiders vastgestelde weg af te wijken. Zelfs tijdens 'Abdu'l-Bahá'í reizen naar het westen en na zijn terugkeer in het Heilige Land en in feite tot het einde van zijn leven, bleef hij verontrustende berichten ontvangen over het martelaarschap van zijn volgelingen en over de gewelddaden die door een onverzadelijke vijand tegen hen werden gepleegd. In Dawlat-Ábád werd een prins van koninklijken bloede, Habíbu'lláh Mirzá die tot het Geloof was bekeerd en die zijn leven daarvoor had ingezet, met een bijl doodgeslagen waarna zijn lijk in brand werd gestoken. In Mashhad werd de geleerde en vrome Shaykh 'Alí-Akbar-i-Qúchání doodgeschoten. In Sultán-Ábád werden Mirzá 'Alí-Akbar en zeven familieleden, waaronder zich een baby van veertig dagen bevond, op barbaarse wijze afgeslacht. In Ná'ím, Shahmírzád, Bandar-i-Jaz en Qamsar braken min of meer hevige vervolgingen uit. In Kirmánsháh was de martelaar Mirzá Ya'qúb-i-Muttahidih, een vurige vijentwintigjarige joodse bekeerling, de laatste die zijn leven liet gedurende 'Abdu'l-Bahá'í beleidsperiode; zijn moeder vierde ingevolge zijn eigen instructies met voorbeeldige moed zijn martelaarschap in Hamadán. In ieder opzicht getuigde het gedrag van de gelovigen van een ontembare geestkracht en onverzettelijke vastberadenheid, waardoor de perzische volgelingen van het Geloof van Bahá'u'lláh zich in hun leven en dienen blijvend onderscheiden.

Ondanks deze met tussenpozen optredende, zware vervolgingen, groeide het Geloof dat bij zijn helden zo'n wonderbaarlijke geest van zelfopoffering had opgeroepen, gestadig en in stilte. Tijdelijk verzwolgen en zelfs bijna van de aardbodem weggevaagd in de donkere dagen die volgden op de marteldood van de Báb, en gedwongen ondergronds te werken gedurende de gehele periode van Bahá'u'lláh's beleid, begon het na Zijn hemelvaart, onder de onfeilbare leiding en als resultaat van de nimmer falende zorgen van een wijze, waakzame en liefdevolle Meester, zijn krachten te herwinnen en langzaam aan de embryonale instellingen op te richten, die later de weg moesten effenen voor de vestiging van het Bahá'í Bestuursstelsel. In deze periode groeide het aantal volgelingen snel; de grootte van dat aantal, dat nu iedere provincie omvatte, werd gestadig uitgebreid en de rudimentaire vormen voor de toekomstige Raden werden gelegd. In deze periode, in een tijd dat lagere en hogere staatsscholen in feite in dat land niet bestonden en het onderwijs in de bestaande religieuze instellingen jammerlijk tekort schoot, zijn de eerste Bahá'í scholen gesticht, om te beginnen de Tarbíyat scholen in Tihrán, voor zowel jongens als meisjes, gevolgd door de Ta'yíd en Mawhibat scholen in Hamadán, de Vahdat-i-Bashar school in Káshán en andere dergelijke onderwijsinstellingen in Bárfurúsh en Qazvín. In deze jaren werd tastbare en doeltreffende hulp zowel op geestelijk als op materieel gebied, in de vorm van rondreizende leraren, verpleegsters, docenten en artsen uit Europa en uit Amerika, het eerst aan de Bahá'í gemeenschap in dat land verleend. Deze werkers vormden de voorhoede van die talrijke helpers die, zoals 'Abdu'l-Bahá had beloofd, mettertijd zouden opstaan om de belangen van het Geloof en van het land waarin het was ontstaan, te behartigen. In de loop van deze jaren werd de term Bábí als benaming voor de volgelingen van Bahá'u'lláh in dat land algemeen door iedereen afgeschaft ten gunste van het woord Bahá'í, zodat de eerste voortaan uitsluitend gold voor het snel slinkende aantal volgelingen van Mirzá Yahyá. In deze periode werden bovendien de eerste stelselmatige pogingen gedaan om het onderrichtswerk van de perzische gelovigen te organiseren en te bevorderen, pogingen die, afgezien van de versteviging van de fundamenten van de gemeenschap, ook ertoe bijdroegen verscheidene vooraanstaande figuren uit het openbare leven van dat land tot het Geloof aan te trekken, waaronder ook bepaalde belangrijke leden van de Shí'ah geestelijkheid en zelfs afstammelingen van enkele van de ergste vervolgers van het Geloof. Gedurende de jaren van dat beleid werd het huis van de Báb in Shíráz, door Bahá'u'lláh bestemd als een bedevaartscentrum voor Zijn volgelingen en thans als zodanig erkend, op last van 'Abdu'l-Bahá en met zijn hulp, gerestaureerd en werd het hoe langer hoe meer het brandpunt van Bahá'í leven en activiteit voor diegenen, die door omstandigheden het voorrecht was ontzegd het Grootste Huis in Baghdád of het Heiligste Graf in 'Akká te bezoeken.

Nog opzienbarender dan welke andere onderneming ook was de bouw van de eerste Mashriqu'l-Adhkár van de Bahá'í wereld in 'Ishqábád, een centrum dat in de dagen van Bahá'u'lláh was gesticht, waar de eerste stappen ter voorbereiding van de bouw reeds gedurende Zijn leven waren ondernomen. Men begon aan deze onderneming ongeveer aan het einde van het eerste decennium van 'Abdu'l-Bahá'í beleid, in 1902; hij moedigde deze in ieder stadium van haar ontwikkeling aan. Het geheel stond onder persoonlijk toezicht van de eerbiedwaardige Hájí Mirzá Muhammad-Taqí, de Vakílu'd-Dawlih, een neef van de Báb, die zijn gehele vermogen inzette voor de bouw ervan; zijn stof rust thans aan de voet van de berg Carmel in de dichte nabijheid van het graf van zijn geliefd familielid. De bouw werd uitgevoerd volgens de aanwijzingen van het Middelpunt van het Verbond zelf en is een blijvende getuigenis van de geestdrift en de zelfopoffering van de oosterse gelovigen die vastbesloten waren de opdracht van Bahá'u'lláh, zoals die in de Kitáb-i-Aqdas was geopenbaard, uit te voeren. En zo moet deze onderneming niet alleen worden beschouwd als het eerste grote project, dat in het heroïsche tijdperk van Zijn Geloof met gezamenlijke inspanning van Zijn volgelingen is gelanceerd, maar ook als een van de schitterendste en duurzaamste prestaties in de geschiedenis van de eerste Bahá'í eeuw.

Het gebouw zelf, waarvan de eerste steen werd gelegd in aanwezigheid van generaal Krupatkin, de gouverneur-generaal van Turkistán, die door de Tsaar was afgevaardigd om hem bij de plechtigheid te vertegenwoordigen, is als volgt nauwgezet beschreven door een Bahá'í bezoeker uit het westen, "De Mashriqu'l-Adhkár staat in het hart van de stad; de hoge koepel steekt boven de boomtoppen en de huizen uit en is op kilometers afstand zichtbaar voor de reiziger, als hij de stad nadert. De Mashriqu'l-Adhkár ligt in het midden van en tuin die door vier straten wordt begrensd. Op de vier hoeken van deze omsloten ruimte staan vier gebouwen; één ervan is de Bahá'í school; één het huis waar pelgrims en reizigers worden ondergebracht; één is voor de huisbewaarders en het vierde zal als ziekenhuis in gebruik worden genomen. Negen lanen lopen straalsgewijs vanuit verscheidene delen van het park naar de tempel; een van deze lanen leidt van de hoofdpoort van het terrein naar de hoofdingang van de tempel. Volgens het bouwplan", voegt hij er nog aan toe, "bestaat het gebouw uit drie gedeelten, nl. de centrale rondbouw, het gangpad of de omgang die er omheen loopt en de loggia, die het gehele gebouw omgeeft. De plattegrond vormt een regelmatige veelhoek met negen zijden. Een zijde wordt in beslag genomen door de monumentale hoofdingang die wordt geflankeerd door minaretten - een hoog gewelfde zuilengang van twee verdiepingen, waarvan de opzet herinnert aan de architectuur van de wereldberoemde Taj Mahal in Agra in India, die voor vele reizigers de grootste verrukking betekent en die velen tot de schoonste tempel ter wereld verklaren. De hoofdingang ligt in de richting van het Heilige Land. Het hele gebouw is omgeven door twee boven elkaar liggende reeksen loggia's, die uitzicht op de tuin geven, waardoor een zeer schoon architectonisch effect wordt bereikt, dat in harmonie is met de weelderige subtropische plantengroei ... De binnenmuren van de rotonde zijn opgebouwd uit vijf aparte verdiepingen; de eerste vormt een reeks van negen zuilen en bogen die de binnenste rotonde scheiden van de omgang. De tweede is van een soortgelijke opbouw met balustraden die de scheiding vormen tussen de zuilengalerij (die bereikbaar is door twee trappen in de loggia's, aan beide zijden van het hoofdportaal) en de grote ruimte van de rotonde. De derde, een reeks van negen open bogen, versierd met ajour snijwerk, waartussen zich schilden met de Grootste Naam bevinden. De vierde, een reeks van negen grote boogramen. De vijfde, een reeks van achttien kleine ronde vensters. Hierboven, rustend op een kroonlijst op deze hoogste verdieping, verrijst de binnenste halfronde koepel. Het interieur is rijk versierd met pleisterwerk in reliëf ... De hele bouwconstructie maakt een grandioze indruk door zijn volume en kracht".

Ook zullen wij melding moeten maken van de twee scholen voor jongens en meisjes, die in die stad werden opgericht; van het pelgrimshuis in de nabijheid van de tempel; van de Geestelijke Raad en zijn hulplichamen, die gevormd werden om de zaken van een groeiende gemeenschap te beheren, en van de nieuwe centra van activiteit, die in verschillende steden en plaatsen in de provincie Turkistán werden geopend - dit alles getuigt van de vitaliteit die het Geloof sinds zijn opkomst in dat land had getoond.

Een soortgelijke, hoewel minder spectaculaire ontwikkeling kon men in de Kaukasus waarnemen. Na de vestiging van het eerste centrum en de vorming van een Raad in Bákú - een stad die het groeiende aantal Bahá'í pelgrims, vanuit Perzië via Turkije op weg naar het Heilige Land, steeds bezocht -, begonnen nieuwe groepen te ontstaan, die later tot hechte gemeenschappen uitgroeiden en in toenemende mate samenwerkten met hun broeders in Turkistán en Perzië.

In Egypte ging de gestadige groei van het aantal aanhangers van het Geloof samen met een algemene uitbreiding van de activiteiten. De vestiging van nieuwe centra; de consolidatie van het hoofdcentrum in Caïro, de aanvaarding van het Geloof door verscheidene vooraanstaande studenten en lectoren van de Azhar Universiteit, die grotendeels te danken was aan de onvermoeibare inspanningen van de geleerde Mirzá Abu'l-Fadl - inleidende symptomen, die de komst van de beloofde dag aankondigden, waarop volgens 'Abdu'l-Bahá de standaard en het embleem van het Geloof zouden worden geplant in het hart van die aloude islamitische zetel van geleerdheid; het vertalen in het arabisch en het verspreiden van enkele van de belangrijkste geschriften die Bahá'u'lláh in het perzisch had geopenbaard, tezamen met andere Bahá'í literatuur; het drukken van boeken, verhandelingen en pamfletten van Bahá'í schrijvers en geleerden; het publiceren in de pers van artikelen die waren geschreven ter verdediging van het Geloof en om zijn boodschap wereldkundig te maken; de vorming van de voorlopers van de bestuursinstellingen in de hoofdstad, alsook in de omliggende centra; de verrijking van het leven van de gemeenschap door de toevloed van nieuwe gelovigen die afstamden van Kurden, Kopten en Armeniërs - dit alles kan worden beschouwd als de eerste vruchten, geoogst in een land dat, gezegend door de voetstappen van 'Abdu'l-Bahá, in later jaren een historische rol zou spelen in de emancipatie van het Geloof en dat krachtens zijn unieke positie van intellectueel centrum van zowel de arabische als de islamitische wereld, onvermijdelijk een aanzienlijk en beslissend aandeel in de verantwoordelijkheid op zich moest nemen van de uiteindelijke vestiging van dat Geloof in het gehele oosten.

Nog opmerkelijker was de ontplooiing van Bahá'í activiteiten in India en Burma, waar een gestadig groeiende gemeenschap die nu onder haar leden vooraanstaande mensen telde uit het zoroastrische, islamitische, hindoeïstische en boeddhistische geloof, alsook leden van de Sikh gemeenschap, erin slaagde buitenposten te vestigen in zulke verafgelegen plaatsen als Mandalay, en het dorp Daidanaw Kalazoo in het Hanthawaddy district van Burma; in het laatstgenoemde dorp woonden niet minder dan achthonderd Bahá'ís die een school bezaten, een rechtbank en een eigen ziekenhuis en ook land dat zij gemeenschappelijk bebouwden en waarvan zij de opbrengst bestemden voor de bevordering van de belangen van hun Geloof.

In Irak, waar het huis dat Bahá'u'lláh had bewoond, geheel was gerestaureerd, en waar een kleine maar onvervaarde gemeenschap worstelde, om ondanks voortdurende tegenstand haar zaken te ordenen en te beheren; in Constantinopel, waar een Bahá'í centrum werd gevestigd; in Tunis, waar de fundamenten van een plaatselijke gemeenschap hecht waren gelegd; in Japan, China en Honolulu, waarheen Bahá'í leraren reisden en waar zij zich vestigden om te onderrichten - op al deze plaatsen kon men duidelijk de vele bewijzen waarnemen van de leidende hand van 'Abdu'l-Bahá en de tastbare resultaten van zijn nooit verslappende waakzaamheid en zijn nimmer falende goede zorgen.

Na zijn gedenkwaardige bezoeken werden ook aan de opkomende gemeenschappen in Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten de verdere bewijzen van zijn speciale belangstelling en bezorgdheid voor hun welzijn en geestelijke groei niet onthouden. Ingevolge zijn aanwijzingen en de onophoudelijke stroom Tafelen, gericht tot de leden van deze gemeenschappen, alsook zijn voortdurende aanmoediging bij alles wat zij ondernamen, kwamen er gestadig meer Bahá'í centra, werden er openbare bijeenkomsten georganiseerd, nieuwe periodieken uitgegeven, vertalingen van de bekendste werken van Bahá'u'lláh en Tafelen van 'Abdu'l-Bahá gedrukt en in de engelse, franse en duitse taal verspreid, en werden de eerste pogingen gedaan om de zaken te organiseren en de grondslagen van deze jonge gemeenschappen te consolideren.

Nog meer in het bijzonder gaven de leden van een bloeiende gemeenschap op het noordamerikaanse continent, geïnspireerd door de over hen uitgesproken zegen van 'Abdu'l-Bahá, alsmede door zijn voorbeeld en alles wat hij tijdens zijn langdurig bezoek aan hun land deed, een voorproef van de prachtige onderneming die zij in de komende jaren zouden volbrengen. Zij kochten de twaalf nog resterende stukken land, die behoorden tot het terrein van hun geprojecteerde tempel, kozen tijdens de zittingen van hun Conventie in 1920 het ontwerp van de frans-canadese Bahá'í architect, Louis Bourgeois, sloten het contract voor het graafwerk en het leggen van de fundamenten, en slaagden er spoedig daarna in de noodzakelijke voorbereidingen voor de bouw van het souterrain te voltooien: maatregelen die de ongelooflijke inspanningen inluidden, die na 'Abdu'l-Bahá'í heengaan hun hoogtepunt vonden in het optrekken van de bovenbouw en de voltooiing van de versieringen aan de buitenkant.

De oorlog van 1914-1918, die herhaaldelijk door 'Abdu'l-Bahá was voorspeld in de sombere waarschuwingen, die hij tijdens zijn reizen in het westen had geuit, en die uitbrak acht maanden na zijn terugkeer in het Heilige Land, wierp andermaal een schaduw van gevaren over zijn leven, de laatste die de jaren van zijn zeer bewogen maar toch prachtige beleidsperiode zou verduisteren.

De late deelneming van de Verenigde Staten van Amerika aan deze wereldschokkende oorlog, de neutraliteit van Perzië, de ligging van India en het Verre Oosten op zeer grote afstand van het oorlogstoneel, waarborgden de veiligheid van de overgrote meerderheid van zijn volgelingen die, hoewel zij voor een groot deel gedurende een aantal jaren geheel van het geestelijke centrum van het Geloof waren afgesneden, toch in staat waren hun zaken te behartigen en de vruchten van hun jongste prestaties in betrekkelijke veiligheid en vrijheid tegen slechte invloeden te vrijwaren.

Ofschoon de afloop van die enorme strijd voor het hart en middelpunt van het Geloof voor altijd de bevrijding van het turkse juk zou betekenen - een juk dat zo lange tijd de Stichter en Zijn opvolger zulke zware en vernederende beperkingen had opgelegd, bleven er in het Heilige Land toch gedurende het grootste deel van die oorlog zware ontberingen en ernstige gevaren voor zijn bewoners bestaan en werd 'Abdu'l-Bahá een tijdlang opnieuw aan de gevaren blootgesteld, waarmee hij in de jaren van zijn opsluiting in 'Akká was geconfronteerd. De ontberingen die de bewoners moeste ondergaan door de verregaande onbekwaamheid, de wreedheid en de hardvochtige onverschilligheid van zowel de burgerlijke als de militaire autoriteiten werden, hoewel ze aan de ene kant zeer werden verlicht door de milde edelmoedigheid, de vooruitziende blik en de tedere zorgen van 'Abdu'l-Bahá, aan de andere kant verzwaard door de ellende van een strenge blokkade. Een bombardement door de Geallieerden bedreigde Haifa voortdurend en scheen op een gegeven moment zo nabij, dat de tijdelijke overbrenging van 'Abdu'l-Bahá, zijn familieleden en leden van de plaatselijke gemeenschap naar Abú-Sinán aan de voet van de heuvels ten oosten van 'Akká, noodzakelijk werd. De turkse opperbevelhebber, de wrede, oppermachtige en gewetenloze Jamál-Páshá, een verstokte vijand van het Geloof, had met zijn ongegronde achterdocht en op aandringen van de verbondsbrekers, 'Abdu'l-Bahá reeds zwaar getroffen en had zelfs te kennen gegeven hem te kruisigen en het graf van Bahá'u'lláh met de grond gelijk te maken. 'Abdu'l-Bahá zelf had nog steeds te lijden van een slechte gezondheid en uitputting tengevolge van de vermoeienissen van zijn drie jaar lange reis. Het viel hem buitengewoon zwaar, dat iedere verbinding met de meeste Bahá'í centra in de gehele wereld feitelijk was verbroken. Zijn ziel werd gefolterd bij de aanblik van de slachting onder de mensen, omdat zij hadden gefaald aan zijn oproep gehoor te geven of zijn waarschuwingen ter harte te nemen. Werkelijk, steeds meer leed werd toegevoegd aan de last van beproevingen en lotswisselingen, die hij vanaf zijn prille jeugd zo heldhaftig had gedragen, terwille en in dienst van zijn Vaders Geloof.

En toch, gedurende deze donkere dagen - waarvan de duisternis deed denken aan de beproevingen die hij in de gevaarlijkste periode van zijn opsluiting in de gevangenisvesting 'Akká had ondergaan - voelde 'Abdu'l-Bahá zich, wanneer hij op het terras van zijn Vaders heiligdom vertoefde, of wanneer hij in zijn huis in 'Akká was, of in de nabijheid van het graf van de Báb op de berg Carmel, toch nog een keer, en voor de laatste keer in zijn leven, gedrongen om de gemeenschap van zijn amerikaanse volgelingen een belangrijke blijk van zijn speciale gunst te schenken, door hun aan de vooravond van de beëindiging van zijn aards beleid door de openbaring van de Tafelen van het Goddelijk Plan, een opdracht van wereldomvattend belang te geven, waarvan de volle betekenis en omvang zelfs nu, na verloop van een kwart eeuw, nog steeds niet zijn onthuld. En toch heeft reeds nu de uitvoering ervan, hoewel nog in haar aanvangsstadium, op zo grootse wijze de geestelijke alsook de bestuurlijke annalen van de eerste Bahá'í eeuw verrijkt.

De beëindiging van die afschuwelijke oorlog, het eerste stadium van een titanische stuiptrekking die reeds lange tijd geleden door Bahá'u'lláh was voorspeld, betekende niet alleen de ondergang van het turkse bestuur in het Heilige Land en de bezegeling van het lot van de militaire despoot die had gezworen 'Abdu'l-Bahá uit de weg te ruimen, maar deed ook voor altijd de laatste verwachtingen van de overgebleven verbondsbrekers teniet, die niets hadden geleerd van de zware vergelding die hen had getroffen, en nog steeds er op uit waren getuige te mogen zijn van het uitdoven van het licht van Bahá'u'lláh's Verbond. Verder bracht ze die revolutionaire verandering teweeg, die aan de ene kant de onheilspellende voorzeggingen van Bahá'u'lláh in de Kitáb-i-Aqdas vervulden en overeenkomstig de voorspelling in de Schrift zo'n groot deel van de "verdrevenen van Israël" in staat stelde het "overblijfsel" van de "kudde" in het Heilige Land "bijeen te brengen" en naar "hun schaapskooi" "in het midden der weide" terug te leiden, onder de schaduw van de "onvergelijkelijke Tak", waarnaar 'Abdu'l-Bahá in zijn "Some Answered Questions" verwees, en die aan de andere kant de stoot gaven tot de oprichting van de Volkenbond, de voorloper van het Wereldgerechtshof dat, zoals door dezelfde "overgelijkelijke Tak" was voorzegd, de mensen en volkeren der aarde gezamenlijk moeten instellen.

Het is niet nodig lang stil te staan bij het krachtige ingrijpen van de engelse gelovigen om 'Abdu'l-Bahá'í veiligheid te verzekeren, zodra zij op de hoogte waren gebracht van het verschrikkelijke gevaar dat zijn leven bedreigde; bij de maatregelen die onafhankelijk van elkaar werden genomen, waardoor Lord Curzon en anderen in het britse Kabinet in kennis werden gesteld van de kritieke toestand in Haifa; bij de snelle tussenkomst van Lord Lamington, die onmiddellijk aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken schreef om "het belang van 'Abdu'l-Bahá'í positie uiteen te zetten"; bij het bericht dat de Minister van Buitenlandse Zaken, Lord Balfour, op de dag van ontvangst van die brief aan generaal Allenby zond, waarin hij hem opdroeg "alle bescherming en bijstand te verlenen aan 'Abdu'l-Bahá, zijn familie en zijn vrienden"; bij het telegram dat de generaal vervolgens na de overgave van Haifa naar Londen stuurde, waarin hij de autoriteiten verzocht "de wereld te verwittigen van het feit, dat 'Abdu'l-Bahá in veiligheid" was; bij de opdracht van diezelfde generaal aan de opperbevelhebber die de oorlogshandelingen in Haifa leidde, om 'Abdu'l-Bahá'í veiligheid te waarborgen, waardoor (volgens inlichtingen die de britse geheime dienst hadden bereikt) het vaste voornemen van de turkse opperbevelhebber werd verijdeld, namelijk om 'Abdu'l-Bahá en zijn familie op de berg Carmel te kruisigen", ingeval het turkse leger gedwongen zou worden Haifa te ontruimen en in noordelijke richting zou moeten terugtrekken.

De drie jaar die lag tussen de bevrijding van Palestina door de britse strijdkrachten en het heengaan van 'Abdu'l-Bahá, werden gekenmerkt door een verdere vergroting van het aanzien, dat het Geloof, ondanks de vervolgingen die het te verduren had gehad, in zijn wereldcentrum had verworven, en door een nog grotere ontplooiing op het gebied van zijn onderrichtsactiviteiten in allerlei delen van de wereld. Het gevaar dat niet minder dan vijfenzestig jaar lang het leven van de Stichters van het Geloof en het Middelpunt van het Verbond had bedreigd, was nu ten langen leste door de uitwerking van de oorlog definitief geweken. Het hoofd van het Geloof en de twee heilige plaatsen in de vlakte van 'Akká en op de helling van de berg Carmel konden voortaan voor het eerst een vrijdom van beperkingen genieten, die later zou uitgroeien tot een duidelijker erkenning van de instellingen van het Geloof doordat een nieuw en vrijzinnig regime de plaats had ingenomen van het corrupte bestuur uit het verleden. De britse autoriteiten aarzelden ook geen moment om hun waardering uit te spreken voor de rol die 'Abdu'l-Bahá had vervuld bij het verlichten van de nood, waaronder in de donkere dagen van die zorgwekkende oorlog de bewoners van het Heilige Land gebukt waren gegaan. Zijn opneming in de ridderstand tijdens een plechtigheid die speciaal voor hem in de woning van de britse gouverneur van Haifa werd gehouden, waarbij de notabelen uit diverse samenlevingen bijeen waren; het bezoek hem gebracht door generaal en lady Allenby die in Bahjí als zijn gasten met hem de lunch gebruikten en die hij naar de grafkamer van Bahá'u'lláh geleidde; het onderhoud dat hij in zijn woning in Haifa had met koning Feisal, die kort daarna staatshoofd van Irak werd; de verscheidene bezoeken die Sir Herbert Samuel (later burggraaf Samuel van Carmel) hem zowel voor als na zijn benoeming tot Hoge Commissaris van Palestina bracht; zijn ontmoeting met Lord Lamington, die hem eveneens in Haifa bezocht, alsook met de toenmalige gouverneur van Jeruzalem, Sir Ronald Storrs; de veelvuldige bewijzen van de erkenning van zijn hoge en unieke positie door alle religieuze gemeenschappen, zowel de moslem, de christelijke als de joodse; de toevloed van pelgrims die uit oost en west onder betrekkelijk gemakkelijke en veilige omstandigheden naar het Heilige Land kwamen om de heilige graven in 'Akká en Haifa te bezoeken, hem hun hulde te betuigen, de buitengewone bescherming te vieren, die door de Voorzienigheid aan het Geloof en zijn volgelingen was geschonken en dank te brengen dat het hoofd en het Wereldcentrum van het Geloof uiteindelijk waren verlost van het turkse juk - dit alles droeg ieder op eigen wijze bij om het aanzien te verhogen, dat het Geloof van Bahá'u'lláh langzaam maar zeker had verworven onder het geïnspireerde leiderschap van 'Abdu'l-Bahá.

Nu het beleid van 'Abdu'l-Bahá zijn einde naderde, kwamen er steeds meer tekenen te zien van de onweerstaanbare en veelzijdige ontplooiing van het Geloof in oost en west, zowel in de vorming en consolidatie van zijn instellingen, als in de steeds grotere omvang van zijn activiteiten en invloed. In "Ishqábád werd de bouw van de Mashriqu'l-Adhkár, waarmee hij zelf een aanvang had gemaakt, met succes voltooid, In Wilmette was het graafwerk voor de moedertempel van het westen uitgevoerd en het contract voor de bouw van het souterrain getekend. In Baghdád waren ingevolge zijn speciale instructies de eerste stappen gedaan om de fundamenten van het Grootste Huis dat zo nauw verbonden was met de herinneringen van zijn Vader, te versterken en het te restaureren. In het Heilige Land werd op initiatief van de heilige Moeder, met behulp van bijdragen van Bahá'ís uit alle delen der wereld, een groot stuk grond ten oosten van het graf van de Báb aangekocht, dat moest dienen als plaats voor de toekomstige eerste Bahá'í school. Er werd een stuk grond in de buurt van 'Abdu'l-Bahá'í woonhuis verkregen voor een westers pelgrimshuis, dat spoedig na zijn heengaan door amerikaanse gelovigen werd opgetrokken. Het oosterse pelgrimshuis dat spoedig na de bijzetting van de stoffelijke resten van de Báb door een gelovige uit "Ishqábád ten behoeve van bezoekende pelgrims op de berg Carmel was gebouwd, kreeg van de burgerlijke autoriteiten vrijdom van belasting (de eerste keer dat een dergelijk privilege werd verleend sinds de vestiging van het Geloof in het Heilige Land). De beroemde wetenschapsman en entomoloog Dr. Auguste Forel nam het Geloof aan door de invloed van een aan hem gerichte Tafel van 'Abdu'l-Bahá - een van de belangrijkste die de Meester ooit schreef. Een andere Tafel van verreikend belang was zijn antwoord op een mededeling, die het uitvoerende comité van de "Centrale Organisatie voor Duurzame Vrede" hem had toegezonden, die hij hun door tussenkomst van een speciale delegatie in Den Haag liet overhandigen. Er werd voor het Geloof een nieuw continent opengelegd toen, als reactie op de Tafelen van het Goddelijk Plan, die op de eerste Conventie na de oorlog waren onthuld, de grootmoedige en dappere Hyde Dunn op de gevorderde leeftijd van tweeënzestig jaar prompt zijn huis en haard in Californië verliet en, gesteund en vergezeld door zijn vrouw, zich als pionier in Australië vestigde, waar hij in staat was de Boodschap aan zeker zevenhonderd steden in het gehele gemenebest te brengen. Er begon een nieuwe episode, toen als snelle reactie op diezelfde Tafelen en de daarin vervatte oproepen, de voornaamste dienares van Bahá'u'lláh, de onversaagde en onsterfelijke Martha Root, door haar Meester "heraut van het koninkrijk" en "voorbode van het Verbond" genoemd, uittrok op een van haar eerste historische reizen die meer dan twintig jaar lang maakte, en die haar verscheidene malen rondom de aarde brachten, en pas eindigden, toen zij ver van haar geboorteland in het harnas stierf voor het Geloof dat zij zo mateloos liefhad. Deze gebeurtenissen kenmerkten het eindstadium van een beleid, dat de overwinning in het heroïsche tijdperk van de Bahá'í Beschikking bezegelde en dat de geschiedenis in zal gaan als een van de meest glorieuzen en vruchtbaarste perioden van de eerste Bahá'í eeuw.

HOOFDSTUK XXI
Het heengaan van 'Abdu'l-Bahá

'Abdu'l-Bahá'í grote werk was nu voltooid. De historische opdracht waarmee zijn Vader hem negenentwintig jaar tevoren had bekleed, was op glorieuze wijze voleindigd. Er was een gedenkwaardig hoofdstuk in de geschiedenis van de eerste Bahá'í eeuw geschreven. Aan het heroïsche tijdperk, waarin hij vanaf het eerste begin een aandeel had gehad en waarin hij zo'n unieke rol had gespeeld, was een einde gekomen. Hij had geleden zoals geen discipel van het Geloof, die de beker van het martelaarschap had geledigd, had geleden en hij had gearbeid zoals geen van zijn grootste helden had gearbeid. Hij had triomfen beleefd zoals noch de Heraut van het Geloof, noch de Auteur ervan ooit hadden beleefd.

Aan het einde van zijn inspannende rondreis door het westen, die het uiterste van zijn afnemende krachten had gevergd, schreef hij: "Vrienden, de tijd is nabij dat ik niet langer met u zal zijn. Ik heb alles gedaan wat ik kon doen. Ik heb de Zaak van Bahá'u'lláh gediend tot het uiterste van mijn kunnen. Ik heb dag en nacht gearbeid gedurende alle jaren van mijn leven. O, hoe verlang ik ernaar te zien hoe de gelovigen de verantwoordelijkheid voor de Zaak op hun schouders nemen! ... Mijn dagen zijn geteld en behalve dit blijft mij geen andere vreugde". Ettelijke jaren daarvoor had hij al op zijn heengaan gezinspeeld: "O gij, mijn trouwe geliefden! Mochten er ooit in het Heilige Land rampzalige gebeurtenissen plaatsvinden, laat u dan daardoor niet verontrusten of opwinden. Vreest niet en weest ook niet bedroefd. Want elke gebeurtenis zal maken dat het woord van God wordt verheerlijkt en Zijn goddelijke geuren worden verspreid". En verder, "Bedenkt dat ik altijd met u zal zijn, of ik op aarde vertoef of niet". In een van zijn laatste Tafelen raadde hij zijn vrienden aan, "Ziet niet naar de persoon 'Abdu'l-Bahá, want hij zal u tenslotte allen verlaten; neen, vestigt uw blik op het woord van God ... De Geliefden van God moeten met zoveel standvastigheid opstaan dat, mochten op een moment honderden mensen net als 'Abdu'l-Bahá het doelwit worden van de pijlen van smart, niets of niemand van invloed kan zijn op, of afbreuk doen aan hun dienst aan de Zaak van God".

In een Tafel aan de amerikaanse gelovigen, geschreven een paar dagen voordat hij heenging, luchtte hij zijn ingehouden verlangen deze wereld te verlaten aldus, "Ik heb afstand gedaan van de wereld en de mensen daarin ... In de kooi van deze wereld fladder ik als een opgejaagde vogel en verlang er idee dag naar op te mogen wieken naar Uw Koninkrijk. Yá Bahá'u'l-Abhá! Laat mij de beker van opoffering ledigen en bevrijd mij". Ongeveer zes maanden voor zijn heengaan schreef hij een gebed ter ere van een bloedverwant van de Báb: " 'O Heer! Mijn beenderen zijn verzwakt en mijn hoofd is bedekt met witte haren ... Ik heb nu een hoge leeftijd bereikt en mijn krachten nemen af ...' Geen kracht is mij gebleven om Uw geliefden te dienen ... O Heer, mijn Heer! Bespoedig mijn opstijging naar Uw verheven Drempel ... en mijn aankomst bij de deur van Uw genade onder de schaduw van Uw grootste barmhartigheid..."

Uit de dromen die hij had, uit de gesprekken die hij voerde, uit de Tafelen die hij openbaarde bleek steeds duidelijker dat zijn einde snel naderde. Twee maanden voor zijn heengaan vertelde hij zijn familie een droom die hij had gehad, "Het leek", zei hij, "alsof ik in het binnenste heiligdom, op de plaats van de Imám, in een grote moskee stond, met het gezicht naar de Qiblih gewend. Ik werd gewaar, dat een groot aantal mensen de moskee binnenstroomde. Er kwamen er meer binnen, steeds meer, en namen hun plaatsen achter mij in, totdat er een heel grote menigte was. Toen ik daar zo stond, riep ik met luider stemme op tot het gebed. Plotseling kwam de gedachte bij mij op de moskee te verlaten. Toen ik merkte, dat ik buiten stond, zei ik tegen mijzelf, 'Om welke reden ben ik daar weggegaan, zonder het gebed geleid te hebben? Maar het doet er niet toe; nu ik de oproep tot gebed heb uitgesproken, zal de menigte uit zichzelf het gebed zingen'". Een paar weken later, in de tijd dat hij een afgelegen kamer in de tuin van zijn huis bewoonde, vertelde hij een andere droom aan de aanwezigen, "Ik had een droom en zie, de Gezegende Schoonheid (Bahá'u'lláh) kwam en zei tegen mij, 'Vernietig deze kamer'". Niemand van de aanwezigen begreep de betekenis van deze droom, totdat hij zelf spoedig daarna heenging en het hun allemaal duidelijk werd, dat met de "kamer" de tempel van zijn lichaam was bedoeld.

Een maand voor zijn dood (die plaats vond in zijn 78e levensjaar, in de vroege morgen van 28 november 1921) had hij er, in enkele opbeurende woorden tot een gelovige die treurde over het verlies van zijn broer, uitdrukkelijk op gewezen. En ongeveer twee weken voor zijn heengaan had hij met zijn trouwe tuinman gesproken op een wijze die duidelijk aangaf, dat hij wist dat zijn einde nabij was. "Ik ben zo afgemat, het uur is gekomen, dat ik alles moet achterlaten en heen moet gaan. Ik ben te vermoeid om te lopen". En hij voegde er aan toe, "Het gebeurde tijdens de laatste dagen van de Gezegende Schoonheid, toen ik bezig was Zijn papieren bijeen te garen, die over de sofa in Zijn schrijfkamer in Bahjí verspreid lagen, dat Hij Zich tot mij wendde met de woorden, 'Het heeft geen zin ze bijen te garen, Ik moet ze laten liggen en heengaan'. Ook ik heb mijn werk beëindigd. Ik kan niets meer doen. Daarom moet ik het laten liggen en vertrekken"..

Tot de allerlaatste dag van zijn aardse bestaan bleef 'Abdu'l-Bahá dezelfde liefde geven aan hoog en laag, dezelfde hulp verlenen aan armen en vertrapten en dezelfde plichten vervullen in dienst van zijn Vaders Geloof, zoals hij het vanaf zijn kinderjaren gewend was geweest. Op de vrijdag voor zijn heengaan woonde hij ondanks grote vermoeidheid het middaggebed in de moskee bij en gaf na afloop aalmoezen aan de armen, zoals hij altijd had gedaan; dicteerde een paar Tafelen - de laatste die hij openbaarde; zegende het huwelijk in van een trouwe dienaar, dat op zijn aandringen op die dag plaats vond; woonde de gebruikelijke bijeenkomst van de vrienden in zijn huis bij; voelde zich de volgende dag koortsig en, daar hij de daarop volgende zondag niet in staat was het huis te verlaten, zond hij alle gelovigen naar het graf van de Báb om er het feest bij te wonen, dat een parsí pelgrim ter gelegenheid van de gedenkdag van de verkondiging van het Verbond gaf; ontving diezelfde middag met zijn onveranderlijke hoffelijkheid en vriendelijkheid en ondanks toenemende vermoeidheid de muftí van Haifa, de burgemeester en de commissaris van politie; en informeerde die avond - de laatste van zijn leven - voor hij zich terugtrok, naar de gezondheid van ieder lid van zijn huishouding en die van de pelgrims en de vrienden in Haifa.

Om kwart voor een 's nachts stond hij op, liep naar een tafel in zijn kamer, dronk wat en ging weer naar bed. Wat later vroeg hij een van zijn twee dochters die op waren gebleven om hem te verzorgen, de gordijnen om zijn bed wat op te trekken, daar hij moeite had met ademhalen. Zij bracht hem wat rozenwater; hij dronk daar wat van en ging weer liggen; en toen zij hem wat te eten aanbood zei hij duidelijk hoorbaar, "Gij wenst dat ik wat eet en dat terwijl ik heenga"? Een minuut later was zijn geest omhooggewiekt naar zijn eeuwig verblijf om ten langen leste verzameld te worden tot de heerlijkheid van zijn geliefde Vader en de vreugde van eeuwigdurende hereniging met Hem te smaken.

Het nieuws van zijn zo plotselinge en onverwachte dood verspreidde zich als een lopend vuur door de stad en werd ogenblikkelijk telegrafisch naar alle delen van de aardbol geseind en vervulde de gemeenschap van de volgelingen van Bahá'u'lláh met diepe droefheid. Bewijzen van medeleven van veraf en dichtbij, van hoog en laag, in de vorm van telegrammen en brieven, stroomden binnen voor de verslagen en ontroostbare familie: woorden van lof, toewijding, smart en sympathie.

De britse Minister van Koloniën, Mr. Winston Churchill, telegrafeerde onmiddellijk aan de Hoge Commissaris van Palestina, Sir Herbert Samuel, hem opdragend " aan de Bahá'í gemeenschap uit naam van Zijne Majesteits regering deelneming en rouwbeklag over te brengen". Burggraaf Allenby, de Hoge Commissaris van Egypte, zond een telegram aan de Hoge Commissaris van Palestina, met het verzoek "de gemeenschap" zijn "oprechte medeleven in het verlies van hun geëerde leider te betuigen". De ministerraad in Baghdád gaf opdracht aan de Eerste Minister Siyyid 'Abdu'r-Rahmán om hun "deelneming" te betuigen aan "de familie van Zijne Heiligheid 'Abdu'l-Bahá met hun grote verlies". De opperbevelhebber van het egyptische expeditieleger, generaal Congreve, richtte tot de Hoge Commissaris van Palestina een boodschap met het verzoek "zijn diepste medeleven te betuigen aan de familie van wijlen Sir 'Abbás Bahá'í". Generaal Sir Arthur Money, de voormalige hoogste bewindvoerder over Palestina, sprak zijn droefenis, zijn diepste respect en zijn bewondering voor hem uit alsook zijn medeleven bij het verlies dat zijn familie had geleden. Een van de eminentste figuren uit het academische leven van de universiteit van Oxford, een beroemde professor en geleerde, schreef uit naam van hemzelf en zijn vrouw, "Het overgaan naar een volkomener leven moet vooral een wonderbare zegen zijn voor hem die altijd reeds zijn gedachten op het hogere had gericht en hier op aarde ernaar streefde, een hoogstaand leven te leiden".

Vele krachten van verschillende richting, zoals de londense "Times", de "Morning Post", de "Daily Mail", de "New York World", "Le Temps", de "Times of India" en andere gaven in verschillende talen en landen blijk van hun grote waardering voor hem die de Zaak van broederschap en vrede onder de mensen zulke buitengewone en onvergankelijke diensten had bewezen.

De Hoge Commissaris, Sir Herbert Samuel, berichtte onmiddellijk dat hij de begrafenis in eigen persoon wilde bijwonen om, zoals hij later zelf schreef, "mijn achting tot uiting te brengen voor zijn geloofsovertuiging en mijn eerbied voor zijn persoonlijkheid". Wat betreft de begrafenis zelf, die plaatsvond op dinsdagochtend - een begrafenis, zoals Palestina nog nooit eerder had aanschouwd - waren er zeker tienduizend mensen van iedere laag van de bevolking, godsdienst en ras aanwezig. De Hoge Commissaris getuigde later zelf, "Een enorme menigte was tezamen gekomen, in diepe rouw over zijn dood, maar dankbaar voor zijn leven". Sir Ronald Storrs, de toenmalige gouverneur van Jeruzalem beschreef de begrafenis, "Ik heb nimmer een eensgezinder betoon van leedwezen en eerbied gezien dan nu werd opgeroepen door deze uitermate eenvoudige plechtigheid".

De kist met de stoffelijke resten van 'Abdu'l-Bahá werd op de schouders van zijn geliefden naar zijn laatste rustplaats gedragen. De stoet die vooraan liep werd geleid door het stedelijke politiekorps dat optrad als erewacht, waarachter zich achtereenvolgens voegden: de padvinders van de moslem en christelijke gemeenschappen met geheven vaandels, een groep moslem knapen die verzen zongen uit de Qur'an, de leiders van de moslem gemeenschap met aan het hoofd de Muftí en een aantal rooms-katholieke, grieks-orthodoxe en anglicaanse priesters. Achter de kist liepen zijn familieleden, de britse Hoge Commissaris, Sir Herbert Samuel; de gouverneur van Jeruzalem, Sir Ronald Storrs; de gouverneur van Phoenicië, Sir Stewart Symes; regeringsambtenaren; consuls van verschillende landen met standplaats Haifa; moslem, joodse, christelijke en druzische notabelen uit Palestina; Egyptenaren, Grieken, Turken, Arabieren, Kurden, Europeanen en Amerikanen; mannen, vrouwen en kinderen. De lange stoet rouwenden beklom onder het geween en geweeklaag van vele diepbedroefden langzaam de helling van de berg Carmel naar mausoleum van de Báb.

Vlak bij de oostelijke ingang van het heiligdom werd de gewijde kist op een eenvoudige tafel gezet en in aanwezigheid van die enorme schare mensen hielden negen sprekers, die het islamitische, joodse en christelijke geloof vertegenwoordigden en waaronder ook de muftí van Haifa, hun grafrede. Toen zij die hadden uitgesproken, begaf de Hoge Commissaris zich naar de kist en betuigde, met het hoofd gebogen in de richting van het heiligdom, 'Abdu'l-Bahá de laatste eer; de andere regeringsambtenaren volgden zijn voorbeeld. De kist werd daarop naar een van de ruimten in het heiligdom gedragen en daar in droefenis en eerbied neergelaten in zijn laatste rustplaats in een gewelf, dat grensde aan dat, waarin de stoffelijke resten van de Báb waren bijgezet.

In de week na zijn heengaan gaf men nog dagelijks in zijn huis voedsel aan de armen van Haifa, terwijl men te zijner gedachtenis op de zevende dag aan ongeveer duizend van hen, ongeacht geloof of ras, graan uitdeelde. Op de veertigste dag erna werd een indrukwekkend feest voor zijn nagedachtenis gehouden, waarvoor meer dan zeshonderd mensen uit Haifa, 'Akká en naburige delen van Palestina en Syrië waren uitgenodigd, waaronder ook regeringsambtenaren en notabelen van diverse godsdienstige overtuiging en ras. Ook werden op die dag meer dan honderd armen gespijzigd.

Een van de aanwezigen, de gouverneur van Phoenicië, herdacht 'Abdu'l-Bahá met de volgende woorden, "De meesten van ons hier hebben, dunkt mij, een duidelijk beeld van Sir 'Abdu'l-Bahá 'Abbás, van zijn waardige figuur zoals hij in gedachten door de straten liep, van zijn hoffelijke en innemende manieren, van zijn vriendelijkheid, zijn liefde voor kleine kinderen en bloemen, van zijn vrijgevigheid en zorgzaamheid voor armen en noodlijdenden. Hij was zo zachtmoedig en eenvoudig, dat men in zijn bijzijn bijna vergat, dat hij tevens een groot leraar was, en dat zijn geschriften en zijn gesprekken een troost en een inspiratie waren voor honderden, duizenden mensen in het oosten en het westen".

Zo was er een einde gekomen aan het beleid van iemand die krachtens de rang, hem door zijn Vader verleend, de belichaming was van een instelling die haar weerga niet heeft op het gehele gebied van de religieuze geschiedenis, een beleid dat de laatste fase betekent in het apostolische, het heroïsche en meest glorieuze tijdperk van de Beschikking van Bahá'u'lláh.

Door hem van het Verbond, dat "uitmuntende en onschatbare erfgoed", nagelaten door de Auteur van de Bahá'í Openbaring, bekend gemaakt, en hij was er voor opgekomen en had het verdedigd. Door de kracht die dat goddelijke instrument hem had verleend, was het licht van Gods jonge Geloof tot in het westen doorgedrongen, had het zich verspreid tot aan de eilanden in de Stille Zuidzee, en had het de boorden van het australische continent verlicht. Door zijn persoonlijke bemiddeling was de Boodschap - waarvan de Brenger de bitterheid van een levenslange gevangenschap had geproefd - voor het eerst in haar geschiedenis overal verkondigd en haar aard en doel onthuld ten aanhoren van geestdriftige en representatieve menigten in de grote steden van Europa en Noord-Amerika. Door zijn nimmer verslappende werkzaamheid waren de heilige stoffelijke resten van de Báb ten lange leste uit hun vijftig jaar lange verborgenheid gehaald en veilig naar het Heilige Land overgebracht en daar voorgoed en op passende wijze ter ruste gelegd op de plek die Bahá'u'lláh Zelf daarvoor had aangewezen en had gezegend met Zijn tegenwoordigheid. Door zijn onvervaarde initiatief werd de eerste Mashriqu'l-Adhkár van de Bahá'í wereld in Midden-Azië, in russisch Turkistán opgericht, terwijl er door zijn nooit ophoudende aanmoediging een soortgelijke onderneming, van nog veel grotere omvang, was begonnen in het hart van Noord-Amerika, waar de grond door hemzelf was gewijd. Door de sterkende genade, die hem sedert de aanvang van zijn beleid beschutte, was zijn koninklijke tegenstander tot in het stof vernederd, was de aartsverbreker van zijn Vaders Verbond volledig uitgeschakeld en was het gevaar dat vanaf het moment van Bahá'u'lláh's verbanning naar turks grondgebied het hart van het Geloof had bedreigd, definitief afgewend. In navolging van zijn aanwijzingen en in overeenstemming met de door zijn Vader uiteengezette principes en voorgeschreven wetten, waren de eerste instellingen van het na zijn heengaan formeel op te richten Bestuursstelsel gevormd en gevestigd. Door zijn onverdroten werkzaamheid, zoals die wordt weerspiegeld in zijn verhandelingen, zijn duizenden Tafelen, zijn toespraken en de gebeden, gedichten en commentaren die hij het nageslacht naliet en die voornamelijk in het perzisch, enkele ook in het arabisch en een paar in het turks waren geschreven, had hij de wetten en principes die de schering en de inslag van zijn Vaders Openbaring vormden, op heldere wijze verduidelijkt, haar grondslagen opnieuw onder woorden gebracht en uitgelegd, haar leerstellingen omstandig toegepast en de geldigheid en absolute noodzaak van haar waarheden volledig en openlijk aan getoond. Door de waarschuwingen die hij liet horen, was een onachtzame mensheid, die gedompeld in materialisme, God had vergeten, in kennis gebracht met de gevaren die haar geregelde leven dreigden te ontwrichten en werd ze, tengevolge van haar hardnekkige verdorvenheid, gedwongen de eerste schokken te verduren van die ontreddering die tot op de dag van heden de fundamenten van de menselijke samenleving doet wankelen. En tenslotte had hij, door de opdracht die hij aan een dappere gemeenschap had toevertrouwd, waarvan de gezamenlijke prestaties der leden zo'n grote luister hadden bijgezet aan de annalen van zijn eigen beleid, een plan in werking gesteld, dat spoedig na de officiële onthulling de openstelling van het australische continent bewerkstelligde. Dit plan dat in een latere periode meewerkte om het hart van een koninklijke bekeerlinge voor zijn Vaders Zaak te winnen en dat nu, door de onweerstaanbare ontplooiing van zijn mogelijkheden, op zo wonderbaarlijke wijze het geestelijke leven van alle latijns-amerikaanse Republieken bezielt, vormt bijgevolg een waardig slot van de geschiedenis van een gehele eeuw.

Ook mag men in een overzicht van de hoofdlijnen van een zo gezegend en vruchtbaar beleid niet nalaten de profetieën te vermelden, die door de onfeilbare pen van het aangewezen Middelpunt van Bahá'u'lláh's Verbond zijn opgetekend. Deze voorspellen de hevige aanval van de onweerstaanbare opmars van het Geloof in het westen, India en het Verre Oosten, wanneer het de aloude geestelijke orden van de Christenen, de Boeddhisten en de Hindoes ontmoet. Ze voorspellen de onrust die zijn bevrijding van de ketenen van religieuze orthodoxie zal teweegbrengen in de amerikaanse, europese, aziatische en afrikaanse continenten. Ze voorspellen het bijeenbrengen van de Kinderen Israëls in hun aloude vaderland; het planten van de banier van Bahá'u'lláh in de egyptische citadel van de Sunní Islam; de vernietiging van de machtige invloed die door de Shí'ah geestelijkheid in Perzië wordt uitgeoefend; de grote ellende die het deerniswekkende restant verbrekers van Bahá'u'lláh's Verbond in het wereldcentrum van Zijn Geloof zal treffen; de pracht van de instellingen die dat triomferende Geloof moet oprichten op de helling van een berg die zo nauw met 'Akká verbonden zal zijn, dat er één enkele grote wereldstad zal verrijzen, die de geestelijke alsook de bestuurszetels van het toekomstige Bahá'í gemenebest zal bevatten; de opvallende eer die de inwoners van Bahá'u'lláh's geboorteland in het algemeen, en zijn regering in het bijzonder, in een verre toekomst zullen genieten; de unieke en benijdenswaardige positie die de gemeenschap van de Grootste Naam in Noord-Amerika zal innemen als een direct gevolg van de uitvoering van de wereldomvattende opdracht die hij haar toevertrouwde; en tenslotte voorspellen ze, als het eindresultaat en hoogtepunt van dit alles, het "hijsen van het vaandel van God onder alle volkeren", en de eenwording van de gehele mensheid, wanneer "alle mensen één religie zullen aanhangen ... zullen worden vermengd tot één ras en één enkel volk zullen worden".

Evenmin mag men de revolutionaire veranderingen over de hele wereld tijdens dat beleid onvermeld laten - waarvan de meesten een direct gevolg waren van de waarschuwingen die door de Báb in het eerste hoofdstuk van Zijn Qayyúmu'l-Asmá' werden uitgesproken op die beroemde avond van de Verkondiging van Zijn zending in Shíráz, en die later werden bekrachtigd in de geladen passages die Bahá'u'lláh zowel in de Súriy-i-Múlúk als in de Kitáb-i-Aqdas tot de koningen en de geestelijke leiders in de wereld richtte. De verandering van zowel de portugese monarchie als het chinese keizerrijk in een republiek; de ineenstorting van de russische, duitse en oostenrijkse keizerrijken en het onterende lot van hun staatshoofden ten deel viel; de moord op Násiri'd-Dín Sháh, en de val van Sultán 'Abdu'l-Hamíd - al deze gebeurtenissen kan men beschouwen als verdere stadia in het verloop van dat catastrofale proces, waarvan de oorsprong reeds tijdens het leven van Bahá'u'lláh was aangegeven door de moord op Sultán'Abdu'l-Azíz, de dramatische ondergang van Napoleon III en de vernietiging van het duitse keizerrijk, en door de zelf opgelegde beperkingen en de feitelijke beëindiging van het wereldlijk gezag van de Paus. Later, na 'Abdu'l-Bahá'í heengaan, zou datzelfde proces zich sneller ontwikkelen door de ondergang van de Qájár-dynastie in Perzië, het omverwerpen van de spaanse monarchie, de ineenstorting van zowel het sultanaat als het kalifaat in Turkije, een snel verval van de Shí'ah Islam en de christelijke zending in het oosten en door het wrede lot dat nu zovele gekroonde hoofden in Europa treft.

Ook kan dit onderwerp niet worden afgesloten zonder speciaal melding te maken van de namen va die beroemde mannen en geleerden die op verschillende tijdstippen in 'Abdu'l-Bahá'í beleid niet alleen aan hem zelf hulde wensten te brengen, maar ook aan het Geloof van Bahá'u'lláh. Namen als graaf Leo Tolstoy, prof. Arminius Vambery, prof. Auguste Forel, dr. David Starr Jordan, de Zeereerwaarde Aartsbisschop Wilberforce, prof. Jowett van Balliol College, dr. T.K. Cheyne, dr. Estlin Carpenter van de universiteit van Oxford, Burggraaf Samuel van Carmel, Lord Lamington, Sir Valentine Chirol, Rabbi Stephan Wise, prins Muhammad-'Alí van Egypte, Shaykh Muhammad 'Abdu, Midhar Páshá en Khurshíd Páshá, bewijzen krachtens hun huldebetuigingen de grote vooruitgang van het Geloof van Bahá'u'lláh onder het briljante leiderschap van Zijn verheven zoon - huldeblijken die in later jaren nog indrukwekkender werden door de herhaalde historische schriftelijke getuigenissen van een beroemde koningin, een kleindochter van koningin Victoria, die zij het nageslacht wenste na te laten als een bewijs van haar erkenning van de profetische zending van Bahá'u'lláh.

Wat betreft die vijanden die zo naarstig trachtten het licht van Bahá'u'lláh's Verbond te doven, is de gerechte straf die zij ondergingen niet minder opzienbarend dan het lot dat diegenen trof, die in en eerdere periode zo laaghartig hadden gepoogd de verwachtingen van een opkomend Geloof de kop in te drukken en zijn funderingen te vernietigen.

Er werd reeds melding gemaakt van de moord op de tirannieke Násiri'd-Dín Sháh en de daarop volgende ondergang van de Qájár-dynastie. Sultán 'Abdu'l-Hamíd werd na zijn afzetting staatsgevangene gemaakt en gedoemd tot een leven van volledige afzondering en vernedering, veracht door zijn medestaatshoofden en beschimpt door zijn onderdanen. De bloeddorstige Jamál-Páshá die vastbesloten was geweest 'Abdu'l-Bahá te kruisigen en Bahá'u'lláh's heilige graf met de grond gelijk te maken, moest een goed heenkomen zoeken en werd, toen hij als een uitgewekene in de Kaukasus verbleef, door een Armeniër gedood, wiens landgenoten hij zo meedogenloos had vervolgd. De konkelaar Jamálu'd-Dín Afghání, wiens genadeloze vijandigheid en machtige invloed zo bijzonder schadelijk waren geweest voor de vooruitgang van het Geloof in het Nabije Oosten, werd na een veelbewogen carrière door kanker getroffen en vond een ellendig einde, nadat een groot deel van zijn tong zonder succes operatief was verwijderd. De vier leden van de ongelukkige commissie van onderzoek, die van Constantinopel waren uitgestuurd om het lot van 'Abdu'l-Bahá te bezegelen, ondergingen ieder op hun beurt een vernedering die nauwelijks minder erg was dan die, welke zij hem hadden toegedacht, 'Arif Bey, het hoofd van de commissie, die in het holst van de nacht heimelijk de gramschap van de Jong Turken trachtte te ontvluchten, werd door een schildwacht doodgeschoten. Het lukte Adham Bey naar Egypte te ontsnappen, maar hij werd op weg daarheen door een bediende van al zijn bezittingen beroofd en was tenslotte gedwongen de Bahá'ís in Cairo om financiële bijstand te vragen, een verzoek dat niet werd geweigerd. Later kwam hij om hulp bij 'Abdu'l-Bahá die de gelovigen onmiddellijk opdracht gaf hem uit zijn naam een bedrag ter hand te stellen; aan deze opdracht konden zij per slot geen gevolg geven daar de man plotseling was verdwenen. Van de andere twee leden werd er een naar een afgelegen plaats verbannen en de ander stierf spoedig daarna in rampzalige armoede. De beruchte Yahyá Bey, Hoofdcommissaris van politie in 'Akká, die een gewillig en machtig werktuig in handen van Mirzá Muhammad-'Alí, de aartsverbreker van Bahá'u'lláh's Verbond, was geweest, zag alle verwachtingen die hij had gekoesterd, in rook opgaan; hij verloor zijn positie en moest tenslotte voor geldelijke steun bij 'Abdu'l-Bahá aankloppen. In Constantinopel werden in het jaar van de val van 'Abdu'l-Hamíd niet minder dan eenendertig hoogwaardigheidsbekleders van dat land, met inbegrip van ministers en hoge regeringsambtenaren, onder wie talloze geduchte vijanden van het Geloof, op een enkele dag gearresteerd en tot de galg veroordeeld, een opzienbarende vergelding voor de rol die zij hadden gespeeld in de handhaving van een tiranniek regime en voor hun pogingen het Geloof en zijn instellingen uit te roeien.

Afgezien van de souverein die nog vele hoopvolle verwachtingen had en op het toppunt van zijn macht was, maar op zo verrassende wijze van het toneel werd verdreven, verloren in Perzië ettelijke prinsen, ministers en mujtahids, die actief hadden deelgenomen aan de onderdrukking van een vervolgde gemeenschap waaronder Kámrán Mírzá, de Ná'ibu's-Saltanih, de Jalálu'd-Dawlih en Mírzá 'Alí-Asghar Khán, de Atábik-i-A'zam, en Shaykh Muhammad-Taqíy-i-Najafí, de "zoon van de wolf" een voor een hun aanzien en gezag, raakten geheel op de achtergrond, gaven alle hoop op om hun boosaardig doel te bereiken en leefden, althans enkelen van hen, lang genoeg om getuige te zijn van de eerste bewijzen van het overwicht van het Geloof waarvoor zij zo mateloos bang waren geweest en dat zij zo intens hadden gehaat.

Wanneer wij zien, dat in het Heilige Land, Perzië en de Verenigde Staten van Amerika bepaalde dragers van de christelijke kerkleer, zoals Vatralsky, Wilson, Richardson of Easton, bij het bezien van, en in sommige gevallen beangstigd door de krachtige vorderingen die het Geloof van Bahá'u'lláh in de christelijke landen maakte, zich opmaakten om zijn opmars te stuiten; en wanneer wij het recente en gestadige afnemen van hun invloed bezien, hun verlies aan macht, de verwarring in hun gelederen en de ontbinding van enkele van hun van ouds bestaande zendingswerken en instellingen in Europa, het Midden-Oosten en Oost-Azië - mogen wij deze verzwakking dan niet toeschrijven aan de oppositie die leden van verschillende christelijke geestelijke orden tijdens het beleid van 'Abdu'l-Bahá begonnen aan de dag te leggen tegenover de volgelingen en instellingen van een Geloof dat er aanspraak op maakt niets meer of minder te zijn dan de vervulling van de belofte die Jezus Christus had gegeven en de vestiger van het Koninkrijk dat Hij zelf had voorspeld en waarvoor Hij zo vurig had gebeden?

En tenslotte was degene die, vanaf het moment dat het goddelijke Verbond was gesloten tot aan het einde van zijn leven, een haat had getoond, die meedogenlozer was dan die welke de eerder genoemde tegenstanders van 'Abdu'l-Bahá bezielde, die met meer energie tegen hem samenspande dan wie ook van hen, en die zijn Vaders Geloof besmeurde met een schande die grievender was dan enige aanval die zijn vijanden van buitenaf er ooit op hadden gedaan - zo een man, tezamen met de heilloze troep verbondsbrekers die hij had misleid en tot wandaden aangezet, was gedoemd om, net zoals het geval was geweest met Mírzá Yahyá en zijn trawanten, er steeds meer van doordrongen te raken, dat zijn boosaardige plannen teniet werden gedaan, zijn verwachtingen in rook opgingen, zijn ware motieven aan de dag traden en zijn vroegere eer en glorie volledig werden vernietigd. Zijn broer, Mírzá Díyá'u'lláh, stierf op jeugdige leeftijd; Mírzá Aqá Ján, die de dupe van hem was geworden, volgde die broer drie jaar later naar het graf; en Mírzá Badí'u'lláh, zijn voornaamste medeplichtige, verraadde zijn zaak, publiceerde en ondertekende de bekentenis van zijn snode daden, voegde zich later weer bij hem, doch vervreemde toch weer van hem als gevolg van het schandalige gedrag van zijn dochter. Mírzá Muhammad 'Alí's halfzuster, Furúghíyyih, stierf aan kanker en haar echtgenoot Siyyid'Alí ging heen aan een hartaanval voor zijn zoons bij hem konden zijn; vervolgens werd de oudste zoon in de bloei van zijn leven door dezelfde ziekte geveld. Muhammad-Javád-i-Qazvíní, een beruchte verbondsbreker, kwam onder miserabele omstandigheden om. Shu'á'u'lláh die, zoals 'Abdu'l-Bahá in zijn Testament getuigt, had gerekend op de moord op het Middelpunt van het Verbond en die door zijn vader naar de Verenigde Staten was gestuurd om zich aan te sluiten bij Ibráhím Khayru'lláh, kwam terneergeslagen en berooid terug van zijn weinig glorieuze zending. Jamál-i-Burújirdí, Mírzá Muhammad-'Alí's kundigste plaatsvervanger in Perzië, viel ten prooi aan een noodlottige en walgelijke ziekte; Siyyid Mihdíy-i-Dahají die 'Abdu'l-Bahá verried en zich bij de verbondsbrekers aansloot, stierf in vergetelheid en armoede, gevolgd door zijn vrouw en zijn twee zoons; Mírzá Husayn-'Alíy-i-Jahrumí, Mírzá Husayn-i-Shírázíy-i-Khurtúmí en Hájí Muhammad-Husayn-i-Káshání, die de aartsverbondsbrekers in Perzië, India en Egypte vertegenwoordigden, faalden volledig in hun opzet; en de hebzuchtige en verwaande Ibráhím-i-Khayru'lláh die in Amerika de banier van zijn rebellie wel twintig jaar lang had wensen hoog te houden en die de onbeschaamdheid had 'Abdu'l-Bahá schriftelijk zijn "valse leringen, zijn misleidende voorstelling van het Bahaisme en zijn huichelarij" te verwijten en zijn bezoek aan Amerika als "een dodelijke slag" voor de "Zaak van God" aan te merken, vond de dood kort nadat hij deze aanklacht had uitgesproken, volkomen in de steek gelaten en veracht door alle leden van een gemeenschap die hij zelf tot het Geloof had gebracht, en juist in het land dat getuigde van de vele bewijzen van het gevestigde aanzien van 'Abdu'l-Bahá, wiens gezag hij in zijn latere jaren had gezworen te zullen vernietigen.

Wat betreft degenen die openlijk de zaak van deze aartsverbreker van Bahá'u'lláh's Verbond hadden omhelsd of die heimelijk met hem hadden gesympathiseerd, terwijl zij naar buiten 'Abdu'l-Bahá steunden, kregen enkelen tenslotte berouw en aan hen werd vergiffenis geschonken; anderen raakten gedesillusioneerd en verloren hun geloof geheel en al; een paar werden afvallig, terwijl de rest langzaam in aantal afnam zodat hij op het eind, afgezien van een handjevol verwanten, alleen en zonder hulp aan zichzelf was overgelaten. Degene die 'Abdu'l-Bahá zo onbeschaamd in het gezicht had gezegd, dat hij nergens de verzekering kon krijgen dat hij langer zou leven dan hij, en die hem bijna twintig jaar overleefde, leefde inderdaad lang genoeg om het complete bankroet van zijn plannen te beleven, terwijl hij inmiddels een armzalig bestaan leidde in de Villa die eens een menigte van zijn aanhangers had geherbergd; de burgerlijke autoriteiten hadden hem als gevolg van de crisis die hij in zijn dwaasheid na 'Abdu'l-Bahá'í dood had veroorzaakt, de zorg voor zijn Vaders graf ontzegd; een paar jaar later werd hij gedwongen de Villa te verlaten, die door zijn schandelijke verwaarlozing tot een bouwval was vervallen; hij werd getroffen door een ziekte die zijn halve lichaam verlamde; hij lag met ondraaglijke pijnen maandenlang te bed totdat hij stierf en werd naar moslem riten in de onmiddellijke nabijheid van een moslem heiligdom begraven. Zijn graf is tot op heden nog niet door een grafsteen gedekt - een jammerlijke herinnering aan zijn holle aanspraken, aan de diepe schande waartoe hij was gezonken en aan de zware vergelding die hij door zijn daden zo ruimschoots verdiende.

VIERDE PERIODE

HET BEGIN VAN HET VORMENDE TIJDPERK VAN HET BAHÁ'Í GELOOF

1921 - 1944
HOOFDSTUK XXII
De opkomst en vestiging van het Bestuursstelsel

Met het verscheiden van 'Abdu'l-Bahá was van de eerste eeuw van het Bahá'í tijdperk, welks ontstaan was samengevallen met zijn geboorte, reeds driekwart verstreken. Zevenenzeventig jaar tevoren was het licht van het Geloof dat door de Báb was verkondigd, in Shíráz boven de horizon verschenen, en was langs het firmament van Perzië geschoten, waarmee de eeuwenlange duisternis die de bevolking had omringd, werd verdreven. Een ongemeen wreed bloedbad, waaraan regering, geestelijkheid en bevolking, onachtzaam voor de grote betekenis van dat licht en blind voor zijn pracht, samen hadden deelgenomen, had de stralende glorie in het land van zijn geboorte bijna uitgedoofd. Terwijl Bahá'u'lláh gevangen zat in Tihrán, was Hij in de donkerste dagen tijdens de geschiedenis van het Geloof opgeroepen om dat Geloof hernieuwde levenskracht te schenken en was gevolmachtigd het uiteindelijke doel te bereiken. In Baghdád had Hij, aan het einde van de tien jaar die tussen het moment van de eerste aanduiding van die zending en de verkondiging ervan lagen, het mysterie onthuld dat opgesloten lag in het embryonale Geloof van de Báb en toonde de vruchten die het had afgeworpen. In Adrianopel was Bahá'u'lláh's Boodschap - die zowel de belofte van de Bábí Beschikking als van alle voorgaande Beschikkingen inhield - aan de mensheid verkondigd, en was haar uitdaging naar alle heersers der aarde in oost en west uitgegaan. Achter de muren van de gevangenisvesting 'Akká had de Drager van Gods nieuwe Openbaring de wetten voorgeschreven en de beginselen geformuleerd die de schering en de inslag van Zijn Wereldorde zouden vormen. Bovendien had Hij, voor Zijn hemelvaart, het Verbond ingesteld dat als steun moest dienen bij het geven van leiding en het leggen van de funderingen, om de eenheid van de bouwers te waarborgen. Gewapend met dat weergaloze en machtige werktuig had 'Abdu'l-Bahá, Zijn oudste zoon en Middelpunt van Zijn Verbond, de standaard van zijn Vaders Geloof in Noord-Amerika geheven en een hechte fundering gelegd voor de instellingen ervan in West-Europa, het Verre Oosten en Australië. Hij had in zijn verhandelingen, Tafelen en toespraken de beginselen ervan toegelicht, de wetten verduidelijkt, de leerstellingen uitgewerkt en de opbouw van de instellingen van het toekomstige Bestuursstelsel in beginsel opgezet. In Rusland had hij het eerste bedehuis doen verrijzen en op de helling van de berg Carmel had hij een passend mausoleum voor de Heraut laten oprichten en diens stoffelijke resten daarin eigenhandig bijgezet. Door zijn bezoeken aan verscheidene steden in Europa en Noord-Amerika had hij Bahá'u'lláh's Boodschap op ruime schaal verbreid onder westerse volkeren en het aanzien van Gods Zaak zodanig vergroot als nooit tevoren was gebeurd. En tenslotte had hij in zijn levensavond met de openbaring van de Tafel van het Goddelijk Plan zijn mandaat opgedragen aan de gemeenschap die hij zelf had opgericht, geleid en gevoed; een plan dat in de voor hen liggende jaren zijn leden in staat moest stellen het licht van het Geloof over alle vijf continenten van de aardbol te verspreiden en het grondpatroon van het Bestuursstelsel te leggen.

Het moment was nu aangebroken dat die onvergankelijke, wereldbezielende geest die in Shiráz was geboren, in Tihrán nieuw leven was ingeblazen, in Baghdád en Adrianopel tot een vlammend vuur was aangewakkerd, naar het westen was overgebracht en nu de boorden van vijf continenten geheel verlichtte, vast vorm kreeg in instellingen die zijn opgezet om de zich alom verbreidende krachten te kanaliseren en zijn groei te stimuleren. Het tijdperk waarin de geboorte en opkomst van het Geloof hadden plaats gehad, was nu afgesloten. Het heroïsche, het apostolische tijdperk van de Beschikking van Bahá'u'lláh, die eerste periode waarin de Stichters hadden geleefd, waarin alles tot leven was gekomen, waarin zijn grootste helden hadden gestreden en de beker van martelaarschap hadden geledigd, en waarin de eerste funderingen waren gelegd - een periode welker pracht geen enkele overwinning nu of later, hoe schitterend ook, kan evenaren - die periode was nu geëindigd met het heengaan van een wiens zending mag worden beschouwd als de schakel tussen het tijdperk waarin het zaad van de jonge Boodschap was ontkiemd en die welke bestemd zijn de bloeitijd en uiteindelijke rijping te aanschouwen.

Nu begon de vormende periode, het ijzeren tijdperk van deze Beschikking, het tijdperk waarin de plaatselijke, nationale en internationale instellingen van het Geloof van Bahá'u'lláh vorm zouden gaan krijgen, zich zouden ontwikkelen en volledig worden geconsolideerd, en dit alles in afwachting van het derde en laatste, het gouden tijdperk dat bestemd is om de opkomst van en wereldomvattende Orde te aanschouwen, waarin de vrucht van Gods jongste Openbaring aan de mensheid ligt besloten, een vrucht welker rijpheid de vestiging van een wereldbeschaving en de feitelijke totstandkoming van het koninkrijk van de Vader op aarde, zoals door Jezus Christus was beloofd, moet kenmerken.

Naar deze Wereldorde had de Báb, tijdens Zijn gevangenschap in het wijde bergland van Ádhirbáyján, onverbloemd verwezen in Zijn Perzische Bayán, het moederboek van de Bábí Beschikking, had de komst van die Orde aangekondigd en haar verbonden met de naam van Bahá'u'lláh, Wiens zending Hij had ingeluid. Zijn opmerkelijke bewering in het zestiende hoofdstuk van de derde Váhid luidt, "Wel gaat het hem die zijn blik gericht houdt op de Orde van Bahá'u'lláh en zijn Heer daarvoor dank brengt. Want hij zal voorzeker geopenbaard worden ..." Van deze zelfde Orde had Bahá'u'lláh, - Die in een latere periode de wetten en grondbeginselen had geopenbaard welke de werking van die Orde moesten regelen - in de Kitáb-i-Aqdas, het moederboek van Zijn Beschikking, als volgt melding gemaakt, "Het evenwicht in de wereld is verstoord door de vibrerende invloed van deze grootste Orde. In het geregelde leven van de mensheid is een ommekeer teweeggebracht door de werking van dit unieke, dit wonderbaarlijke Stelsel, dat geen mens nog ooit heeft aanschouwd". 'Abdu'l-Bahá, de grote architect, heeft de hoofdlijnen in zijn Testament omschreven, terwijl de funderingen van de in aanleg uitgestippelde instellingen thans na hem door zijn volgelingen in oost en west worden gelegd, in dit vormende tijdperk van de Bahá'í Beschikking.

De laatste drieëntwintig jaar van de eerste Bahá'í eeuw kunnen dientengevolge worden beschouwd als het beginstadium van de vormende periode van het Geloof, een overgangstijdperk dat samenvalt met de opkomst en vestiging van het Bestuursstelsel, waarop de instellingen van het toekomstige Bahá'í wereldgemenebest tenslotte zullen moeten worden opgericht in het gouden tijdperk dat de vervulling van de Bahá'í Beschikking zal aanschouwen. Het handvest dat dit Bestuursstelsel in het leven riep, de hoofdlijnen uitstippelde en het proces in gang zette, is niets anders dan het Testament van 'Abdu'l-Bahá, zijn grootste legaat aan het nageslacht, de schitterendste emanatie van zijn geest en het machtigste instrument om de continuïteit te verzekeren van de drie tijdperken die de bestanddelen vormen van zijn Vaders Beschikking.

Het Verbond van Bahá'u'lláh was uitsluitend gesloten door de rechtstreekse werking van Zijn wil en plan. Aan de andere kant moet men het Testament van 'Abdu'l-Bahá beschouwen als de loot die voortkwam uit de mystieke onderlinge verhouding tussen Degene Die de krachten van een door God gegeven Geloof tot leven had gewekt, en degene die was aangesteld als de enige uitlegger en was erkend als het volmaakte Voorbeeld. De scheppende krachten die door de Maker van de goddelijke wet voor dit tijdperk waren vrijgemaakt, gaven - door hun inwerking op de geest van de uitgekozen, feilloze uitlegger - leven aan dat werktuig, waarvan de tegenwoordige generatie zelfs na drieëntwintig jaar nog steeds de verstrekkende gevolgen niet volledig kan begrijpen. Dit werktuig kan, als wij het naar de juiste waarde schatten, nooit meer worden losgemaakt van Degene Die de machtige drijfveer was voor zijn ontstaan, zo min als van hem die het rechtstreeks ontving. 'Abdu'l-Bahá was, zoals reeds werd opgemerkt, zozeer doordrongen van de bedoeling van de Auteur der Bahá'í Openbaring, en zijn wezen was zo geheel en al bezield van Zijn geest, en de doelstellingen en beweegredenen waren zo volledig één geworden dat, indien men het leerstuk van de eerste zou losmaken van de verheven opdracht die verbonden is met de zending van de laatste, dit gelijk zou staan met het verwerpen van de meest fundamentele waarheden van het Geloof.

Het Bestuursstelsel, zo moet men wel weten, dat op grond van dit historische document is ingesteld, is krachtens zijn oorsprong en aard een unicum in de annalen van de religieuze stelsels der wereld. Men kan vol vertrouwen stellen dat geen Profeet voor Bahá'u'lláh, - zelfs niet Muhammad, wiens Boek duidelijk de wetten en verordeningen van de islamitische Beschikking voorschrijft - met gezag en in geschrifte iets, wat dan ook, heeft vastgelegd dat te vergelijken valt met het Bestuursstelsel dat de gezaghebbende uitlegger van Bahá'u'lláh's leringen heeft ingesteld. Dit Stelsel dat krachtens de bestuurlijke beginselen die zijn auteur heeft geformuleerd, de instellingen die hij heeft opgericht en het recht van uitlegging waarmee hij de Behoeder heeft bekleed, moet het Geloof voor schisma vrijwaren, en zal dat ook doen op een wijze die in geen enkele voorgaande religie ooit is voorgekomen. Ook verschilt het beginsel dat ten grondslag ligt aan de uitvoering ervan, met dat van elk ander, al dan niet theocratische stelsel, dat de mensen voor het besturen van hun instellingen hebben ontworpen. Noch in theorie, noch in de praktijk kan van het Bestuursstelsel van het Geloof van Bahá'u'lláh worden gezegd, dat het overeenkomst met enig type van democratisch bestuur, met enig systeem van autocratie, met enig zuiver aristocratisch stelsel, of met enige van de onderscheidene theocratieën op joodse, christelijke of islamitische grondslag, zoals de mensheid die in het verleden in werking heeft gezien. Het bevat binnen zijn opbouw bepaalde elementen die in ieder van de drie erkende vormen van wereldlijk bestuur voorkomen; mist de gebreken die aan ieder van hen kleven en vermengt de heilzame waarheden die ieder van hen ongetwijfeld in zich bergt, echter zonder in enig opzicht de ongereptheid van de goddelijke waarheden, waarop het in wezen stoelt, te bezoedelen. Het door erfopvolging verkregen gezag dat de Behoeder van het Bestuursstelsel moet uitoefenen en het recht van uitlegging van de heilige Schrift, uitsluitend aan hem verleend; de rechten en voorrechten van het Universele Huis van Gerechtigheid dat het uitsluitend recht bezit wetten te maken, die niet uitdrukkelijk in het Heiligste Boek zijn geopenbaard; het voorschrift waardoor de leden van dat instituut zijn vrijgesteld van enige verantwoording aan diegenen die zij vertegenwoordigen en van de verplichting zich te richten naar hun inzichten, overtuiging of gevoelens; de speciale voorzieningen, nodig voor de vrije en democratische wijze van verkiezing, door alle gelovigen, van het lichaam dat het enige wetgevende orgaan in de wereldomspannende Bahá'í gemeenschap vormt - al deze dingen behoren tot de hoofdlijnen, waardoor het Stelsel dat met de Openbaring van Bahá'u'lláh een geheel vormt, zich onderscheidt van de hedendaagse systemen van door mensen uitgeoefend bestuur.

Ook zijn de interne en externe vijanden - die op het moment van het ontstaan van dit Bestuursstelsel en in de loop van zijn drieëntwintigjarig bestaan in de oosterse en westerse landen de opzet ervan in een verkeerd daglicht stelden, of belachelijk maakten en beschimpten, of probeerden zijn opmars te stuiten, of samenspanden om een breuk in de gelederen van zijn aanhangers te veroorzaken - er niet in geslaagd hun boosaardig plan te verwezenlijken. De verwoede pogingen van een ambitieuze Armeniër die in de eerste jaren na de oprichting in Egypte er op uit was het te verdringen door de "Scientific Society" die hij in zijn kortzichtigheid had gesticht en die hij met alle middelen steunde, faalden geheel en al. De onrust die een begoochelde vrouw veroorzaakte toen zij, zowel in de Verenigde Staten als in Engeland, naarstig ernaar streefde de onwettigheid aan te tonen van het handvest dat verantwoordelijk was voor het ontstaan van het Bestuursstelsel, en zelfs de burgerlijke autoriteiten van Palestina verzocht wettelijke maatregelen in deze affaire te nemen - een verzoek dat tot haar grote ergernis kortweg werd geweigerd - had hoegenaamd geen effect, evenmin als de afvalligheid van een van de eerste pioniers en oprichters van het Geloof in Duitsland dat kon doen, die door dezelfde vrouw op zo tragische wijze om de tuin was geleid. De boekdelen die een schaamteloze afvallige in diezelfde periode in Perzië schreef en verspreidde, in een brutale poging om niet alleen in dat Stelsel een kloof teweeg te brengen, maar ook het Geloof zelf te ondermijnen, bleken eveneens tot niets te leiden. De kuiperijen, beraamd door de overgebleven verbondsbrekers die onmiddellijk na het bekend worden van de inhoud en het doel van 'Abdu'l-Bahá'í Testament zich, met als aanvoerder Mírzá Badí'u'lláh, haastten om de zorg voor de heiligste plaats in de Bahá'í wereld aan de aangestelde Behoeder te ontfutselen: ook die kuiperijen haalden niets uit en brachten meer schande over hen. De latere aanvallen die door bepaalde vertegenwoordigers van de christelijke orthodoxie, zowel in christelijke als niet-christelijke landen, werden gedaan met de opzet de fundamenten te slechten en de kenmerken van het genoemde Stelsel verkeert te interpreteren, waren niet bij machte de aanhankelijkheid van de volgelingen te ondergraven, of hen van hun hooggestemde doel af te brengen. Zelfs het onterende en verraderlijke gekonkel van een vroegere secretaris van 'Abdu'l-Bahá - die niets had geleerd van de vergelding die Bahá'u'lláh's amanuensis had getroffen, noch van het lot van verscheidene andere secretarissen en tolken van zijn Meester in oost en west, en die nu is verrezen en zich nog steeds inspant om de doelstellingen te verdraaien en de essentiële voorzieningen in dat onsterfelijke document, waaruit dat Stelsel haar autoriteit put, te vernietigen - is niet in staat geweest zelfs maar tijdelijk de opmars van de instellingen te stuiten die door de auteur ervan waren opgesteld, of ook maar iets te bereiken wat in de verste verte zou kunnen lijken op een breuk in de gelederen van zijn overtuigde, wakkere en vastberaden aanhangers.

Het document waarmee dat Stelsel is gevestigd, het handvest van een toekomstige wereldbeschaving, waarvan enkele belangrijke hoofdtrekken gezien mogen worden als een aanvulling op een zo immens belangrijk boek als de Kitáb-i-Aqdas; dat ondertekend en gezegeld was door 'Abdu'l-Bahá; dat geheel in zijn eigen handschrift was gesteld; waarvan de eerste artikelen waren opgesteld tijdens een van de donkerste perioden va zijn opsluiting in de gevangenisstad 'Akká: dit document verkondigt, categorisch en onweerlegbaar, de fundamentele geloofsbelijdenis van de volgelingen van het Geloof van Bahá'u'lláh; openbaart in ondubbelzinnige taal het tweevoudige karakter van de zending van de Báb; onthult volledig de rang van de Auteur van de Bahá'í Openbaring; verklaart dat "alle anderen Zijn dienaren zijn en zich naar Zijn gebod (moeten) voegen": legt de nadruk op het grote belang van de Kitáb-i-Aqdas; vestigt het instituut van het Behoederschap als een door vererving verkregen functie, en zet de essentiële taken daarvan uiteen; geeft de richtlijnen aan van de verkiezing van het Internationale Huis van Gerechtigheid, omschrijft het werkterrein en zet zijn verhouding tot het eerdergenoemde instituut uiteen; beschrijft de verplichtingen en doet de verantwoordelijkheden van de Handen van de Zaak Gods uitkomen; en verheerlijkt de verdiensten van het onverwoestbare Verbond dat door Bahá'u'lláh is gesloten. Dat document looft bovendien de moed en de trouw van de aanhangers van Bahá'u'lláh's Verbond; weidt uit over de ontberingen die het aangewezen Middelpunt van dat Verbond te verduren kreeg; herinnert aan het gewetenloze gedrag van Mírzá Yahyá en zijn tekortkoming om de waarschuwingen van de Báb ter harte te nemen; brengt in een reeks aanklachten de woordbreuk en de rebellie van Mírzá Muhammad "Alí, en ook de medeplichtigheid van zijn zoon Shu'á'ulláh en van zijn broeder Mírzá Badí'u'lláh aan het licht; bevestigt opnieuw hun uitsluiting uit het Geloof en voorzegt het in rook opgaan van hun verwachtingen; roept de Afnán (de verwanten van de Báb), de Handen van de Zaak en de ganse schare volgelingen van Bahá'u'lláh op om eensgezind Zijn Geloof te verbreiden, naar alle uithoeken der aarde uit te zwermen, onvermoeibaar te arbeiden en het heldhaftige voorbeeld van de Apostelen van Jezus Christus te volgen; waarschuwt hen voor het gevaar van de omgang met de verbondsbrekers en smeekt hen het Geloof te beschutten tegen de aanvallen van de onoprechten en de huichelaars; en raadt hen aan in hun optreden naar buiten de universaliteit van het Geloof dat zij hebben omhelsd te tonen en de hoge beginselen te verdedigen. In datzelfde document onthult de auteur de betekenis en de bedoeling van de Huqúqu'lláh (het Recht van God), dat reeds in de Kitáb-i-Aqdas is ingesteld; legt onderwerping en aanhankelijkheid op aan alle rechtvaardige monarchen; brengt zijn verlangen naar martelaarschap tot uitdrukking en spreekt zijn gebeden uit voor het berouw van, en de vergeving voor zijn vijanden.

Gehoorzaam aan de oproep van de auteur van een zo overweldigend document; zich bewust van hun hoge roeping; tot actie aangezet door de schok van het onverwachte heengaan van 'Abdu'l-Bahá; geleid door het plan dat hij, de architect van het Bestuursstelsel, aan hen had toevertrouwd; en niet uit het veld geslagen door de aanvallen daarop gedaan door verraders en vijanden, die zo naijverig waren op de steeds toenemende kracht ervan, en zo blind voor zijn unieke betekenis, stonden de leden van de overal verspreide Bahá'í gemeenschappen in oost en west wakker, onbuigzaam en vastbesloten klaar om het vormende tijdperk van hun Geloof in te wijden door het leggen van de funderingen van dat wereldomvattende Bestuursstelsel, bestemd om uit te groeien tot een Wereldorde die het nageslacht moet begroeten als de beloofde en bekronende glorie van alle Beschikkingen uit het verleden. Nog niet tevreden met de oprichting en consolidatie van het bestuurslichaam dat voorzag in het bewaren van de eenheid en de efficiënte afhandeling van zaken van een gestadig groeiende gemeenschap, besloten de volgelingen van het Geloof van Bahá'u'lláh in de loop van de circa twintig jaar die op het heengaan van 'Abdu'l-Bahá volgden, om door daden het onafhankelijke karakter van dat Geloof te handhaven, de grenzen nog verder uit te breiden en het aantal erkende aanhangers te doen toenemen.

Bij deze drievoudige, wereldomvattende krachtsinspanning moet worden aangetekend, dat de rol die de amerikaanse Bahá'í gemeenschap van 'Abdu'l-Bahá'í heengaan tot aan het einde van de eerste Bahá'í eeuw heeft gespeeld, dusdanig is geweest dat ze een reusachtige stoot voorwaarts heeft gegeven aan de ontwikkeling van het Geloof over de gehele wereld, het vertrouwen dat 'Abdu'l-Bahá in haar leden stelde niet heeft beschaamd, en de grote lof die hij hun toezwaaide en de hoge verwachtingen die hij voor hun toekomst koesterde, volledig heeft bewaarheid. In feite is de invloed van haar leden zo doorslaggevend geweest voor zowel het ontstaan als de consolidatie van Bahá'í bestuursinstellingen, dat hun land wel mag worden aangemerkt als de bakermat van het Bestuursstelsel dat Bahá'u'lláh voor ogen had, en dat het Testament van het Middelpunt van Zijn Verbond tot aanzien had geroepen.

Men moet in dit verband goed bedenken, dat 'Abdu'l-Bahá en ook Bahá'u'lláh in Zijn laatste levensjaren, die voorbereidende stappen voor het openleggen van het werkterrein en de werking van dit Bestuursstelsel reeds hadden gedaan; nu moest dit na 'Abdu'l-Bahá'í dood officieel worden opgericht. De aanstelling door Bahá'u'lláh van bepaalde in hoge achting staande gelovigen in Perzië tot "Handen van de Zaak"; het instellen door 'Abdu'l-Bahá van plaatselijke Raden en raadgevende colleges in leidinggevende Bahá'í centra in oost en west; het formeren van de "Bahá'í Temple Unity" in de Verenigde Staten van Amerika; het stichten van plaatselijke fondsen voor het bevorderen van Bahá'í activiteiten; de aankoop van grond bestemd voor het Geloof en zijn toekomstige instellingen; het stichten van uitgeverijen voor de verspreiding van Bahá'í literatuur; de oprichting van de eerste Mashriqu'l-Adhkár van de Bahá'í wereld; de bouw van het mausoleum voor de Báb op de berg Carmel; het inrichten van passende accommodatie voor reizende leraren en pelgrims - dit alles mag men zien als de voorboden van de instellingen die, onmiddellijk na het afsluiten van het heroïsche tijdperk van het Geloof, permanent en stelselmatig zouden worden opgericht over de gehele Bahá'í wereld.

Nog maar nauwelijks waren de voorzieningen van dat goddelijke handvest dat de hoofdlijnen van het Bestuursstelsel van het Geloof van Bahá'u'lláh aangaf, aan Zijn volgelingen bekendgemaakt, of zij begonnen op de fundamenten die met de levens van de helden, heiligen en martelaren van dat Geloof waren gelegd, de eerste fase te bouwen van het raamwerk van zijn bestuursinstellingen. Zich wel bewust van de noodzaak om als eerste stap in die richting een brede en hechte basis te leggen, waarop de pijlers van dat machtige bouwwerk zouden worden opgetrokken; terdege op de hoogte, dat op deze pijlers, wanneer die eenmaal stevig zijn gevestigd, de koepel, de laatste eenheid die tenslotte het gehele gebouw zal bekronen, moet rusten; niet uit de koers gebracht door de crisis die de verbondsbrekers in het Heilige Land hadden teweeggebracht, of door de opwinding die de onruststokers in Egypte hadden veroorzaakt; of de verwarring die voortkwam uit het in beslag nemen van het Huis van Bahá'u'lláh in Baghdád door de Shí'ah gemeenschap; of de toenemende gevaren waarmee het Geloof in Rusland werd geconfronteerd; of de verachting en de bespotting waarmee de eerste activiteiten van de amerikaanse Bahá'í gemeenschap van bepaalde kanten - die hun doelstellingen volledig verkeerd hadden uitgelegd - werden begroet; zo namen de pionierbouwers van een goddelijk ontworpen Stelsel in volkomen eensgezindheid, en ondanks de grote verscheidenheid van levensopvatting, gewoonten en taal, de dubbele taak op zich van het vestigen en consolideren van hun plaatselijke Raden, gekozen door alle gelovigen en bestemd om de activiteiten van de volgelingen van een wijd verspreid Geloof te leiden, te bundelen en uit te breiden. In Perzië, de Verenigde Staten van Amerika, het Dominion Canada, Groot-Brittannië en Ierland, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, India, Burma, Egypte, Irak, Russisch Turkistán, de Kaukasus, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika, Turkije, Syrië, Palestina, Bulgarije, Mexico, de Filippijnen, op Jamaica, in Costa Rica, Guatemala, Honduras, San Salvador, Argentinië, Uruguay, Chili, Brazilië, Ecuador, Colombia, Paraguay, Peru, Alaska, Cuba, Haïti, Japan, de Hawaii eilanden, in Tunesië, Puerto Rico, Balúchistán, Rusland, Trans-Jordanië, Libanon en in Abessinië werden zulke Raden, die de basis vormen van het opkomende Stelsel van een lang vervolgd Geloof, geleidelijk opgericht. Aangeduid als "Geestelijke Raden" - een naam die na verloop van tijd zal worden vervangen door de permanente en meer zeggende benaming van "Huizen van Gerechtigheid", die hun gegeven werd door de Auteur van de Bahá'í Openbaring; zonder uitzondering gevormd in iedere stad, plaats of dorp waar negen of meer meerderjarige gelovigen wonen; jaarlijks en rechtstreeks gekozen op de eerste dag van het grootste Bahá'í Feest door alle meerderjarige mannelijke en vrouwelijke gelovigen; bekleed met een gezag waardoor zij voor hun handelingen en besluiten geen verantwoording verschuldigd zijn aan hun kiezers; zich plechtig verbindend om onder alle omstandigheden de voorschriften op te volgen van de "Grootste Gerechtigheid", die enkel en alleen het door Bahá'u'lláh aangekondigde rijk van de "Grootste Vrede" kan inluiden en dat tenslotte moet vestigen; belast met de verantwoordelijkheid om te allen tijde de voornaamste belangen van de gemeenschappen binnen hun rechtsgebied te bevorderen, hen vertrouwd te maken met hun plannen en activiteiten en hen uit te nodigen iedere aanbeveling te doen die zij zouden wensen; bekend met hun niet minder belangrijke taak om, door onderling contact met alle liberale en menslievende bewegingen, de universaliteit en veelomvattendheid van hun Geloof aan te tonen; volkomen los van alle sectarische organisaties, hetzij religieus of werelds; bijgestaan door comité's die ieder jaar opnieuw door hen worden benoemd en die aan hen rechtstreeks verantwoording zijn verschuldigd, terwijl aan ieder comité een bepaald deel van de Bahá'í activiteiten ter bestudering en uitvoering wordt toegewezen; financieel gesteund door plaatselijke fondsen, waaraan alle gelovigen vrijwillig bijdragen; deze Raden, de vertegenwoordigers en behoeders van het Geloof van Bahá'u'lláh, - waarvan er momenteel enkele honderden zijn en welker leden afkomstig zijn uit de onderscheidene rassen, geloofsovertuigingen en klassen waaruit de wereldomvattende Bahá'í gemeenschap wordt gevormd - hebben in de afgelopen twintig jaar, dank zij hun prestaties, rijkelijk aangetoond dat zij er recht op hebben te worden beschouwd als de voornaamste krachten van de Bahá'í samenleving en de uiteindelijke fundering van haar bestuursstructuur.

Bahá'u'lláh's uitdrukkelijk bevel in Zijn Kitáb-i-Aqdas luidt, "De Heer heeft beschikt, dat in iedere stad een Huis van Gerechtigheid wordt opgericht, waarin raadsleden zullen samenkomen tot een aantal van Bahá (9), en mocht het dit aantal overtreffen, dan is dat ook goed. Het betaamt hun de vertrouwelingen te zijn van de Barmhartige onder de mensen en zich zelf te zien als de behoeders die door God zijn aangesteld voor allen die op aarde wonen. Het is hun plicht samen te beraadslagen en terwille van God rekening te houden met de belangen van Zijn dienaren, net zoals zij rekening houden met hun eigen belangen en datgene te kiezen wat gepast en betamelijk is". 'Abdu'l-Bahá getuigt in een Tafel tot een amerikaanse gelovige "Deze Geestelijke Raden worden geholpen door de geest van God. Hun beschermer is 'Abdu'l-Bahá. Over hen spreidt hij zijn vleugelen uit. Welke genade is groter dan deze ?" In dezelfde Tafel verklaart hij, "Deze Geestelijke Raden zijn lichtende lampen en hemelse tuinen, van waaruit de geuren van heiligheid over alle gebieden worden verspreid, en het licht van kennis over al het geschapene wordt uitgegoten. Uit hen stroomt de levensgeest in alle richtingen. Zij zijn waarlijk de krachtige bronnen van de vooruitgang van de mens, te allen tijde en onder alle omstandigheden". Hun ongetwijfeld van God gegeven gezag heeft hij als volgt beschreven, "Het is ieders plicht geen stap te doen zonder de Geestelijke Raad te raadplegen en allen moeten beslist met hart en ziel haar bevelen opvolgen en er zich aan onderwerpen, opdat alles op de juiste wijze kan worden geschikt en geregeld". Verder schreef hij, ".Als er na een bespreking met algemene stemmen een besluit wordt genomen, dan is alles in orde; maar indien, wat de Heer verhoede, er verschil van mening ontstaat, dan moet de meerderheid van stemmen beslissen".

Nadat zij hun plaatselijke Raden hadden opgericht - waarvan de architect van het Bestuursstelsel van het Geloof van Bahá'u'lláh hun had opgedragen het fundament te leggen - begaven zijn volgelingen in oost en west zich zonder aarzelen in het volgende en veel moeilijkere stadium van hun verheven onderneming. In landen waar de plaatselijke Bahá'í gemeenschappen in voldoende aantal aanwezig waren en aan invloed hadden gewonnen, werden er maatregelen genomen voor het instellen van Nationale Raden, de spil waaromheen alle nationale werkzaamheden moesten draaien. Door 'Abdu'l-Bahá in zijn Testament aangeduid als de "Secundaire Huizen van Gerechtigheid", zijn zij de kiesgerechtigde lichamen voor de vorming van het Internationale Huis van Gerechtigheid, en zijn gemachtigd de activiteiten van zowel de enkeling als de plaatselijke Raden binnen hun rechtsgebied te leiden, te bundelen, te coördineren en te stimuleren. Rustende op de brede fundering van georganiseerde plaatselijke gemeenschappen, en zelf de pijlers die de instelling dragen van wat men moet beschouwen als de top van het Bahá'í Bestuursstelsel, worden deze Raden gekozen volgens het beginsel van evenredige vertegenwoordiging, door gedelegeerden uit de plaatselijke Bahá'í gemeenschappen die samenkomen op een Conventie in de periode van het Ridván Feest; ze zijn bekleed met het nodige gezag om de harmonieuze en efficiënte ontwikkeling van Bahá'í activiteit binnen hun respectieve gebieden te verzekeren; ze zijn geen enkele rechtstreekse verantwoording verschuldigd aan hun kiezers voor hun beleid en besluiten; ze hebben de heilige plicht de inzichten te vernemen, aanbevelingen aan te horen en het vertrouwen en de samenwerking te winnen van de gedelegeerden en hen bekend te maken met hun plannen, problemen en werkwijze; en ze worden gesteund door de gelden uit nationale fondsen waartoe iedere gelovige wordt aangespoord bij te dragen. Deze nationale lichamen zijn opgericht in de Verenigde Staten van Amerika in 1925 (de Nationale Raad verving in dat land de instelling van de "Bahá'í Temple Unity" die was opgericht tijdens 'Abdu'l-Bahá'í beleid), in Groot-Brittannië en Ierland in 1923, in Duitsland in 1923, in Egypte in 1924, in Irak in 1931, in India in 1923, in Perzië in 1934 en in Australië in 1934; ze worden jaarlijks opnieuw gekozen door gedelegeerden wier aantal naar nationale behoefte werd gesteld op 9, 19,95 0f 171 (9 x 19) en zo hebben ze met hun vestiging de geboorte van een nieuw tijdvak in het vormende tijdperk van het Geloof aangegeven en een verder stadium gemarkeerd in de ontwikkeling, de eenmaking en de consolidatie van een voortdurend groeiende gemeenschap. Deze Nationale Bahá'í Raden worden bijgestaan door nationale comité's, die aan hen verantwoording zijn verschuldigd en door hen, zonder aanzien des persoons, zijn gekozen uit alle gelovigen binnen hun rechtsgebied, waarbij aan ieder van hen een speciaal werkterrein is toegewezen voor het verlenen van diensten; en zo hebben ze bij het gestadig groeien van de omvang van hun activiteiten op opmerkelijke wijze bewezen - en wel door de geest van discipline die ze in acht hebben genomen en door het onvoorwaardelijk aanvaarden van de beginselen die hen in staat hebben gesteld boven alle vooroordelen van ras, afkomst, klasse of huidkleur uit te stijgen -, de veelvoudige bedrijvigheden van een sinds kort geconsolideerd Geloof te kunnen besturen.

Ook die nationale comité's zijn niet minder energiek en toegewijd geweest in de uitvoering van hun respectieve werkzaamheden, zoals in de verdediging van de levensbelangen van het Geloof en in de uiteenzetting van zijn leerstellingen; in de verspreiding van literatuur; in de consolidatie van de financiën; in de organisatie van zijn onderrichtploeg; in de bevordering van de solidariteit van de samenstellende delen; in de aankoop van historische stukken grond; in het bewaren van zijn gewijde documenten, schatten en relikwieën; in zijn contacten met de verschillende instellingen der samenleving waarvan het een onderdeel vormt; in de opleiding van zijn jeugd; in het grootbrengen van kinderen en in de verbetering van de positie van de vrouwelijke aanhangers in het oosten. De leden van deze zo verschillende werkgemeenschappen die werken onder auspiciën van de gekozen nationale vertegenwoordigers van de Bahá'í gemeenschap, hebben in ruime mate hun kundigheid getoond om met succes de veelvoudige levensbelangen te bevorderen. Alleen al de opsomming van de nationale comité's die voornamelijk in het westen ontstonden en met voorbeeldige efficiëntie functioneerden in de Verenigde Staten en Canada, en nu hun activiteiten voortzetten met een overtuiging en eensgezinde doelbewustheid die scherp afsteken tegen de afgeleefde instellingen van een stervende beschaving, zou voldoende moeten zijn om de omvang te onthullen van deze hulpinstellingen, die een groeiend Bestuursstelsel dat nog steeds in het secundaire stadium van zijn ontwikkeling verkeert, in beweging heeft gezet: het Onderricht Comité; de Regionale Onderricht Comité's; het Inter-Amerika Comité; Het Uitgevers Comité; het Comité voor Rasseneenheid; het Jeugd Comité; het Revisie Comité; het Comité Tempelonderhoud; het Comité Tempelprogramma; het Comité Tempelgidsen; het Comité Tempelbibliotheek en Boekenverkoop; de Comité's voor Diensten van Jongens en Meisjes; het Kinder Opvoedingscomité; de Comité's voor vooruitgang, onderricht en programma's voor Vrouwen; het Juridisch Comité; het Comité Archief en Geschiedenis; het Volkstelling-Comité; het Comité Bahá'í tentoonstellingen; het Bahá'í-Nieuws Comité; het Comité Bahá'í Nieuwsdienst; het Braille Comité; het Comité Belangstellenden; het Diensten Comité; het Redactie Comité; het Register Comité; het Bibliotheek Comité; het Radio Comité; het Accountant Comité; het Jaarlijks Souvenir Comité; het "Bahá'í World" Redactie Comité; het Studie Comité; het Comité Internationale Hulptaal; het Comité Instituut Bahá'í Opvoeding; het Comité Tijdschrift "World Order"; het public relations Comité; het Bahá'í Scholen Comité; de Zomerscholen Comité's; het Internationale Scholen Comité; het Brochure Comité; het Bahá'í Begraafplaats Comité; het Hazíratu'l-Quds Comité; het Mashriqu'l-Adhkár Comité; het Comité Ontwikkeling Raden; het Comité Nationale Geschiedenis; het Comité Wisselend Materiaal; het Comité Gratis Literatuur; het Vertaal Comité; het Comité voor het Catalogiseren van Tafels; het Comité voor het Uitgeven van Tafels; het Comité Grondbezit; het Verificatie Comité; het Publiciteits Comité; het Comité voor oost en west; het Welzijns Comité; het Comité voor de Transcriptie van Tafels; het Comité Reizende Leraren; het Comité Heilige Plaatsen; het Kinder Spaarbank Comité.

Het oprichten van plaatselijke en nationale Raden, en de daarop volgende vorming van plaatselijke en nationale comité's, optredend als noodzakelijke hulp van de gekozen vertegenwoordigers van de Bahá'í gemeenschappen in oost en west waren, hoe opmerkelijk in wezen ook, pas het voorspel tot een aantal ondernemingen van de kant van de zojuist gevormde Nationale Raden, die in niet geringe mate hebben bijgedragen tot de eenmaking van de Bahá'í wereldgemeenschap en de consolidatie van het Bestuursstelsel. De eerste stap in die richting was het ontwerpen en aannemen van een nationale Bahá'í constitutie, voor het eerst opgezet en uitgevoerd door de gekozen vertegenwoordigers van de amerikaanse Bahá'í gemeenschap in 1927, waarvan de tekst, met geringe wijzigingen voor aanpassing aan nationale behoeften, sindsdien is vertaald in het arabisch, duits en perzisch, en die thans het handvest vormt van de Nationale Geestelijke Raden van de Bahá'ís van de Verenigde Staten en Canada, van Groot-Brittannië en Ierland, van Duitsland, Perzië, Irak, India en Burma, Egypte en Soedan, en van Australië en Nieuw-Zeeland. Deze nationale constitutie kondigt de formulering aan van de samenstelling van de toekomstige Bahá'í wereldgemeenschap; is ter overweging voorgelegd aan alle plaatselijke Raden en goedgekeurd door alle erkende gelovigen in landen met een nationale Raad; en ze is aangevuld met een soortgelijk document dat de reglementen van plaatselijke Bahá'í Raden bevat, dat voor het eerst in november 1931 door de Bahá'í gemeenschap van New York is opgesteld en als grondpatroon voor alle plaatselijke Bahá'í constituties is aangenomen. De tekst van deze nationale constitutie bevat een "Declaration of Trust", waarvan de artikelen de aard en de doelstellingen van de nationale Bahá'í gemeenschap uiteenzetten, de functies vaststellen, het centrale kantoor ervan aanwijzen en het officiële zegel beschrijven van het lichaam van de gekozen vertegenwoordigers, en ook een aantal verordeningen geeft die de positie, de wijze van verkiezing, de bevoegdheden en plichten van zowel de plaatselijke als de nationale Raden bepalen; de verhouding van de Nationale Raad tot het Internationale Huis van Gerechtigheid en tot de plaatselijke Raden en de gelovigen beschrijven; de rechten en plichten van de Nationale Conventie en de relatie tussen deze en de Nationale Raad in hoofdlijnen aangeven; de aard beschrijven van de Bahá'í verkiezingen en de vereisten voor het stemgerechtigd lidmaatschap in alle Bahá'í gemeenschappen neerleggen.

Het opstellen van deze bepalingen van zowel plaatselijke als nationale aard, die in elk opzicht identiek waren in hun voorschriften, verschafte de noodzakelijke fundering voor de wettelijke erkenning van deze bestuursinstellingen, overeenkomstig de wettelijke verordeningen die over religieuze en commerciële lichamen zeggenschap hebben. Door deze Raden een wettelijke positie te geven, versterkte men deze erkenning van rechtspersoonlijkheid en vergrootte hun capaciteit, en in dit opzicht hebben de totstandbrenging van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van de Verenigde Staten en Canada en de Geestelijke Raad van de Bahá'ís van New York opnieuw een prestatie geleverd die hun zuster-raden in oost en west met recht tot voorbeeld kan strekken. De wettelijke erkenning van de amerikaanse Nationale Geestelijke Raad als een van vrijwillige bijdragen bestaande stichting, een soort corporatie die valt onder het gewoonterecht en daarmee in staat is contracten aan te gaan, land in bezit te hebben en legaten in ontvangst te nemen krachtens een certificaat, uitgegeven in mei 1922, met het officiële zegel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Washington en met de handtekening van minister Henry L. Stimson, werd gevolgd door het aannemen van soortgelijke wettelijke maatregelen die respectievelijk resulteerden in de wettelijke erkenning van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van India en Burma in Lahore in de staat Punjab in januari 1933, overeenkomstig de voorschriften van de Akte va Registratie van Genootschappen van 1860; van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís in Egypte en Soedan in december 1934, bekrachtigd door het Gemengde Hof in Cairo; van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'í's van Australië en Nieuw-Zeeland in januari 1938, ingeschreven door de gevolmachtigde registratiegriffier van het Algemene Registratiekantoor van de staat Zuid- Australië; en van recenter datum van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Groot-Brittannië en Ierland in augustus 1939, als een Naamloze Vennootschap zonder winstbejag, bij de "Companies Act" (Wet op de Vennootschappen) van 1929 en ingeschreven door de Hulpgriffier van Vennootschappen van de stad Londen.

Parallel met de wettelijke erkenning van deze Nationale Raden kreeg een veel groter aantal plaatselijke Bahá'í Raden op dezelfde wijze rechtspersoonlijkheid, (waarbij als voorbeeld diende de Bahá'í Raad van Chicago die vanaf februari 1932 zelfstandig optrad) in landen verspreid over de gehele wereld zoals de Verenigde Staten van Amerika, India, Mexico, Duitsland, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, Burma, Costa Rica, Balúchistán en de Hawaii eilanden. Nadat ze de tekst van vrijwel identieke plaatselijke Bahá'í statuten in hun respectieve staten hadden overlegd, slaagden al deze Geestelijke Raden van de Bahá'ís er langzamerhand in zichzelf onder te brengen in genootschappen en corporaties die door de wet waren erkend en die onder de bescherming stonden van de burgerlijke verordeningen die in hun respectieve landen van kracht waren. Enkele met name genoemde plaatselijke Raden zijn: Esslingen in Duitsland, Mexico City in Mexico, San José in Costa Rica, Sydney en Adelaïde in Australië; Auckland in Nieuw-Zeeland, Delhi , Bombay, Karachi, Poona, Calcutta, Secunderabad, Bangalore, Vellore, Ahmedabad, Serampore, Andheri en Baroda in India, Tuetta in Balúchistán, Rangoon, Mandalay en Daidanow Kalazoo in Burma, Montreal en Vancouver in Canada, Honolulu op de Hawaii eilanden en Chicago, New York, Washington (D.C.), Boston, San Francisco, Philadelphia, Kenosha, Teaneck, Racine, Detroit, Cleveland, Los Angeles, Milwaukee, Minneapolis, Cincinnati, Winnetka, Phoenix, Columbus, Lima, Portland, Jersey City, Wilmette, Peoria, Seattle, Binghamton, Helena, Richmond Highlands, Miami, Pasadena, Oakland, Indianapolis, St. Paul, Berkeley, Urbana, Springfield en Flint in de Verenigde Staten van Amerika.

Net zoals de formulering van Bahá'í constituties voor het fundament had gezorgd voor de erkenning als rechtspersoon van Bahá'í Geestelijke Raden, zo effende de erkenning verleend door de plaatselijke en nationale autoriteiten aan de gekozen vertegenwoordigers van Bahá'í gemeenschappen, de weg voor het instellen van nationale en plaatselijke Bahá'í schenkingen - een historische onderneming die, zoals het geval was geweest met vorige prestaties van verstrekkend belang, de amerikaanse Bahá'í gemeenschap als eerste lanceerde. In de meeste gevallen konden deze schenkingen vanwege hun religieuze karakter worden vrijgesteld van rijks- of gemeentebelasting als gevolg van een verzoekschrift dat door de als rechtspersoon erkende Bahá'í lichamen bij de burgerlijke autoriteiten werd ingediend, hoewel de waarde van de bezittingen die op die manier onder de vrijstelling viel, in meer dan een land opliep tot een aanzienlijk bedrag.

Bij de nationale bezittingen van het Geloof - die in de Verenigde Staten va Amerika thans reeds eendriekwart miljoen dollar in activa bedragen, en zijn vastgelegd door een reeks stichtingscontracten die in 1928, 1929, 1935, 1938, 1939, 1941 en 1942 tot stand zijn gekomen door de bemiddeling van de Nationale Geestelijke Raad van dat land, die optrad als bewindvoerder van de amerikaanse Bahá'í gemeenschap - kunnen ook gerekend worden: de grond en de in aanbouw zijnde Mashriqu'l-Adhkár en de conciërgewoning in Wilmette in Illinois; de aangrenzende Hazíratu'l-Quds (nationaal Bahá'í hoofdkwartier) met zijn afdeling voor de administratie; het studentenhuis; het broederschapshuis; de Bahá'í collegezaal; de werkruimte voor kunsten en ambachten, een boerderij, een aantal woningen, verscheidene percelen land waarbij inbegrepen de pachthoeve op de Monsalvat (gezegend door de voetstappen van 'Abdu'l-Bahá), in Green Acre in Main; het huis van de familie Bosch, de Bahá'í collegezaal, een boomgaard, de Redwood Grove, een logeergebouw en boerderijcomplexen in Geyserville in Californië; het huis van Roy Wilhelm, "Evergreen Cabin", een klein pijnboombos en zeven stukken grond met gebouwen in West Englewood in New Jersey - waar 'Abdu'l-Bahá in juni 1912 het gedenkwaardige Feest van Eenheid gaf voor de Bahá'ís van New York en onmiddellijke omgeving; het huis van Miss Wilson dat hij met zijn bezoek vereerde, en land in Malden in Massachusetts; het huis van Miss Matthew en boederijcomplexen in Pine Valley in Colorado; het land in Muskegon in Michigan en een stuk grond voor een begraafplaats in Portsmouth in New Hampshire.

Van nog groter belang, en in hun totaal verre de waarde van de nationale bezittingen van de amerikaanse gemeenschap te boven gaand, zijn de aanwinsten die het Geloof in het land van zijn oorsprong bezit, hoewel hun koopakten, vanwege de wettelijke belemmeringen voor de perzische Bahá'í gemeenschap om hun nationale en plaatselijke Raden erkend te krijgen, in beheer zijn bij individuele gelovigen. Aan het huis van de Báb in Shíráz en het ouderlijk huis van Bahá'u'lláh in Tákur in Mázindarán, die reeds in de dagen van 'Abdu'l-Bahá'í beleid tot het bezit van de gemeenschap behoorden, zijn sedert zijn heengaan nog uitgestrekte stukken land toegevoegd, o.a. in de buitenwijken van de hoofdstad, op de helling van de berg Alburz1 die uitziet over de geboortestad van Bahá'u'lláh, en waartoe ook een boerderij, een tuin en een wijngaard behoren; dit gebied beslaat meer dan drie en een half miljoen vierkante meter en is in de toekomst bestemd voor de eerste Mashriqu'l-Adhkár in Perzië. Andere aanwinsten die in ruime mate tot een vergroting van het aantal bezittingen in dat land hebben bijgedragen zijn o.a. het huis waar Bahá'u'lláh in Tihrán is geboren; verscheidene gebouwen naast het huis van de Báb in Shíráz, waaronder het huis waarvan Zijn oom van moederszijde de eigenaar was; de Hazíratu'l-Quds in Tihrán; de winkel waarin de Báb zaken deed in de jaren dat Hij koopman was in Búshihr; een wijk van het dorp Chihríq waar Hij was opgesloten; het huis van Hájí Mírzá Jání waar Hij enige tijd verbleef op weg naar Tabríz; het openbare badhuis waarvan Hij in Shíráz gebruik maakte en enkele belendende huizen; de helft van het huis van Vahíd in Nayríz en een deel van het huis van Hujjat in Zanján; de drie tuinen die Bahá'u'lláh had gehuurd in het gehucht Badasht; de plek van het graf van Quddus in Bárfurush; het huis van Kalantar in Tihrán, het toneel van Táhirih's opsluiting; het openbare badhuis dat de Báb bezocht toen Hij in Arúmíyyih in Ádhirbáyján was; het huis van Mírzá Husayn-'Alíy-i-Núr, waar de stoffelijke resten van de Báb verborgen waren geweest; de Bábíyyih en het huis van Mullá Husayn in Mashdad; het woonhuis van de Sultánu'sh-Shuhadá (koning der Martelaren) en van Mahbúbu'sh-Shuhadá (geliefde der Martelaren) in Isfáhán, alsmede een aanzienlijk aantal terreinen, huizen en begraafplaatsen die alle een associatie hebben met de helden en martelaren van het Geloof. Deze bezittingen die, op een enkele uitzondering na, kort geleden in Perzië zijn verworven, worden nu in stand gehouden en jaarlijks uitgebreid, en waar nodig zorgvuldig gerestaureerd door de onverdroten inspanningen van een speciaal aangesteld nationaal comité dat werkt onder het voortdurend en algemeen toezicht van de gekozen vertegenwoordigers van de perzische gelovigen.

Wij kunnen ook niet nalaten melding te maken van de verscheidenheid en het voortdurend in getal toenemende nationale bezit dat, vanaf de inwerkingtreding van het Bestuursstelsel van het Geloof van Bahá'u'lláh, langzaam maar zeker in andere landen is verworven, zoals in India, Burma, Groot-Brittannië en Ierland, Duitsland, Irak, Egypte, Australië, Transjordanië en Syrië. Van deze moeten eigenlijk speciaal worden vermeld de Hazíratu'l-Quds van de Bahá'ís van Irak, de Hazíratu'l-Quds van de Bahá'ís van Egypte, de Hazíratu'l-Quds van de Bahá'ís van India, de Hazíratu'l-Quds van de Bahá'ís van Australië, het Bahá'í tehuis in Esslingen, de uitgeversmaatschappij van de Bahá'ís van Groot-Brittannië en Ierland, het Bahá'í pelgrimshuis in Baghdád en de Bahá'í begraafplaatsen in de hoofdsteden van Perzië, Egypte en Turkistán. Of zij er nu in de vorm van land, scholen, bestuurskantoren, secretariaten, bibliotheken, begraafplaatsen, gastverblijven of uitgeverijen waren, deze wijd en zijd verspreide bezittingen - die voor een deel waren geregistreerd op naam van de erkende Nationale Raden, en voor een deel beheerd werden door individuele erkende gelovigen - hebben hun deel bijgedragen zowel aan de onafgebroken uitbreiding van nationale Bahá'í bezittingen, als aan de consolidatie van hun grondslag. Van vitaal belang, hoewel minder opmerkelijk, zijn bovendien de plaatselijke schenkingen geweest, die de nationale bezittingen van het Geloof aanzienlijk hebben aangevuld en die, tengevolge van de erkenning van plaatselijke Bahá'í Raden, wettelijk zijn vastgelegd en in verschillende landen in oost en west zijn beschermd. Speciaal in Perzië hebben deze bezittingen, in de vorm van land of bestuursgebouwen, scholen of andere instellingen, de omvang van de plaatselijke eigendommen van de wereldomspannende Bahá'í gemeenschap enorm uitgebreid.

Tegelijk met de vestiging en de erkenning van plaatselijke en nationale Raden, met de vorming van hun respectieve comité's, de formulering van nationale en plaatselijke constituties en het instellen van Bahá'í schenkingen, werden er ondernemingen van grote institutionele betekenis gelanceerd door deze pas opgerichte Raden, waaronder de instellingen van de Hazíratu'l-Quds - de zetel van de Nationale Bahá'í Raad, de kern van alle bestuurlijke Bahá'í activiteit in de toekomst - als een van de belangrijkste moet worden aangemerkt. Voor het eerst in Perzië ontstaan, nu algemeen bekend onder zijn officiële en zeer kenmerkende benaming, de "gewijde schaapskooi" en een opmerkelijke vooruitgang aangevend in een groeiproces waarvan het eerste beginstadium kan worden teruggebracht tot de heimelijke bijeenkomsten die soms in het holst van de nacht werden gehouden door de vervolgde aanhangers van het Geloof in dat land - deze instelling, nu nog in de eerste fasen van haar ontwikkeling, heeft reeds haar aandeel gehad in de consolidatie van de interne functies van de organische Bahá'í gemeenschap en leverde een nader bewijs van haar gestadige groei en toenemende kracht. Deze instelling die een aanvulling vormt op die van de Mashriqu'l-Adhkár - een gebouw dat uitsluitend dienst doet voor Bahá'í erediensten - zal, of ze nu plaatselijk of nationaal is, evenals haar onderafdelingen zoals het secretariaat, de schatkist, de archieven, de bibliotheek, de uitgeverij, de vergaderzaal, de raadkamer en het gastverblijf voor pelgrims, worden samengebracht onder één dak om op één plek te werken; dit zal in toenemende mate worden beschouwd als het brandpunt van alle Bahá'í activiteit op bestuurlijk gebied en op gepaste wijze het ideaal van dienstbaarheid symboliseren die de Bahá'í gemeenschap in haar relatie tot het Geloof en tot de mensheid in het algemeen bezielt.

In de Mashriqu'l-Adhkár die dor Bahá'u'lláh in Zijn Kitáb-i-Aqdas is ingesteld als een bedehuis zullen de vertegenwoordigers van de plaatselijke en nationale gemeenschappen, wanneer zij dagelijks bij zonsopgang binnen zijn muren zullen samenkomen, de nodige inspiratie verkrijgen die hen in staat zal stellen in de loop van hun iedere dag terugkerende werkzaamheden in de Hazíratu'l-Quds - het terrein van hun bestuurlijke activiteiten - zich van hun plichten en verantwoordelijkheden te kwijten, zoals dat de gekozen beheerders van Zijn Geloof betaamt.

Reeds zijn de eerste stappen gedaan: aan de oever van het Michigan meer, aan de rand van het eerste Bahá'í centrum op het amerikaanse continent en in de omgeving van de eerste Mashriqu'l-Adhkár van het westen; in de hoofdstad van Perzië, de bakermat van het Geloof; nabij het Grootst Huis in Baghdád; in 'Ishqábád, vlakbij de eerste Mashriqu'l-Adhkár van de Bahá'í wereld; in de hoofdstad van Egypte, het voornaamste centrum van zowel de arabische als de islamitische werelden; in Delhi, de hoofdstad van India, en zelfs in Sydney in het verre Australië; deze zullen tenslotte moeten culmineren in de vestiging - in alle glans en grootheid - van de nationale bestuurszetels van de Bahá'í gemeenschappen in deze landen.

In de bovengenoemde landen, en ook in enkele andere, zijn bovendien op plaatselijk niveau de voorbereidende stappen gedaan voor de vestiging van deze instellingen, in de vorm van een huis dat de Bahá'í gemeenschap huurt of reeds bezit, en waartoe in eerste instantie de talrijke dienstgebouwen gerekend moeten worden, die de gelovigen ondanks wettelijke belemmeringen, in verschillende provincies van Perzië hebben kunnen kopen of bouwen.

Een even belangrijke factor in de ontplooiing van het Bestuursstelsel is de opmerkelijke vooruitgang die in het bijzonder in de Verenigde Staten van Amerika is geboekt door het instellen van de zomerscholen, die bedoeld zijn om het gevoel van kameraadschap in een uitgesproken Bahá'í sfeer aan te kweken, aan Bahá'í leraren de nodige opleiding te geven en de mogelijkheden te verschaffen voor de bestudering van de geschiedenis en de leringen van het Geloof, en voor een beter begrip van zijn relatie tot andere geloven en tot de menselijke samenleving in het algemeen.

In drie regionale centra voor d drie belangrijkste afdelingen van het noordamerikaanse continent: In Geyserville in de californische heuvels in 1927; in Green Acre, aan de oever van de Pascataqua in Maine in 1929; en in Louhelen Ranch bij Davison in Michigan in 1931, en sinds kort nog aangevuld met de Internationale School gevestigd in Pine Valley in Colorado Springs en gewijd aan de opleiding van Bahá'í leraren die in andere landen, en wel speciaal in Zuid-Amerika, willen werken; in die drie centra zijn drie embryonale Bahá'í onderrichtinstellingen opgericht, die met de voortdurende uitbreiding van hun programma's een voorbeeld hebben gesteld, dat navolging verdient bij andere Bahá'í gemeenschappen in oost en west. Door de intensieve studie van de Bahá'í geschriften en van de eerste geschiedenis van het Geloof; het organiseren van cursussen over de leringen en de geschiedenis van de Islam; conferenties ter bevordering van vriendschappelijke verhoudingen tussen de verschillende rassen; werkcursussen om de deelnemers vertrouwd te maken met de verschillende werkwijzen van het Bahá'í Bestuursstelsel; speciale zittingen die geheel worden gewijd aan de jeugd en de opleiding van kinderen; lessen voor spreken in het openbaar; lezingen over vergelijkbare godsdienstwetenschap; groepsdiscussies over de vele aspecten van het Geloof; het inrichten van bibliotheken; lessen in het geven van onderricht; cursussen over Bahá'í ethiek en over Zuid-Amerika; het invoeren van winterschoolbijeenkomsten; forums en gebedsbijeenkomsten; het opvoeren van toneelstukken en tableaux en door picnics en andere activiteiten op het gebied van recreatie, hebben deze scholen, die open zijn voor Bahá'ís en niet-Bahais, tot zo'n groots voorbeeld gestrekt, dat ze andere Bahá'í gemeenschappen in Perzië, Groot-Brittannië en Ierland, Duitsland, Australië, Nieuw Zeeland, India, Irak en Egypte hebben geïnspireerd tot het gaan nemen van maatregelen om hen in de gelegenheid te stellen langs dezelfde weg instellingen op te richten, die beloven uit te groeien tot de Bahá'í universiteiten van de toekomst.

Naast andere factoren die tot de uitbreiding en de oprichting van het Bestuursstelsel hebben bijgedragen, mogen worden genoemd de georganiseerde activiteiten van de Bahá'í jeugd die in Perzië en de Verenigde Staten van Amerika al goede vorderingen hebben gemaakt, en waarmee onlangs in India, Groot-Brittannië en Ierland, Duitsland, Irak, Egypte, Australië, Bulgarije, de Hawaii eilanden, in Hongarije en Havana een begin is gemaakt. Deze activiteiten behelzen o.a. jaarlijkse Bahá'í jeugdsymposiums over de hele wereld, bulletins en tijdschriften voor de jeugd, jeugdzittingen op Bahá'í zomerscholen, een internationaal bureau voor correspondentie, faciliteiten voor het registreren van jonge mensen die tot het Geloof wensen toe te treden, de publicatie van hoofdlijnen en verwijzingen voor de studie van de leringen, en de organisatie van een Bahá'í studiegroep als officiële activiteit in universiteitsverband aan een toonaangevende amerikaanse universiteit. Ze omvatten bovendien "studiedagen" die worden gehouden ten huize van Bahá'ís en in Bahá'í centra, lessen in esperanto en andere talen, het opzetten van Bahá'í bibliotheken, het openen van leestafels, het maken van Bahá'í toneelstukken en tableaux, het wedijveren in welsprekendheid, de opvoeding van wezen, het organiseren van lessen voor spreken in het openbaar, het houden van bijenkomsten die de herinnering aan historische Bahá'í personen levendig houden, onderlinge conferenties van groepen uit diverse regionale kringen, en jeugdvergaderingen die worden gehouden in verband met de jaarlijkse Bahá'í Conventies.

Nog andere factoren die de ontwikkeling van dat Stelsel bevorderen en bijdragen tot de consolidatie ervan, waren o.a.: de vaste instelling van het Negentiendaagse Feest, zoals dat in de meeste Bahá'í gemeenschappen in oost en west wordt gehouden, met de drievoudige nadruk op de geestelijke, de consultatieve en de sociale aspecten van het Bahá'í gemeenschapsleven; een begin maken met activiteiten die bestemd zijn om een telling voor te bereiden van het aantal Bahá'í kinderen en voor hen werkklasjes te organiseren en hun gebedenboeken en kinderliteratuur te verschaffen; en het formuleren en publiceren van een verzameling gezaghebbende uiteenzettingen over het niet-politieke karakter van het Geloof, lidmaatschap van niet-Bahá'í organisaties, onderrichtmethoden, de Bahá'í houding ten aanzien van oorlog, de instelling van een jaarlijkse Conventie, de Bahá'í Geestelijke Raad, het Negentiendaagse Feest en het nationale fonds. Er moet bovendien worden gewezen op de vestiging van nationale archieven voor de verificatie, het bijeenbrengen, het vertalen, het catalogiseren en het bewaren van de Tafelen van Bahá'u'lláh en 'Abdu'l-Bahá en voor het bewaren van de heilige relikwieën en historische documenten; op de verificatie en het overschrijven van de oorspronkelijke Tafelen van de Báb, Bahá'u'lláh en 'Abdu'l-Bahá, die in het bezit zijn van oosterse gelovigen; het samenstellen van de gedetailleerde geschiedenis van het Geloof vanaf zijn ontstaan tot de huidige dag; het openen van een internationaal Bahá'í bureau in Genève; het districtsgewijs houden van Bahá'í conventies; de aankoop van historische plaatsen; het oprichten van Bahá'í bibliotheken van gedenkschriften en het initiatief voor een bloeiende spaarbank voor kinderen in Perzië.

Ook moet melding worden gemaakt van het officieel of niet-officieel deelnemen van vertegenwoordigers van deze pas gestichte nationale Bahá'í gemeenschappen aan de activiteiten en werkzaamheden van een grote verscheidenheid van congressen, verenigingen, vergaderingen en conferenties die in verschillende landen van Europa, Azië en Amerika worden gehouden voor de bevordering van religieuze eenheid, vrede, opvoeding, internationale samenwerking, onderlinge vriendschap tussen de rassen, en andere menslievende doeleinden. Met organisaties zoals de Conferentie van enkele levende Godsdiensten binnen het britse rijk, die in 1924 in Londen werd gehouden, en de Wereldbroederschap van Geloven, gehouden in 1936 in diezelfde stad; met de universele esperanto congressen die jaarlijks in verschillende hoofdsteden van Europa worden gehouden; met het Instituut voor intellectuele samenwerking; met de tentoonstelling "de Eeuw van de Vooruitgang" in 1933 in Chicago; met de wereldtentoonstelling in 1938 en 1939 in New York; met de internationale expositie "de Gouden Poort" in San Francisco in 1939; met de eerste conventie van het Religieuze Congres in Calcutta; met de tweede "All-India" culturele conferentie die werd gehouden in diezelfde stad; met de conventie van de "bond van alle Geloven" in Indore;2 met de Arya Samaj en de Brahmo Samaj conferenties; alsmede die van het Theosofische Genootschap en van de Conferentie van alle aziatische vrouwen, die werd gehouden in verschillende steden van India; met de Wereld Jeugdraad; met het congres van oosterse vrouwen in Tihrán; met de conferentie van de "Pan-Pacific Vrouwen" in Honolulu; met de Internationale vrouwenbond voor Vrede, en met de volkerenconferentie in Buenos Aires in Argentinië - met o.m. deze heeft men in de een of andere vorm betrekkingen aangeknoopt die een tweeledig doel hebben gediend: het aantonen van de universaliteit en veelomvattendheid van het Geloof van Bahá'u'lláh, en het onderhouden van vitale en duurzame banden tussen deze en de alom verbreide vestigingen van zijn Bestuursstelsel.

Evenmin moeten wij de contacten negeren of onderschatten, die werden gelegd tussen deze vestigingen en enkele van de hoogste gezagsorganen in het oosten en het westen, alsmede met de leidinggevende figuren van de Islam in Perzië en met de Volkenbond, en zelfs met vorstelijke personen, teneinde de rechten te verdedigen, of literatuur aan te bieden, of de doelstellingen van de volgelingen van het Geloof uiteen te zetten in hun niet aflatende pogingen om terwille van een Bestuursstelsel dat nog in de kinderschoenen staat, in het krijt te treden. De missives die de leden van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van de Verenigde Staten en Canada - de voorvechters van dat Stelsel - richtten aan de Hoge Commissaris van Palestina voor het teruggeven van de sleutels van de grafkamer van Bahá'u'lláh aan de rechtmatige beheerder; aan de sjah van Perzië bij wel vier gelegenheden om gerechtigheid voor hun vervolgde broeders binnen zijn machtsgebied; aan de perzische premier over hetzelfde onderwerp; aan koningin Marie van Roemenië, om haar dank te zeggen voor haar historische huldeblijk aan het Bahá'í Geloof; aan de leiders van de Islam in Perzië met een beroep op hun gevoel voor harmonie en vrede tussen de religies onderling; aan koning Feisal van Irak, teneinde de veiligheid van het Grootste Huis in Baghdád te waarborgen; aan de sovjet autoriteiten in Rusland ten behoeve van de Bahá'í gemeenschap aldaar; aan de duitse autoriteiten aangaande de wettelijke belemmeringen waaronder hun duitse broeders leden; aan de egyptische regering aangaande de vrijmaking van hun medegelovigen va het juk van de islamitische orthodoxie; aan het perzische kabinet in verband met het sluiten van perzische Bahá'í onderrichtinstellingen; aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, en de turkse ambassadeur in Washington en het turkse kabinet in Ankara ter verdediging van de belangen van het Geloof in Turkije; aan datzelfde Ministerie van Buitenlandse Zaken om faciliteiten voor het overbrengen van de stoffelijke resten van Lua Getsinger van het protestantse kerkhof in Cairo naar de eerste in Egypte aangelegde Bahá'í begraafplaats; aan de perzische gezant in Washington aangaande opdracht van Keith Ransom-Kehler; aan de koning van Egypte met begeleidende Bahá'í literatuur; aan de regeringen van de Verenigde Staten en Canada om de Bahá'í leringen over universele vrede uiteen te zetten; aan de roemeense gezant in Washington uit naam van de amerikaanse Bahá'ís ter gelegenheid van de dood van koningin Marie van Roemenië; en aan president Franklin D. Roosevelt om hem bekend te maken met Bahá'u'lláh's oproep die Hij in de Kitáb-i-Aqdas richtte tot de presidenten van de amerikaanse Republieken, benevens bepaalde gebeden, geopenbaard door 'Abdu'l-Bahá - dergelijke missives vormen op zichzelf een opmerkelijk en verhelderend hoofdstuk in de geschiedenis van de ontplooiing van het Bahá'í Bestuursstelsel.

Hieraan moeten worden toegevoegd de verzoeken die zowel vanuit het wereldcentrum van het Geloof, als door nationale en plaatselijke Bahá'í Raden, in telegramvorm of per brief, aan de Hoge Commissaris van Palestina werden gericht voor het overhandigen van de sleutels van de grafkamer van Bahá'u'lláh aan de oorspronkelijke beheerder; het beroep van de Bahá'í centra in oost en west op de iraakse autoriteiten voor de teruggave van het Huis van Bahá'u'lláh in Baghdád; het daarop volgende beroep op de britse Minister van Koloniën in aansluiting op de uitspraak in dat verband van het Hof van Appèl in Baghdád; de missives, gezonden aan de Volkenbond, uit naam van Bahá'í gemeenschappen in het oosten en het westen, om hun waardering uit te spreken voor de officiële uitspraak van de Volkenbondsraad ten gunste van de aanspraak die door Bahá'í requestranten was ingediend; en ook de vele briefwisselingen tussen het internationale centrum van het Geloof enerzijds, en het oervoorbeeld van de Bahá'í leraar, Martha Root, anderzijds; de correspondentie met koningin Marie van Roemenië die volgde op de bekendmaking van haar historische bijdrage aan het Geloof en de betuigingen van sympathie aan koningin Marie van Joegoslavië uit naam van de wereldomvattende Bahá'í gemeenschap ter gelegenheid van het overlijden van haar moeder; en aan de hertogin van Kent na de tragische dood van haar echtgenoot.

Ook mogen wij niet nalaten speciale melding te maken van het verzoek dat door de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Irak werd gedaan aan de mandaatcommissie van de Volkenbond, naar aanleiding van het in beslag nemen van Bahá'u'lláh's Huis in Baghdád; of van de schriftelijke boodschappen die door diezelfde Raad aan koning Ghází I van Irak werden gezonden na de dood van zijn vader, en ter gelegenheid van zijn huwelijk; of van hun condoléances die schriftelijk werden overgebracht aan de tegenwoordige regent van Irak ten tijde van de plotselinge dood van de koning; of van de mededelingen van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Egypte, die aan de egyptische premier, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Justitie werden gedaan na de uitspraak van de rechtbank van de islamitische geestelijkheid van Egypte; of van de brieven die de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Perzië richtte tot de Sjah en tot het perzische kabinet in verband met het sluiten van Bahá'í scholen en het verbod op Bahá'í literatuur in dat land. Er moet bovendien melding worden gemaakt van de schriftelijke boodschappen van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Perzië aan de koning van Roemenië en aan de koninklijke familie bij het overlijden van zijn moeder, koningin Marie, evenals aan de turkse ambassadeur in Tihrán met de ingesloten bijdrage van de perzische gelovigen voor de slachtoffers van de aardbeving in Turkije; van Martha Root's brieven aan de toenmalige president von Hindenburg en aan Dr. Streseman, de duitse Minister van Buitenlandse Zaken, onder bijvoeging van Bahá'í literatuur; van Keith Ransom-Kehler's zeven successieve verzoekschriften aan de sjah van Perzië en van haar talrijke mededelingen aan verschillende ministers en hoogwaardigheidsbekleders van het rijk tijdens haar gedenkwaardige bezoek aan dat land.

Parallel aan deze eerste levenstekenen van het Bahá'í Bestuursstelsel en samenvallend met de opkomst van nationale Bahá'í gemeenschappen en met de instelling van hun bestuurlijke, opvoedkundige en onderrichtbureaus, ging het machtige proces - dat in het Heilige Land, het zenuwcentrum van dat Bestuursstelsel, in beweging werd gezet bij die gedenkwaardige gebeurtenis dat Bahá'u'lláh de Tafel van Carmel openbaarde en het terrein voor het toekomstige graf van de Báb gezocht - zich onweerstaanbaar ontvouwen. Dat proces had nu een geweldige stoot gekregen met de aankoop van die plek kort na Bahá'u'lláh's hemelvaart met de daarop volgende overbrenging met de stoffelijke resten van de Báb uit Tihrán naar 'Akká; met de bouw van dat heiligdom in de zorgelijkste jaren van 'Abdu'l-Bahá'í gevangenschap, en tenslotte met de definitieve teraardebestelling van deze stoffelijke resten in het hart van de berg Carmel, met de oprichting van een pelgrimshuis in de onmiddellijke nabijheid van dat heiligdom en met de keuze van de toekomstige plek voor de eerste Bahá'í opvoedkundige instelling op die berg.

Profiterend van de vrijheid die aan het wereldcentrum van het Geloof van Bahá'u'lláh was verleend vanaf het moment van de onterende nederlaag van het afgedane ottomaanse rijk gedurende de oorlog van 1914-1918, konden nu de krachten, vrijgekomen door de inwerkingtreding van een overweldigend plan dat door hem was opgesteld, en onder de weldadige invloed van een goedgunstig regime, ongehinderd in de daartoe bestemde kanalen vloeien om aan de gehele wereld de mogelijkheden, waarmee dat plan was toegerust, te onthullen. De teraardebestelling van 'Abdu'l-Bahá zelf, in een van de gewelven van het mausoleum van de Báb, waardoor de heiligheid van die berg nog werd vergroot; het plaatsen van een elektrische installatie, de eerste in zijn soort in Haifa, die het graf van Hem Die, in Zijn eigen woorden, tijdens Zijn gevangenschap in Ádhirbáyján zelfs "geen lamp kon aansteken", in licht deed baden; de bouw van nog drie vertrekken grenzend aan Zijn graf, waarmee 'Abdu'l-Bahá'í plan voor het eerste deel van het gebouw werd voltooid; de grote uitbreiding van de grond rondom die rustplaats, die tot stand kwam ondanks de kuiperijen van de verbondsbrekers, en die zich uitstrekte vanaf de kam van de Carmel, tot waar de kolonie der Tempeliers zich aan de voet had genesteld, en een bezit vertegenwoordigde van zeker vierhonderdduizend pond, samen met de aankoop van vier uitgestrektheden land, bestemd voor de Bahá'í heiligdommen en gelegen in de vlakte van 'Akká in het noorden, in het district Beersheba in het zuiden en in de Jordaanvallei in het oosten, die samen ongeveer tweehonderddrieënveertig hectare omvatten; het aanleggen van een reeks terrassen die, zoals ontworpen door 'Abdu'l-Bahá, een rechtstreekse toegang moeten verschaffen tot het graf van de Báb vanuit de stad die in de schaduw daarvan ligt; de verfraaiing van het terrein door het aanleggen van parken en tuinen die dagelijks zijn opengesteld voor het publiek en die zowel toeristen als inwoners tot haar poorten aantrekken - dit mag allemaal worden beschouwd als de eerste tekenen van de geweldige uitbreiding van de internationale instellingen en bezittingen, verworven door dotaties, van het Geloof in zijn wereldcentrum. Van bijzonder belang is bovendien geweest de vrijdom van belasting die door de palestijnse Hoge Commissaris werd verleend voor het gehele gebied rondom het voor de Báb bestemde heiligdom, voor de grond waarop de school en de archiefgebouwen komen te staan, voor het westerse pelgrimshuis dat in de buurt ervan ligt, en voor historische plaatsen zoals de Villa in Bahjí, het Huis van Bahá'u'lláh in 'Akká en de tuin van Ridván ten oosten van die stad; de oprichting van de palestijnse afdelingen van de amerikaanse en indiase Nationale Geestelijke Raden die, als gevolg van twee formele aanvragen bij de burgerlijke autoriteiten gedaan, werden ingeschreven als erkende religieuze genootschappen in Palestina (en die met het oog op internationale consolidatie zouden worden gevolgd door een soortgelijke erkenning van de afdelingen van andere Nationale Geestelijke Raden over de gehele Bahá'í wereld) en de overdracht - aan de afdeling van de amerikaanse Nationale Geestelijke Raad door een reeks van wel dertig transacties - van land dat bestemd was voor de graftombe van de Báb, dat in totaal ongeveer vijftigduizend vierkante meter bestaat, en waarvan het merendeel van de eigendomsbewijzen de handtekening draagt van de zoon van de aartsverbreker van Bahá'u'lláh's Verbond, in zijn hoedanigheid van registrator van grondbezit in Haifa.

Even belangrijk was de oprichting van twee internationale archiefgebouwen op de berg Carmel, het ene gelegen naast het heiligdom van de Báb, het andere in de onmiddellijke nabijheid van de laatste rustplaats van het Grootste Heilige Blad, waarin voor het eerst in de Bahá'í geschiedenis onschatbare kostbaarheden zijn bijeengebracht, die tot nog toe overal waren verspreid en uit veiligheidsoverwegingen vaak verborgen waren gehouden, maar nu tentoongesteld liggen voor de bezoekende pelgrims. Deze kostbaarheden omvatten o.a. portretten van de Báb en Bahá'u'lláh, persoonlijke relikwieën zoals het haar, het stof en de kleren van de Báb, de haarlokken en bloed van Bahá'u'lláh, en voorwerpen zoals Zijn pennedoos, Zijn kleren, Zijn brokaten tájes (hoofdtooien), de kashül uit de dagen die Hij in Sulaymáníyyíh doorbracht, Zijn horloge en Zijn Qur'án, manuscripten en Tafelen van onschatbare waarde, waarvan er enkele zijn verlucht, zoals een deel van de Verborgen Woorden, geschreven in Bahá'u'lláh's handschrift; de Perzische Bayán, in het handschrift van Siyyid Husayn, de amanuensis van de Báb; de originele Tafelen aan de Letters van de Levende, door de Báb Zelf geschreven; en het manuscript van "Some Answered Questions". Deze kostbare collectie bevat bovendien voorwerpen en persoonlijke eigendommen die geassocieerd zijn met 'Abdu'l-Bahá; het met bloed bevlekte kleed van de Zuiverste Tak, de ring van Quddús, het zwaard van Mullá Husayn, de zegels van de Vazír, Bahá'u'lláh's vader, de broche die koningin Marie van Roemenië aan Martha Root schonk, de originele brieven van de koningin aan haar en aan anderen, en haar huldebetuigingen aan het Geloof; en ook nog twintig boekdelen met gebeden en Tafelen die door de Stichter van het Geloof zijn geopenbaard, door Bahá'í Raden in heel het oosten op hun echtheid zijn getoetst en overgeschreven, en die een aanvulling betekenen op de uitgebreide collectie van hun gepubliceerde geschriften.

Bovendien kan, als een verder bewijs van majestueuze ontplooiing en steeds voortgaande consolidatie van de verbazingwekkende onderneming, door Bahá'u'lláh op die heilige berg aangevangen, worden genoemd dat men en deel van de grond, bestemd voor de bouw van de school op het terrein rondom het heiligdom van de Báb, heeft uitgekozen voor de laatste rustplaats van het Grootste Heilige Blad, de "zeer beminde" zuster van 'Abdu'l-Bahá, het "Blad dat is ontsproten" aan de "Voor-bestaande Wortel", de "geur" van Bahá'u'lláh's "glanzende kleed", door Hem verheven tot een "rang zoals door geen andere vrouw is bekleed", en vergelijkbaar in rang met die onsterfelijke heldinnen zoals Sarah, Ásíyih, de Maagd Maria, Fátimih en Táhirih, die ieder op haar beurt alle leden van haar geslacht in voorgaande Beschikkingen in de schaduw hebben gesteld. En tenslotte moet als een verder getuigenis van de zegeningen die uit dit goddelijke Plan voortvloeiden, worden vermeld dat een paar jaar later - na een scheiding door de dood van meer van een halve eeuw en niettegenstaande de protesten van de broer en plaatsvervanger van de aartsverbreker van Bahá'u'lláh's Verbond - de overbrenging tot stand kwam van de stoffelijke resten van de Zuiverste Tak, de martelaarszoon van Bahá'u'lláh, "geschapen uit het Licht van Bahá", het "pand van God" en Zijn "schat" in het Heilige Land en door zijn Vader geofferd als een "zoenoffer" voor de wedergeboorte van de wereld en de eenmaking van alle volkeren. Naar diezelfde plek - en op dezelfde dag dat de Zuiverste Tak werd bijgezet - werden de stoffelijke resten van zijn moeder, de heilige Navváb, overgebracht, van wier afschuwelijke beproevingen het gehele hoofdstuk 54 van het boek Jesaja getuigt (zoals 'Abdu'l-Bahá in een Tafel heeft bevestigd), wier "Echtgenoot", naar de woorden van die Profeet, "de Heer der Heerscharen" is, wier "nageslacht de volkeren in bezit zal nemen" en die Bahá'u'lláh in Zijn Tafel heeft bestemd om "Zijn gemalin in alle werelden van God" te zijn.

De vereniging van deze drie rustplaatsen, in de nabijheid van de graftombe van de Báb, ingesloten in het hart van de Carmel, uitziend over de sneeuwwitte stad aan de overkant van de baai van 'Akká, de Qiblih van de Bahá'í wereld, en gelegen in een tuin van uitzonderlijke pracht, verstrekt het geestelijke potentieel - als wij de betekenis ervan tenminste naar waarde kunnen schatten - van een plek die door Bahá'u'lláh zelf was aangeduid als de zetel van Gods troon. Het betekent ook een volgende mijlpaal op de weg die tenslotte zal leiden tot de vestiging van het permanente wereldbestuursstelsel van het toekomstige Bahá'í gemenebest, dat is bedoeld om nimmer meer te worden gescheiden van, en te functioneren in de nabijheid van het geestelijke centrum van dat Geloof, in een land dat reeds werd geëerd en als heilig beschouwd door de aanhangers van de drie voornaamste religieuze stelsels van de wereld.

Van nauwelijks minder betekenis was het optrekken van de bovenbouw en de voltooiing van de uitwendige versieringen van de eerste Mashriqu'l-Adhkár in het westen, hetgeen tot de indrukwekkendste diensten behoort die de amerikaanse Bahá'í gemeenschap voor immer aan de Zaak van Bahá'u'lláh heeft verleend. Deze onderneming is tot een hoogtepunt gebracht door het beleid van een efficiënt werkend en zojuist gevestigd Bestuursstelsel en heeft er ontzaglijk toe bijgedragen het aanzien te vergroten, de krachten te consolideren en de neveninstellingen van de gemeenschap die de bouw hebben mogelijk gemaakt, uit te bereiden.

Deze onderneming ving eenenveertig jaar tevoren aan; begon met het verzoek dat in maart 1903 spontaan door her "Huis van Gerechtigheid" van de Bahá'ís van Chicago - het eerste Bahá'í centrum in de westerse wereld waarvan de leden waren geïnspireerd door het voorbeeld van de bouwers aan de Mashriqu'l-Adhkár in 'Ishqábád - aan 'Abdu'l-Bahá werd gericht om toestemming te vragen voor de bouw van een soortgelijke tempel in Amerika; was gezegend door zijn goedkeuring en hoge lof in een Tafel die hij in juni van dat jaar openbaarde; werd gelanceerd door de gedelegeerden van verschillende amerikaanse Raden, te Chicago in vergadering bijeen in november 1907, teneinde het terrein voor de tempel te kiezen; werd op nationale basis opgericht door de instelling van een religieuze stichting, bekend als de "Bahá'í Temple Unity", die kort na de eerste amerikaanse Bahá'í Conventie in diezelfde stad in maart 1909 rechtens werd erkend, en werd vereerd door de inwijdingsplechtigheid die 'Abdu'l-Bahá zelf verrichtte bij zijn bezoek aan dat terrein in mei 1912. Deze onderneming - waarmee het bekronende succes van het Bestuursstelsel van het Geloof van Bahá'u'lláh in de eerste Bahá'í eeuw werd behaald - is vanaf die gedenkwaardige gebeurtenis met onderbrekingen voortgezet tot aan de tijd, dat de funderingen van dat Stelsel hecht waren gegrondvest in het noordamerikaanse continent, en de amerikaanse Bahá'í gemeenschap in een positie was gekomen om de werktuigen ter hand te nemen die ze zelf voor de efficiënte uitvoering van haar taak had gesmeed.

Op de amerikaanse Bahá'í Conventie in 1914 was de aankoop van de tempelgrond voltooid. De Conventie in New York in 1920 - waarvoor tevoren door 'Abdu'l-Bahá aanwijzingen waren gegeven voor het bepalen van het ontwerp van de tempel - koos uit een aantal ter beoordeling ingeleverde ontwerpen dat van Louis J. Bourgeois, een frans-canadese architect, uit; een keuze die later door 'Abdu'l-Bahá werd bekrachtigd. De contracten voor het neerlaten van de negen grote caissons die het middengedeelte van het gebouw moeten dragen en die, tot men op rotsgrond stootte, moesten worden geplaatst op ca. 36 meter onder de grond, en voor de constructie van de fundering, werden achtereenvolgens getekend in december 1920 en augustus 1921. In augustus 1930 werd, ondanks de heersende economische crisis en in een periode van werkloosheid, ongeëvenaard in de amerikaanse geschiedenis, nog een contract, tezamen met vierentwintig subcontracten, opgemaakt voor het opzetten van de bovenbouw, en het werk werd voltooid op 1 mei 1931, op welke dag de eerste wijdingsdienst in het nieuwe gebouw werd gehouden en die samenviel met de dag waarop 'Abdu'l-Bahá negentien jaar geleden de grond had ingewijd. Met de versiering van de koepel begon men in juni 1932 en deze was klaar in januari 1934. De versiering van de lichtbeuk was in juni 1935 voltooid en die van de gehele benedengalerij in november 1938. De versiering van het middenschip werd, ondanks het uitbreken van de huidige oorlog, in april 1940 ondernomen, en in juli 1942 voltooid; en de achttien cirkelvormige trappen werden in december 1942 op hun plaats gebracht, zeventien maanden voor het honderdjarig bestaan van het Geloof, de tijd waarop het uitwendige van de tempel volgens de plannen gereed moest zijn en veertig jaar nadat het verzoek van de gelovigen in Chicago aan 'Abdu'l-Bahá was gedaan en door hem was ingewilligd.

Dit unieke gebouw - de eerste vrucht van een langzaam tot wasdom komend Bestuursstelsel, het prachtigste bouwwerk dat in de eerste Bahá'í eeuw werd opgericht, en het symbool en de voorloper van een toekomstige wereldbeschaving - staat in het hart van het noordamerikaanse continent, aan de westelijke oever van het Michiganmeer, en is omgeven door eigen terreinen ter grootte van een kleine drie hectare. Het werd door de amerikaanse Bahá'í gemeenschap gefinancierd met een bedrag van meer dan een miljoen dollar, en nu en dan in oost en west gesteund door vrijwillige bijdragen van erkende gelovigen van christelijke, moslem, joodse, zoroastrische, hindoe en boeddhistische origine. Het is in zijn beginfase nauw verbonden met 'Abdu'l-Bahá en in de laatste stadia van zijn bouw met de herinnering aan het Grootste Heilige Blad, de Zuiverste Tak en hun moeder. Het bouwwerk is zuiver wit en negenhoekig, oorspronkelijk en uniek van stijl, en rijst op boven een cirkel van witte trappen; de kroon wordt gevormd door een majestueuze, prachtig geproportioneerde koepel, die negen spits toelopende, symmetrisch geplaatste ribben heeft (met een decoratieve, maar ook structurele betekenis), die aan de top in een hemelwaarts wijzende punt samenkomen. De constructie van het geraamte bestaat uit gewapend beton, terwijl het materiaal van de versieringen een mengsel is van kristalkwarts, ondoorzichtig kwarts en witte Portland cement, hetgeen een compositie oplevert van een heldere structuur, hard en duurzaam als steen, weerbestendig en gegoten in een vorm, zo fijn als kant. Het verheft zich ongeveer 58 meter vanaf de vloer, van de kelder tot waar de ribben, die de ronde koepel omvatten bijeenkomen; de koepel zelf is 15 meter hoog, met een uitwendige diameter van 27 meter, die aan de buitenkant voor eenderde is geperforeerd om overdag het licht naar binnen te laten en 's avonds het licht naar buiten te doen uitstralen. Het wordt geschraagd door pylonen van dertien en een halve meter hoogte en draagt boven elk van de negen ingangen, waarvan er een ligt in de richting van 'Akká, negen met zorg uitgekozen aanhalingen uit de geschriften van Bahá'u'lláh, alsmede de Grootste Naam in het midden van elk der bogen boven de deuren. Het gebouw is uitsluitend bestemd voor erediensten zonder enige vorm van ceremonie of ritueel en is voorzien van een aula waar 1.600 mensen kunnen zitten; en het geheel zal later worden aangevuld met bijbehorende sociale instellingen die in de dichte nabijheid ervan zullen worden opgericht, zoals een weeshuis, een ziekenhuis, een apotheek voor de armen, een tehuis voor hulpbehoevenden, een gastverblijf voor reizigers en een collegezaal voor de studie van kunsten en wetenschappen. Hoewel nog niet eens aan de inwendige versieringen is begonnen, had het gebouw reeds lang voor de bouw, en thans in toenemende mate, zoveel belangstelling en commentaar gewekt in de pers en in technische bladen en tijdschriften in de Verenigde Staten en andere landen, dat het de hoop en verwachting rechtvaardigde, die 'Abdu'l-Bahá ervoor koesterde. Het model van deze grootste "stille leraar" van het Geloof van Bahá'u'lláh werd tentoongesteld in kunstcentra, musea, op jaarbeurzen en nationale exposities - en daarvan noemen wij de tentoonstelling "de Eeuw van de Vooruitgang" die in 1933 in Chicago werd gehouden en waar dagelijks meer dan tienduizend mensen het moeten hebben gezien, wanneer zij door de Zaal van de Religies kwamen - en een kopie ervan vormde een onderdeel van de permanente tentoonstelling in het Museum van Wetenschappen en Industrie in Chicago. De bezoekers die van heinde en ver kwamen en zich voor de poorten verdrongen, wier aantal in de periode van juni 1932 tot oktober 1941 de 130,000 heeft overschreden, vertegenwoordigden bijna ieder land van de wereld. En, zo mag men gerust stellen, deze "stille leraar" heeft reeds bijgedragen tot de verspreiding van de kennis van Zijn geloof en leringen in een mate die geen enkele andere kracht die binnen het raam van zijn Bestuursstelsel actief is, ook maar in de verste verte heeft benaderd.

'Abdu'l-Bahá heeft zelf voorspeld, "Wanneer het fundament voor de Mashriqu'l-Adhkárin Amerika is gelegd, en dat goddelijke gebouw is voltooid, zal er een hoogst wondere en aangrijpende beweging in de bestaanswereld merkbaar worden ... Vanuit dat lichtende punt zal de geest van onderricht die de Zaak van God zal verspreiden en de leringen van God zal bevorderen, tot in alle delen van de wereld doordringen". In een Tafel van het goddelijk Plan heeft hij bevestigd, "Uit deze Mashriqu'l-Adhkár zullen zonder twijfel duizenden Mashriqu'l-Adhkárs ontstaan". Bovendien heeft hij geschreven, "Het markeert het ontstaan van het Koninkrijk Gods op aarde". En verder, "het is het duidelijk waarneembare Vaandel dat in het midden van dat grote continent uitwaait". Bij de inwijding van het tempelperceel verklaarde hij, "Er zullen duizenden Mashriqu'l-Adhkárs ... in oost en west worden gebouwd maar deze, de eerste in het Avondland, is van zeer grote betekenis". Bovendien heeft hij met betrekking tot dat gebouw gesteld, "Deze organisatie van de Mashriqu'l-Adhkár zal model staan voor de komende eeuwen en zal de positie innemen van de moeder".

De architect van het gebouw heeft verklaard, "Het ontstaan van de tempel kwam niet van de mens want, zoals musici, kunstenaars en dichters hun inspiratie ontvangen uit een ander rijk, zo was de architect van de tempel, door alle jaren van hard werken heen, zich er steeds van bewust, dat Bahá'u'lláh de schepper was van dit gebouw dat werd opgericht voor Zijn glorie". En, "In dit nieuwe ontwerp ... is in symbolische vorm de grote Bahá'í lering van eenheid verweven - de eenheid van alle religies en van de gehele mensheid. Er zitten combinaties in van mathematische lijnen, welke die van het universum symboliseren, en in hun ingewikkelde overgang van cirkel naar cirkel, en cirkel binnen cirkel, zien wij de ineenvloeiing van alle religies in een religie". En verder, "Een cirkel van traptreden, achttien in totaal, zullen het gebouw aan de buitenkant omringen, en zullen leiden naar de verdieping van de aula. Deze achttien treden vertegenwoordigen de eerste achttien discipelen van de Báb, en met de deur waarheen ze voeren wordt de Báb Zelf bedoeld". "Daar de essentie van de zuivere, oorspronkelijke leringen van de historische religies dezelfde was ... is in de Bahá'í tempel een samengestelde architectuur toegepast, waarin de essentie van ieder der grote architectonische bouwstijlen tot uitdrukking komt en tot een harmonisch geheel samenvloeit".

Een architect van naam H. van Buren Magonigle, president van de architectenbond verklaarde, nadat hij zorgvuldig een gipsmodel van de tempel, dat in juni 1920 was tentoongesteld in het gebouw van de "Engineering Societies" in New York hadden bekeken, "Het is de eerste nieuwe idee in de architectuur sinds de 13e eeuw". "De architect heeft een tempel van licht ontworpen, waarin de structuur, zoals gewoonlijk wordt aangenomen, verborgen moet blijven, de zichtbare steunpilaren zoveel mogelijk worden weggewerkt en de hele bouw de indruk moet geven van een luchtige substantie als van een droom. Het is een kantachtig omhulsel dat een idee in zich bergt, en wel de idee van licht, geplaatst in een ragfijne beschutting tussen hemel en aarde, van onder tot boven doorzeefd met licht - licht dat de contouren gedeeltelijk zal doen verdwijnen, waardoor het een feeërie wordt".

Een schrijver in het bekende blad "Architectural Record" heeft opgetekend, "In de geometrische vormgeving van de versieringen die op de zuilen, de ramen en de deuren rondom de tempel zijn aangebracht, ontwaart men alle religieuze symbolen van de wereld. Men vindt er de swastika, de cirkel, het kruis, de driehoek, de dubbele driehoek of zespuntige ster (het Salomonszegel) - maar bovenal het prachtige symbool van de geestelijke bol ... de vijfpuntige ster, het griekse kruis, het latijnse kruis en boven alles uit de wonderschone negenpuntige ster, uitgebeeld in de structuur van de tempel zelf, die men steeds weer tegenkomst in de versieringen als kenmerkend voor de geestelijke glorie in de wereld van nu".

De getuigenis van George Grey Barnard, een van de bekendste beeldhouwers in de Verenigde Staten van Amerika, luidt, "De grootste schepping sinds de gotische periode, en de mooiste die ik ooit heb gezien".

Prof. Luigi Quaglino, ex-professor in de architectuur van Turijn verklaarde, toen hij het model had gezien, "Dit is een nieuwe schepping die een revolutie teweeg zal brengen in de wereld-architectuur, en het is de mooiste die ik ooit heb gezien. Ongetwijfeld zal het zijn blijvende plaats op de pagina's in de wereldgeschiedenis behouden. Het is en openbaring uit een andere wereld".

Sherwin Cody schreef in het tijdschrift-gedeelte van de New York Times over het model van de tempel, dat toen geëxposeerd stond in de Kevorkian Gallery in New York, "Amerikanen zullen hierbij lang genoeg moeten stilstaan om te ontdekken, dat een kunstenaar in dit gebouw de idee van een religieuze volkenbond heeft verwerkt". En tenslotte volgt hier het huldeblijk van Dr. Rexford Newcomb, deken van het College van schone en toegepaste Kunst aan de universiteit van Illinois, aan de kenmerken en de idealen die in deze tempel vorm hebben gekregen - deze tempel, het heiligste bedehuis in de Bahá'í wereld van de tegenwoordige èn de toekomstige tijd, "Deze 'tempel van licht' staat op het terrein van menselijke ervaring met negen poorten open om mannen en vrouwen van ieder ras en klimaat, ieder geloof en overtuiging, iedere staat van vrijheid of onderdanigheid, naar binnen te wenken, om hier een openlijke erkenning te vinden van die verwantschap en broederschap, zonder welke de moderne wereld niet veel vooruitgang zal boeken ... De puntig gevormde koepel, wijzend naar hogere en betere dingen, zoals zeker ook de omhoogstrevende lijnen van de middeleeuwse kathedralen daarheen wezen, verkrijgt niet alleen door zijn symboliek, maar ook door de bouwkundige zuiverheid een pure, lieflijke vorm, een schoonheid die ongeëvenaard is door enige koepelvormige structuur sinds de bouw van Michelangelo's koepel op de basiliek van Sint-Pieter in Rome".

HOOFDSTUK XXIII
Aanvallen op Bahá'í instellingen

De instellingen die de opkomst en de stichting van het Bestuursstelsel van het Geloof van Bahá'u'lláh aanduidden, bleven niet (zoals de geschiedenis van hun ontplooiing reeds overduidelijk aantoont) vrij van de aanslagen en vervolgingen waaraan het Geloof zelf, de verwekker van dat Stelsel, reeds meer dan zeventig jaar had blootgestaan en waarvan het nog steeds te lijden heeft. Het aan de dag treden van een hecht aaneengesmede gemeenschap, welke er aanspraak op maakt een wereldreligie te zijn, met vertakkingen in vijf continenten, die een enorme verscheidenheid van rassen, talen, afkomst en religieuze tradities vertegenwoordigt; voorzien van een literatuur die over het gehele oppervlak der aarde is verbreid en die in diverse talen zijn leringen uiteenzet; met open oog, onbevreesd, waakzaam en vastbesloten het doel ervan te bereiken, koste wat het wil; organisch verenigd door de werking van een goddelijke bepaald Bestuursstelsel; niet-sectarisch, niet-politiek, getrouw aan zijn burgerplichten, maar toch supranationaal van aard en trouw vasthoudend aan de wetten en verordeningen die haar gemeenschapsleven regelen - het aan de dag treden van zo'n gemeenschap in een wereld, gedompeld in vooroordeel, valse goden aanbiddend, uiteengerukt door innerlijke verdeeldheid en zich blindelings vastklemmend aan verouderde leerstellingen en versleten normen, kon vroeg of laat slechts crises teweegbrengen, die net zo ernstig, hoewel minder spectaculair waren als de vervolgingen die in vroeger dagen over de Stichters van die gemeenschap en hun eerste discipelen hadden geraasd. Aangevallen door vijanden van binnenuit, die enerzijds hadden gerebelleerd tegen zijn van God gegeven autoriteit, anderzijds hun geloof geheel hadden afgezworen, of door externe tegenstanders van politieke of geestelijke zijde, heeft het jonge Stelsel (dat een geheel uitmaakte met deze gemeenschap) vanaf zijn ontstaan en in ieder stadium van zijn ontwikkeling, de hevige inwerking ondergaan van de krachten die, overigens tevergeefs, getracht hebben het ontluikende leven in de kiem te smoren of zijn plannen te verijdelen.

Op deze aanvallen, die bedoeld waren om in omvang en hevigheid toe te nemen en een tumult te veroorzaken dat door de gehele wereld zou weergalmen, had 'Abdu'l-Bahá reeds ten tijde dat hij de hoofdlijnen van dat goddelijke Stelsel in zijn Testament had omschreven, veelbetekenend gezinspeeld, "Weldra zal het getier der mensen over geheel Afrika en door geheel Amerika te horen zijn en zal men het geschreeuw van de Europeaan en de Turk, en het gekreun in India en China, overal kunnen horen. Een ieder zal zich met alle macht verheffen om Zijn Zaak te weerstreven. Dan zullen de ridders van de Heer...versterkt door de legioenen van het Verbond, opstaan en de waarheid bevestigen van het vers, 'Ziet de verwarring die zich van de verslagen stammen heeft meester gemaakt'"!

Reeds in meer dan een land zijn de gevolmachtigden en gekozen vertegenwoordigers van dit onverwoestbare, wereldomvattende Stelsel gesommeerd door burgerlijke autoriteiten of rechtbanken van de geestelijkheid - die onbekend waren met hun aanspraken, vijandig stonden tegenover hun beginselen of bevreesd waren voor de groeiende invloed - om hun zaak te verdedigen of hun banden ermee te slaken of hun arbeidsterrein in te krimpen. Reeds heeft men beslag willen leggen op hun heilige plaatsen en gebouwen, zonder acht te slaan op Gods wraak. Reeds zijn hun verdedigers en voorvechters in enkele landen tot ketters verklaard, of aangemerkt als omverwerpers van wet en orde, of gebrandmerkt als onvaderlandslievende fantasten die onachtzaam waren wat betreft hun burgerplichten en verantwoordelijkheden, of werd hun onvoorwaardelijk gelast hun activiteiten te staken en hun instellingen te ontbinden.

In het Heiligste Land, het mondiale brandpunt van dit Stelsel, waar zijn hart klopt, waar het stof van zijn Stichters rust en vanwaar alle werkmethoden afkomstig zijn die de doeleinden aan het licht brengen, de levenskrachten bevorderen en aan zijn bestemming vorm geven: daar viel, reeds bij het allereerste begin van zijn ontstaan, de eerste slag die wel ertoe bijdroeg aan hoog en laag de hechtheid van zijn fundamenten te tonen. De verbondsbrekers, nu gereduceerd tot een handjevol, opgestookt door Mírzá Muhammad 'Alí, de aartsrebel, wiens sluimerende hoop door 'Abdu'l-Bahá'í plotselinge heengaan weer was opgelaaid namen, aangevoerd door de arrogante Mírzá Badí'u'lláh, onder dwang de sleutels van de grafkamer van Bahá'u'lláh in beslag, verdreven de conciërge, de moedige Abu'l-Qásim-i-Khurásání, en eisten dat hun eigen aanvoerder door de autoriteiten werd erkend als de officiële beheerder van het heiligdom. Het vastberaden optreden van de palestijnse autoriteiten die, na een langdurig onderzoek, de britse deurwaarder in 'Akká opdroegen de sleutels terug te geven aan de rechtmatige conciërge, bleek geen waarschuwing voor hun verachtelijk falen, aangezien zij daarop hun toevlucht namen tot andere methoden, in de hoop een kloof te doen ontstaan in de gelederen van de diepbedroefde, maar vastberaden discipelen van 'Abdu'l-Bahá, en uiteindelijk de funderingen te ondermijnen van de instellingen die zijn volgelingen bezig waren op te bouwen. Met hun boosaardige opzet een verkeerde voorstelling te geven van de idealen die de bouwers van het Bahá'í Bestuursstelsel bezielden: met het onderhouden van een, zij het op kleinere schaal dan vroeger, ontwrichtende correspondentie met personen wier aanhang zij hoopten te winnen; met opzettelijke verdraaiing van de waarheid in hun contacten met ambtenaren en aanzienlijke personen die zij maar konden benaderen; met pogingen om door middel van omkoperij en intimidatie een deel van de Villa van Bahá'u'lláh aan te kopen; met pogingen die erop waren gericht om te voorkomen dat de Bahá'í gemeenschap bepaalde bezittingen in de buurt van het graf van de Báb in handen zou krijgen en haar plannen te dwarsbomen het bezit van enkele van deze aankopen te bekrachtigen door de koopakten te laten overschrijven op naam van erkende Bahá'í Raden: zo gingen zij jarenlang met tussenpozen hiermee door, totdat de dood van de aartsverbreker van het Verbond in feite hun lot bezegelde.

De ontruiming van de Villa van Bahá'u'lláh door deze verbondsbrekers na hun onaangevochten bezetting ervan sedert zijn verscheiden, de Villa die door hun schandelijke verwaarlozing in een bouwval was veranderd; de daarop volgende restauratie waarmee een lang gekoesterde wens van 'Abdu'l-Bahá in vervulling ging; de verlichting van dat gebouw door een elektrische installatie die een amerikaanse gelovige voor dat doel had geplaatst; het opnieuw inrichten van alle kamers nadat deze door de vroegere bewoners volledig waren ontdaan van alle kostbare relikwieën die erin hadden gestaan, met uitzondering van één enkele kandelaar in de kamer waar Bahá'u'lláh was gestorven; het binnen zijn muren bijeenbrengen van historische Bahá'í documenten, relikwieën en meer dan vijfduizend boekdelen van Bahá'í literatuur in zeker veertig verschillende talen; het verlenen van vrijdom van belasting hieraan door de regering, zoals die reeds aan andere Bahá'í instellingen en bezittingen in 'Akká en op de berg Carmel was verleend; en tenslotte het feit dat het van een particulier woonhuis werd veranderd in een bedevaartplaats die door Bahá'ís en niet-Bahá'ís kon worden bezocht - dit alles droeg ertoe bij de verwachtingen te verijdelen van diegenen die nog steeds wanhopige pogingen deden het licht van het Verbond van Bahá'u'lláh te doven. Verder was er nog het succes, dat het terrein dat de begrensde ruimte vormde om de laatste rustplaats van de Báb op de berg Carmel, werd aangekocht en beveiligd, en dat de koopakten van enkele van deze bezittingen konden worden overgeschreven op naam van de wettelijk erkende palestijnse afdeling van de amerikaanse Bahá'í Nationale Geestelijke Raad, alsmede, en in niet mindere mate, de omstandigheden bij de dood van diegene die de voornaamste aanstichter was geweest van het kwaad tijdens het gehele beleid van 'Abdu'l-Bahá; waarmee men aantoonde hoe vruchteloos de inspanningen van deze vijanden waren en hoe hopeloos hun zaken ervoor stonden.

Van veel ernstiger aard, en een veel grotere terugslag teweegbrengende, was het feit dat de Shí'ahs van Irak nog een Bahá'í heiligdom in beslag namen, namelijk het huis dat Bahá'u'lláh gedurende bijna Zijn gehele ballingschap in Irak had bewoond; dit gebeurde ongeveer in dezelfde tijd dat de sleutels van de grafkamer van Bahá'u'lláh door de verbondsbrekers aan de conciërge waren ontfutseld. Dat huis had Hij aangekocht, was later ingericht als een bedevaartcentrum en was onafgebroken en onbetwist in het bezit van Zijn volgelingen gebleven sinds Zijn vertrek uit Baghdád. Deze crisis was reeds ongeveer een jaar voor 'Abdu'l-Bahá'í heengaan begonnen en werd bespoedigd door de maatregelen die men, na de verandering van regime in Irak, nam om dat huis volgens zijn instructies te herstellen; zo kreeg deze crisis in de loop van zijn ontwikkeling een steeds omvangrijker mate van publiciteit. Het werd het onderwerp van overweging van opeenvolgende tribunalen, het eerst van de plaatselijke Shí'ah Ja'faríyyih rechtbank in Baghdád, daarna van het Vredesgerechtshof, toen van het gewone gerechtshof, toen van het Hof van Appèl in Irak en tenslotte van de Volkenbond, het grootste internationale lichaam dat nog maar net was opgericht en dat de macht had supervisie en controle uit te oefenen over alle mandaat gebieden. Hoewel tot op heden nog geen vonnis is gewezen vanwege een samenspel van oorzaken en zowel religieuze als politieke aard, heeft het reeds op opmerkelijke wijze Bahá'u'lláh's voorspelling in vervulling doen gaan en zal op zijn eigen aangegeven tijd, wanneer de middelen voor de oplossing ervan door de Voorzienigheid zijn geschapen, beantwoorden aan de hoge bestemming die Hij in Zijn eigen Tafelen ervoor heeft beschikt. Lang voordat het door fanatieke vijanden in beslag was genomen, zonder dat zij daarop enige aanmerkelijke aanspraak konden doen gelden, had Hij voorzegd dat "het in komende tijden zo in verval zal geraken, dat er uit ieder onderscheidend oog tranen zullen vloeien".

De Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Baghdád was nu het gebruik van dat heilige bezit ontzegd door de ongunstige beslissing van een meerderheid van het Hof van Appèl, dat de uitspraak van het gewone gerechtshof had vernietigd en het bezit aan de Shí'ahs had toegewezen. Spoedig nadat het vonnis van dat gerechtshof was gewezen, werd de Raad verontrust door de daarop volgende actie van de Shí'ahs, die het gebouw omzetten in een 'waqf' goed (een godsdienstige instelling) onder de naam "Husayníyyih", met de bedoeling hun aanwinst te consolideren, en ze realiseerde zich de nutteloosheid van de drie jaar lange onderhandelingen welke zij met de burgerlijke autoriteiten in Baghdád hadden gevoerd om een rechtvaardige uitspraak te krijgen over het onrecht dat hun was aangedaan. In hun hoedanigheid van nationale vertegenwoordigers van de Bahá'ís van Irak benaderden zij daarom op 11 september 1928 - door de bemiddeling van de Hoge Commissaris van Irak en in overeenstemming met de bepalingen van Art. 22 van het Volkenbondsstatuut - de permanente mandaatscommissie van de Bond, die is belast met de supervisie over het bestuur van alle mandaatgebieden, en diende een verzoekschrift in, dat door dat lichaam in november 1928 werd geaccepteerd en goedgekeurd. Een memorandum dat door de gevolmachtigde voor de mandaatgebieden, tezamen met dat verzoek aan diezelfde commissie, werd voorgelegd, stelde ondubbelzinnig vast dat de Shí'ahs "geen enkele aanvaardbare aanspraak" op het huis konden doen gelden; dat de rechter van de Ja'faríyyih rechtbank het met zijn beslissing "kennelijk niet bij het rechte eind had", "onrechtvaardig" was en "ongetwijfeld was gedreven door religieus vooroordeel", dat het uitzetten van de Bahá'ís uit hun eigen bezit "illegaal" was, dat de handelwijze van de autoriteiten "volkomen tegen de regels in" was geweest en dat het vonnis van het Hof van Appèl ervan werd verdacht niet "onbeïnvloed door politieke overwegingen" te zijn geweest.

Het rapport dat aan het raadscollege van de Volkenbond werd overgelegd en dat in de notulen van de 14e zitting van de permanente mandaatscommissie - gehouden in het najaar van 1928 in Genève - werd gepubliceerd, daarna in het arabisch vertaald en in Irak voor publikatie vrijgegeven, stelt vast, "Na grondige bestudering van de petitie vestigt de commissie de aandacht van het raadscollege op de overwegingen en conclusies die eraan worden gegeven...Het beveelt het raadscollege aan, de britse regering te vragen om te protesteren bij de iraakse regering met het oog op het onmiddellijke herstel van het onrecht waaronder de requestranten hebben geleden".

De britse geaccrediteerde vertegenwoordiger die bij de zittingen van de commissie aanwezig was, stelde verder nog dat "de gevolmachtigde voor de mandaatgebieden erkende, dat de Bahá'ís onrecht was aangedaan", terwijl er tijdens die zitting was gezinspeeld op het feit dat het optreden van de Shí'ahs de grondwet en de organieke wetten van Irak hadden geschonden. De finse gedelegeerde verklaarde bovendien in zijn rapport aan het raadscollege, dat dit "onrecht slechts moest worden toegeschreven aan religieuze hartstocht" en verzocht "het onrecht, de requestranten aangedaan, te herstellen".

Het raadscollege van de Volkenbond nam op zijn beurt op 4 maart 1929, na dit rapport alsook de gezamenlijke opmerkingen en conclusies van de Commissie in beschouwing te hebben genomen, met algemene stemmen een resolutie aan, die daarna werd vertaald en in de dagbladen van Baghdád werd gepubliceerd en waarin de gevolmachtigde voor de mandaatgebieden werd opgedragen "een protest in te dienen bij de regering van Irak, beogende het onmiddellijke herstel van het onrecht dat de requestranten was aangedaan". Dit gelastte dienovereenkomstig de secretaris-generaal om de conclusies van de commissie onder de aandacht te brengen van de gevolmachtigde voor de mandaatgebieden, alsmede aan de betrokken requestranten, een opdracht die prompt door de britse regering bij monde van haar Hoge Commissaris aan de iraakse regering werd overgebracht.

Een brief, gedateerd 12 januari 1931, geschreven uit naam van de britse Minister van Buitenlandse Zaken, Mr. Arthur Henderson, en gericht aan het secretariaat van de Volkenbond, stelde dat de conclusies waartoe het raadscollege was gekomen, "de zorgvuldigste aandacht kregen van de regering van Irak", die "tenslotte had besloten een speciaal comité te benoemen...om de inzichten die door de Bahá'í gemeenschap naar voren waren gebracht met betrekking tot bepaalde huizen in Baghdád, in beschouwing te nemen en aanbevelingen te formuleren voor een bevredigende regeling van deze kwestie". In die brief werd bovendien uiteengezet dat het comité zijn rapport in augustus 1930 had ingediend, dat het door de regering was aangenomen, dat de Bahá'í gemeenschap de aanbevelingen "in principe" had aanvaard en dat de autoriteiten in Baghdád last hadden gegeven dat "gedetailleerde plannen en ramingen zullen worden voorbereid met het oog op de uitvoering van deze aanbevelingen in het aanstaande financiële jaar".

Het is niet nodig stil te blijven staan bij de langgerekte onderhandelingen, de vertragingen en de complicaties die zich voordeden bij de beraadslagingen ("meer dan honderd" in getal), waaraan de Koning, zijn ministers en raadgevers deelnamen; bij de betuigingen van "spijt", "verwondering" en "bezorgdheid" die achtereenvolgens bij zittingen van de mandaatscommissie, gehouden in Genève in 1929, 1930, 1932 en 1933, op papier werden gezet; bij de veroordeling door haar leden van de "geest van onverdraagzaamheid" die de Shí'ah gemeenschap in zijn greep hield, van de "zwakheid" van de burgerlijke autoriteiten en van de "religieuze hartstochten die aan dit onrecht ten grondslag lagen"; bij de verklaring ten aanzien van de "uiterst vergevensgezinde houding" van de requestranten, die hun "twijfel" aangaande de juistheid van de voorstellen en bij hun erkenning van de "ernstige" aard van de situatie die er was ontstaan, van het "schreeuwend onrecht" dat de Bahá'ís was aangedaan en van de "morele schuld" die de iraakse regering op zich had geladen, een schuld die zij, hoe haar status als volk ook zou kunnen veranderen, als haar dure plicht moest inlossen.

Ook lijkt het niet nodig uit te weiden over de ongelukkige samenloop van omstandigheden, dat zowel de britse Hoge Commissaris als de iraakse premier een voortijdige dood stierven; over de toelating van Irak als lid van de Volkenbond en de daaruit voortvloeiende beëindiging van het mandaat door Groot-Brittannië; over de tragische en onverwachte dood van de Koning zelf; over de moeilijkheden die rezen aangaande het bestaan van een nieuw stadsplan; over de schriftelijke verzekering, overgebracht aan de Hoge Commissaris, door de waarnemend premier in zijn brief van januari 1932; over de belofte die de Koning vlak voor zijn dood en in bijzijn van de Minister van Buitenlandse Zaken in februari 1933 deed, dat het Huis onteigend zou worden en het benodigde bedrag in het komende voorjaar zou worden toegewezen; over de uitdrukkelijke verklaring van diezelfde Minister van Buitenlandse Zaken, dat de premier de benodigde toezeggingen had gedaan om de belofte, reeds door de waarnemende premier gedaan, in te lossen; of over de stellige verklaring van genoemde Minister van Buitenlandse Zaken en zijn collega, de Minister van Financiën, toen zij hun land vertegenwoordigden tijdens de zittingen van de Bondsraad in Genève, dat de destijds door hun Koning gedane belofte volledig zou worden nagekomen.

Laat het voldoende zijn te zeggen dat, ondanks de eindeloze vertragingen, protesten en uitvluchten, en de openlijke mislukking van de betrokken autoriteiten om de aanbevelingen van zowel de Volkenbondsraad als de permanente mandaatscommissie in te willigen, de publiciteit die het Geloof kreeg door dit gedenkwaardige geding en in verdediging van zijn zaak (een zaak van waarheid en gerechtigheid) door het hoogste tribunaal ter wereld, dusdanig is geweest, dat het de verwondering van zijn vrienden heeft opgewekt en zijn vijanden met verbijstering heeft vervuld. Weinig episoden, zo die er al zijn geweest, hebben sinds het ontstaan van het vormende tijdperk van het Geloof van Bahá'u'lláh zozeer aanleiding gegeven tot reacties op hoog niveau die vergeleken kunnen worden met het effect dat deze hevige en niet-uitgelokte aanval - door zijn verstokte vijanden gericht tegen een van de heiligste eigendommen - op regeringen en kanselarijen had.

Bahá'u'lláh heeft Zelf veelbetekenend geschreven, "Treur niet, O Huis van God, indien de sluier van uw heiligdom door de ongelovigen vaneen wordt gereten, God heeft u in de wereld der schepping getooid met het juweel van Zijn gedachtenis. Zo een kleinood kan geen mens ooit ontwijden. Op u zullen de ogen van uw Heer onder alle omstandigheden steeds gericht blijven". In een andere passage heeft Hij met betrekking tot dat Huis voorspeld, "In de volheid der tijden zal de Heer, door de macht van de waarheid, het voor het oog aller mensen verheerlijken. Hij zal het tot de standaard van Zijn Koninkrijk maken, het heiligdom waaromheen de schare der gelovigen zal cirkelen".

De brutale aanslag van de schenners van het Verbond van Bahá'u'lláh om in een gezamenlijke inspanning het beheer over Zijn heilige grafkamer te krijgen, en het eigenmachtig beslag leggen door de Shí'ah gemeenschap in Irak op Zijn heilige Huis in Baghdád, werden een paar jaar later zelfs aangevuld met nog een snode aanval, door een nog machtiger tegenstander, die direct was gericht tegen de eigenlijke structuur van het Bestuursstelsel (zoals door twee reeds lange tijd bloeiende Bahá'í gemeenschappen in het oosten was opgericht) en die de feitelijke ontbinding van deze gemeenschappen tot resultaat had, alsmede het in beslag nemen van de eerste Mashriqu'l-Adhkár van de Bahá'í wereld en enige bijbehorende instellingen die er reeds omheen stonden.

De moed, de geestdrift en de geestelijke vitaliteit die door deze gemeenschappen aan de dag werden gelegd; de zeer goede organisatie van hun bestuursinstellingen; de faciliteiten die voor de religieuze opvoeding en opleiding van de jeugd werden gegeven; het aanvaarden van het Geloof door een aantal russische staatsburgers met ruime opvattingen, en bezield met ideeën die nauwe verwantschap vertoonden met de leringen van het Geloof; het groeiende besef van de implicaties van zijn beginselen met hun nadruk op religie, de heiligheid van het familieleven, het instituut van het persoonlijke bezit en de verwerping van rassendiscriminatie en de stelling over de volkomen gelijkwaardigheid van de mensen - dit alles werkte samen om de achterdocht te wekken van, en later hevig verzet te kweken bij de regeringsautoriteiten, en om een van de hevigste crises in de geschiedenis van de eerste Bahá'í eeuw te doen plaats hebben.

Toen die crisis zich ontwikkelde en zich zelfs uitbreidde tot de buitengewesten Turkistán en de Kaukasus, liep dat geleidelijk uit in het opleggen van beperkte bewegingsvrijheid voor deze gemeenschappen; er vonden verhoren en arrestaties plaats van hun gekozen vertegenwoordigers; hun plaatselijke Raden en hun respectieve comité's in Moskou, 'Ishqábád, Bakú en andere plaatsen in de bovengenoemde provincies werden ontbonden, en alle Bahá'í jeugdactiviteit werd aan banden gelegd. Het leidde zelfs tot het sluiten van Bahá'í scholen, kleuterscholen, bibliotheken en openbare leeszalen, tot het verbreken van alle verbindingen met buitenlandse Bahá'ís, tot het verbeurd verklaren van Bahá'í drukpersen, boeken en documenten, tot het verbod op alle onderrichtactiviteiten, tot de afschaffing van de Bahá'í constitutie, tot het opheffen van alle plaatselijke en nationale fondsen en tot het verbod aan alle niet-gelovigen om Bahá'í bijeenkomsten bij te wonen.

In de loop van 1928 werd de wet op het onteigenen van religieuze gebouwen toegepast op de Mashriqu'l-Adhkár van 'Ishqábád. Het gebruik van dit gebouw als bedehuis bleef echter van kracht, met een huurcontract van vijf jaar, dat in 1933 door de plaatselijke autoriteiten met een zelfde periode werd verlengd. In 1938 werd de situatie in Turkistán en de Kaukasus echter snel slechter, hetgeen leidde tot de gevangenneming van meer dan vijfhonderd gelovigen - van wie velen stierven - en ook een aantal vrouwen, en tot verbeurdverklaring van hun eigendommen, gevolgd door de verbanning van verscheidene vooraanstaande leden van deze gemeenschappen naar Siberië, naar de wouden in het Poolgebied en andere plaatsen in de buurt van de Noordelijke IJszee; door de daaropvolgende deportatie van bijna alle overblijvenden van deze gemeenschappen naar Perzië vanwege hun perzische nationaliteit, en tenslotte door de volledige onteigening van de tempel zelf en de omzetting daarvan in een museum.

In Duitsland werd eveneens de opkomst en vestiging van het Bestuursstelsel van het Geloof, aan welks uitbreiding en consolidatie de duitse gelovigen in zo uitzonderlijke mate bijdroegen, spoedig gevolgd door beperkende maatregelen die, hoewel minder smartelijk dan de beproevingen die de Bahá'ís in Turkistán en de Kaukasus te verduren hadden, in feite uitliepen op de stopzetting van alle georganiseerde Bahá'í activiteiten over het gehele land in de jaren die onmiddellijk aan het huidige conflict1 voorafgingen. Het openbaar onderricht van het Geloof, met zijn onverheelde nadruk op vrede en universaliteit, en zijn verwerping van racisme, werd officieel verboden; Bahá'í Raden en hun comité's werden ontbonden; het houden van Bahá'í conventies werd verboden; de archieven van de Nationale Geestelijke Raad werden in beslag genomen; de zomerscholen werden opgeheven en het uitgeven van alle Bahá'í literatuur werd gestaakt.

In Perzië werden bovendien, los van een sporadische opleving van vervolgingen in Shíráz, Ábádih, Ardibíl, Ísfáhán en in bepaalde districten van Ádhirbáyján en Khurásán - uitbarstingen die merendeels in aantal en hevigheid beperkt bleven door het duidelijke machtsverval van de eerst zo invloedrijke Shí'ah geestelijkheid - in Perzië werden de instellingen van een zojuist opgericht, maar nog niet geconsolideerd Bestuursstelsel door de burgerlijke autoriteiten onderworpen aan beperkingen zowel in de hoofdstad als in de provincies, met de bedoeling hun omvang in te krimpen, hun vrijheid aan banden te leggen en hun funderingen te ondermijnen.

Het gestadige en volkomen onverwachts uit de verborgenheid te voorschijn treden van een hecht aaneengesmede nationale gemeenschap, gehard in tegenspoed en met een ongebroken geest, en met centra in iedere provincie van dat land; en in weerwil van de elkaar steeds opvolgende golven van onmenselijke vervolgingen, die driekwart eeuw lang over hen heen waren gespoed en hen bijkans hadden verzwolgen; de vastbeslotenheid van haar leden om de geest en de beginselen van hun Geloof te verbreiden, de literatuur op ruime schaal te verspreiden, krachtig de hand te houden aan de wetten en verordeningen, diegenen te straffen die ze overtraden en voortdurend betrekkingen te onderhouden met hun medegelovigen in het buitenland, en de gebouwen en instellingen van zijn Bestuursstelsel op te richten - dit kon niet anders dan de vrees en de vijandigheid opwekken van hen die het gezag in handen hadden, die òf het oogmerk van die gemeenschap verkeerd begrepen òf er op uit waren haar het leven onmogelijk te maken. De vasthoudendheid van de leden - die in alle voorkomende gevallen van zuiver bestuurlijke aard gehoorzaam waren aan de burgerlijke wetten van hun land - om zich te houden aan de fundamentele geestelijke beginselen, voorschriften en wetten die door Bahá'u'lláh waren geopenbaard en waarin o.a. van hen werd verlangd oprecht te zijn, hun geloof niet te verhelen, de voorschriften inzake huwelijk en echtscheiding in acht te nemen en zich van ieder soort werk op de door Hem voorgeschreven heilige dagen te onthouden, bracht hen vroeg of laat in conflict met een regime dat formeel de Islam als staatsgodsdienst van Perzië erkende en weigerde om enige erkenning te verlenen aan hen die reeds door de officiële aanhangers van die religie tot ketters waren veroordeeld.

Het sluiten van alle scholen van de Bahá'í